Leerboek oncologie
- 2025
- Boek
- Redacteuren
- J.H.J.M. van Krieken
- R.G.H. Beets-Tan
- A.J. Gelderblom
- M.J.J. Olofsen
- H.J.T. Rutten
- I.H.J.Th. De Hingh
- M.C. van Dijk - de Haan
- J.R. Kroep
- R.S. van der Post
- L.J.A. Stalpers
- Uitgeverij
- BSL Media & Learning
Over dit boek
Dit leerboek is al vele jaren een vaste waarde in het onderwijs voor medische beroepen. Met het Leerboek oncologie verkrijgen studenten geneeskunde en verpleegkunde inzicht in de nieuwste ontwikkelingen in de multidisciplinaire aanpak van kanker. Ook is het een handig naslagwerk voor (huis)artsen en verpleegkundigen die met oncologische vraagstukken te maken hebben en onderdeel zijn van een multidisciplinair team.
Het Leerboek oncologie biedt een helder inzicht in de diversiteit van oncologische problematiek: er zijn hoofdstukken over algemene aspecten van kanker, over specifieke orgaangebonden vormen van kanker en hoofdstukken over de organisatie van de zorg en begeleiding van specifieke patiëntengroepen. Het uitgangspunt is dat de patiënt door een multidisciplinair team besproken en behandeld wordt. Daarbij leidt precisiediagnostiek tot precisiebehandeling, optimaal gericht op de individuele patiënt met specifieke tumoreigenschappen.
Deze elfde druk heeft zijn unieke karakter behouden, multidisciplinair en toegesneden op de Nederlandse situatie. Nieuw is het hoofdstuk over Primaire tumor onbekend (PTO). Op basis van feedback van studenten is deze editie uitgebreid met rijk en divers online materiaal dat een inkijk geeft in de praktijk; van casuistiek en interviews tot video’s.
De redactie is uitgebreid met 5 leden uit verschillende disciplines en met als speciaal aandachtsgebied de online content.
De auteurs zijn topexpert binnen hun vakgebied, zowel in Nederland als internationaal.
Inhoudsopgave
-
Voorwerk
-
Algemene aspecten
-
Voorwerk
-
1. Fundamentele aspecten van kanker
J. H. J. M. van Krieken, R. H. Medema, A. M. Cleton-Jansen, R. S. van der PostSamenvattingGroei en differentiatie zijn essentiële eigenschappen van levende organismen. Normale groei en differentiatie zijn sterk gereguleerd. In het volwassen organisme wordt onder fysiologische omstandigheden in de meeste weefsels geen groei meer waargenomen: de aanmaak van nieuwe cellen, proliferatie, is in evenwicht met het verlies van cellen. Op celniveau gaat de proliferatie in de meeste weefsels echter levenslang door: voortdurend verdwijnen oude, gedifferentieerde cellen en worden vervangen door nieuwe, uit voorlopercellen ontstane en vervolgens gedifferentieerde cellen. In sommige weefsels, zoals beenmerg of darmslijmvlies, is de celgroei zeer actief. Deze weefsels worden gekenmerkt door de aanwezigheid van stamcellen die ongedifferentieerd zijn en proliferatieve eigenschappen behouden. Bij tumoren is sprake van ontregeling van de celgroei en -differentiatie. Alle gezwellen worden gekenmerkt door inadequate groeiregulatie. De moleculaire mechanismen die een sleutelrol spelen bij verschillende typen kanker verschillen echter sterk. Kanker is dan ook niet één ziekte, maar moet beschouwd worden als een verzamelnaam voor een grote verscheidenheid aan ziekten. -
2. Klinisch-genetische aspecten van kanker
N. Hoogerbrugge, M. J. Ligtenberg, J. Oosterwijk, M. G. Ausems, M. NielsenSamenvattingOngeveer 5 % van de meeste vormen van kanker, zoals kanker van mamma- of coloncarcinoom heeft een erfelijke oorzaak. Het gaat hierbij meestal om vormen van kanker die overerven volgens een autosomaal dominant patroon. Veel verantwoordelijke gendefecten zijn inmiddels geïdentificeerd. Het herkennen van erfelijke kanker kan bijdragen aan een betere behandeling en kan daarnaast kanker helpen voorkomen bij gezonde familieleden. In dit hoofdstuk worden de vaker voorkomende erfelijke tumorsyndromen in meer detail beschreven. -
3. Epidemiologie van kanker
V. E. P. P. Lemmens, A. M. MaySamenvattingKanker heeft een toenemende impact op de bevolking. Sinds 2008 is kanker doodsoorzaak nummer één in Nederland (CBS: www.cbs.nl). Daarnaast groeit het aantal mensen dat ieder jaar de diagnose kanker krijgt nog steeds, en neemt het aantal mensen dat nog in leven is en ooit de diagnose kanker kreeg ook gestaag toe (iknl.nl/kanker-in-2032). Vooral door de toenemende vergrijzing zal de impact van kanker de komende decennia alleen maar groter worden. Er zijn echter ook positieve ontwikkelingen. Zo neemt het aantal patiënten dat de ziekte overleeft fors toe, vooral dankzij vroegere opsporing en effectievere behandelmethoden. Er is de laatste jaren ook veel meer aandacht voor de kwaliteit van de zorg en transparantie daarvan. De patiënt staat steeds vaker centraal, wat zich uit in een grotere belangstelling vanuit de kliniek voor het meten van de kwaliteit van leven en Patient Reported Outcome Measures (PROM’s). Zonder gedegen kennis over de meest wezenlijke trends in het vóórkomen van kanker en de overleving na kanker is het echter onmogelijk om beleidskeuzes en klinische ontwikkelingen adequaat te evalueren en de juiste waarde ervan te schatten. Dit hoofdstuk gaat aan de hand van een aantal voorbeelden in op de belangrijkste trends in het vóórkomen (incidentie) van en de overleving en sterfte na kanker, en zet Nederland daar waar relevant in een internationaal perspectief. -
4. Onderzoeksmethodologie in de oncologie
J. H. J. M. van Krieken, W. Zwart, R. L. Beijersbergen, J. M. L. RoodhartSamenvattingOnderzoek naar ontstaan, beloop en behandeling van kanker heeft tot enorme verbeteringen geleid in de uitkomst van kankerbehandeling. De onderzoeksmethodologie kent verschillende fasen. Bij fundamenteel onderzoek gaat het om het begrijpen hoe kanker ontstaat en zich gedraagt, bij preklinisch onderzoek naar het vertalen van de vindingen in relevante modelsystemen, translationeel onderzoek om de verworven kennis naar de praktijk te brengen en bij klinisch onderzoek om de evaluatie van nieuwe behandelingen, inclusief kwaliteit van leven. Aan het doen van onderzoek zijn belangrijke ethische aspecten verbonden. In toenemende mate wordt, wanneer mogelijk, proefdieronderzoek vervangen door andere benaderingen. Bij klinisch onderzoek wordt als waarborg voor kwaliteit en ethische aspecten het onderzoeksprotocol getoetst door een medisch-ethische toetsingscommissie en moet de onderzoeker de toestemming van de patiënt voor deelname schriftelijk vastleggen. -
