Ga naar de hoofdinhoud
Top

Klinisch redeneren bij ouderen

Functiebehoud in levensloopperspectief

  • 2025
  • Boek

Over dit boek

Dit leerboek geeft studenten verpleegkunde (Bachelor of Nursing), verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten de kennis die nodig is om kwetsbare ouderen persoonsgerichte geïntegreerde preventie, behandeling en zorg te bieden. Zowel in de wijkverpleging, het ziekenhuis, de GGZ-instelling, als in het verpleeghuis en andere voorzieningen voor de oudere mens.

Gezondheidszorg voor (kwetsbare) ouderen is complex en individueel bepaald met nauwelijks standaardoplossingen. Verpleegkundigen spelen hierin een cruciale rol. Uit onderzoek blijkt dat er op dit gebied veel handelingsverlegenheid en kennistekort is. Met het doel daar een forse impuls ter verbetering aan te geven is dit boek geschreven en nu geactualiseerd.

Het boek beschrijft specifiek voor ouderen geschikte methodieken voor klinisch redeneren en is gebaseerd op de meest recente ‘body of knowledge’ en de ICF-systematiek. Deel 1 van het boek behandelt de essentiële uitgangsprincipes van en de visie achter klinisch redeneren bij ouderen. Deel 2, 3 en 4 gaan in op respectievelijk specifieke somatische, psychische en sociale gezondheidsthema’s, waaronder de geriatrische syndromen zoals mobiliteit, dementie, depressie en eenzaamheid. Steeds is er aandacht voor de gerontologische en geriatrische aspecten en het belang van integraal samenwerken met andere disciplines.

Inhoudsopgave

  1. Voorwerk

  2. Theoretische uitgangspunten

    1. Voorwerk

    2. 1. Inleiding

      T. J. E. M. Bakker
      Samenvatting
      De demografische verschuiving van minder jongeren naar meer ouderen daagt de maatschappij en de gezondheidszorg uit om nieuwe oplossingen te vinden voor de problemen die daarmee samenhangen. Zo is aandacht voor preventie van vroegtijdig functieverlies gedurende de gehele levensloop van toenemend belang, gericht op waarde(n)vol ouder worden.
      In dit hoofdstuk worden vijf tijdvensters van potentiële preventiewinst onderscheiden. De filosofische basis van de gepresenteerde preventievisie op functiebehoud in levensloopperspectief komt aan de orde. Verder worden gangbare lineaire co-/multimorbiditeitsmodellen uitgebreid naar een model dat berekend is op complexe, multifactoriële en elkaar onderling beïnvloedende processen die het kenmerk zijn van kwetsbare ouderen. Het gepresenteerde integratief gerodynamisch model (IGD-model) is een functie-ontwikkelingsperspectief vanaf de geboorte. Dit model wordt nader geconcretiseerd in de STIP-Methode en het doorontwikkelde piramidemodel van Bianca Buurman.
    3. 2. Normale veroudering

      J. Dikken
      Samenvatting
      Normale veroudering kan worden beschreven als een tijdafhankelijk biologisch proces dat, hoewel het niet een ziekte op zichzelf betreft, functionele achteruitgang en risico op ziekte en dood met zich meebrengt. Eén manier om de kans op sterven te meten, is door te kijken naar sterftecijfers. Lichamelijke factoren die gecorreleerd zijn met de maximale levensverwachting zijn bijvoorbeeld de relatieve grootte van de hersenen, de metabolische activiteit, de lichaamsgrootte, het lichaamsgewicht, de lichaamstemperatuur en de snelheid waarmee energie wordt gebruikt. In dit hoofdstuk worden verder theorieën over het normale verouderingsproces beschreven.
    4. 3. Verpleegkundige theorieën bij kwetsbare ouderen

      E. V. Habes, A. T. Bakker, H. J. van der Sande, M. Zwakman
      Samenvatting
      Vanaf de jaren 50 zijn veel theorieën tot stand gekomen vanuit de professionaliseringsbehoefte van de verpleegkundige beroepsgroep: grand-theorieën, die het hele domein van verplegen verkennen en kaderen vanuit een bepaald concept; middle-range-theorieën, die een verzameling verschijnselen binnen de verpleging onder de loep nemen; practice-level-theorieën die de effectiviteit van één of een aantal verpleegkundige interventies beschrijven.
    5. 4. Inleiding tot klinisch redeneren bij ouderen

