Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Schematherapie is een bewezen effectieve behandeling voor patiënten met persoonlijkheidsproblematiek. De groeiende belangstelling naar schematherapie vraagt ook om keuzes maken, ook omdat de ernst van de problematiek als gevolg van schema's en modi divers is. De auteurs van dit boek zijn van mening dat schematherapie zowel langdurend als kortdurend gegeven kan worden. Alleen zo kan schematherapie toegankelijk blijven voor een grote doelgroep van patiënten. De afgelopen jaren is de aandacht van schematherapie in individuele setting ook verschoven naar schemagroepstherapie, een behandelvorm die een ander soort ervaring vraagt van de behandelaar.

Kortdurende schemagroepstherapie beschrijft een schema CGT-protocol voor de behandeling van mensen die als gevolg van hun schema's en modi in het leven vastlopen. Dit kan in individuele schematherapie, maar ook in schemagroepstherapie. Bij schemagroepstherapie vindt het interpersoonlijk leren niet alleen plaats in het therapeutisch contact, maar vooral ook in het contact met andere groepsleden. Het aanwezig zijn en werken in en met een groep wordt door zowel therapeuten als patiënten als een krachtige experiëntiële en vaak emotioneel corrigerende ervaring genoemd.

In deze herdruk, die voorheen Schemagerichte therapie in groepen heette, worden meer voorbeelden gegeven van groepsdynamische processen en interactief leren. De schema's en modi zijn aangepast aan de laatste ontwikkelingen binnen de schematherapie. De wijze waarop het huiswerk wordt gepresenteerd is overzichtelijker. Verder is het gecombineerde schema/modusmodel nog explicieter uitgewerkt.

Dit protocol bestaat uit een handleiding en een werkboek.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Hoofdstuk 1. Inleiding

Inleiding
Een kortdurende protocollaire (groeps)behandeling voor persoonlijkheidsproblematiek, gebaseerd op de cognitief gedragstherapeutische principes van de schematherapie (Young, 2003; Young & Klosko, 2005; Arntz & Bögels, 2000; Young & Pijnaker, 1999), was tot 2006 nog niet ontwikkeld, hoewel de schematherapie zelf de laatste decennia veel bekendheid heeft gekregen.
Michiel van Vreeswijk, Jenny Broersen

Hoofdstuk 2. Theoretische beschouwing

Inleiding
Voor een uitgebreide beschrijving van de theorie achter schematherapie en de bijbehorende interventies wordt verwezen naar het handboek van Young e.a. (2003) en Van Vreeswijk, Broersen en Nadort (2008; 2012). Hier worden in het kort de belangrijkste elementen van schematherapie beschreven.
Michiel van Vreeswijk, Jenny Broersen

Hoofdstuk 3. Schematherapie in groepen

Inleiding
Schematherapie in de groep (SCGT-g) vertoont overeenkomsten met de klassieke gedragstherapeutische groepstherapie en de interpersoonlijke groepstherapie (zie Wilfley, MacKenzie, Welch, Ayes, & Weysman, 2000, p. 33, tabel ); beide zijn tijdgelimiteerde groepstherapieën.
Michiel van Vreeswijk, Jenny Broersen

Hoofdstuk 4. Onderzoeksbevindingen

Inleiding
Goed opgezet gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek naar de effectiviteit van de behandeling van persoonlijkheidsproblematiek is schaars en over het algemeen oud. Wellicht heeft dat voor een deel te maken met de vrij veelvoorkomende mening dat persoonlijkheidsproblematiek niet te behandelen is. Uit de meta-analyse van Leichsenring en Leibing (2003) blijkt echter dat die mening niet juist is. Zij vonden uit de periode 1974–2001 veertien studies die de effectiviteit van psychodynamische therapie onderzochten, elf studies die de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie onderzochten en twee studies die de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie en psychodynamische therapie tezamen onderzochten. Er worden forse effecten gevonden voor zowel psychodynamische therapieën als cognitieve gedragstherapieën. De auteurs concluderen dat zowel psychodynamische therapie als cognitieve gedragstherapie een voldoende effectieve behandeling is van persoonlijkheidsproblematiek. Wel merken zij terecht op dat hun conclusies zijn gebaseerd op een relatief klein aantal studies en dat follow-up langduriger zou moeten zijn. Daarnaast dient ook opgemerkt te worden dat slechts iets minder dan de helft van de studies die in deze meta-analyse zijn onderzocht een gerandomiseerde onderzoeksopzet had. De overige studies hadden een naturalistisch beloop. Svartberg, Stiles en Seltzer (2004) vinden in hun gerandomiseerde, gecontroleerde en longitudinale onderzoek dat zowel kortdurende psychodynamische psychotherapie als kortdurende cognitieve gedragstherapie een effectieve behandeling is van persoonlijkheidsproblematiek. Het herstel van de patiënten zette zich verder voort na afloop van hun behandeling. Twee jaar na behandeling was veertig procent van de patiënten in beide behandelcondities hersteld wat betreft interpersoonlijk functioneren en persoonlijkheidsproblemen. Interessant aan deze studie is ook dat de therapeuten van de cognitief gedragstherapeutische behandelconditie supervisie kregen van onder anderen J. Young. De cognitieve gedragstherapieconditie richtte zich onder meer op het herstructureren van schema’s. Hoewel niet expliciet vermeld, is dit tot op heden een van de weinige gepubliceerde artikelen waarin verandering in schema’s wordt aangetoond. Zeer recent is daar nog een artikel over een single case series van Nordahl en Nysaeter (2005) bijgekomen. De auteurs onderzochten bij zes patiënten met een borderline-persoonlijkheidsstoornis wat het effect was van schematherapie. De gemeten effecten waren groot. Vijf van de zes patiënten waren significant opgeknapt op zowel schema’s als psychische klachten. Drie van de zes patiënten voldeden bij een follow-up na twaalf tot zestien maanden niet langer aan de criteria voor borderline-persoonlijkheidsstoornis.
Michiel van Vreeswijk, Jenny Broersen

