Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit leerboek geeft studenten geneeskunde, anesthesiemedewerkers en assistenten anesthesiologie en chirurgie gedegen basiskennis over het specialisme anesthesiologie. Het boek sluit aan bij het brede takenpakket van de anesthesioloog: van het zelf uitvoeren van algehele en regionale anesthesie op behandel- en operatiekamers tot de coördinatie van behandeling en logistiek op de afdelingen spoedeisende hulp en intensive care. Nu eens zetten anesthesiologen hun vakkennis in voor een pasgeborene van een halve kilogram, dan weer voor een kwetsbare hoogbejaarde patiënt met een marginale hartfunctie.
Leerboek anesthesiologie gaat in op onderwerpen waarin steeds meer anesthesiologen zich specialiseren, zoals intensivecaregeneeskunde, bestrijding van chronische pijn en palliatieve zorg. Daarnaast is er aandacht voor de spilfunctie die een anesthesioloog in een ziekenhuis heeft in de samenwerking met zowel snijdende als beschouwende disciplines.
Dit is de vierde druk van Leerboek anesthesiologie. Deze herziene en geactualiseerde versie bestaat uit zes delen: OK-complex, veiligheid, apparatuur en opleiding; Tijdens anesthesie gebruikte farmaca; Basisprincipes van anesthesie en intraoperatieve problematiek, Preoperatieve zorg; Anesthesie bij chirurgische ingrepen en speciële doelgroepen; Postoperatieve zorg, pijnbehandeling en spoedeisende hulp. Elk hoofdstuk begint met een korte inleiding, bevat een discussie over een controversieel onderwerp in de anesthesiologie en eindigt met een samenvatting in kernpunten.
De auteurs van Leerboek anesthesiologie zijn anesthesiologen die werken in opleidingscentra voor anesthesiologie en in perifere ziekenhuizen in Nederland. De redactie is in handen van dr. P.J. Hennis, dr. H.P.A van Dongen en prof. dr. W.A van Klei.

Inhoudsopgave

Voorwerk

OK-complex, veiligheid, apparatuur en opleiding

Voorwerk

1. Operatiekamercomplex

Samenvatting
Per jaar worden in Nederland meer dan een miljoen patiënten geopereerd, van wie 10–15 % een spoedingreep ondergaat. Operaties worden veelal uitgevoerd in de operatiekamer, soms in een behandelkamer. Een operatiekamer is een steriele omgeving doordat de lucht via filters kiemarm wordt gemaakt. Op de operatiekamer worden daarnaast allerlei maatregelen genomen om steriel te werken en om de patiëntveiligheid te waarborgen. Daarnaast moeten de medewerkers denken aan hun eigen veiligheid omdat er allerlei blootstelling aan risico’s is. Het gebruik van de operatiekamer is kostbaar, dus moet door logistiek het gebruik zo efficiënt mogelijk zijn.
F. Boer, R. R. Schaad

2. Perioperatieve veiligheid

Samenvatting
Een van de belangrijkste aanleidingen voor het ontstaan van de anesthesiologie is dat chirurgie dodelijk kan zijn en dat de patiënt beschermd moet worden tegen de schadelijke effecten van chirurgie. De afloop van een operatie was in het verleden ongewis, ondanks de toegepaste anesthesie; de patiënt leek een soort black box. De technologische ontwikkelingen op het gebied van stuurbaarheid van de anesthesie hebben het ondergaan van een operatie veel veiliger gemaakt, zodanig dat ook kwetsbare patiënten tegenwoordig ogenschijnlijk moeiteloos ‘op en van tafel gaan’.
A. P. Wolff, S. Renes

3. Infectieproblematiek

Samenvatting
Infecties zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de mortaliteit, morbiditeit en vermijdbare kosten na chirurgische ingrepen. Preventieve maatregelen om deze infecties te voorkomen, zijn dus van groot belang. Een recente studie in Nederland toonde dat een relatief eenvoudige preventieve maatregel (neuszalf rondom de operatie) per behandelde patiënt een besparing van 1911 euro opleverde. Uitspraken over algemeen geldige risicofactoren zijn lastig, omdat er wat betreft risico’s grote verschillen zijn tussen operaties. De implantatie van een kunstheup, de verwijdering van een hersentumor, darmoperaties of een multitrauma hebben elk hun eigen risicoprofiel. In ieder geval geldt voor de preventie van postoperatieve wondinfecties dat gestreefd moet worden naar een zo kort mogelijke preoperatieve opnameduur en dat contaminatie van de wond tijdens de operatie zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Het tijdig geven van de juiste perioperatieve profylaxe, het handhaven van een normale lichaamstemperatuur en discipline tijdens de ingreep zijn onderdeel van het veiligheidsmanagementsysteem in Nederland.
G. J. Scheffer, J. A. J. W. Kluytmans

4. Monitoring

Samenvatting
Het woord monitoring is afgeleid van het Latijnse werkwoord monére, dat letterlijk ‘waarschuwen, vermanen’ betekent en in overdrachtelijke zin ‘letten op … met een speciaal doel’. Hieruit zou men kunnen afleiden dat monitoringapparatuur op een patiënt let, maar niets is minder waar! Het lichaam geeft signalen af die we kunnen waarnemen, zoals de kleur van de huid en de kracht van de polsdruk. Deze signalen geven inzicht in de fysiologie en een combinatie van signalen kan helpen een diagnose te bevestigen of te verwerpen. Onze zintuigen geven slechts een kwalitatieve indruk en een groot aantal signalen kunnen wij zelfs helemaal niet waarnemen. Hiervoor is een systeem (een ‘monitor’) nodig, dat deze signalen waarneembaar maakt. Zo maken elektroden en versterkers de elektrische activiteit van het hart zichtbaar op een beeldscherm. Een transducer, zoals een druktransducer, kan een kwalitatief signaal omzetten in een kwantitatief signaal (bijvoorbeeld elektrisch), dat op een beeldscherm zichtbaar is. Monitoringapparatuur is dus niets anders dan een transducersysteem dat ons als het ware extra zintuigen geeft. De zorgverlener blijft zelf de monitor en zal de (combinatie van) signalen moeten interpreteren om een diagnose te bevestigen of verwerpen.
R. A. Bouwman, C. Keijzer