      B. M. Buurman, G. W. L. Quist-Anholts, R. J. J. Gobbens, C. H. Spanninga, B. J. M. Derks-Mensink, T. J. E. M. Bakker, E. V. Habes
      Samenvatting
      Ouderen die kwetsbaar zijn, doen een groter beroep op zorgvoorzieningen. In een acute fase is het van belang om te triageren, waarmee de urgentie wordt vastgesteld. In een chronische fase is het tijdig opsporen van kwetsbare ouderen belangrijk. Dat gebeurt vaak door middel van een systematiek die overeenkomt met de fasen van klinisch redeneren. De fasen die specifiek voor ouderen worden onderscheiden zijn: herkenning verhoogd risico, een screenend comprehensive geriatric assessment, Samen Beslissen, een diagnostisch comprehensive assessment en een zorgbehandelplan. Het systematisch opsporen en begeleiden van kwetsbare ouderen is een complexe aangelegenheid waarbij gebruikt wordt gemaakt van redeneerhulpen.
    6. 5. Kwaliteit en uitdagingen

      E. V. Habes, G. W. L. Quist-Anholts, M. W. C. Snoeren
      Samenvatting
      De zorg voor ouderen is complex en vergt specifieke kennis en vaardigheden. De overheid heeft de inzet van hbo-verpleegkundigen gestimuleerd, zowel in de wijk als in zorgorganisaties. Uit onderzoek is gebleken dat een hbo-verpleegkundige een aantal CanMEDS-rollen vrij gemakkelijk aanneemt, zoals die van zorgverlener en communicator. De laatste jaren is er een toenemende tendens dat hbo-verpleegkundigen zich hierbij richten op de urgente situaties in de ouderenzorg, waarbij effectieve triage noodzakelijk is. Ook de rol van verpleegkundig leider krijgt een belangrijkere plaats. In de steeds veranderende praktijk is deze rol verbonden met uitdagingen zoals het creëren van een lerende en innoverende werkomgeving (inclusief praktijkonderzoek opzetten) en het omgaan met weerstand tijdens veranderingen. Een andere uitdaging is het adequaat omgaan met functiedifferentiatie, die is verbonden met het bevorderen van interprofessionele samenwerking, het waarborgen van persoonsgericht werken waarbij positieve samenwerkingsrelaties worden bevorderd en kennisdeling die aansluit bij de leerstijl van diverse zorgprofessionals. Dit hoofdstuk bespreekt per uitdaging een aantal aanbevelingen, die onder andere zijn gebaseerd op de theorie van Practice Development.
  3. Geriatrische syndromen - veranderingen bij somatische veroudering

    1. Voorwerk

    2. 6. ADL en IADL

      B. M. Buurman
      Samenvatting
      Meestal ontstaan bij ouderen eerst beperkingen in het IADL-functioneren en worden pas daarna de ADL-functies aangetast. De prevalentie en incidentie van beperkingen in ADL/IADL-functioneren verschillen per doelgroep. Achteruitgang in functioneren kan een teken zijn van een naderend levenseinde. Bij beperkingen in functioneren is er vaak meer dan één probleem aanwezig. Het is daarom niet genoeg alleen naar het ADL- en IADL-functioneren te kijken. Diverse verstoringen en ziekten kunnen de mogelijkheid beïnvloeden of aantasten om ADL- en IADL-activiteiten uit te voeren. De restcapaciteit is het compensatiemechanisme dat een oudere bezit om beperkingen op te vangen. Veelgebruikte diagnostische zelfrapportage-instrumenten zijn de ADL-schaal van Katz, de Barthel-index, de IADL-schaal van Lawton en Brody en Groningen Activity Restriction Scale. Bij beperkingen in ADL/IADL-functioneren zijn diverse interventies mogelijk.
    3. 7. Visus en gehoor

      H. J. van der Sande, E. Schnepper
      Samenvatting
      Naarmate men ouder wordt, neemt de functie van de visus en het gehoor af. Visus- en gehoorproblemen maken ouderen kwetsbaar en leiden tot verlies van zelfredzaamheid. Bij de visus van ouderen zijn verschillende orgaansystemen betrokken: motorisch systeem, zintuiglijk systeem, bloedsysteem en endocrien systeem. Bij het klinisch redeneren zoekt een verpleegkundige naar verbanden tussen verstoringen en bedreigingen in deze orgaansystemen en brengt ze in verband met andere functiekenmerken. Fysieke gezondheidsproblemen met betrekking tot de visus zijn onder andere presbyopie, glaucoom, cataract, leeftijdgebonden maculadegeneratie, diabetische retinopathie. Gezondheidsproblemen met betrekking tot het gehoor kunnen vanuit de anatomie van het oor worden verklaard. Externe en persoonlijke factoren zijn van invloed op de wijze waarop ouderen met hun visus- of gehoorproblemen omgaan. Screenen en diagnosticeren van visus- en gehoorproblemen bij ouderen kan onder meer plaatsvinden met de snellenkaart (visus) en de Hearing Handicap Inventory for the Elderly-test (gehoor).
    4. 8. Slaap