Hoofdstuk 5. Behandelrationale

Inleiding
Het protocol dat in dit boek wordt beschreven bestaat uit achttien (groeps)sessies van anderhalf uur en twee follow-upsessies. De therapiegroep bestaat uit mannen en vrouwen en telt acht tot tien groepsleden. De groepsleden variëren in leeftijd van 25 tot en met 65 jaar. De keuze voor bovengenoemd aantal sessies geeft meer ruimte voor interactie tussen de groepsleden, waarbij de rol van elkaars schema’s/schemagedrag kan worden besproken.
Michiel van Vreeswijk, Jenny Broersen

Hoofdstuk 6. (Contra-)indicaties

Inleiding
Het protocol is bedoeld voor patiënten die last hebben van persoonlijkheidsproblematiek en dientengevolge worstelen met hun schema’s en modi. Het protocol is dus op een brede patiëntengroep van toepassing en beperkt zich niet uitsluitend tot patiënten met een persoonlijkheidsstoornis zoals gedefinieerd in de DSM-IV (APA, 1994). Voor de inclusie in het protocol geldt dat minimaal een van de negentien door Young gedefinieerde schema’s een gemiddelde score van 2,0 of hoger moet hebben op de schemavragenlijst (YSQ: Sterk & Rijkeboer, 1997; Rijkeboer, 2005; Rijkeboer e.a., 2004; Rijkeboer & Van den Bergh, 2006). Voor een gemiddelde score van 2,0 of hoger op minimaal een van de schema’s is gekozen om herkenning en last van het schema bij de patiënt in de therapie optimaal te kunnen gebruiken voor verandering. Naarmate de gemiddelde schemascore hoger ligt, zal patiënt er meer last van hebben en dit ook meer erkennen. Ditzelfde geldt voor het gebruik van de schemamodusvragenlijst (SMI: Young, e.a., 2007; Lobbestael, Vreeswijk, Spinhoven, Schouten, & Arntz, 2010).
Michiel van Vreeswijk, Jenny Broersen

Hoofdstuk 7. Behandelprotocol

Inleiding
Het protocol beschrijft een kortdurende schematherapie in groepsverband van achttien sessies met twee follow-upsessies. Een frequentie van één keer per week is het gangbaarst. De eerste follow-up vindt een maand na sessie achttien plaats en de tweede follow-up twee maanden nadien. De groepssessies duren anderhalf uur. Aan de hand van een werkboek leert de patiënt zijn schema’s en modi te herkennen in zijn dagelijks leven en de impact van de schema’s en modi op het functioneren in het dagelijks leven te verkleinen. Er wordt voor gekozen om de drie hoogst scorende schema’s en modi als focus voor behandeling te nemen.
Michiel van Vreeswijk, Jenny Broersen

Hoofdstuk 8. Valkuilen en tips

Inleiding
Er zijn diverse valkuilen waar de therapeut bij het geven van een SCGT(-g) voor moet oppassen. Allereerst moet hij zich bewust zijn van eigen schema’s, schemagedrag en schemamodi. Een therapeut met het schema Meedogenloze normen/overdreven kritisch en modus Veeleisende ouder zal al gauw te veel van de patiënten vragen, tenslotte ‘moet’ er toch vooruitgang zijn en ‘moet’ de patiënt zich houden aan de werkwijze van dit protocol. Is de therapeut zich bewust van de eigen schema’s en modi, dan voorkomt dat al veel problemen.
Michiel van Vreeswijk, Jenny Broersen

Hoofdstuk 9. Slotbeschouwing

Inleiding
Dit behandelprotocol richt zich op een brede groep van patiënten die last heeft van schema’s en modi. Zowel patiënten met persoonlijkheidsproblematiek als patiënten met een persoonlijkheidsstoornis kunnen met dit protocol behandeld worden. Dat betekent niet dat patiënten in alle gevallen uitbehandeld zijn na afloop van dit protocol. Patiënten met ernstige persoonlijkheidsproblematiek zullen meer therapie nodig hebben. Mogelijkheden voor deze patiënten zijn de Linehantraining, de VERS-training en een aanvullende schematherapie waarbij de nadruk meer ligt op experiëntiële technieken, alsmede een steunend structurerend contact. Het is echter beslist niet wenselijk onbeperkt therapie te blijven geven. Patiënten willen soms méér therapie, maar het is aangetoond dat patiënten na een kortdurende psychotherapie gericht op persoonlijkheidspathologie zelfstandig kunnen doorgaan met het doorvoeren van veranderingen in hun leven en daarmee hun interpersoonlijk functioneren kunnen verbeteren en hun persoonlijkheidsproblemen oplossen (zie o.a. Svartberg e.a., 2004).
Michiel van Vreeswijk, Jenny Broersen

Nawerk

Meer informatie