5. Apparatuur

Samenvatting
De anesthesioloog gebruikt op de operatiekamer veel verschillende apparaten. In dit hoofdstuk wordt allereerst het anesthesietoestel besproken. Daarna komen verwarmings-, bevochtigings- en infusieapparatuur aan bod. Andere apparatuur wordt in de desbetreffende hoofdstukken besproken. Hoewel bewakingsapparatuur ook deel uitmaakt van het anesthesietoestel, worden de principes daarvan in H. 4 behandeld. Het anesthesietoestel is een complexe verzameling apparaten. In essentie heeft het drie componenten: een systeem om het inademingsgas samen te stellen, een patiëntencircuit om het samengestelde gas bij de patiënt te brengen en een beademingsmachine.
B. G. A. D. H. Heijnen, P. W. G. Elbers

6. Opleiding, onderwijs en anesthesieteam

Samenvatting
De medisch-specialistische opleiding tot anesthesioloog heeft de afgelopen jaren een drastische wijziging ondergaan. De traditionele meester-gezelrelatie is verlaten om plaats te maken voor competentiegericht opleiden. Medisch handelen is niet meer de enige competentie waar het om draait. Nieuwe onderwijskundige inzichten, maar ook de veranderende behoefte vanuit de maatschappij aan medisch specialisten hebben hiertoe de aanzet gegeven. Bovendien is het tempo van de ontwikkelingen in het zorglandschap zo hoog dat de medische vervolgopleiding anesthesiologie snel en frequent moet worden aangepast. Regionalisatie en concentratie van zorg, afgedwongen door hoge kwaliteitseisen, hebben ertoe geleid dat complexe procedures nog slechts in een beperkt aantal centra worden uitgevoerd. De concentratie van laag tot midden-complexe zorg in algemene ziekenhuizen en de snelle opkomst van focusklinieken die zich toeleggen op het leveren van planbare zorg met een hoge kwaliteit in een beperkt domein van medische en operatieve zorg stellen nieuwe eisen aan de medisch specialist die in deze volstrekt verschillende werkomstandigheden excellent wil functioneren. De algemene allround anesthesioloog, werkzaam op één locatie, is hiermee voltooid verleden tijd.
J. T. A. Knape, H. P. A. van Dongen, R. J. Stolker

Tijdens anesthesie gebruikte farmaca

Voorwerk

7. Farmacologische basisprincipes

Samenvatting
In de dagelijkse praktijk worden anesthetica gedoseerd op basis van een ruwe inschatting van de behoeften van de individuele patiënt. Deze inschatting is gefundeerd op een basaal begrip van de farmacokinetiek en de farmacodynamiek van het gebruikte anestheticum en de patiëntvariabelen die hierop van invloed zijn. Een goede inschatting van de farmacokinetiek en de farmacodynamiek in de individuele patiënt is van groot belang, gezien de bijwerkingen van de meeste anesthetica. Onbedoeld lage anestheticaconcentraties kunnen tot onbewuste pijngewaarwording en/of ongewenst bewustzijn leiden tijdens de operatie, onbedoeld hoge anestheticaconcentraties kunnen aanleiding geven tot ongewenste cardiovasculaire of respiratoire depressie. In dit hoofdstuk worden de basale farmacokinetiek en farmacodynamiek beschreven die van toepassing zijn op de klinische anesthesiologische praktijk.
J. Vuyk

8. Inhalatieanesthetica

Samenvatting
Inhalatieanesthetica zijn de oudste synthetische farmaca die we nog steeds toepassen in de geneeskunde. Ether werd in 1600 door Paracelsus gesynthetiseerd uit zwavelzuur en alcohol. De moderne inhalatieanesthetica, die in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn ontwikkeld, zijn chemisch gezien nauw verwant met ether en chloroform. De eerste was halothaan (1956), dat een alkaanstructuur heeft. Alle daarna ontwikkelde anesthetica, zoals isofluraan, sevofluraan en desfluraan, hebben een etherstructuur. In dit hoofdstuk worden de werkingsmechanismen van de moderne inhalatieanesthetica behandeld, zoals MAC (de minimale concentratie van een inhalatieanestheticum bij 1 atmosfeer, waarbij 50 % van de patiënten niet reageert op een standaard chirurgische stimulus – snede in de buikhuid), farmacokinetiek en de specifieke aspecten van elk modern inhalatieanestheticum.
C. Keijzer

9. Intraveneuze anesthetica

Samenvatting
Intraveneuze anesthetica zijn populair geworden met de introductie van thiopental in de jaren dertig van de vorige eeuw. De belangrijkste reden was dat thiopental het eerste intraveneuze inleidingsmiddel was dat een snelle inductie van en een snel ontwaken uit de anesthesie mogelijk maakte zonder veel bijwerkingen. Met de introductie van etomidaat en later propofol is het tevens mogelijk de anesthesie met intraveneuze anesthetica te onderhouden; deze middelen zijn relatief snel uitgewerkt na het staken van de toediening, ook na een continu infuus.
K. Kuizenga

10. Opioïden en antagonisten

Samenvatting
Opiumderivaten (opioïden) zoals morfine en oxycodone behoren tot op de dag van vandaag tot de meest gebruikte geneesmiddelen voor de behandeling van acute en chronische pijn. De pijnstillende eigenschappen van opium en opiumextracten zijn al bekend sinds de steentijd (4000 v.Chr.). In Soemerische (2000 v.Chr.) en Griekse geschriften werd het gebruik van de papaverbol op lyrische wijze beschreven. In de Bijbel wordt voor het eerst de link gelegd tussen anesthesie, analgesie en chirurgie (Genesis 2–21): ‘Toen liet de Eeuwige God de mens in een verdovende slaap vallen, één van zijn zijden nam hij weg en sloot die plaats met vlees.’ God, hier in zijn functie van anesthesioloog, zag het belang van een goede pijnstilling tijdens een chirurgisch trauma.
A. Dahan

11. Spierrelaxantia en antagonisten

Samenvatting
De introductie van spierrelaxantia in 1942 door Griffith en Johnson verliep stroef, doordat kunstmatige beademing en intubatie van de trachea alleen bij hoge uitzondering werden toegepast. Optimale operatiecondities werden verkregen door het verdiepen van de anesthesie met bijvoorbeeld ether en later chloroform. Dit leverde gevaarlijke situaties op voor de patiënt ten gevolge van de ernstige bijwerkingen van het monoanesthesticum, zoals hypotensie, ritmestoornissen, hypoventilatie en pijn. De hoge mortaliteitscijfers van die tijd werden gerelateerd aan het gebruik van spierrelaxantia; pas later werd ernstige hypoventilatie door gebruik van spierrelaxantia zonder adequate ventilatie aangewezen als de werkelijke oorzaak. Hierna deden routinematige intratracheale intubatie en kunstmatige beademing hun intrede en werden de voordelen van het gebruik van spierrelaxantia in de anesthesie volledig benut. Het gebruik van spierrelaxantia bij geïntubeerde, geventileerde operatiepatiënten heeft de weg vrijgemaakt voor grote ontwikkelingen op het gebied van de chirurgie. Deze moderne balanced anesthesia bestaat uit de trias analgesie, hypnose en spierrelaxatie, later aangevuld met een vierde pijler: het beperken van de effecten van de stressrespons in reactie op chirurgisch of traumatisch letsel.
S. Schiere