5. Beeldvorming
J. W. Kist, R. S. Puijk, I. J. C. Hartmann, M. G. E. H. Lam, M. R. Meijerink, W. V. VogelSamenvattingBeeldvorming is het vakgebied dat zich richt op diagnostische activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van afbeeldingstechnieken. Hieronder vallen de verrichtingen van de klassieke vakgebieden radiologie en nucleaire geneeskunde, die gezamenlijk een spectrum aan technieken tot hun beschikking hebben met verschillende kenmerken die in onderlinge samenhang worden toegepast. Veelgebruikte beeldvormende technieken zijn conventioneel röntgenonderzoek, echografie, computertomografie (CT), magnetic resonance imaging (MRI) en nucleair onderzoek zoals planaire scintigrafie, positronemissietomografie (PET) en single photon computed emission tomography (SPECT). Het doel van beeldvorming is niet alleen het stellen van een goede diagnose, maar ook het kiezen en sturen van de behandeling. Een logische diagnostische strategie met beeldvorming wordt per tumortype en vraagstelling samengesteld, en daarna voor ieder centrum en per patiënt geoptimaliseerd. Beeldvorming wordt niet alleen vóór maar ook tijdens een behandeling gebruikt. Door beeldsturing worden nieuwe vormen van minimaal invasieve behandeling mogelijk en kunnen belastende invasieve chirurgische ingrepen soms vervangen worden. -
6. Pathologische diagnostiek van kanker
B. M. van Hemel, P. J. van Diest, D. de Jong, E. J. M. Speel, K. Grünberg, F. J. van KemenadeSamenvattingDe pathologische diagnostiek van kanker is erop gericht om maximale informatie uit cellen en weefsels te verkrijgen om een zo precies mogelijke diagnose te stellen op basis waarvan therapie gestart kan worden. De afweging tussen minimaal invasieve cytologie en diagnostische zekerheid maakt dat meestal een biopt wordt genomen, al kan, in sommige gevallen, cytologie, beeldvorming of minder invasief onderzoek (bijv. een bloedbepaling met een tumormarker of tumorspecifiek DNA) een biopt overbodig maken. De toenemende mogelijkheden van immunohistochemie en moleculaire diagnostiek maken het mogelijk op betrekkelijk weinig weefsel toch een heel specifieke diagnose te stellen. Vanwege de toenemende identificatie van targets voor gerichte therapie worden in een multidisciplinaire moleculair tumor board (MTB) therapeutische mogelijkheden besproken.Daarnaast beoordeelt de patholoog chirurgisch-oncologische resectiepreparaten. Hiermee wordt de pathologische basis voor ‘T’ en ‘N’-stadiëring van de TNM vastgesteld (‘pTNM’), worden de snijvlakken gecontroleerd en eventuele lymfebaan- of bloedvatinvasie. In geval van neoadjuvante therapie worden effecten van eventuele chemotherapie vastgesteld. -
7. Chirurgisch-oncologische behandelingsprincipes
C. Verhoef, J. H. W. de WiltSamenvattingIn de curatieve en palliatieve behandeling van kanker neemt chirurgie nog een zeer belangrijke plaats in. Het merendeel van de genezen patiënten met kanker heeft deze genezing te danken aan goed uitgevoerde kankerchirurgie. In toenemende mate is er sprake van zogenoemd gecombineerde behandelingen, waarbij de chirurgische behandeling gecombineerd wordt met preoperatieve systemische therapie (chemotherapie, doelgerichte therapie, immunotherapie) en/of radiotherapie. Het doel van deze gecombineerde behandelingen is enerzijds het verbeteren van de lokale tumorcontrole en anderzijds de kans op metastasering op afstand te verminderen, zonder dat daarbij de morbiditeit van de behandeling ernstig toeneemt, of de kwaliteit van leven negatief wordt beïnvloed.De ontwikkeling met betrekking tot de nieuwe systeembehandelingen met behulp van doelgerichte therapie en immunotherapie gaat bijzonder snel. Preoperatieve therapieën zullen succesvoller worden en hoeven niet altijd gevolgd te worden door resectie of er is een minder grote resectie nodig.Door de verbeterde overleving na een behandeling van kanker (en de vergrijzing van de bevolking), zal het aantal cancer survivors toenemen.De rol van de chirurg zal essentieel blijven in de multidisciplinaire behandeling van patiënten met een maligne solide tumor. -
8. De rol van radiotherapie bij de behandeling van kanker
M. Verheij, L. J. BoersmaSamenvattingRadiotherapie is met chirurgie en de systeembehandeling van de medische oncologie een van de pijlers waarop de behandeling van kanker rust. Door middel van ioniserende stralen wordt het DNA in de kankercel beschadigd. Een deel van deze schade kan worden hersteld, een deel niet. Door de bestraling in kleine fracties over een langere tijd te geven, kan gezond weefsel, dat niet geheel kan worden gespaard, zich redelijk herstellen, terwijl tumorcellen dat minder goed kunnen, en bij een van de volgende delingen te gronde gaan. Ook door gebruik te maken van nieuwe technieken, zoals intensiteitsgemoduleerde (IMRT), beeldgestuurde (IGRT) en adaptieve (ART) radiotherapie, is het in toenemende mate mogelijk gezonde organen te beschermen en hogere doses in minder fracties aan de tumoren toe te dienen. Naast uitwendige bestraling wordt voor sommige indicaties gebruikgemaakt van brachytherapie, een bestralingstechniek waarbij radioactieve bronnen in het lichaam worden gebracht. Radiotherapie is steeds vaker onderdeel van een combinatiebehandeling, zoals chemo-, bio- of immunoradiotherapie. Recent is protonenbestraling in Nederland voor een aantal indicaties beschikbaar gekomen. Ten slotte is radiotherapie essentieel als palliatieve behandeling, om klachten te bestrijden of te voorkómen bij patiënten die niet meer kunnen genezen. -
9. Medisch-oncologische behandeling
