Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Deze uitgave betreft de herziene editie van Keel-neus-oorheelkunde en hoofd-halschirurgie, verschenen in 2007. Aan dit standaardwerk hebben meer dan veertig uit Nederland en Vlaanderen afkomstige specialisten meegewerkt. De aangeboden leerstof is uitgebreid ten opzichte van de vorige editie en verder toegespitst op het werkgebied van de moderne KNO-arts.

Het Leerboek Keel-Neus-Oorheelkunde en hoofd-halschirurgie omvat drie delen. Eerst worden het oor, het gehoor en het evenwicht behandeld. Daarna komen de neus en de neusbijholten aan de orde. Ten slotte worden mond, keel en hals besproken. In elk deel worden systematisch de anatomie en de fysiologie gepresenteerd, gevolgd door de verschillende onderzoeksmethoden, de prevalentie, de diagnostiek en de behandeling van de verschillende aandoeningen. Nieuw is onder meer het hoofdstuk Oncologie, waarin alle maligniteiten op het gebied van de KNO/hoofd-halschirurgie worden besproken. De tekst is rijk geïllustreerd met tekeningen en kleurenplaten.

Leerboek Keel-Neus-Oorheelkunde en hoofd-halschirurgie is primair bedoeld voor studenten geneeskunde en arts-assistenten. Daarnaast is het een waardevol naslagwerk voor meer ervaren KNO-artsen, huisartsen en andere specialisten.

Het leerboek is ook online te raadplegen. Op de website vindt de lezer de gehele inhoud van het boek, aangevuld met casuïstiek.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Deel A Oor

Voorwerk

Hoofdstuk 1. Anatomie en fysiologie van het oor en het vestibulaire systeem

Inleiding
Het oor en evenwichtsorgaan vormen een anatomisch geheel en ook de fysiologie toont een aantal overeenkomsten. Doel van dit hoofdstuk is een goed inzicht te geven in de bouw en functie van het auditieve en het vestibulaire systeem. Daarnaast beoogt dit hoofdstuk een beter beeld te geven van de grote diversiteit aan problemen die een patiënt met een vestibulair functieverlies kan ervaren. In tegenstelling tot de triviale relatie tussen aandoeningen van het oog en oor en de daarbij passende visus- en gehoorproblemen, weten veel patiënten en artsen onvoldoende welke klachten geassocieerd zijn met een functiestoornis van het labyrint of het vestibulaire systeem als geheel. Het klassieke idee dat echt sprake moet zijn van vertigo bij vestibulair functieverlies is achterhaald.
J.H.M. Frijns, H. Kingma

Hoofdstuk 2. Onderzoek van het oor, het gehoor en het vestibulaire systeem

Inleiding
Om de gehoorgang en het trommelvlies te kunnen onderzoeken, moet gebruik worden gemaakt van bijzondere verlichtingsbronnen. Voor de KNO-arts zijn dit een voorhoofdslamp of meestal een oormicroscoop (vergroting 6-10×), waarmee een gedetailleerde beoordeling mogelijk is en manipulaties kunnen worden uitgevoerd. Met endoscopen is het mogelijk om de hoek te kijken, wat bijvoorbeeld gebruikt kan worden voor de inspectie van radicale holten. Voor de huisarts en de kinderarts is de oplaadbare elektrische otoscoop het meest praktisch (figuur 2.1).
C. Desloovere, G.A. van Zanten

Hoofdstuk 3. Aandoeningen van het uitwendige oor

Inleiding
Preauriculaire aanhangsels zijn kleine verhevenheden, die zich preauriculair of op de lijn tussen mondhoek en tragus bevinden en die soms kraakbeen bevatten (figuur 3.1).
I. Dhooge, S. van der Baan

Hoofdstuk 4. Aandoeningen van het trommelvlies en het middenoor

Inleiding
Aangeboren oftewel congenitale afwijkingen van trommelvlies en middenoor kunnen erfelijk of niet-erfelijk zijn. Niet-erfelijke congenitale afwijkingen, zoals prenatale infectieziekten of zuurstofgebrek tijdens de zwangerschap, veroorzaken in de regel perceptieve gehoorverliezen en geen afwijkingen aan trommelvlies of middenoor. Niet-erfelijke aangeboren afwijkingen kunnen wel ontstaan als gevolg van genetische mutaties of teratogene invloeden.
P.H. Van de Heyning, J.J.S. Mulder