12. Lokaal anesthetica

Samenvatting
In 1860 isoleerde Albert Niemann chemisch het belangrijkste alkaloïd, cocaïne, uit de cocaplant. Het was hem duidelijk dat cocaïne naast de euforiserende werking een lokaal verdovende werking zou moeten hebben, want het kauwen op de bladeren van de cocaplant gaf doofheid van de tong. Het duurde echter tot 1884 voordat Carl Koller een cocaïneoplossing gebruikte als lokaal anestheticum bij een oogoperatie. De systemische toxiciteit van cocaïne werd snel duidelijk. In de periode van 1884 tot 1891 werden meer dan tweehonderd gevallen van systemische toxiciteit en dertien doden na toepassing van cocaïne gerapporteerd. Daarnaast raakten veel patiënten en artsen verslaafd aan het gebruik van cocaïne. Na de ontrafeling van de chemische structuur van cocaïne werd getracht nieuwe lokaal anesthetica te ontwikkelen met een lagere toxiciteit. In 1905 werd procaïne (Novacaïne) gesynthetiseerd. Het was het eerste estertype-lokaal anestheticum, maar wordt nauwelijks meer gebruikt. Het enige estertype-lokaal anestheticum dat nu nog gebruikt wordt, is 1-chloroprocaïne voor spinaal anesthesie.
G. J. van Geffen, J. Bruhn

13. Autonome zenuwstelsel beïnvloedende en aanverwante farmaca

Samenvatting
Het autonome zenuwstelsel bestaat uit een sympathische en een parasympathische component en speelt een belangrijke rol in de regulatie van het fysiologisch evenwicht in het lichaam (homeostase). In de perioperatieve periode wordt dit evenwicht uit balans gebracht door allerlei prikkels. Het doel van de anesthesiologische zorg is in deze periode het autonome zenuwstelsel dusdanig te moduleren, veelal met geneesmiddelen, dat een optimaal evenwicht en stabiliteit worden behouden. In dit hoofdstuk worden deze geneesmiddelen op beknopte wijze besproken.
L. M. Kropman, P. M. H. J. Roekaerts

Basisprincipes van anesthesie en intraoperatieve problematiek

Voorwerk

14. Algehele anesthesie

Samenvatting
De algehele anesthesie is in de tweede helft van de negentiende eeuw geïntroduceerd met de toepassing van ether en chloroform. Die werden door middel van druppelsystemen toegevoegd aan de ingeademde lucht van patiënten, waardoor deze het middel via de longen in de bloedbaan opnamen en het bewustzijn verloren. Daardoor was het mogelijk ingrepen te verrichten die zonder anesthesie niet goed uitvoerbaar waren. Door verdere ontwikkeling van apparatuur en meetmethodes en de introductie van betere geneesmiddelen zijn operaties en ingrepen onder anesthesie heel veilig geworden. Toch vergt iedere anesthesie een zorgvuldige voorbereiding en uitvoering om een optimaal operatie- en anesthesieresultaat te bereiken. Het anticiperen op de postoperatieve toestand van de patiënt is daarbij een essentieel onderdeel.
K. Kuizenga

15. Locoregionale anesthesie

Samenvatting
In 1848, jaren voordat lokale anesthesie praktisch mogelijk was, beschreef Simpson de potentiële voordelen van lokale anesthesie boven die van de algehele anesthesie met ether en chloroform: ‘If we could by any means induce a local anesthesia without that temporary absence of consciousness, which is found in the state of general anesthesia, many would regard this a greater improvement.’ Locoregionale anesthesie resulteert in een goede postoperatieve analgesie. Goede analgesie geeft een vermindering van de opioïdconsumptie en daardoor minder postoperatieve misselijkheid en braken. Daarnaast verloopt bij bepaalde ingrepen het herstel voorspoediger en is een sneller ontslag uit het ziekenhuis mogelijk. Dit alles leidt tot een grotere patiënttevredenheid. Helaas is het succes van regionale anesthesie nooit 100 %. Anesthesiologen moeten over een goede kennis van de anatomie en technische vaardigheden beschikken om locoregionale anesthesie in haar volle omvang te kunnen toepassen. Hoewel ze zeldzaam zijn, kunnen toch ook levensbedreigende complicaties optreden.
G. J. van Geffen, J. Bruhn

16. Procedurele sedatie en analgesie

Samenvatting
Met procedurele sedatie en analgesie (PSA) wordt bedoeld: het toedienen van een sedativum en/of (sederend) analgeticum om een onaangename medische procedure beter te kunnen verdragen. De laatste jaren is sprake van een toenemende behoefte aan PSA vanwege de sterke groei van diagnostische en therapeutische medische procedures met een beperkt invasief karakter. Hierbij dient men te denken aan gastro-enterologie (zoals gastro- en coloscopieën) gynaecologie en cardiologie, maar ook interventieradiologie. Veel van deze op het eerste gezicht minimaal-invasieve interventies zijn toch belastend voor de patiënt; ze zijn pijnlijk en onaangenaam of vereisen dat de patiënt stil blijft liggen. Daarnaast is het belangrijk voor de behandelaar optimale werkcondities te verkrijgen. PSA biedt een goede oplossing voor deze problemen en levert daarmee een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de zorg.
M. Vaneker, M. J. L. Bucx

17. Anesthesie op buitenlocaties

Samenvatting
De vraag naar procedurele sedatie en analgesie (PSA) of algehele anesthesie door anesthesiologen buiten het reguliere operatiekamercomplex is de laatste jaren explosief gestegen. Dit hoofdstuk gaat in op de anesthesiologische uitdagingen die het werken op deze locaties met zich meebrengt vanwege de locatie buiten het vertrouwde operatiekamercomplex, de beperkte beschikbaarheid van ruimte en middelen, de onbekendheid met de procedure en een patiëntenpopulatie met de nodige comorbiditeit.
O. H. M. Beenen, M. Vaneker