F. A. L. M. Eskens, M. J. Boers-Sonderen, V. C. G. Tjan-Heijnen, C. H. Smorenburg, H. Westdorp, J. B. A. G. HaanenSamenvattingDe medisch-oncologische of systemische behandeling van kanker is naast chirurgie en radiotherapie een essentiële pijler voor patiënten met deze ziekte. De afgelopen jaren heeft de systemische behandeling grote veranderingen laten zien. Hoewel voor veel patiënten een behandeling met klassieke chemotherapie of antihormonale therapie nog steeds de hoeksteen van behandeling vormt, is met doelgerichte of targeted therapie, tumorcelreceptor-specifieke antilichamen, al dan niet in de vorm van antibody drug-conjugaten (ADC) en immunotherapie een aantal belangrijke nieuwe behandelopties beschikbaar gekomen. Hierdoor is de behandeling voor veel patiënten revolutionair veranderd, en zijn de vooruitzichten voor specifieke groepen patiënten aanzienlijk verbeterd. De plaats van de systemische behandeling, ten opzichte van chirurgie of bestraling, onafhankelijk welke intentie deze heeft, is tot op de dag van vandaag onderhevig aan veranderingen. De volgorde van toepassing en combinaties van middelen of modaliteiten worden onderzocht om daarmee te pogen het behandelresultaat voor patiënten verder te verbeteren. Nadat verschillende soorten systemische behandelingen zijn besproken, worden de definities omtrent indicatiestelling afzonderlijk besproken. -
10. Paraneoplastische syndromen
B. B. M. Suelmann, E. J. van DijkSamenvattingParaneoplastische syndromen zijn complexen van verschijnselen die kunnen optreden als gevolg van een onderliggende maligniteit. Deze syndromen worden per definitie niet veroorzaakt door ingroei van een tumor of metastasen, een infectie, ischemie, metabole stoornissen, voedingsdeficiënties of door oncologische systemische therapie. Paraneoplastische syndromen komen vaker voor dan we denken, maar de incidentie wisselt sterk per syndroom en per tumortype. Een grote diversiteit aan orgaansystemen kan worden aangedaan, met een grote variatie aan symptomen. Voorbeelden van paraneoplastische syndromen zijn anemie en het anorexie-cachexiesyndroom, die vaak in een laat stadium van de ziekte bij veel tumoren voorkomen, en hypercalciëmie op basis van endocrinologische stoornissen. Er bestaat echter ook een groot aantal zeldzame paraneoplastische syndromen, zoals de antistofgeassocieerde paraneoplastische neurologische syndromen met een incidentie van minder dan 1 % van de patiënten met een onderliggende maligniteit. -
11. Passende spoedeisende zorg bij de oncologische patiënt
J. H. Koetje, R. Altena, S. KruijffSamenvattingPatiënten met kanker kunnen door hun onderliggende ziekte of als gevolg van de oncologische behandeling onverwacht in een acute situatie terechtkomen. Daarnaast kunnen ze een ander acuut probleem ontwikkelen dat losstaat van de kankerdiagnose of -behandeling. Een acute medische situatie kan ook juist de eerste presentatie zijn van een tot dan toe nog onbekende maligniteit. Voor sommige aandoeningen is een snelle herkenning en behandeling van groot belang. Daarnaast is het erg belangrijk om geïnformeerd te zijn over de prognose van de patiënt. Bij patiënten met vergevorderde kanker moet passende zorg geboden worden. Dat wil zeggen dat de zwaarte van de behandeling in verhouding is met de levensverwachting en, nog belangrijker, de kwaliteit van leven. -
12. Late effecten na behandeling van kanker
J. Wilbers, G. O. R. J. Janssens, L. C. M. Kremer, J. Nuver, D. J. van SpronsenSamenvattingVerbeteringen in diagnostiek en behandeling hebben ertoe geleid dat het genezingspercentage van zowel kinderen als volwassenen met kanker is toegenomen. Late effecten van behandeling van kanker variëren van mild tot zeer ernstig, zijn vaak niet reversibel en kunnen leiden tot een verhoogde mortaliteit. De schade aan de organen kan zich uiten in klinische symptomen, maar ook als subklinische of asymptomatische afwijkingen. Het vroeg opsporen en tijdig behandelen van deze subklinische afwijkingen kan belangrijk zijn om verdere verergering te voorkomen of te vertragen. In dit hoofdstuk worden zowel belangrijke late effecten van behandelingen van kanker bij volwassenen als van kanker op de kinderleeftijd besproken. -
13. Oncologie bij jongvolwassenen (AYA’s)
S. E. J. Kaal, O. Husson, K. E. Messelink, C. C. M. Beerendonk, D. J. S. Dona, E. Manten-Horst, W. T. A. van der GraafSamenvattingIn Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 3900 jongvolwassenen tussen de 18 en 39 jaar voor het eerst de diagnose kanker. Zij worden, analoog aan de internationale literatuur, AYA’s genoemd, wat staat voor Adolescents and Young Adults. Zij vormen een aparte patiëntengroep vanwege unieke aspecten op het gebied van tumorepidemiologie, genetica en hun psychosociale en lichamelijke ontwikkelingsfase. Kanker en de behandeling ervan gaan gepaard met leeftijdsspecifieke behoeften, bijvoorbeeld op het gebied van fertiliteit, identiteit, relaties, intimiteit, seksualiteit, studie en werk. Leeftijdsspecifieke zorg dient geïntegreerd met medisch-technische zorg beschikbaar te zijn voor alle AYA’s. In dit hoofdstuk worden AYA-specifieke aspecten en de organisatie van zorg in netwerkverband beschreven. -
14. Geriatrische oncologie
J. E. A. Portielje, N. A. de Glas, F. van den BosSamenvattingKanker is een ziekte die vooral voorkomt op hogere leeftijd en het aantal ouderen met kanker zal door de vergrijzing verder toenemen in de komende jaren. Oudere patiënten met kanker vragen een andere benadering dan jongere patiënten, omdat de kanker zich vaak voordoet in de context van andere verouderingskenmerken, zoals comorbiditeit, verminderd fysiek en cognitief functioneren en een beperkt sociaal netwerk. Deze factoren maken dat er grote verschillen zijn tussen patiënten, en dit moet meegenomen worden in de keuze voor oncologische behandelingen. Daarom wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de behandeling van kanker in de context van fysiologische veroudering.