Hoofdstuk 5. Aandoeningen van het binnenoor

Inleiding
Slechthorendheid of doofheid wordt in de meeste gevallen veroorzaakt door een aandoening van het binnenoor. Er worden ongeveer zeshonderd verschillende oorzaken voor een functieverlies van het binnenoor onderscheiden. Het exacte ziektemechanisme van dit functieverlies is echter in veel gevallen nog niet opgehelderd. Dat komt doordat onderzoek van het levende binnenoor in zowel gezonde als pathologische condities onmiddellijk interfereert met zijn functie. In dit hoofdstuk komen de meest voorkomende oorzaken van perceptief gehoorverlies aan de orde. Oorsuizen (tinnitus), onder andere een belangrijk symptoom van functieverlies van het binnenoor, wordt apart besproken.
R.J. Stokroos, H.P.M. Kunst

Hoofdstuk 6. Hoortoestellen en hoorimplantaten

Inleiding
Een hoortoestel maakt voor slechthorenden geluiden uit de omgeving weer hoorbaar. Vooral het geluid dat voor ons dagelijks leven het allerbelangrijkst is: spraak. Veruit de meeste gebruikers van hoortoestellen willen eerst en vooral anderen beter kunnen verstaan. Omdat de kwaliteit van hoortoestellen steeds beter wordt, let men tegenwoordig echter ook meer en meer op het verbeteren van de waarneming van andere geluiden, zoals muziek, natuurgeluiden en verkeersgeluiden. Hoortoestellen hebben een lange geschiedenis. Vooral in de afgelopen eeuw voltrok zich een indrukwekkende ontwikkeling, van akoestische oplossingen via elektrische en elektronische technieken tot aan de digitale hoogstandjes van vandaag.
J.A.P.M. de Laat, J. Wouters

Hoofdstuk 7. Aandoeningen van het vestibulaire systeem

Inleiding
Duizeligheid, ijlhoofdigheid, draainissen of lopen op wolkjes zijn enkele beschrijvingen van klachten die kunnen wijzen op betrokkenheid van het perifere of centrale vestibulaire stelsel. Om een correcte diagnose te kunnen stellen, dienen de anamnese, het klinisch onderzoek, het technisch onderzoek van de werking van gehoor en evenwicht, eventuele laboratoriumanalyses en medische beeldvorming gecombineerd te worden.
F. Gordts, F.L. Wuyts, P.H. Van de Heyning

Hoofdstuk 8. Aandoeningen van de nervus facialis

Inleiding
De n.facialis is de zevende hersenzenuw en innerveert voornamelijk de mimische musculatuur, behalve de m.levator palpebrae superioris (deze opent het oog). Uitval van deze zenuw leidt tot een parese of paralyse van de betrokken ipsilaterale aangezichtsspieren, hetgeen bij de patiënt meestal grote ongerustheid teweegbrengt. Het is van belang onderscheid te maken tussen een perifere en een centrale uitval van de n.facialis. Indien sprake is van een centrale uitval, is de oorzaak centraal van de nucleus nervi facialis in de hersenstam gelegen. Vanwege de partiële kruisinnervatie van de zenuwvezels blijft bij een centrale uitval het bovenste deel van de aangezichtsmusculatuur meestal normaal functioneren. Wanneer de hoofdstam of takken daarvan uitvallen, zijn alle, respectievelijk de door die takken geïnnerveerde spieren gedenerveerd. Uitval van de n.facialis is doorgaans een symptoom van een onderliggende ziekte of aandoening en vereist daarom altijd medische aandacht.
H.A.M. Marres, P.J.F.M. Lohuis

Hoofdstuk 9. Spraak- en taal(ontwikkelings)stoornissen

Inleiding
In dit hoofdstuk worden de meest voorkomende logopedische stoornissen op het gebied van spraak en taal besproken, alsook de oromyofunctionele afwijkingen. Naast de symptomatologie worden de etiologie, de logopedische diagnostiek en behandeling in kaart gebracht.
K. Van Lierde, J. Van Borsel, P. Corthals

Deel B Neus

Voorwerk

Hoofdstuk 10. Anatomie en fysiologie van de neus en de neusbijholten

Inleiding
De neus vervult een aantal belangrijke functies bij de ademhaling, de reuk en de spraak. Daarnaast vormt de neus een van de meest karakteristieke elementen in het gelaat. De ademhaling staat hierbij centraal. Verwarming, bevochtiging en reiniging van de ademlucht zijn de belangrijkste taken. De betekenis van de reuk wordt vaak ondergewaardeerd, hoewel deze een aantal belangrijke functies vervult, zoals het waarschuwen voor bedorven eten en verontreinigde lucht. Daarnaast komt een belangrijk deel van de sensatie die wij als smaak omschrijven, via het reukorgaan tot stand. Geuren worden vaak gemakkelijk geassocieerd met ervaringen uit het verleden. In het sociale verkeer kunnen geuren gevoelens van sympathie en antipathie opwekken.
A.F. van Olphen