18. Luchtwegmanagement

Samenvatting
Een moeilijke luchtweg is volgens de ASA (American Society of Anesthesiologists) Task Force on Airway Management: ‘The clinical situation in which a conventionally trained anesthesia practitioner experiences difficulty with mask ventilation, difficulty with tracheal intubation, or both.’ Een belangrijk deel van de morbiditeit en mortaliteit tijdens anesthesieprocedures en traumazorg is te wijten aan mislukt luchtwegmanagement. Het is essentieel om een moeilijke luchtweg tijdig te herkennen op basis van specifieke kenmerken en bevindingen. Daarnaast zijn training en vaardigheden onontbeerlijk om adequaat te kunnen handelen bij een (on)verwacht moeilijke luchtweg. Een van tevoren goed doordacht plan van aanpak vormt dan ook de basis van luchtwegmanagement. In dit hoofdstuk worden verschillende omstandigheden, materialen en technieken besproken die belangrijk zijn voor het herkennen van en beleid bij een moeilijke luchtweg.
E. J. Zeedijk, N. Koopmans, G. B. Eindhoven, G. I. R. Krenz

19. Intraoperatief vochtbeleid

Samenvatting
In dit hoofdstuk worden de verdeling en de samenstelling besproken van lichaamsvloeistoffen over het intra- en extracellulaire volume en de verschillen in elektrolytenconcentratie. De begrippen osmolariteit, osmolaliteit en oncotische druk worden toegelicht. Ook komt aan de orde waarom patiënten gedurende een bepaalde periode voor de operatie nuchter gehouden moeten worden. Indien voor een operatie vocht- of elektrolytentekorten bestaan, dienen deze te worden aangevuld met kristalloïde of colloïdale vloeistoffen; de samenstelling en indicaties van deze vloeistoffen worden hierna besproken.
P. J. Hennis

20. Transfusiebeleid

Samenvatting
Anesthesiologen en hematologen zijn in Nederland de grootste voorschrijvers van bloedproducten. Omdat het inzicht in de veiligheid en de indicaties voor bloedproducten de laatste jaren sterk zijn gewijzigd en omdat er nog steeds grote verschillen in voorschrijfgedrag bestaan tussen artsen, maar ook tussen ziekenhuizen, is het belangrijk om dit voorschrijfgedrag te harmoniseren. Up-to-date kennis over de ontwikkelingen in de transfusiegeneeskunde is daarom van belang.
M. W. B. Horsting

21. Hemostase in de perioperatieve periode

Samenvatting
Zodra bloed uit de bloedvaten treedt, zal het gaan stollen. Dat proces wordt hemostase genoemd. Er bestaan vele aandoeningen die dit proces kunnen verstoren. Die aandoeningen kunnen aangeboren of verworven zijn. Ook medicamenteus kan deze balans op vele manieren beïnvloed worden. Dit hoofdstuk behandelt de hemostase in de perioperatieve periode.
B. J. P. Janssen, S. Meier, J. K. G. Wietasch

Perioperatieve zorg

Voorwerk

22. Preoperatief onderzoek

Samenvatting
De gezondheidstoestand van iedere chirurgische patiënt moet voor de operatie beoordeeld worden door of namens de anesthesioloog. Bij patiënten die een geplande ingreep zullen ondergaan, gebeurt dit meestal op een polikliniek voor preoperatieve screening. Het doel van deze screening is te beoordelen of de patiënt gezond genoeg is om de ingreep te ondergaan en het risico op perioperatieve complicaties in te schatten. De patiënt geeft toestemming voor het behandelplan en indien nodig wordt zijn conditie geoptimaliseerd. Dit hoofdstuk beschrijft de inhoud van het preoperatief onderzoek, manieren om risico’s op perioperatieve complicaties te schatten en de voorlichting over anesthesie die aan patiënten moet worden gegeven.
M. Marsman

23. De perioperatieve specialist

Samenvatting
De perioperatieve specialist krijgt een steeds grotere rol in de zorg voor patiënten in de periode rondom hun operatie. Het vroegtijdig herkennen van patiënten met een verhoogd perioperatief risico, het starten van preoperatieve optimalisatie ruim voor de operatie en het tijdig detecteren van (dreigende) complicaties in de postoperatieve periode vergen een multidisciplinaire aanpak. De perioperatieve specialist coördineert dit gehele proces binnen én buiten de muren van het ziekenhuis. Door deze multidisciplinaire aanpak kunnen het risico op perioperatieve complicaties en ook de impact ervan wanneer ze toch optreden, tot een minimum worden beperkt.
J. M. Dieleman

24. De patiënt met een aandoening van het centrale zenuwstelsel

Samenvatting
Het zenuwstelsel is opgebouwd uit de grote en kleine hersenen, de hersenstam, het ruggenmerg, de hersenzenuwen, de zenuwwortels, de perifere zenuwen en de spier-zenuwovergang. Er bestaat een veelheid van aandoeningen van het zenuwstelsel, die op deze verschillende niveaus kunnen aangrijpen. Afhankelijk van de aard en de ernst van de aandoening zal de anesthesioloog hiermee rekening moeten houden. Een neurologische aandoening kan acuut ontstaan, zoals een hersenbloeding, maar ook een chronisch beloop kennen, zoals een polyneuropathie bij een patiënt met diabetes mellitus. De aandoening kan een externe oorzaak hebben (bijvoorbeeld trauma, zuurstofgebrek of drugsgebruik) of een oorzaak in het zenuwweefsel zelf (bijvoorbeeld tumor of degeneratieve afwijking). Wanneer anesthesie wordt gegeven aan een patiënt met een neurologische aandoening dient de preoperatieve neurologische toestand goed te zijn beschreven: enerzijds om een perioperatieve achteruitgang goed te herkennen, anderzijds om medicolegale reden. Vooral bij neuraxiale technieken kan discussie ontstaan over de vraag of een neurologische achteruitgang werd veroorzaakt door complicaties van de techniek.
R. G. Hoff, R. V. Immink

25. De cardiaal belaste patiënt

Samenvatting
De incidentie van cardiale complicaties rondom niet-cardiale chirurgie varieert van 2 tot 25 %, vooral afhankelijk van de definitie die gevolgd wordt. Hiermee behoren postoperatieve cardiale complicaties tot een van de meest voorkomende complicaties bij niet-cardiale chirurgie. Cardiale complicaties gaan gepaard met een langere ziekenhuisopname, meer kosten en een mortaliteit die kan variëren van 10 tot 60 %. De meeste cardiale complicaties treden op in de vroege postoperatieve periode, maar deze complicaties kunnen ook nog dagen tot weken na de operatie optreden. Het preoperatieve beleid van de anesthesioloog is essentieel bij het optimaliseren van de conditie van de patiënt en zal in eerste instantie gericht zijn op preventie. De behandeling van patiënten met een verhoogd cardiaal risico vereist nauwe samenwerking tussen cardioloog, chirurg en anesthesioloog.
F. van Lier, R. J. Stolker

