Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Een kinderverpleegkundige verzorgt en verpleegt kinderen die in het ziekenhuis liggen of die thuis worden verzorgd. Dit vraagt om een specifieke deskundigheid en benadering.

Een kinderverpleegkundige stemt de zorg altijd af op de specifieke situatie van het kind en werkt gedurende het ziekteproces nauw samen met ouders of verzorgenden. Een respectvolle benadering van het kind en zijn ouders is in elk facet van dit Leerboek kinderverpleegkunde het uitgangspunt.

In deze vijfde, volledig herziene druk van het Leerboek Kinderverpleegkunde heeft de redactie getracht de veranderingen in het vakgebied, de opleidingseisen en profielen in zowel Nederland als Vlaanderen weer te geven, ondersteunt door actuele websites, links en ander verdiepend materiaal. Vanuit Vlaanderen hebben meerdere auteurs een bijdrage geleverd of meegelezen. Hiermee hoopt de redactie een begin gemaakt te hebben met een boek dat zowel in Nederland als Vlaanderen kan worden gebruikt en waar studenten zich in herkennen ongeacht of de stukken in het Nederlands dan wel in het Vlaams geschreven zijn.

Nieuwe hoofdstukken zijn toegevoegd met aandacht voor o.a. family centered care, de jeugdgezondheidszorg en verpleegkundige leerlingbegeleiding in Vlaanderen en de zorg voor kinderen in het Caribische gebied.

Daarnaast zijn de nieuwste richtlijnen over acute zorg, kinderreanimatie 2017/ 2018, eventuele vroegtijdige waarschuwingen en spoedinterventie-systemen evenals alcoholintoxicatie verwerkt.

Actuele informatie over kindermishandeling, de transfer van ziekenhuis naar huis, kinderthuiszorg, transitie van zorg, worden besproken evenals delier bij kinderen, posttraumatische stresssyndroom bij kinderen en sociale wetgeving komen tevens aan bod.

Alle auteurs zijn ervaren kinderverpleegkundigen of anderszins gespecialiseerd in de zorg voor kinderen. Zij delen kun kennis en ervaring graag met wie zich wil verdiepen in wat het betekent om kinderen te verplegen.

Bc Rolinka Ulijn-ter Wal is kinderverpleegkundige, docente verpleegkunde en werkzaam in het Radboudumc Amalia kinderziekenhuis (afdeling medium care kinderen) en werkte mee aan publicaties op zowel kindergeneeskunde als kinderverpleegkunde gebied.

Bc Karien den Ridder werkte als senior opleider moeder en kind, trainer patiëntveiligheid en is niet praktiserend kinderverpleegkundige. Daarnaast werkte zij mee aan diverse publicaties op het gebied van kindergeneeskunde, kinderverpleegkunde en patiëntveiligheid en is zij erelid van V&VN Kinderverpleegkunde.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Het gezonde kind

Dit hoofdstuk bespreekt de ontwikkelingsfasen van kinderen: zuigeling, peuter, kleuter, schoolkind en puber en adolescent (par. 1.2 tot en met 1.6). Het gezin speelt een belangrijke rol bij deze ontwikkeling en bij de mogelijkheden die het kind meekrijgt voor het verdere leven. In par. 1.7 worden drie invalhoeken beschreven waarmee naar het gezin gekeken kan worden om de sterke en zwakke kanten daarvan te kunnen inschatten.
M. A. Daane

2. Jeugdgezondheidszorg in Nederland en Vlaanderen

Dit hoofdstuk beschrijft de jeugdgezondheidszorg in Nederland en Vlaanderen Er zijn veel overeenkomsten, maar ook verschillen in de manier waarop de jeugdgezondheidszorg is georganiseerd.
A. Westmaas, M. Bulcke, M. Schoofs

3. De zorg voor zieke kinderen

In dit hoofdstuk worden de intramurale zorg, de poliklinische zorg en de transmurale zorg voor het kind beschreven. Ook is er aandacht voor dagbehandeling en revalidatie. Verder besteden we aandacht aan zorg voor kinderen in de Cariben, Patient and Family Centered Care (PFCC), transfer van zorg, kinderthuiszorg en professionalisering van het beroep kinderverpleegkundige in Nederland en Vlaanderen.
I. de Kock-van Beerendonk, K. Masolijn, H. van Eenooghe, J. Wagemaker, C. van Gelder-van Ooijen, M. Nijland, N. Kok, M. Jansen, C. Sintnicolaas, V. Vermeulen-Hughes, T. Montanus, A. Meursing-de Jong, H. Vanheusden