-
-
Speciële oncologie: vroege opsporing, diagnostiek en behandeling van kanker
-
Voorwerk
-
15. Hoofd-halskanker
S. Keereweer, S. Koljenović, R. Gahrmann, E. van Meerten, M. A. M. Mureau, A. van Veen, G. M. Verduijn, R. J. Baatenburg de JongSamenvattingHoofd-halskanker staat wereldwijd op de zesde plaats van meest voorkomende kwaadaardige tumoren. De behandeling bestaat voornamelijk uit chirurgie en/of radiotherapie, waarbij de radiotherapie eventueel aangevuld wordt met chemotherapie. Veelal gaan deze behandelingen gepaard met aanzienlijke morbiditeit en toxiciteit. De impact op de functionaliteit en cosmetiek in dit delicate gebied heeft doorgaans grote gevolgen voor de kwaliteit van leven. De complexe en multidisciplinaire behandeling van patiënten met hoofd-halskanker dient plaats te vinden in een erkend hoofd-hals oncologisch centrum. -
16. Tumoren van de long, mediastinum en pleura
E. A. Kastelijn, F. M. N. H. Schramel, J. G. J. V. Aerts, F. N. Hofman, C. A. Ambarus, S. M. G. van de Pol, H. Tekatli, L. SteinbuschSamenvattingWereldwijd is longkanker het meest voorkomende type van de solide tumoren met roken als belangrijkste oorzakelijke factor. Longkanker is een van de meest fatale vormen van kanker in de wereld. Het verkrijgen van weefsel voor het stellen van de diagnose en het verrichten van een mutatieanalyse en eiwitexpressie is van groot belang voor de keuze van de behandeling. Doelgerichte therapie en immunotherapie hebben de behandeling en prognose van de patiënten met longkanker aanzienlijk verbeterd en krijgen een steeds grotere rol in de behandeling van longkanker. -
17. Oesofagus- en maagcarcinoom
B. P. L. Wijnhoven, W. B. Nagengast, B. Mostert, N. C. T. van Grieken, M. Verheij, J. van SandickSamenvattingIn Nederland stijgt de incidentie van het adenocarcinoom van de oesofagus bij een gelijkblijvende incidentie van het plaveiselcelcarcinoom. De incidentie van het maagcarcinoom neemt sterk af. De diagnose wordt gesteld door oesofagogastroscopie met biopsie, waarna met computertomografie van thorax en abdomen en positronemissietomografie het ziektestadium goed kan worden bepaald en een behandelplan kan worden opgesteld. Een op curatie gerichte behandeling van slokdarmkanker bestaat uit een slokdarmresectie, veelal gecombineerd met neoadjuvante therapie, of uit definitieve chemoradiotherapie. Voor maagkanker bestaat de curatieve behandeling uit perioperatieve chemotherapie en een maagresectie. De palliatieve behandeling is gericht op het verminderen van ziektegerelateerde symptomen en levensverlenging middels systemische chemotherapie. Een zelfontplooibare stent of radiotherapie is een veelgebruikte palliatieve behandeling voor passageklachten als gevolg van slokdarmkanker. Gezien de diversiteit aan diagnostische mogelijkheden en het grote aantal, deels curatieve en deels palliatieve behandelingsopties, dient iedere patiënt met een oesofagus- of maagcarcinoom te worden besproken in, en behandeld door een multidisciplinair team van specialisten, zodat een optimaal en individueel behandelplan kan worden opgesteld en uitgevoerd. -
18. Tumoren van lever, galwegen en pancreas
K. F. D. Kuhlmann, J. Hagendoorn, T. E. Buffart, O. R. C. Busch, J. W. WilminkSamenvattingDe behandeling van tumoren van lever, galwegen en pancreas vereist een ervaren multidisciplinair team en vindt plaats in expertisecentra. De behandeling bestaat veelal uit combinaties van chirurgie, systemische therapie, (percutane) interventies en radiotherapie en is uitdagend. Diagnostiek is essentieel voor het maken van een optimaal behandelplan en (interventie)radiologen en nucleair geneeskundigen hebben daarom een belangrijke rol in het team. In dit hoofdstuk komt de multidisciplinaire aanpak van tumoren van lever, galwegen en pancreas aan bod. -
19. Tumoren van dunne en dikke darm
P. J. Tanis, R. G. H. Beets-Tan, H. M. U. Peulen, I. D. Nagtegaal, M. Koopman, T. M. van GinhovenSamenvattingMaligne dunnedarmtumoren zijn zeldzaam en worden vaak toevallig ontdekt. Chirurgie is de primaire behandeling; systemische therapie wordt in specifieke gevallen toegepast. Dikkedarmkanker (colorectaal carcinoom) komt veel voor en vereist stadiëring na diagnose via colonoscopie. Stadium I-tumoren kunnen soms lokaal worden verwijderd. Bij de overige stadium I en stadium II-III is chirurgische resectie met lymfeklierverwijdering de primaire behandeling. Aanvullende chemotherapie is geïndiceerd bij T4-tumoren met MSS of N1-2-status. Voor rectumcarcinoom bepaalt MRI het risico op onvolledige resectie en recidief; preoperatieve radio- en chemotherapie kunnen nodig zijn. Soms is chirurgie niet meer nodig bij complete respons. Nieuwe therapieën streven naar betere uitkomsten. Follow-up richt zich op het opsporen van metastasen of nieuwe tumoren. Curatieve behandeling van metastasen kan chirurgisch of via thermale/radiotherapeutische technieken. In palliatieve setting is behoud van levenskwaliteit essentieel. Immunotherapie wordt slechts bij een kleine groep patiënten ingezet. -
20. Maligne beentumoren
A. J. Gelderblom, P. C. W. Hogendoorn, M. A. J. van de Sande, L. M. Wiltink, K. van Langevelde, R. J. P. van der WalSamenvattingDe ‘meest’ frequente maligne beentumoren zijn het osteosarcoom, chondrosarcoom en ewingsarcoom, waarvan het osteosarcoom en ewingsarcoom voornamelijk voorkomen bij kinderen en jongvolwassenen, terwijl het chondrosarcoom vrijwel uitsluitend op volwassen leeftijd voorkomt. De prognose wordt bepaald door het type van de tumor, de lokalisatie, de uitbreiding en het stadium van de ziekte (metastasen). De diagnose start met beeldvorming (conventionele röntgenopnamen en MRI), vaak reeds in hiervoor gespecialiseerde centra voorafgaande aan een biopsie, waarna analyse van metastasering door middel van CT-thorax en voor bepaalde indicaties 18 F-FDG-PET-CT. Dan volgt altijd multidisciplinair overleg in een van de hiervoor gespecialiseerde centra, waarin de (multidisciplinaire) behandeling en follow-up wordt afgesproken. Patiënten met tumoren die gevoelig zijn voor chemotherapie (osteosarcoom en ewingsarcoom) starten met neoadjuvante chemotherapie gevolgd door chirurgie voor de lokale tumorcontrole, daarna postoperatieve chemotherapie en soms ook nog radiotherapie. Bij tumoren ongevoelig voor chemotherapie (chondrosarcoom) is tot nu toe adequate chirurgie de enige optie. De uiteindelijke prognose wordt bepaald door de respons op chemotherapie en lokale tumorcontrole, maar vooral ook door het ontstaan van (long)metastasen. -