26. De patiënt met hypertensie

Samenvatting
Hypertensie is een van de belangrijkste oorzaken van overlijden en invaliditeit in veel westerse landen en de meest voorkomende comorbiditeit bij chirurgische patiënten, met een prevalentie van 20–25 %. Dit hoofdstuk bespreekt de oorzaken, gevolgen en behandeling van hypertensie, de preoperatieve evaluatie van de patiënt met hypertensie en de effecten van hypertensie tijdens anesthesie.
B. van Zaane, W. A. van Klei

27. De pulmonaal belaste patiënt

Samenvatting
Pulmonale complicaties die gepaard gaan met hypoxemie en hypercarbie kunnen gemakkelijk optreden tijdens en na operaties, bijvoorbeeld als gevolg van een atelectase of een pneumonie. Het herstel wordt erdoor vertraagd en deze complicaties kunnen zelfs bijdragen aan het overlijden van een patiënt. Het is een van de taken van de anesthesioloog om de kans op deze complicaties te minimaliseren door toe te zien op goede preoperatieve voorbereiding, zorgvuldig uitgevoerde anesthesietechnieken en de juiste postoperatieve zorg. Patiënten met een om welke reden dan ook gestoorde longfunctie hebben een grotere kans op pulmonale complicaties. Daarom moet de anesthesioloog weten wat de aard van de longziekte is en of de patiënt voorafgaand aan een anesthesie in optimale pulmonale conditie verkeert.
R. M. J. Wesselink

28. De patiënt met een nierfunctiestoornis

Samenvatting
De anesthesioloog wordt frequent geconfronteerd met patiënten met een nierfunctiestoornis. De stoornis kan al lang bestaan of acuut optreden. De stoornis kan mild zijn, maar ook nierfunctievervangende therapie nodig maken (dialyse dan wel niertransplantatie). Ook kan een oligurie als complicatie van een recente aandoening of tijdens een chirurgische ingreep ontstaan. De nierfunctie bepaalt mede het anesthesiebeleid; door hierop te anticiperen, kan de anesthesioloog renale schade voorkomen of beperken. Daarvoor is grondige kennis van de pathofysiologische mechanismen van nierfunctiestoornissen noodzakelijk.
A. J. Meinders, W. T. Jellema, H. P. A. van Dongen

29. De patiënt met een leverfunctiestoornis

Samenvatting
Een verhoging van transaminasewaarden komt, meestal zonder een klinische relevantie, bij 1 tot 4 % van de bevolking voor. Bij de oudere patiënt kan er sprake zijn van een verminderde leverfunctie. Wereldwijd zijn overmatig alcoholgebruik, virussen en parasieten veelvoorkomende oorzaken van pathologische veranderingen van de leverfunctie. De incidentie van een klinisch relevante leverfunctiestoornis is 0,6 per 1000 patiënten en heeft vaak invloed op meerdere orgaansystemen. Daarom is het belangrijk voor de anesthesioloog om de fysiologische en pathofysiologische processen van de lever te kennen. Welke pathofysiologische veranderingen veroorzaakt een levercirrose? Wat zijn bijzondere aandachtspunten bij een inleiding? Welke extra monitoring is nodig bij patiënten met een leverfunctiestoornis? En welke vorm van stollingsstoornissen bestaan er bij patiënten met levercirrose? Deze en andere vragen zullen in dit hoofdstuk worden besproken.
F. Boersma, O. C. Lühker, J. K. G. Wietasch

30. De patiënt met een endocriene stoornis

Samenvatting
In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de preoperatieve evaluatie van patiënten die een endocriene stoornis hebben en een operatieve ingreep moeten ondergaan. De meest voorkomende stoornissen worden behandeld: diabetes mellitus, stoornissen van de bijnieren en schildklieraandoeningen. Ten eerste wordt de pathofysiologie en behandeling besproken. Vervolgens wordt ingegaan op de risico’s die deze aandoeningen voor de anesthesie kunnen geven. Daarna wordt het perioperatief behandelplan beschreven.
M. Marsman

31. Aan anesthesie gerelateerde ziektebeelden

Samenvatting
Bij aan anesthesie gerelateerde ziektebeelden vormt anesthesie een primaire factor in het ontstaan. Het is goed om ze te onderscheiden van met anesthesie geassocieerde ziektebeelden, waarbij anesthesie een bijdrage levert aan het ontstaan van het ziektebeeld (bijvoorbeeld een perioperatief myocardinfarct, een postoperatieve pneumonie of postoperatief delier). Bij aan anesthesie gerelateerde ziektebeelden is vaak een genetische verandering in de patiënt verantwoordelijk voor een duidelijk afwijkend effect van geneesmiddelen, wat ze tot farmacogenetische aandoeningen maakt. Weten hoe iemands DNA de werking en het metabolisme van geneesmiddelen beïnvloedt via genotypering, maakt een betere afstemming op de individuele patiënt mogelijk qua effectiviteit (outcome) en metabolisme (safety). Maligne hyperthermie en plasmacholinesterasedeficiëntie zijn heel duidelijk terug te voeren op genetische veranderingen in respectievelijk het RYR1-gen en het BCHE-gen. Het centraal anticholinerg syndroom en het propofolinfusiesyndroom zijn multifactorieel, maar genetische veranderingen spelen hierbij ongetwijfeld een belangrijke rol.
M. M. J. Snoeck

32. De oudere patiënt met meerdere aandoeningen

Samenvatting
De verwachting is dat in 2030 een kwart van de inwoners van Nederland ouder is dan 65 jaar en dat van de mensen die in dat jaar geboren worden de ‘gezonde’ levensverwachting 5 jaar hoger is dan voor mensen die in 1980 geboren werden. Deze stijging gaat zeer waarschijnlijk vergezeld van een toename van de ziektelast, met fysieke beperkingen en door ouderen ervaren ‘niet-gezond’ zijn. Van alle opgenomen patiënten in Nederlandse ziekenhuizen is op dit moment 30 % ouder dan 70 jaar.
P. J. Hennis

Anesthesie bij chirurgische ingrepen en speciële deelgroepen

Voorwerk

33. Anesthesie bij hoofd- en halschirurgie

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt de anesthesie behandeld bij operaties in het hoofd- en halsgebied: oogchirurgie, keel-, neus-, oorchirurgie, halschirurgie en kaakchirurgie.
J. E. Kruijswijk