4. Veilig thuis en in het ziekenhuis: praktische en emotionele veiligheid

In dit hoofdstuk komen meerdere onderwerpen aan de orde die elkaar raken op het gebied van fysieke en emotionele veiligheid voor kinderen, zowel in de huissituatie als in het ziekenhuis. Het gaat hierbij om veilig opgroeien (veiligheid thuis en in het ziekenhuis) en kindermishandeling. Communicatie, pijn, angst, delier en PTSS (posttraumatische stress stoornis) zijn van grote invloed op de beleving en het gevoel van veiligheid tijdens een ziekenhuisopname of onderzoek. Tot slot dragen spel, spelen en voorbereiden op onderzoek of behandeling veel bij aan de emotionele veiligheid van kinderen.
K. Masolijn, M. C. M. Schouten, E. M. van de Putte, I. Russel, M.-J. Schoofs, A. Westmaas, I. van Gorp, M. de Neef, T. Bollé, W. Jobbe-Ebbelaar, M. Mol-Rasing

5. Acute zorg

Dit hoofdstuk behandelt de acute zorg voor kinderen. Hierin wordt een gestructureerde werkwijze bij bedreiging van de vitale functies volgens de A-B-C-D-E benadering beschreven. Deze werkwijze biedt niet alleen structuur aan behandeling, maar ook aan overdracht en samenwerking in de gehele keten van zorg voor het acuut zieke kind. Hierbij worden de nieuwste richtlijnen gevolgd. De elementaire reanimatievaardighedenbij kinderen (Pediatric Basic Life Support, PBLS) wordt beschreven, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen tussen reanimatie bij zuigelingen en kinderen ouder dan 1 jaar. Verder komen onderwerpen aan de orde zoals alcoholintoxicatie, de gevolgen daarvan en de aanpak in het poliklinisch vervolgtraject. Tot slot is er aandacht voor het Spoed Interventie Systeem (SIS). Dit systeem biedt de mogelijkheid om tijdig de juiste zorg op de juiste plaats door de juiste mensen uit te voeren. Dit wordt aangevuld met de methodiek PEWS (Pediatric Early Warning Scores).
I. van Haren, A. Nusmeier, N. van der Lely, V. van Tilborg

6. De pasgeborene met gezondheidsproblemen

Dit hoofdstuk over de pasgeborene in Nederland en Vlaanderen is geen stuk over ‘in Nederland doen ze het zo en in Vlaanderen doen ze het zo’ geworden. De redactie heeft de keuze gemaakt voor een algemeen stuk dat een indruk kan geven van de zorg voor de pasgeborene in Nederland en Vlaanderen. Tenslotte is de input voor dit stuk afkomstig uit twee landen. Waar de redactie meent dat er een vermelding gedaan moet worden over een specifieke benadering, voorschrift of oplossing wordt dit wel beschreven. Zorg mag immers verschillen in verschillende landen, maar de intentie om kwaliteitszorg te leveren aan de pasgeborene en diens ouders blijft en is altijd het uitgangspunt van de redactie. In dit boek wordt rekening gehouden met de verschillende doelgroepen die het boek gebruiken. Daarbij is rekening gehouden met hierna opvolgende boeken, zoals Intensive Care Neonatologie en Specialistische zorg voor het zieke kind (zie literatuurlijst).
A. Theelen, K. De Winter

7. Kinderen met chirurgische ingrepen

Een opname in een ziekenhuis is voor veel kinderen een ervaring die grote indruk maakt. Hiermee moet rekening worden gehouden bij de zorg voor een kind dat is of wordt opgenomen voor een chirurgische ingreep. Dit hoofdstuk beschrijft de verpleegkundige zorg aan kinderen bij een aantal vormen van chirurgie, de algemene aspecten van verpleegkundige zorg rondom de preoperatieve- en postoperatieve fase, los van de verschillende aandoeningen en het inleiden van de anesthesie. Daarnaast wordt de wondzorg besproken. Het aantal opnames op afdelingen dagbehandeling is de laatste jaren flink gestegen en daarom wordt ook aan dit onderwerp aandacht besteed.
R. Ulijn-ter Wal, C. Mantel

