Skip to main content
main-content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander artikel

01-06-2019 | Werk in uitvoering | Uitgave 2/2019 Tijdelijk gratis!

Werk in uitvoering
Kind & Adolescent Praktijk 2/2019

Lastige leerlingen

Tijdschrift:
Kind & Adolescent Praktijk > Uitgave 2/2019
Auteurs:
Jan Bijstra, Anke de Boer, Bruno Emans, José Van Der Hoeven, Christy Tenback, Tamara Wally
Belangrijke opmerkingen
over de auteurs Dr. J. Bijstra is psycholoog en onderzoekscoördinator bij RENN4; dr. A. de Boer is universitair hoofddocent aan de RuG; dr. B. Emans, psycholoog en onderzoeker bij de CED-Groep; dr. José van der Hoeven is onderzoekscoördinator bij de CED-Groep; C. Tenback MSC is onderwijskundige en onderwijsadviseur bij RENN4; drs. T. Wally is psycholoog en ontwikkelaar bij de CED-Groep. E: j.bijstra@renn4.nl.
Externaliserend leerlinggedrag levert leraren stress op en verlies van plezier in lesgeven. Ook heeft het negatieve invloed op het klassenklimaat. Toch kun je als leraar wel degelijk iets doen om dit soort gedrag te stoppen. Welke handelingen kun je het beste inzetten?
Sinds de invoering van de rugzakbegeleiding in 2003 en vooral sinds Passend Onderwijs in 2014 hebben veel leraren behoefte aan handreikingen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Uit wetenschappelijke en beleidsmatige publicaties in de afgelopen jaren blijkt dat leraren vooral moeite hebben met de omgang met leerlingen die externaliserend probleemgedrag laten zien (zie bijvoorbeeld Hofstetter & Bijstra, 2014; Van Grinsven & Van der Woud, 2016; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2016). Externaliserend gedrag kan worden beschreven als gedrag waar de omgeving last van heeft. Volgens Joosten (2014) zegt 60 procent van de door hen ondervraagde leraren dat leerlingen met de typeringen dwars, druk, impulsief en agressief de meeste problemen opleveren.
Externaliserend leerlinggedrag beïnvloedt het welbevinden van de leraar en van de leerling. Leerlingen met gedragsproblemen verstoren de behoefte van leraren om betekenisvol te zijn en dat kan leiden tot stress, twijfel aan de eigen competenties, een verlies van het plezier in lesgeven en een negatieve houding naar de leerling. Dit laatste kan het zelfbeeld van leerlingen negatief beïnvloeden, wat weer een versterkende negatieve invloed kan hebben op hun gedrag. Een neerwaartse spiraal in de leraar-leerlingrelatie is het gevolg. Er is dus alle reden om leraren handvatten aan te bieden hoe om te gaan met externaliserend leerlinggedrag. In het hier besproken onderzoeksproject brengen we in kaart welke concrete leraarhandelingen het meest effectief zijn bij welk type externaliserend leerlinggedrag.
Nu zijn over de aanpak van probleemgedrag van leerlingen al heel wat boeken geschreven (bijvoorbeeld Horeweg, 2015; Van Lieshout, 2018) en websites gevuld (bijvoorbeeld www.​wij-leren.​nl). Tegelijkertijd moeten we constateren dat de beschrijving van de beste aanpak abstract blijft; de vertaling in concreet gedrag moeten leraren alsnog zelf maken. Afgezien daarvan: lang niet elke leraar grijpt naar een boek of opent een website om te lezen hoe het moet. Daadwerkelijk zien hoe leraren situaties aanpakken, lijkt daarom een veelbelovende aanvulling en sluit aan bij de constatering van de Onderwijsinspectie (2013) dat leraren het afleggen van lesbezoeken bij elkaar een gewaardeerde leermethode vinden. Lesbezoeken blijven echter individuele en situatiegebonden acties van leraren. Het zou daarom mooi zijn wanneer voor het gehele onderwijsveld een scala aan beeldmateriaal beschikbaar komt van effectief leraarhandelen in lastige situaties met leerlingen die externaliserend probleemgedrag laten zien. Voordat dergelijk beeldmateriaal kan worden gemaakt, is het echter noodzakelijk dat we duidelijk maken welke concrete leraarhandelingen dan effectief zijn. Dat is dan ook de onderzoeksvraag waar wij ons op dit moment mee bezighouden. Wanneer we een bevredigend antwoord hebben, gaan we over tot daadwerkelijk beeldmateriaal maken. Dit uiteindelijke doel valt echter buiten dit onderzoeksproject en vindt pas plaats nadat het project in oktober 2019 is beëindigd.