34. Anesthesie bij abdominale chirurgie, urologische ingrepen, plastische en reconstructieve chirurgie

Samenvatting
In dit hoofdstuk zal de anesthesie bij buikchirurgie, urologische en plastische en reconstructieve chirurgie behandeld worden. Steeds meer buikingrepen vinden plaats via een kijkoperatie, de laparoscopie. De consequenties die dit heeft voor de anesthesie worden besproken, evenals de belangrijkste verschillen met de laparotomie. Er wordt dieper ingegaan op de anesthesie bij bariatrische chirurgie. Ten slotte worden de anesthesie en mogelijke complicaties bij enkele urologische en plastisch chirurgische ingrepen toegelicht.
A. C. Kroese, W. A. van Klei

35. Anesthesie bij de partus en bij obstetrische en gynaecologische ingrepen

Samenvatting
De hedendaagse anesthesioloog is naast het werk op de operatiekamers ook vaak te vinden op de verloskamers voor pijnbestrijding tijdens de partus. Hij moet tijdens het uitvoeren van handelingen bij de zwangere simultaan zorg leveren aan het ongeboren kind. Dit betekent dat hij kennis moet hebben van niet alleen de fysiologische veranderingen die de zwangerschap met zich meebrengt, maar ook van de invloed die de gebruikte medicatie op de placentaire perfusie heeft en van de mogelijke effecten zijn op de uteruscontracties en de foetale conditie. Door te anticiperen op mogelijke risico’s van bepaalde aandoeningen kunnen maternale en neonatale morbiditeit en mortaliteit voorkomen worden.
N. M. A. A. Engel, B. Kantering

36. Anesthesie bij orthopedische chirurgie

Samenvatting
Orthopedische chirurgie heeft enkele typische kenmerken die de anesthesiekeuze beïnvloeden. Gewrichtsvervangende chirurgie van de knie en vooral de heup betreft voornamelijk oudere patiënten met een hogere kans op comorbiditeit, ingrepen aan het benige skelet gaan vaak gepaard met ernstige postoperatieve pijn, corrigerende operaties van de wervelkolom hebben het risico van ruggenmergbeschadiging en bij sommige operaties zijn bloedbesparende technieken noodzakelijk, omdat groot bloedverlies vaak optreedt. Het snel mobiliseren van de patiënt na de operatie, de zogeheten fast-track-chirurgie, heeft vooral bij de knieprothesechirurgie opgang gemaakt.
R. Stienstra, I. J. Bruaset

37. Anesthesie bij zuigelingen

Samenvatting
Er bestaan aanzienlijke verschillen in anatomie en (patho)fysiologie tussen kinderen van de verschillende leeftijden en volwassenen. Er wordt onderscheid gemaakt naar prematuren (geboren voor een zwangerschapsduur van 37 weken), pasgeborenen of neonaten (jonger dan 1 maand) en zuigelingen (jonger dan 1 jaar). In Nederland is slechts 4 % van alle kinderen die anesthesie ondergaan op het moment van de anesthesie jonger dan 1 jaar. Anesthesiegerelateerde complicaties treden vaker op bij zuigelingen dan bij oudere kinderen en volwassenen. In dit hoofdstuk komen vooral de à terme geboren zuigelingen (geboren na een zwangerschapsduur van ten minste 37 weken) aan bod.
R. B. C. C. Damen, G. Jonker

38. Anesthesie bij kinderen

Samenvatting
Voor het verzorgen van anesthesie bij kinderen zijn specifieke kennis, vaardigheden en competenties nodig. Specifieke kennis behelst bijvoorbeeld de anatomie en fysiologie van vooral de jongste patiënten, maar ook van leeftijdsspecifiek materiaal. Specifieke vaardigheden omvatten onder andere de behandeling van laryngospasme en het aanbrengen van een caudale epidurale blokkade. Wat betreft competenties kan men denken aan de communicatie met kinderen van verschillende leeftijden en de omgang met chronisch zieke kinderen. Verder heeft men altijd te maken met de ouders/verzorgers.
G. Jonker, R. B. C. C. Damen

39. Anesthesie bij ingrepen in dagbehandeling

Samenvatting
Dagbehandeling is de afgelopen decennia enorm gegroeid. In Nederland werd in 2012 meer dan 55 % van de ingrepen in ziekenhuizen in dagbehandeling verricht; daarnaast werd een onbekend aantal ingrepen verricht in zelfstandige behandelcentra. Statistieken worden sinds 2012 niet meer door het CBS bijgehouden, waardoor het moeilijk is huidige aantallen te achterhalen. In de Verenigde Staten ligt het percentage nog hoger (70 %), mede omdat daar een behandelingsduur tot 24 uur nog als dagbehandeling wordt gedefinieerd. Door de verschillen in organisatie en financiering van de zorg tussen de landen zijn er grote verschillen ontstaan in het aandeel van dagbehandelingen in het totale aantal operaties.
J. H. Eshuis

40. Anesthesie bij patiënten met traumata, brandwonden en verdrinkingen

Samenvatting
Dit hoofdstuk gaat over de opvang en de behandeling van ongevalslachtoffers en traumapatiënten en de rol van de anesthesioloog daarin. De anesthesioloog speelt soms een rol in de prehospitale fase in het Mobiel Medisch Team (MMT), op de Spoedeisende Hulp bij de opvang van het slachtoffer, op de operatiekamer (OK) bij een eventuele operatie en als intensivist op de intensive care. In de revalidatiefase kan een beroep gedaan worden op de anesthesioloog als pijnconsulent.
J. J. L. M. Bierens, S. Greuters

41. Neuroanesthesie

Samenvatting
Het centraal zenuwstelsel kan onder normale omstandigheden (in rust en bij normale temperatuur) maximaal 3 minuten verstoken blijven van zuurstof voordat irreversibele schade optreedt. Daarom zijn er enkele mechanismen die zorgen dat ook onder extremere omstandigheden schade door zuurstoftekort beperkt blijft.
R. V. Immink, R. G. Hoff

42. Anesthesie bij vaatchirurgie

Samenvatting
Atherosclerose is een systemische inflammatoire ziekte en de belangrijkste oorzaak van vaatziekten. Veranderingen in de vaatwand kunnen leiden tot de vorming van een stenose, occlusie, trombo-embolische processen of tot een aneurysma dat kan ruptureren. Patiënten die vaatchirurgie ondergaan, hebben meestal een gegeneraliseerde vaataandoening, hypertensie, COPD en diabetes mellitus; bij 40–80 % treft men ook coronair lijden aan als uiting van het vaatlijden. De perioperatieve morbiditeit bij electieve abdominale aortachirurgie is meestal het gevolg van myocardiale problemen. Naast ischemische hartziekten en hartfalen zijn insulineafhankelijke diabetes mellitus en de preoperatieve nierfunctie van voorspellende waarde voor morbiditeit en mortaliteit. In dit hoofdstuk wordt stilgestaan bij de preoperatieve screening en de perioperatieve anesthesiologische zorg voor de carotisoperatie, perifere en centrale vaatchirurgie.
H. P. A. van Dongen, E. Scholten