Hoofdstuk 11. Onderzoek van de neus neus onderzoek en de neusbijholten

Inleiding
Aan het onderzoek moet altijd een grondige anamnese voorafgaan. Op grond van de anamnese kan men het onderzoek richten en zo nodig bepaalde voorzorgen nemen. Bij de anamnese komen zowel nasale als niet-nasale klachten aan bod. Bij de specifieke neusklachten als verminderde neuspassage (verstopte neus), drukgevoel tussen de ogen, neusbloeding, neusafscheiding, postnasale drip, niezen, reukstoornissen en jeuk in de neus worden ook vragen gesteld naar de aard, lokalisatie, intensiteit en duur. Daarnaast informeert men naar eventueel begeleidende, niet-nasale klachten, zoals hoofdpijn, hoesten en oogsymptomen.
M. Jorissen

Hoofdstuk 12. Aandoeningen van de neus

Inleiding
Bij een congenitale atresie van de choanae is de overgang van de neusholten naar de nasofarynx afgesloten door een benige plaat of een bindweefselschot. Er zijn aanwijzingen dat het voorkomen genetisch bepaald is. De aandoening komt voor bij 1/7000-8000 levendgeborenen, is meestal unilateraal en komt vaker voor bij meisjes dan bij jongens.
P. Gevaert, W.J. Fokkens

Hoofdstuk 13. Aandoeningen van de neusbijholten

Inleiding
Rinitis en sinusitis komen meestal samen voor. Omdat de mucosa van sinussen en neus een continuüm vormt en omdat bij een ontsteking de gehele mucosa is betrokken, wordt in de recente literatuur de voorkeur gegeven aan ‘rinosinusitis’ boven ‘sinusitis’. Het consensusdocument ‘European Position Paper on Rinosinusitis and Nasal Polyps’ (EPOS, 2012) voorziet in een duidelijke definitie, diagnostiek en evidence-based behandelingsschema’s. De diagnose van rinosinusitis is gebaseerd op zowel symptomatologie als het kno-onderzoek met of zonder beeldvorming.
C Bachert, T Van Zele, N de Vries

Hoofdstuk 14. Plastische en reconstructieve chirurgie van de neus en het aangezicht

Inleiding
In het afgelopen decennium is de KNO-arts een steeds grotere rol gaan spelen bij een veelvoud aan reconstructieve ingrepen van neus en aangezicht. In dit hoofdstuk worden enkele van de meest voorkomende chirurgische technieken beschreven zoals gebruikt bij de reconstructie van defecten na het verwijderen van huidtumoren, littekens en schisiskenmerken. Naast het behoud van de functionaliteit van de diverse structuren in het gezicht, speelt hierbij ook het esthetische aspect een belangrijke rol.
K.J.A.O. Ingels, P.J.F.M. Lohuis

Deel C Hoofd-halsgebied

Voorwerk

Hoofdstuk 15. Anatomie en fysiologie van het hoofd-halsgebied

Inleiding
Het hoofd-halsgebied is het gebied van het hoofd en de hals, zonder de inhoud van de schedel. Het betreft men name organen en structuren die te maken hebben met de adem- en voedselweg (zoals de mond, farynx en speekselkieren), structuren die voor de afweer zorg dragen (zoals de amandelen en lymfebanen en -klieren) en anatomische structuren die een ligging hebben in de hals (zoals de vaten, zenuwen en (bij)schildklier).
B.F.A.M. van der Laan, V. Vander Poorten

Hoofdstuk 16. Aandoeningen van de mondholte

Inleiding
In de mond kunnen zich tal van aandoeningen voordoen, niet alleen aan het gebit of het tandvlees, maar ook aan het mondslijmvlies en de tong. Zorgvuldige inspectie van de mond vraagt een goede lichtbron, en essentieel is dat de patiënt ontspannen zit. Het hoofd moet goed worden gesteund, liefst met behulp van een aan de stoel bevestigde hoofdsteun. Partiële of volledige gebitsprothesen moeten worden uitgenomen.
I. van der Waal, C.R. Leemans