Klas als dynamisch systeem

Het project is een initiatief van het Pi Consortium, een onderzoekssamenwerkingsverband van pedologische instituten en pedologische instituutscholen, en wordt gesubsidieerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). CED-Groep (advies, begeleiding en ondersteuning voor het onderwijs), RENN4 (speciaal onderwijsorganisatie in de drie noordelijke provincies) en de afdeling Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen zijn de betrokken partners. We voeren het onderzoek uit op speciaal onderwijsscholen omdat we ervan uitgaan dat we daar de experts op het gebied van omgaan met probleemgedrag kunnen vinden. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het advies van de Onderwijsraad (2010) aan speciale scholen om meer expliciet te maken wat ze het regulier onderwijs te bieden hebben. Er doen verschillende scholen verspreid over Nederland mee.
Externaliserend gedrag kan tot negatieve spiraal leiden
Als onderzoeksmodel gaan we uit van de klas als een dynamisch systeem (zie bijvoorbeeld Wubbels, 2014) dat bestaat uit de volgende elementen: het handelen van de leraar, het gedrag van de leerling, de leraar-leerlingrelatie en het klassenklimaat (figuur 1).
Centraal staat het concrete gedrag in het interactieproces tussen leraar en leerling. Het handelen van de leraar heeft invloed op het gedrag van de leerling; de aard van de handeling van de leraar is bepalend voor de snelheid waarmee en de mate waarin het externaliserende leerlinggedrag verdwijnt. Leerlinggedrag beïnvloedt op zijn beurt ook het handelen van de leraar: als het externaliserende leerlinggedrag aanhoudt, kiest de leraar mogelijk voor andere handelingen. Dit interactieproces is bepalend voor de kwaliteit van de leraar-leerlingrelatie. Andersom is echter ook het geval: is de relatie niet goed, dan beïnvloedt dat het gedrag van leraar en leerling. Leraar-leerlinginteracties hebben ook invloed op het klassenklimaat, net zoals het klassenklimaat de interacties beïnvloedt. Een goed klassenklimaat operationaliseren wij als een goede werksfeer en een positief welbevinden van leerlingen die zich zou kunnen uiten in orde, rust en regelmaat. Bij veel negatieve interacties verslechtert het klassenklimaat, hetgeen weer negatieve invloed kan hebben op de aard en frequentie van de negatieve interacties. Tot slot veronderstellen wij dat ook de leraar-leerlingrelatie en het klassenklimaat elkaar wederzijds beïnvloeden.