21. Maligne tumoren van de weke delen
W. T. A. van der Graaf, J. V. M. G. Bovée, R. L. M. Haas, D. J. GrünhagenSamenvattingMaligne tumoren van de wekedelen (sarcomen) vormen samen een scala van heel verschillende tumoren van mesenchymale herkomst. Het is essentieel de diagnose op een juiste wijze te stellen, waarbij zo veel mogelijk informatie uit het biopt verkregen moet worden, met een belangrijke rol voor immuunhistochemie en moleculaire diagnostiek. De standaardbehandeling bestaat uit chirurgie, vaak aangevuld met radiotherapie. Indien ledemaatsparende chirurgie niet primair mogelijk is, is geïsoleerde ledemaatperfusie met melfalan en TNF-α te overwegen. Chemotherapie is geen standaardonderdeel van de primaire behandeling, tenzij er sprake is van een rabdomyosarcoom op kinder- en jongvolwassen leeftijd of van een (extraossaal) ewingsarcoom of extraskeletaal osteosarcoom. Bij het gemetastaseerde wekedelensarcoom is er plaats voor palliatieve chemotherapie, met als meest effectieve cytostatica doxorubicine en ifosfamide. Nieuwe kennis van tumorbiologie in wekedelensarcomen heeft geleid tot meer inzicht in de verscheidenheid aan diagnoses en mogelijke behandelingsmogelijkheden. Daarnaast zijn de gevonden mutaties in gastro-intestinale stromale tumoren (GIST) een goed doelwit van diverse doelgerichte behandelingen. -
22. Huidtumoren
R. van Doorn, A. C. J. van Akkooi, M. R. van Dijk, J. B. A. G. HaanenSamenvattingMaligne huidtumoren, waaronder basaalcelcarcinoom, plaveiselcarcinoom en melanoom, zijn de meest voorkomende vormen van kanker. Ultraviolette (UV) straling is een belangrijke oorzaak van deze tumoren, aangezien het DNA-schade kan veroorzaken. De huid beschermt zich deels door pigmentatie en DNA-herstelprocessen. Voorlichting over het vermijden van overmatige UV-blootstelling kan huidkanker helpen voorkomen. Minder voorkomende huidtumoren zijn onder andere merkelcelcarcinoom en cutaan T-cellymfoom. Diagnostiek gebeurt door herkenning van (pre)maligne tumoren, vaak bevestigd met histopathologisch onderzoek van een huidbiopt. De meeste huidtumoren worden chirurgisch behandeld, maar alternatieven zoals radiotherapie en fotodynamische therapie zijn ook mogelijk. Melanoom kan door tijdige behandeling en herkenning worden voorkómen, wat de invasie en metastasering stopt. De prognose van gemetastaseerd melanoom is verbeterd door immuuncheckpointremmers en gerichte therapieën, zoals BRAF- en MEK-remmers, die ook bij andere gemetastaseerde huidkankers effectief zijn. -
23. Mammatumoren
G. J. Liefers, A. N. Scholten, P. H. M. Elkhuizen, S. C. Linn, C. P. Schröder, C. J. van Asperen, P. J. van Diest, H. M. ZonderlandSamenvattingHoewel de incidentie van mammacarcinoom toeneemt, neemt de sterfte in de westerse wereld af, dankzij verbeterde vroegdiagnostiek en adjuvante systemische therapieën. Vroegdiagnostiek bestaat uit bevolkingsonderzoek en genetische screening, waarbij genmutaties vroegtijdig worden opgespoord, wat leidt tot maatwerk in screening en behandeling. Moleculair-genetisch onderzoek maakt het mogelijk om de behandeling af te stemmen op het risicoprofiel van de patiënt. Verbeterde neoadjuvante therapieën zorgen voor betere kwaliteit van leven, met meer borstsparende behandelingen en reconstructieve chirurgie. Na de primaire behandeling worden micrometastasen bestreden met adjuvante therapie. Vroege detectie van recidieven of nieuwe tumoren kan bij afwezigheid van afstandsmetastasen alsnog curatie mogelijk maken. Echter, curatie bij metastasen op afstand is meestal niet haalbaar, al heeft een klein percentage van de patiënten met metastasen een lange overleving. Multidisciplinair overleg, goede voorlichting en begeleiding zijn essentieel voor optimale zorg op maat. -
24. Tumoren van de vrouwelijke geslachtsorganen
R. L. M. Bekkers, E. M. G. van Esch, I. O. Baas, M. Lentjes, D. Haverkort, B. F. M. SlangenSamenvattingNa het bestuderen van dit hoofdstuk heeft de lezer kennisgenomen van de laatste ontwikkelingen in de gynaecologische oncologie in Nederland. Op het gebied van preventie is er grote voortuitgang geboekt bij cervix- en ovariumcarcinoom. Door het vaccineren van jonge meisjes tegen humaan papillomavirus(HPV)-infecties vindt primaire preventie van cervixcarcinoom plaats, en door het aanbieden van opportunistische tubectomie in de algehele bevolking en preventieve adnexextirpatie in de hoogrisico-populatie, met name draagsters van de BRCA-mutatie, kan de incidentie van ovariumcarcinoom op termijn worden teruggedrongen. De preventie van vulva- en endometriumcarcinoom blijkt nog niet effectief (o.a. door populatie-effecten), aangezien beide tumoren per jaar nog in aantal toenemen. In de behandeling zijn er ook nieuwe ontwikkelingen gaande. Bij het cervixcarcinoom is er een trend naar minimaal invasief en minder radicaal opereren bij kleine tumoren en is de poortwachtklierdiagnostiek in ontwikkeling. Bij ovariumcarcinoom heeft de verwarmde chemotherapiespoeling tijdens de interval debulking zijn intrede gedaan (Ovhipec), naast de al bestaande intra-peritoneale chemotherapie. Ook in de eerste- en verdere lijnen behandeling met systemische therapie van het ovariumcarcinoom wordt doelgerichte therapie inmiddels regulier toegepast. Bij het endometriumcarcinoom vindt na de intrede van minimaal invasieve chirurgie steeds verdere differentiatie plaats, in met name de nabehandeling, op basis van nieuwe moleculaire tumorprofielen. Bij het vulvacarcinoom is na introductie van de poortwachtklierdiagnostiek de nabehandeling bij een positieve poortwachtklier in verdere ontwikkeling. Het gehele vakgebied overziende wordt er steeds vaker gekozen voor een multimodaliteitstherapie die sterk gericht is op individuele, genetische, en moleculaire bases, waarbij personalised medicine steeds beter vorm krijgt. Organisatorisch vindt verdere concentratie van zorg plaats, waarbij behandeling centraal plaatsvindt wanneer dat moet, en voordelen heeft voor de patiënt, en dicht bij huis wanneer dat kan. Dit betekent dat er netwerken van zorg zijn gevormd rond de negen gynaecologisch-oncologische centra, waarin samenwerking en onderling verwijzen tot de beste zorg leiden. -
25. Tumoren van de urinewegen