Hoofdstuk 17. Aandoeningen van de farynx

Inleiding
Inspectie van de nasofarynx kan geschieden door een klein (0,4-1 cm) licht verwarmd spiegeltje achter de vrije rand van het gehemelte te brengen (figuur 17.1). Om voldoende ruimte te krijgen moet de tongbasis met een tongspatel naar beneden worden gedrukt. De afstand tussen de vrije rand van het gehemelte en de farynxachterwand is het grootst als de patiënt rustig door de neus ademt. Het spiegelonderzoek van de nasofarynx is echter niet bij iedereen goed mogelijk, onder meer door het optreden van wurgreflexen. Inspectie van de nasofarynx gebeurt meestal direct met behulp van via de neus ingebrachte dunne starre of flexibele scopen.
R.P. Takes, I.J.M. Dhooge, H. Van Hoecke

Hoofdstuk 18. Aandoeningen van de larynx en trachea

Inleiding
Bij het bespreken van de onderzoeksmethoden zal onderscheid worden gemaakt naar onderzoek dat door de algemene arts kan worden uitgevoerd en meer specialistische methoden. De meer specialistische onderzoeksmethoden behoren tot het vakgebied van de KNO-arts en de radioloog.
P. Delaere, M. de Bodt, B.F.A.M van der Laan, F.G Dikkers

Hoofdstuk 19. Aandoeningen van de hals

Inleiding
Hoewel palpatie van de hals verreweg het belangrijkste onderdeel van de fysische diagnostiek vormt, zijn inspectie en, op indicatie, auscultatie ook nog steeds van belang. Beeldvormende diagnostiek (CT, MRI en echografie) en punctiecytologie kunnen belangrijke aanvullende informatie leveren.
A.J.M. Balm, R.J. de Jong Baatenburg

Hoofdstuk 20. Aandoeningen van de speekselklieren

Inleiding
Anamnese en klinisch onderzoek zijn nog steeds de voornaamste pijlers van de diagnostiek van speekselklieraandoeningen. Beeldvormend onderzoek, cytologisch onderzoek, en in toenemende mate sialendoscopie, kunnen belangrijke aanvullende informatie geven.
V. Vander Poorten, A. Sewnaik, R.J. de Jong Baatenburg

Hoofdstuk 21. Aandoeningen van de schildklier en bijschildklieren

Inleiding
Bij inspectie kan de schildklier beoordeeld worden voor en tijdens slikken. De schildklier is stevig verbonden door ligamenten met de trachea, waardoor de klier tijdens slikken verplaatst, een belangrijk differentiaaldiagnostisch criterium bij zwellingen in de hals. Tijdens palpatie wordt gelet op de consistentie, beweeglijkheid, samenhang met de huid of onderliggende weefsels, de grootte en op eventuele knobbels (noduli). Bij verdenking op hyperthyreoïdie kan tijdens auscultatie een geruis over de schildklier gehoord worden.
P. Delaere, H.A.M. Marres

Hoofdstuk 22. Sikstoornissen en slokdarmafwijkingen

Inleiding
De belangrijkste begrippen die worden gebruikt bij het aanduiden van slikstoornissen zijn dysfagie en aspiratie.
O.M. Vanderveken, L. van der Molen, M.W.M. van den Brekel

Hoofdstuk 23. Slaapgebonden ademhalingsstoornissen

Inleiding
Slaapgebonden ademhalingsstoornissen zijn afwijkingen van het ademhalingspatroon die zich alleen tijdens slaap voordoen, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld astma, dat zich overdag en tijdens slaap manifesteert. Slaapgebonden ademhalingsstoornissen worden veroorzaakt door een gedeeltelijke of volledige collaps van de bovenste luchtweg (BLW) tijdens de slaap.
N. de Vries, A. Boudewyns

Hoofdstuk 24. Oncologie

Inleiding
Het plaveiselcelcarcinoom van het hoofd-halsgebied omvat ongeveer 5% van alle nieuw gediagnosticeerde maligniteiten per jaar in West-Europa en de Verenigde Staten. In Nederland is de incidentie ongeveer 17 per 100.000 inwoners per jaar. In 2011 ontwikkelden 2970 Nederlanders hoofd-halskanker, voor het overgrote deel plaveiselcelcarcinomen. In Nederland overleden dat jaar 862 mensen aan deze ziekte. Hoofd-halskanker komt vaker bij mannen dan bij vrouwen voor en voornamelijk in de leeftijdscategorie van 60-80 jaar. In België is, waarschijnlijk als gevolg van een verschil in levensgewoonten (onder andere rookgedrag en alcoholconsumptie), een toename in incidentie van noord naar zuid waar te nemen.
R. de Bree, C. van Laer, M.W.M. van den Brekel, C.R. Leemans

Nawerk

Meer informatie