Kijkwijzer

In ons onderzoek staat het interactieproces tussen leraar en leerling dus centraal. Een door het Pi Consortium eerder uitgevoerde pilotstudie heeft een kijkwijzer opgeleverd met een zeer breed scala aan mogelijk effectieve leraarhandelingen. Deze kijkwijzer is samengesteld op basis van literatuur over gedragstherapeutische principes (bijv. Bijl-Van Gelder & Van Efferen-Wiersma, 2016; Van Lieshout, 2018) en op praktijkkennis van de betrokken onderzoekers. De lijst is veelomvattend, onder andere doordat er ook preventief gedrag in is opgenomen. Ons onderzoek richt zich echter specifiek op klassensituaties waarin (ondanks alle preventieve acties van de leraar) sprake is van externaliserend probleemgedrag. We hebben de kijkwijzer op basis van een binnen het onderzoeksproject uitgevoerde literatuurstudie en praktijkkennis teruggebracht tot een lijst met de meest essentiële handelingen (zie tabel 1 voor voorbeelden).
Tabel 1
Voorbeelden van in het observatie-instrument opgenomen leraarhandelingen.
Handeling
Omschrijving
Afleiding
Het ongewenste gedrag ombuigen via het aanbieden van een andere activiteit, bijvoorbeeld een energizer, een boodschap, een andere werkvorm of een klusje
Complimenteren
De leraar geeft complimenten als tegenwicht tegen het ongewenste gedrag (bijvoorbeeld: 'Waarom zo dwars; je bent zo goed in rekenen')
Emoties verwoorden
De leraar verwoordt de emoties van de leerling
Humor
De leraar bedient zich van humor in zijn/haar reactie op het externaliserende gedrag
Ik-boodschap
De leraar gebruikt een ik-boodschap (bijvoorbeeld: 'Ik vind het fijn als je je muts afdoet')
Negeren
De leraar negeert bewust ongewenst gedrag
Non-verbaal signaal
De leraar stuurt het externaliserende gedrag met non-verbale signalen (hand op de tafel, wijzende vinger etc.)
Ruimte geven
De leraar geeft de leerling de mogelijkheid om af te wijken van een regel of afspraak om hem zo tijd en gelegenheid te geven het gedrag bij te stellen
Time-out
De leraar zet een time-out in of buiten de klas in
Vragen stellen
Vragen stellen over het gedrag met als doel dat de leerling tot inzicht komt
Leraarhandelingen onderzoeken we met behulp van het digitale observatie-instrument OBOB (Observations by Means of Buttons). OBOB is een observatiesysteem (in Excel) met knoppen waarmee (in ons geval) leraar- en leerlinggedrag kan worden gescoord; frequentie, voorkomen en tijdspanne van gescoord gedrag worden automatisch opgeslagen. Boelhouwer (2013) heeft dit systeem in eerder onderzoek gebruikt en concludeert dat de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid redelijk is. We gaan in vijftig speciaal onderwijsklassen per klas twee leerlingen observeren die van tevoren door de leraar zijn geselecteerd.
Interactie tussen leraar en leerling staat centraal
In figuur 2 wordt de structuur van de observatieprocedure weergegeven. We starten de observatieperiode met een algemene beoordeling van de werksfeer op een vierpuntsschaal. In verband met het bewaken van de privacy is besloten om 'live' te observeren, dus niet op te nemen. De observatie duurt maximaal een uur, bij voorkeur op momenten dat het volgens de leraar het meest waarschijnlijk is dat het probleemgedrag zich zal voordoen. De daadwerkelijke leraar-leerlingobservatie begint op het moment dat het probleemgedrag begint. Daarvoor zijn in OBOB verschillende, concreet waarneembare gedragingen gedefinieerd (bijvoorbeeld: werk/opdrachten die de leraar geeft, weigeren). Vervolgens wordt de reactie van de leraar gescoord: ook hiervoor zijn verschillende, te scoren handelingen gedefinieerd (voorbeelden: de leraar stuurt het externaliserende gedrag met non-verbale signalen, zoals een hand op de tafel, wijzende vinger etc.; de leraar verwijst naar de schoolregels: 'In de klas dragen we geen muts.'). Tevens wordt de houding van de leraar gescoord: passief/zwak, sensitief/neutraal of autoritair/met stemverheffing. Leerling- en leraargedrag worden net zo lang gescoord totdat het probleemgedrag van de leerling niet meer aanwezig is. Wanneer bij een handeling van de leraar in deze sequentie zijn houding verandert, wordt dat opnieuw gescoord. Is het probleemgedrag niet meer aanwezig, dan wordt gescoord of beiden tevreden zijn over het resultaat of dat alleen de leraar tevreden is. Tevens wordt gescoord of het resultaat is bereikt door externe regulatie (leraar stuurt het gedrag bij), coregulatie (leraar en leerling doen dat gezamenlijk) of zelfregulatie (leerling stuurt eigen gedrag bij). De observatieperiode eindigt met beoordeling van de werksfeer.
Met behulp van dit observatie-instrument kunnen we in beeld brengen welke handelingen of combinaties van handelingen van de leraar effectief zijn voor welk leerlinggedrag. Daarnaast onderzoeken we het verband tussen het leraar-leerlinginteractieproces en de kwaliteit van de leraar-leerlingrelatie met behulp van de Leerling Leerkracht Relatie Vragenlijst (LLRV: Koomen e.a., 2007). Met de LLRV meten we relatiepatronen in termen van nabijheid, conflict en afhankelijkheid. Het verband tussen het leraar-leerlinginteractieproces en het klassenklimaat ten slotte onderzoeken we met de Klimaatschaal (Donkers & Vermulst, 2011). Met de Klimaatschaal brengen we de kwaliteit van onderlinge leerlingrelaties, sfeer in de klas, orde in de klas en kwaliteit van leraar-leerlinginteracties in kaart.
Externaliserend leerlinggedrag levert menig leraar stress op en een verlies van het plezier in lesgeven. Scholing in het omgaan met dit soort gedrag is dan ook vaak gewenst. Scholing heeft echter vaak een formeel karakter (bijvoorbeeld een opleiding, een cursus of een workshop) en is, aldus de Onderwijsinspectie (2013), daarom lang niet altijd effectief. Het afleggen van lesbezoeken wordt door leraren wel gewaardeerd als leermethode, maar lesbezoeken blijven, zoals eerder opgemerkt, individuele en situatiegebonden acties van leraren. Dat laatste geldt eveneens voor beeldcoaching, een manier van begeleiden die door leraren als positief wordt ervaren en effectiever lijkt te zijn dan coaching zonder video (De Wit & Van Tuijl, 2016). Dit onderzoeksproject is een eerste stap op weg naar het realiseren van een groter bereik van beeldmateriaal. Wanneer we deze eerste stap succesvol hebben gezet - dat wil zeggen: wanneer we hebben aangetoond welke leraarhandelingen het meest effectief zijn bij welk leerlinggedrag - kunnen we na afsluiting van dit project verder met stap 2: daadwerkelijk beeldmateriaal maken. Omdat de privacy ook dan weer een obstakel kan zijn, overwegen we om animaties te maken.