R. J. A. van Moorselaar, B. R. Pieters, G. J. L. H. van Leenders, O. R. Brouwer, J. A. Gietema, I. G. Schoots, A. M. BergmanSamenvattingUrologische tumoren komen frequent voor, vooral bij de man. Volgens de Nederlandse Kankerregistratie in 2023 staat onder de tien meest voorkomende maligne tumoren bij de man het prostaatcarcinoom op de eerste plaats, het blaascarcinoom op de zesde plaats en het niercelcarcinoom op de negende plaats. Bij jonge mannen is testiscarcinoom de meest voorkomende tumor. Bij de vrouw zijn urologische tumoren zeldzamer, het blaascarcinoom komt op de tiende plaats qua incidentie in Nederland. Urologische tumoren zullen door vergrijzing van de bevolking nog verder toenemen. Naast leeftijd spelen omgevingsfactoren, zoals roken, voeding en overgewicht, een belangrijke rol bij deze toenemende incidentie. De diagnostische mogelijkheden nemen toe door toepassing van MRI- en PET-scans. Therapeutisch zijn vele vorderingen gemaakt, behalve operatieve vernieuwingen ook op het gebied van de radiotherapie, chemotherapie en immunotherapie. -
26. Tumoren van het centrale zenuwstelsel
C. M. F. Dirven, M. J. van den Bent, J. J. C. Verhoeff, P. Wesseling, W. P. Vandertop, K. M. Slot, E. M. BosSamenvattingTumoren van het centrale zenuwstelsel (CZS) worden onderverdeeld in primaire tumoren en secundaire tumoren. Gliomen, meningeomen en tumoren uitgaande van zenuwen (schwannomen en neurofibromen) zijn de meest frequent voorkomende primaire CZS-tumoren. Het merendeel van de gliomen is hooggradig en er is voor deze groep geen curatieve behandeling. Laaggradige astrocytomen en oligodendrogliomen hebben een minder agressief beloop. De behandeling bestaat uit chirurgische resectie gevolgd door radio- en chemotherapie. Laaggradige gliomen vertonen na verloop van jaren vaak maligne transformatie naar een hogere graad. Meningeomen zijn meestal traag groeiende, niet-infiltrerende, goedaardige tumoren, waarvoor de primaire behandeling bestaat uit neurochirurgische resectie. Schwannomen en neurofibromen gaan uit van schwanncellen in (hersen)zenuwen of zenuwwortels. De behandeling is neurochirurgisch, waarbij in het geval van een schwannoom de zenuw vaak gespaard kan blijven, maar deze bij een neurofibroom opgeofferd moet worden. Hersenmetastasen kunnen enkelvoudig of multipel voorkomen en de incidentie ligt hoger dan die van primaire hersentumoren. De behandeling van eerste keuze voor hersenmetastasen hangt af van de aanwezigheid van effectieve systemische behandelingsopties. De andere belangrijke behandelingsmodaliteit is bestraling. -
27. Endocriene tumoren
G. D. Valk, R. S. van Leeuwaarde, M. J. C. van Treijen, W. T. Zandee, M. Medici, H. W. Kapiteijn, M. N. Kerstens, H. J. L. M. Timmers, O. M. Dekkers, R. A. Feelders, N. R. Biermasz, J. Hofland, W. W. de Herder, A. M. PereiraSamenvattingHet endocriene systeem verzorgt de informatie-uitwisseling in het lichaam voor het reguleren van de activiteit van cellen en weefsels. Endocrien actieve cellen komen in het hele lichaam voor. Binnen het endocriene systeem is er een klein aantal klassieke endocriene organen die hormonen produceren en afgeven. In de hersenen betreft dit de adenohypofyse die adrenocorticotroop hormoon (ACTH), thyroïdstimulerend hormoon (TSH), luteïniserend hormoon (LH), follikelstimulerend hormoon (FSH), prolactine en groeihormoon produceert; de neurohypofyse die antidiuretisch hormoon (ADH) en oxytocine produceert; de hypothalamus die ‘releasing’ en remmende hormonen produceert, en als zodanig de functie van de hypofyse reguleren. In de rest van het lichaam zijn de klassieke endocriene organen de schildklier, de bijschildklieren, de bijnieren, de ovaria en testes en de pancreas. In de tractus digestivus en respiratorius zijn er diverse typen neuro-endocriene cellen die dienen als chemo- en mechanoreceptoren. Verder zijn organen die oorspronkelijk niet beschouwd werden als hormoonproducerend, zoals het vetweefsel en het bot, onderdeel van het endocriene systeem. -
28. Tumoren van de oogleden, ogen en orbita
R. M. Verdijk, M. Marinkovic, R. O. B. de Keizer, A. C. MollSamenvattingHet aantal tumorsoorten (benigne en maligne) dat kan uitgaan van de oogleden, ogen en orbita is groot. Een deel van de tumoren in oogheelkundig gebied is zeer zeldzaam en een deel heeft een hoge incidentie. De meeste primaire maligne tumoren gaan uit van het ooglid of van het inwendige van het oog. De diagnose en behandelingsmodaliteiten van met name de primaire maligniteiten in oogheelkundig gebied worden besproken. Het basaalcelcarcinoom is de meest voorkomende maligniteit van het ooglid. Van de primaire intraoculaire maligniteiten is bij volwassenen het melanoom van de uvea de meest voorkomende tumor. De meest voorkomende primaire intraoculaire tumor bij kinderen is het retinoblastoom. Primary acquired melanosis met atypie en naevi van de conjunctiva zijn precursor laesies die kunnen ontaarden in maligne melanoom van de conjunctiva. Melanomen in de uvea en van de conjunctiva zijn zeldzaam. Dit geldt ook voor orbitatumoren. Patiënten met tumoren in de orbita hebben veelal last van periorbitale drukpijn, tranen, proptosis, roodheid en zwelling en ptosis. Meestal betreft het inflammatoire aandoeningen, minder vaak primaire maligniteiten. Metastasen zijn de meest prevalente maligniteiten in de orbita en in het oog. Verder kunnen tumoren doorgroeien vanuit een aangrenzende paranasale sinus of vanuit intracraniaal. -
29. Leukemieën en het myelodysplastisch syndroom
G. A. Huls, M. H. G. P. RaaijmakersSamenvattingIn toenemende mate wordt de keuze van behandeling bij leukemieën bepaald door de gegevens die voortkomen uit gedetailleerd immunologisch, cytogenetisch en moleculair-diagnostisch onderzoek. Deze onderzoeken vinden plaats voorafgaand aan de behandeling en geven inzicht in het genotype van de leukemie en verschaffen belangrijke prognostische informatie. De therapie van leukemieën is in de loop der tijd diverser en geraffineerder geworden. Het therapeutisch arsenaal omvat, afhankelijk van het (sub)type leukemie, een gevarieerd scala aan chemotherapeutica, combinatiechemotherapie van uiteenlopende dosisniveaus, autologe en allogene stamceltransplantatie in tal van varianten, doelwittherapie gericht tegen bepaalde oncogenen (bijv. retinoïnezuur, imatinibmesylaat, midostaurine), nieuwe klassen van geneesmiddelen, zoals de IDH 1- en 2-blokkers (ivosidenib, enasidenib), toepassing van monoklonale antilichamen gericht tegen bepaalde differentiatiemarkers en daarnaast passende ondersteunende maatregelen (transfusie, antibiotica, antimycotica). -