43. Cardioanesthesie en thoraxanesthesie

Samenvatting
De anesthesie voor ingrepen in de thorax wordt onderverdeeld in de cardioanesthesie en de thoraxanesthesie. De cardioanesthesie is het deelgebied van de anesthesie bij ingrepen aan het hart of de grote vaten verbonden aan het hart. Specifiek voor het deelgebied is kennis van de pathofysiologie en ziekten van het hart in combinatie met kennis van de technische mogelijkheden om de circulatie van de patiënt tijdelijk over te nemen. Een klein deel van de ingrepen wordt verricht bij pasgeborenen en kinderen met congenitale afwijkingen. De meeste ingrepen worden uitgevoerd bij oudere patiënten met degeneratieve aandoeningen, die veelal in de zesde of latere decaden geopereerd worden. De anesthesie bij de overige ingrepen in de thorax, de luchtwegen, de slokdarm en het mediastinum vormt de thoraxanesthesie. De specifieke anesthesiologische aspecten die van belang zijn bij diagnostische en therapeutische intrathoracale ingrepen worden in besproken. In dit hoofdstuk komt eerst de cardioanesthesie aan de orde en vervolgens de thoraxanesthesie.
L. J. Bras

44. Anesthesie bij de getransplanteerde patiënt en ten behoeve van orgaantransplantaties

Samenvatting
Als gevolg van vooruitgang in de behandeling van eindstadium orgaanfalen, chirurgische technieken en immunosuppressieve therapie neemt het aantal geschikte kandidaten voor transplantatiechirurgie toe. Eurotransplant bemiddelt bij orgaantransplantaties voor de 135 miljoen inwoners van Nederland, België, Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk, Slovenië, Kroatië en Hongarije. De Nederlandse Wet op de orgaandonatie beoogt een eerlijke verdeling van donororganen onder alle transplantatiekandidaten. Nederland wordt daardoor beschouwd als één regio, met één wachtlijst, waarbij op verschillende locaties wordt getransplanteerd. In 2016 werden in Nederland 689 postmortale orgaantransplantaties uitgevoerd, waarvan 406 nier-, 145 lever-, 35 hart- en 73 longtransplantaties, evenals een beperkt aantal gecombineerde orgaantransplantaties en pancreas- en dunnedarmtransplantaties. Transplantaties met levende donoren betreffen bijna uitsluitend niertransplantaties, waarvan er 565 werden uitgevoerd. In sommige gevallen zullen getransplanteerde patiënten operaties nodig hebben die al dan niet aan hun transplantatie zijn gerelateerd. Omdat die operaties ook in ziekenhuizen zonder transplantatieprogramma worden uitgevoerd, is het van belang vertrouwd te zijn met de specifieke aspecten van het perioperatieve management van deze patiënten.
J. M. A. A. van der Maaten

Postoperatieve zorg, pijnbehandeling en spoedeisende hulp

Voorwerk

45. Post Anesthesia Care Unit (PACU)

Samenvatting
De verkoeverkamer (Oudnederlands; verkoeveren = zich herstellen) wordt ook wel aangeduid als de uitslaapkamer. De meeste postoperatieve patiënten verblijven hier hooguit enkele uren, totdat zij voldoende hersteld zijn om naar de verpleegafdeling terug te gaan. Tot ongeveer 10 jaar geleden werden patiënten die meer tijd nodig hadden om te herstellen direct naar de intensive care gebracht. Dit legde een groot beslag op de capaciteit van deze afdeling. Daar de meerderheid van deze patiënten binnen 24 uur voldoende hersteld is en hun problematiek nauw aansluit bij die tijdens de peroperatieve periode, bleek het doelmatig om hen tot 24 uur op de verkoeverkamer te houden. In de praktijk wordt dan gesproken van een PACU: Post Anesthesia Care Unit. Het verblijf op de verkoeverkamer of PACU vormt een integraal onderdeel van de anesthesiologische behandeling en vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de anesthesioloog. Waar in dit hoofdstuk PACU staat, kan meestal ook verkoever gelezen worden.
H. J. Custers, M. J. L. Bucx

46. Organisatorische aspecten van intensivecarezorg

Samenvatting
Intensive care omvat vrijwel alle disciplines die werkzaam zijn binnen het ziekenhuis. Het is dan ook niet mogelijk om dit onderwerp in één hoofdstuk inhoudelijk te behandelen. Bovendien zijn de anesthesiologische kennis en vaardigheden die zijn beschreven in de andere hoofdstukken vaak toepasbaar voor een intensivecarepatiënt. Daarom is ervoor gekozen om in dit hoofdstuk inzichten te beschrijven aangaande de organisatie van een intensivecareafdeling (ic-afdeling).
B. J. M. van der Meer, G. J. Scheffer

47. Kosten, baten en behandelbeslissingen op de intensive care

Samenvatting
De intensive care (ic) maakt voor patiënten met acuut orgaanfalen vaak het verschil tussen leven en dood. Een goede afloop is er echter niet bij iedereen. Tegenover de kans op overleving en functioneel herstel staat het risico op een langdurige ic-behandeling die uiteindelijk toch resulteert in overlijden of overleving met een slechte kwaliteit van leven. Daarom moet niet bij iedereen die kritisch ziek wordt zonder meer een ic-behandeling gestart worden. Ook moet bij een langdurige ic-behandeling regelmatig de vraag gesteld worden of er nog wel voldoende kans is op een acceptabele afloop. Bij de beslissing om een ic-behandeling te starten of een reeds gestarte behandeling voort te zetten, spelen veel factoren een rol. Voor goede behandelbeslissingen is kennis nodig van de kosten, de baten en de voor- en nadelen van een ic-behandeling.
D. van Dijk