Literatuur

  • Bijl-Van Gelder, H. & van Efferen-Wiersma, E. (2016). Gedrag is een signaal. Een passende aanpak voor opvallend gedrag. Rotterdam: CED-Groep.
  • Boelhouwer, M.D. (2013). Tussen weerstand en weerbaarheid en andere recepten. Proefschrift Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.
  • Deci, E.L., & Ryan, R.M. (1985) Intrinsic motivation and self-determination in human behavior. New York: Plenum.
  • Donkers, A. & Vermulst, A.A. (2011). Klimaatschaal. Meetinstrument voor het vaststellen van het klimaat in de klas voor de bovenbouw van het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar onderwijs. Oss/Uden: Fontys Opleidingscentrum voor Speciale Onderwijszorg.
  • Hofstetter, W., & Bijstra, J.O. (2014). Passend Onderwijs: zijn we er klaar voor? Kind & Adolescent Praktijk, 3, 132-139.
  • Horeweg, A. (2015). Gedragsproblemen in de klas in het basisonderwijs. Houten: Lannoo Campus.
  • Inspectie van het Onderwijs (2013). Professionalisering als gerichte opgave. Verkennend onderzoek naar het leren van leraren. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
  • Joosten, F., Verwoerdt, A., & Smeets, K. (2014). Welk gedrag mag? Een onderzoek naar de manier waarop leerkrachten met probleemgedrag omgaan. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 53, 395-408.
  • Koomen, H., Verschueren, K., & Pianta, R. (2007). LLRV; Leerling Leerkracht Relatie Vragenlijst. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  • Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2016). Brief aan de Tweede Kamer: Tiende voortgangsrapportage passend onderwijs. Den Haag: Ministerie OCW.
  • Onderwijsraad (2010). De school en leerlingen met gedragsproblemen. Den Haag: Onderwijsraad.
  • van Grinsven, V., & Woud, L. van der (2016). Rapportage onderzoek Passend Onderwijs. Utrecht: DUO Onderwijsonderzoek.
  • van Lieshout, T. (2018). Pedagogische adviezen voor speciale kinderen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  • Wit, T. de & Tuijl, C. van (2016). Onderzoek naar de effectiviteit van beeldbegeleiding. Met andere ogen. Beter Begeleiden, november, 12-16.
  • Wubbels, T. (2014). Leraar-leerlingrelaties in de klas: Toekomst voor onderzoek. Pedagogische Studiën, 91, 352-363.

Tijdelijk gratis - maak gebruik van dit unieke aanbod.

Onze productaanbevelingen

BSL Psychologie Totaal

Met BSL Psychologie Totaal blijft u als professional steeds op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen binnen uw vak. Met het online abonnement heeft u toegang tot een groot aantal boeken, protocollen, vaktijdschriften en e-learnings op het gebied van psychologie en psychiatrie. Zo kunt u op uw gemak en wanneer het u het beste uitkomt verdiepen in uw vakgebied.

Kind & Adolescent Praktijk

Het vakblad Kind en Adolescent Praktijk biedt informatie die direct aansluit bij de dagelijkse praktijk van diagnostiek, behandeling en begeleiding. Kind en Adolescent Praktijk biedt ook een forum voor een kritische beschouwing van die dagelijkse praktijk en voor discussie over onderwerpen waarmee de professional te maken hebben.

Over dit artikel

Andere artikelen Uitgave 2/2019

Kind & Adolescent Praktijk 2/2019 Naar de uitgave

Gezien en gelezen

Gezien en gelezen

uit de praktijk

Hoofd en hart