30. Maligne aandoeningen van het lymfatische systeem
D. de Jong, S. H. Tonino, L. I. Kroeze, W. J. Plattel, B. M. P. Aleman, N. W. C. J. van de DonkSamenvattingMaligne lymfomen zijn een diverse groep kwaadaardige aandoeningen van het lymfatisch systeem, die variëren van indolente tot zeer agressieve vormen. Het klassieke hodgkinlymfoom (CHL) komt vooral voor bij jongere mensen, terwijl non-hodgkinlymfomen (NHL) vaak op latere leeftijd worden gediagnosticeerd. Met behulp van verschillende diagnostische technieken kunnen ongeveer 70 ziekte-entiteiten worden onderscheiden, elk met hun eigen kliniek, behandeling en prognose. Maligne lymfomen presenteren zich vaak als pijnloze lymfeklierzwellingen. Stadiëringsonderzoek is essentieel om de behandeling te bepalen. De behandeling van HL is succesvol, met een genezingspercentage van meer dan 85 %. Voor B-cel NHL heeft de toevoeging van rituximab de prognose sterk verbeterd. Bij indolente lymfomen zijn verschillende behandelopties beschikbaar, terwijl agressievere lymfomen intensieve chemotherapie vereisen, wat leidt tot een genezing van ongeveer 60 %. Nieuwe behandelingsopties zoals gerichte therapieën en immunotherapie, zoals CAR-T-cellen, zullen de behandeling van lymfomen de komende jaren verder verbeteren. -
31. Oncologie bij kinderen
J. H. M. Merks, S. L. A. Plasschaert, H. E. Karim-Kos, J. Stutterheim, C. van den BosSamenvattingDe afgelopen decennia is de kans op genezing voor een kind met kanker fors gestegen, dankzij toepassing van intensieve chemo- en radiotherapie en chirurgie in goed opgezette klinische studies. Ondanks deze forse verbetering zijn er nog steeds groepen patiënten met een slechte prognose. De behandeling van kinderen met kanker in Nederland is sinds juni 2018 gecentraliseerd in het Prinses Máxima Centrum voor Kinderoncologie in Utrecht, in nauwe samenwerking met een netwerk van geselecteerde shared care centra in academische en algemene ziekenhuizen. In het Prinses Máxima Centrum zijn zorg en research gecentraliseerd en samengebracht met als doel uiteindelijk elk kind met kanker te genezen met optimale kwaliteit van leven. Omdat de vaak intensieve behandeling gegeven wordt aan kinderen in groei en ontwikkeling met een vaak goede en lange levensverwachting, is de kans op het ontstaan van late gevolgen na de behandeling groot. Het voorkómen van deze late gevolgen door de juiste therapiekeuzes, alsmede een toegesneden en langdurige follow-up, is daarmee een essentieel onderdeel van de kinderoncologische zorg. -
32. Primaire tumor onbekend
A. J. van de Wouw, L. I. Kroeze, L. A. S. ScheffersSamenvattingPrimaire Tumor Onbekend (PTO), of in het Engels Carcinoma of Unknown Primary (CUP), betekent dat er bij patiënten pathologisch bewezen metastasen zijn gevonden, waarbij het niet duidelijk is waar de primaire tumor is gelokaliseerd. Het blijft een diagnose ‘per exclusionem’, wat inhoudt dat er eerst verschillende onderzoeken gedaan worden om de origine te achterhalen: in ieder geval in eerste instantie een (PET)CT-scan en uitgebreide immunohistochemische analyse door de patholoog en daarna whole exome sequencing (WES), whole genome sequencing (WGS), in kaart brengen DNA-sequentie of RNA-analyse. Pas als met deze onderzoeken de primaire tumor niet wordt gevonden, is er sprake van definitieve PTO. Deze diagnose levert problemen op bij de diagnostiek, de behandeling, maar ook het begeleiden van deze patiënten. In dit hoofdstuk zullen deze zaken aan de orde komen.
-
-
Begeleiding, verpleging en palliatie
-
Voorwerk
-
33. Psychosociale zorg voor de patiënt met kanker
M. H. M. van der Linden, M. A. Tuinman, M. van der LeeSamenvattingDe psychosociale zorg is tegenwoordig niet meer weg te denken als integraal onderdeel van de totale zorg voor de patiënt met kanker. Elke fase in het ziektetraject kan voor een patiënt met kanker specifieke problemen meebrengen, waarvoor deskundige psychologische zorg of psychosociale ondersteuning nodig is, naast de medische, verpleegkundige en paramedische zorg. Een groot deel van de patiënten blijkt goed in staat met hulp van de specialist, verpleegkundige en huisarts en de mensen uit zijn omgeving de fysieke, psychologische en sociale gevolgen van de ziekte te verwerken. Een ander deel heeft daarvoor professionele zorg nodig. Goede signalering van wie dat zijn, tijdige verwijzing en psychologische interventies en/of psychosociale ondersteuning dragen bij aan het welzijn van deze groep patiënten. Het goed informeren, voorlichten en ondersteunen zoals bij het nemen van beslissingen over en tijdens de behandeling dragen bij aan het functioneren van alle patiënten die te maken krijgen met kanker, evenals het zorg dragen voor continuïteit in de zorg en overdracht tussen zorgverleners. Ook voor naasten moet er specifiek aandacht zijn. -
34. Onderzoek naar de kwaliteit van leven van patiënten met kanker
L. V. van de Poll-Franse, J. B. Prins, I. M. Verdonck-de LeeuwSamenvattingHet aantal mensen dat (lang) na de diagnose kanker leeft, neemt sterk toe. Hierdoor is er meer aandacht ontstaan voor de lichamelijke, psychische en sociale gevolgen die kanker en de behandeling meebrengen. De situatie waarin de gezondheidstoestand van een patiënt of een groep patiënten gemeten wordt, bepaalt in belangrijke mate wie de kwaliteit van leven beoordeelt, met welk meetinstrument en op welke wijze. Het meten van verandering in kwaliteit van leven stelt bijzondere eisen aan het analyseren en interpreteren van de resultaten. Internationale richtlijnen voor het evalueren en rapporteren bewaken een zorgvuldige benadering van kwaliteit van leven in de klinische praktijk en het wetenschappelijk onderzoek. -
35. Behandeling van pijn en andere symptomen bij de patiënt met kanker
A. de Graeff, K. C. P. VissersSamenvattingBehandeling van patiënten met kanker is gericht op de ziekte en/of op symptomen en problemen ten gevolge van de ziekte of van de behandeling daarvan. Dit geldt zowel voor de curatieve als voor de palliatieve fase. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de symptoomgerichte behandeling. In de curatieve fase spreekt men hierbij van supportive care, in de palliatieve fase van palliatieve zorg. Eerst wordt ingegaan op symptomen en algemene principes van symptoombehandeling. Daarna wordt een aantal veelvoorkomende symptomen (pijn, vermoeidheid, misselijkheid en braken, obstipatie en dyspneu) besproken. Tenslotte wordt aandacht besteed aan de stervensfase aan beslissingen rond het levenseinde. -