8. Zorg bij gezondheidsproblemen door interne stoornissen

Dit hoofdstuk beschrijft de verpleegkundige zorg aan kinderen bij een aantal interne stoornissen met de daaruit voortvloeiende gezondheidsproblemen. Achtereenvolgens komen aan bod: stoornissen in voeding en uitscheiding, stoornissen aan de nieren en urinewegen, respiratie, circulatie, het bewustzijn, houding en beweging en groei. In par. 8.2 wordt kort ingegaan op de functie van de polikliniek; de laatste paragraaf geeft een beschrijving van isolatieverpleging met daarbij de vormen van isolatie en preventie. In de opbouw van dit hoofdstuk is zo veel mogelijk rekening gehouden met de wijze van behandeling bij kinderen. Na de algemene diagnostiek volgt een beschrijving van de verschijnselen zoals deze zich bij kinderen kunnen presenteren en waarvan vele aandoeningen de oorzaak kunnen zijn. Voor deze verschijnselen zal eerst worden ingegaan op de vaste onderdelen zoals klinische verschijnselen en verpleegkundige observaties, behandeling en verpleegkundige zorg. Vervolgens worden enkele specifieke aandoeningen besproken die de genoemde verschijnselen als uitingsvorm hebben.
C. van Velden

9. Het kind met een chronische aandoening

Het aantal kinderen tussen de 0 en 18 jaar met een chronische ziekte ligt tussen de 560 (0–4 jaar) en 660 (14 tot 19 jaar) per duizend inwoners (https://​www.​volksgezondheide​nzorg.​info). Bij chronische ziekten is bovendien vaak sprake van comorbiditeit. Kinderen met epileptische aandoeningen bijvoorbeeld kunnen naast intellectuele stoornissen ook een gestoorde zintuigfunctie hebben. Een chronische ziekte gaat doorgaans gepaard met pijn, geestelijk lijden, beperkingen in functioneren of andere klachten.
I. de Kock-van Beerendonk, K. Masolijn, F. Masolijn

10. Zorg bij gezondheidsproblemen door psychische en psychiatrische problematiek

Zoals in eerdere hoofdstukken al is belicht, lijden alle kinderen die ziek zijn in meer of mindere mate onder psychische problematiek. In dit hoofdstuk gaat het om kinderen bij wie het psychische lijden de hoofdzaak is. Daarnaast worden er handvatten gegeven voor de omgang met kinderen met een psychische stoornis.
S. Ulijn

11. Het kind met een lichamelijke beperking

Bij het lichamelijk beperkte kind wordt in dit hoofdstuk een onderscheid gemaakt tussen de zorg voor het motorisch beperkte kind en het zintuiglijke beperkte kind. Uiteraard is ook in dit geval een combinatie van beide lichamelijke beperkingen mogelijk. De motorische en de zintuiglijke beperking zullen in dit hoofdstuk apart worden behandeld.
K. Masolijn

12. Het kind met een verstandelijke beperking

Dit hoofdstuk gaat over kinderen met een verstandelijke beperking. Deze groep kinderen vraagt specifieke kennis en vaardigheden van zorgprofessionals. Ook de zorg in het ziekenhuis kent op deze kinderen gerichte aandachtspunten. In Nederland waren er in 2012 ongeveer 68.000 kinderen met een verstandelijke beperking. Dit komt overeen met bijna 2 % van het totaal aantal kinderen van 0 tot 18 jaar. Bij sommige kinderen is de handicap al bij de geboorte duidelijk zichtbaar. Bij andere kinderen kan het langer duren voordat de handicap wordt onderkend.
F. Meulenbroeks

13. Paliatieve zorg en zorg bij het overlijden van een kind

Dit hoofdstuk gaat eerst kort in op de huidige ontwikkelingen in de palliatieve zorg voor kinderen, waarna enkele sterftecijfers aan de orde komen. Daarna komen aan de orde: palliatieve zorg, de terminale fase en de plaats waar het kind zal sterven. Specifieke aandachtspunten betreffen de zorg voor het gehele gezin, het begrip van de dood bij kinderen, praten over de dood, reacties van ouders en broertjes en zusjes en hoe verdere familie en klasgenootjes met de dood van een kind kunnen omgaan.
C. Molenkamp

14. Verpleegkundige vaardigheden

Een verpleegkundige die met kinderen werkt, zal terdege moeten beseffen dat het verrichten van technische handelingen altijd moet samengaan met een goede pedagogische begeleiding. Daarbij moeten de soms traumatische gevolgen van een medische behandeling voor de belevingswereld van het kind op de langere termijn niet uit het oog worden verloren. Zelfs zeer eenvoudige handelingen die geen pijn doen, kunnen voor het jonge kind beangstigend zijn. De ontwikkelingsfase (bijvoorbeeld de koppigheidsfase) waarin het kind zich bevindt en aandacht voor de voor het kind vreemde omgeving spelen een belangrijke rol bij de pedagogische begeleiding.
C. van Velden, N. Kok, M. Jansen, M. Hulsink

Nawerk

Meer informatie

Extra’s