48. Postoperatieve pijnbehandeling

Samenvatting
Goede anesthesiologische zorg is meer dan alleen een veilig en adequaat beleid tijdens de operatie. Minstens zo belangrijk is de postoperatieve zorg, gericht op comfort, zodat de patiënt vlot kan herstellen van zijn ingreep. Het streven is om de patiënt zo min mogelijk pijn te laten ervaren in het postoperatieve traject. Pijn is een stressor voor het lichaam en vergroot de kans op onder andere pulmonale en cardiale complicaties. Postoperatieve pijn komt veel voor. Op de eerste postoperatieve dag geeft 30–75 % van de patiënten aan matige tot ernstige pijn te hebben. Een belangrijke stap om postoperatieve pijn te voorkomen, is het pre- en peroperatief toedienen van analgetica zoals paracetamol, Non-Steroidal Anti-Inflammatory Drugs en eventueel opioïden. In dit hoofdstuk richten we ons op postoperatieve pijnbehandeling en bespreken we de pathofysiologie van acute pijn, pijnmeting, gebruik van medicatie, locoregionale technieken, pijnalgoritmes, organisatie van postoperatieve pijnbehandeling en chronische postoperatieve pijn.
M. Rijsdijk, J. F. M. van Dijk, F. J. P. M. Huygen

49. Medicamenteuze behandeling van chronische pijn

Samenvatting
Ongeveer één op de vijf volwassenen lijdt aan chronische pijn. De definitie van pijn die door de International Association for the Study of Pain (IASP) wordt gebruikt, is ‘een onplezierige sensorische en emotionele ervaring, veroorzaakt door of beschreven in termen van daadwerkelijke of potentiële weefselschade’. Chronische pijn wordt omschreven als pijn die langer bestaat dan 3 maanden of langer duurt dan de verwachte tijd voor herstel na beschadiging of ziekte. De diagnostiek en de behandeling van chronische pijn zijn multidimensionaal, met aandacht voor de oorzaak, de lichamelijke en psychologische factoren en de omgeving van de patiënt. Medicijnen zijn in 60–80 % onderdeel van de pijnbehandeling en daarmee een van de hoekstenen van de pijnzorg. In dit hoofdstuk worden de karakteristieken besproken van acute en chronische pijn. Hierna wordt ingegaan op principes van medicamenteuze pijnbehandeling van nociceptieve en neuropathische pijn. Tot slot worden enkele pijnsyndromen besproken met mogelijkheden voor medicamenteuze behandeling.
L. Timmerman, F. J. P. M. Huygen

50. Chronischepijnbehandeling: interventionele behandelingen en andere mogelijkheden

Samenvatting
Pijn, en vooral chronische pijn, is complex en lastig te beschrijven. Pijn is subjectief en wordt individueel ervaren. Acute pijn, zoals postoperatieve of posttraumatische pijn, geeft een direct signaal af dat als waarschuwing fungeert voor dreigende of daadwerkelijke weefselschade. Chronische pijn houdt geen rechtstreeks verband meer met een eerder letsel, maar is het gevolg van fysiologische veranderingen in het zenuwstelsel, waardoor pijnprikkels vaak versterkt worden doorgegeven. Het nut van deze pijn als waarschuwing is verdwenen en de eerdere weefselbeschadiging is genezen. Chronische pijn wordt daarmee meer dan alleen een symptoom; een ziekte op zichzelf. Dit kan zich uiten als een soms ernstige aandoening die gepaard gaat met lichamelijke en psychologische veranderingen die een onderdeel zijn van het chronische pijnsyndroom.
N. T. van Dasselaar, M. J. M. M. Giezeman, M. F. M. Wagemans

51. Rol van de anesthesioloog op de afdeling Spoedeisende Hulp

Samenvatting
Dit hoofdstuk beschrijft de toegevoegde waarde van de anesthesioloog aan de patiëntenzorg op de Spoedeisende Hulp (SEH). Op de Spoedeisende Hulp presenteren patiënten zich met een scala aan problemen. Voor deze patiënten gelden eigenlijk dezelfde uitgangspunten als voor een OK-patiënt. De vitale functies als ademhaling en circulatie moeten op orde zijn en de patiënt moet normotherm zijn en zo min mogelijk stress ervaren door pijn of angst. De anesthesioloog heeft een toegevoegde waarde bij zowel vitaal bedreigde patiënten als niet vitaal bedreigde patiënten en zowel bij traumapatiënten als non-traumapatiënten. De patiëntenpopulatie op de SEH verschilt van de gemiddelde (electieve) OK-patiënt in mate van nuchterheid en mogelijkheid tot preoperatieve beoordeling, maar zeker ook in aangeboden pathologie. Anesthesiologen van het Mobiel Medisch Team zijn ook vaak ook werkzaam op de Spoedeisende Hulp. Zo is het mogelijk dat een anesthesioloog de ene dag de patiënt binnenbrengt als MMT-arts en de andere dag een patiënt van een collega-MMT-arts op de Spoedeisende Hulp aanneemt.
I. C. Huig

52. De militaire anesthesiologie

Samenvatting
Bij verblijf in Nederland vallen militairen onder de reguliere Nederlandse zorg. Dit verandert zodra een militair op grond van een regeringsbesluit op missie is in het buitenland en niet kan terugvallen op het aldaar aanwezige zorgsysteem. Het defensieapparaat neemt op zo’n missie zijn eigen zorgsysteem mee om zowel preventieve als curatieve zorg te kunnen bieden. In de curatieve zorg, in casu eerste- en tweedelijnsgeneeskunde, bestaat veel aandacht voor de urgentiegeneeskunde. De buitenlandse omgeving waarin de militair zich namens het ministerie van Defensie beweegt, is vaker risicovol. Ontegenzeggelijk verdient de militair optimale urgente zorg, zo mogelijk van eenzelfde kwaliteit als in Nederland. Urgentiegeneeskunde speelt dan ook een belangrijke rol in de militaire zorgketen en de verdere behandeling van slachtoffers bij conflicten in het buitenland. De anesthesiologie speelt in deze keten een veel grotere rol dan in de zorgketen in Nederland.
P. J. A. Dirven, M Kaya

53. Reanimatie van volwassenen en kinderen

Samenvatting
Onder reanimatie verstaat men het totaal van handelingen en beslissingen bij een circulatie- en/of ademstilstand bedoeld om schade aan de hersenen en andere organen te voorkomen en vitale functies zo snel mogelijk te laten herstellen. Al na enkele minuten stilstand van de circulatie kan onherstelbare beschadiging van de hersenen ontstaan. Om de kans op succes te vergroten, is het essentieel dat de reanimatie zo snel mogelijk wordt gestart en zo gestructureerd mogelijk wordt uitgevoerd. De Nederlandse Reanimatie Raad en de European Resuscitation Council brengen regelmatig nieuwe reanimatierichtlijnen uit, de meest recente richtlijn is uit 2015. De richtlijnen zijn via de websites van deze organisaties te downloaden.
L. P. Reusen

Nawerk

Meer informatie