36. Voeding en de patiënt met kanker
S. Beijer, A. H. ten Have, A. Kok, D. E. Kok, R. M. WinkelsSamenvattingIn 2018 heeft het World Cancer Research Fund (WCRF) samen met het American Institute for Cancer Research (AICR) de derde editie van het gerenommeerde expert rapport Diet, nutrition, physical activity and cancer: a global perspective uitgebracht. De belangrijkste conclusie uit het rapport is dat ongeveer 30 tot 50 % van alle kankergevallen voorkomen zou kunnen worden door niet te roken, een gezond gewicht, gezonde voeding en voldoende lichamelijke activiteit. -
37. Oncologieverpleegkunde
W. H. Oldenmenger, A. Sieljes-Vanmechelen, M. Folsche, A. Jaspers-Bakker, R. AlbersSamenvattingHet vak oncologieverpleegkunde is veelzijdig en vereist competente en betrokken verpleegkundigen. De zorg vraagt behalve verpleegtechnische kennis en kunde, vaardigheden op het gebied van communicatie en psychosociale begeleiding. Gezien de complexiteit van de zorg en het scala aan zorgprofessionals met wie patiënten en hun naasten te maken krijgen, zijn samenwerking en het waarborgen van continuïteit onontbeerlijk. Naast multidisciplinaire zorg is interdisciplinaire zorg noodzakelijk, waarbij optimaal samengewerkt wordt binnen en tussen de verschillende betrokken disciplines. Een goed opgeleide oncologieverpleegkundige is niet meer weg te denken uit het team van zorgprofessionals rondom de patiënt met kanker. Het toenemend aantal academisch geschoolde verpleegkundigen, ook binnen de oncologie, draagt bij aan het verder verbeteren en professionaliseren van de integrale zorgverlening voor patiënten met kanker. -
38. De zorg voor patiënten met kanker in de huisartsenpraktijk
D. Brandenbarg, K. M. van Asselt, M. K. DeesSamenvattingDe huisartsenpraktijk speelt een belangrijke rol in het leven van de patiënt en zijn familie bij de zorg rondom kanker. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is die rol niet beperkt tot de diagnostiek van kanker en de laatste levensfase. Ook bij preventie van kanker, tijdens de behandeling van een follow-upperiode na kanker is de huisartsenpraktijk betrokken bij de zorg voor de patiënten en hun naasten. In dit hoofdstuk wordt de rol van de huisartsenpraktijk in alle fasen beschreven. Omdat de zorg in de laatste levensfase vaak volledig in handen van de huisarts is, wordt er in dit hoofdstuk extra aandacht besteed aan tijdig praten over het levenseinde, palliatieve zorg, de stervensfase, palliatieve sedatie en euthanasie. -
39. Preventie
L. A. L. M. Kiemeney, W. J. J. Assendelft, A. Vrieling, M. de Bruin, L. M. BuffartSamenvattingPreventie heeft de afgelopen decennia niet echt in de schijnwerpers gestaan, maar het tij is aan het keren. Door de sterke vergrijzing van de Nederlandse bevolking tot minimaal 2040, de (dure) technologische vooruitgang en het toenemende tekort aan personeel in de zorg is er een groeiend besef dat preventie geen sluitpost mag zijn. Preventie kan zich richten op verschillende fases van de ziekte. Primaire preventie richt zich op de algemene bevolking of speciale risicogroepen die nog geen kanker hebben (denk aan vaccinatie). Secundaire preventie op groepen in de bevolking die mogelijk al een voorstadium of vroeg stadium van de ziekte hebben. Programma’s voor vroegdiagnostiek, oftewel secundaire preventie, zijn niet altijd zinvol. Voor verschillende vormen van kanker wegen de voordelen van screening op tegen de nadelen. Tertiaire preventie is gericht op het voorkómen van erger bij mensen die al met de ziekte zijn gediagnosticeerd. Er is echter weinig bekend over het nut van tertiaire preventie bij kanker. -
40. Kwaliteit en organisatie van de oncologische zorg in Nederland
M. W. J. M. WoutersSamenvattingDe zorg voor oncologische patiënten is in Nederland zo georganiseerd dat alle patiënten in gelijke mate toegang kunnen krijgen tot een optimale behandeling. Door toename van kennis en technologische mogelijkheden vindt er specialisatie plaats en daardoor ontstaat voor een aantal tumorsoorten centralisatie van complexe behandelingen. De transparantie van uitkomsten van behandelingen neemt toe. Steeds vaker worden klinische en patiëntgerapporteerde uitkomsten gebruikt om de zorg te verbeteren. Dit gebeurt op landelijk niveau in de vorm van uitkomstonderzoek ten behoeve van evidence- én practice-based richtlijnen, maar ook in de spreekkamer, waar routinematig verzamelde patiëntgerapporteerde uitkomsten worden gebruikt voor gezamenlijke besluitvorming en het monitoren van de late effecten van kankerbehandelingen. -
41. Patiëntperspectief
M. Crijns, E. M. M. van Willegen, V. Engelen, M. P. J. Evers, C. Louis-van den Broek, I. DingemansSamenvattingDe zorg voor mensen met of na kanker is door de jaren heen vooral vanuit de blik van de arts ontwikkeld en georganiseerd. De afgelopen jaren is het inzicht gegroeid dat de patiënt veel meer betrokken moet worden bij zijn eigen individuele zorgproces en bij onderzoek, beleid en innovaties. In veel ziekenhuizen staat de patiënt centraal of wordt hij beschouwd als partner. Toch is er op dit terrein nog het nodige te winnen. In dit hoofdstuk worden enkele belangrijke aspecten van het individuele en georganiseerde patiëntperspectief behandeld. -
42. Overzicht van de online content
I. H. J. Th. De Hingh, M. C. van Dijk-de Haan, J. R. Kroep, R. S. van der Post, Lukas J. A. StalpersSamenvattingIn dit hoofdstuk treft u een overzicht aan van de online content die wordt aangeboden bij Leerboek oncologie. Om toegang te krijgen tot deze content kunt u gebruik maken van de unieke activeringscode achterin dit boek.
-
-
43. Erratum bij: Tumoren van het centrale zenuwstelsel
C. M. F. Dirven, M. J. van den Bent, J. J. C. Verhoeff, P. Wesseling, W. P. Vandertop, K. M. Slot, E. M. Bos -
Nawerk
- Titel
- Leerboek oncologie
- Redacteuren
-
J.H.J.M. van Krieken
R.G.H. Beets-Tan
A.J. Gelderblom
M.J.J. Olofsen
H.J.T. Rutten
I.H.J.Th. De Hingh
M.C. van Dijk - de Haan
J.R. Kroep
R.S. van der Post
L.J.A. Stalpers
- Copyright
- 2025
- Uitgeverij
- BSL Media & Learning
- Elektronisch ISBN
- 978-90-368-3138-3
- Print ISBN
- 978-90-368-3137-6
- DOI
- https://doi.org/10.1007/978-90-368-3138-3