      C. F. M. Manders
      Samenvatting
      Met het ouder worden neemt de kans op functieproblemen als gevolg van een verstoorde slaap toe. Bij ouderen verandert het normale slaappatroon. Ze vallen minder snel in slaap en de verschillende slaapfasen wisselen zich sneller af, en ze hebben een minder diepe slaap. Hierdoor vermindert hun slaapefficiëntie. Als gevolg van fysiologische veranderingsprocessen in de hersenen hebben ouderen de neiging om eerder te gaan slapen en ’s ochtends eerder te ontwaken. Ook kunnen ze tijdens de slaap last krijgen van restless legs, snurken en slaapapneu. Ouderen slapen niet minder naarmate ze ouder worden, de rust wordt meer verdeeld over de dag. Met behulp van de dynamische systeemanalyse kunnen externe en persoonlijke factoren die van invloed zijn op slaap in kaart worden gebracht. Er zijn diverse meetinstrumenten voor het diagnosticeren van slaapproblemen beschikbaar. Verpleegkundige interventies bij slaapproblemen zijn voorlichting over slaap-waakhygiëne, toezicht op medicamenteuze therapie, alternatieve behandelwijzen en cognitieve gedragstherapie bij insomnie.
    5. 9. Mobiliteit en valpreventie

      D. C. Mittelmeijer-Klein
      Samenvatting
      Mobiliteit en vallen hangen nauw samen. Als gevolg van fysieke, mentale en sociale factoren verandert de mobiliteit van ouderen, en neemt de kans op vallen toe. Vallen gaat gepaard met een verhoogd risico op fracturen. De fysieke beperkingen als gevolg van het vallen zorgen bovendien voor een verdere toename van de kwetsbaarheid. Om de levenskwaliteit van ouderen te bevorderen, is valpreventie van groot belang. Vaak is sprake van een complex van factoren dat ervoor zorgt dat een oudere valt. Om zicht te krijgen op deze factoren kan een verpleegkundige het lichamelijk functioneren vanuit verschillende orgaansystemen analyseren. Externe en persoonlijke factoren die van invloed zijn op immobiliteit en vallen zijn met name somatische, cognitieve, persoonlijkheids-, belevings- en sociale functiekenmerken. Alle functiekenmerken zijn met elkaar verbonden. Gebreken of problemen in een functiegebied kunnen snel leiden tot problemen in een ander gebied. Met behulp van valpreventieve interventies kan een verpleegkundige zorgen dat het risico op vallen vermindert, maar ook dat de consequenties van een val of de ernst van het letsel verminderen.
    6. 10. Voeding en vocht

      D. ten Cate, C. Ziylan
      Samenvatting
      Ondervoede oudere mensen hebben vaak verscheidene functiebeperkingen en/of aandoeningen en er zijn dwarsverbanden met andere zorgproblemen, zoals decubitus, valincidenten en delirium. Oudere mensen zijn kwetsbaarder voor uitdroging dan jongere mensen door de veranderingen die in de water- en zouthuishouding optreden als gevolg van het normale verouderingsproces. De prevalentie van ondervoeding stijgt met de leeftijd. Verschillende orgaansystemen zijn bij ondervoeding betrokken: het motorisch systeem, het endocrien systeem, het afweersysteem, het digestief systeem en het zintuiglijk systeem. Oudere mensen verschillen in de manier waarop ze omgaan met een verstoring van de voedings- en vochthuishouding. Het lichamelijk onderzoek om dehydratie bij oudere mensen vast te stellen, is niet eenvoudig. Wat betreft interventies bij ondervoeding of dehydratie is er veel aandacht voor preventie, waarvan de belangrijkste interventies tijdige screening en ondersteuning in zelfmanagement, en het geven van adviezen en voorlichting voor voldoende voedings- en vochtinname zijn.
    7. 11. Mondhygiëne

      M. Dorgelo
      Samenvatting
      Exacte cijfers over mondproblemen bij ouderen zijn niet voorhanden, maar er is wel een stijgende lijn waarneembaar in het gebruik van mondzorg. Er zijn drie bedreigingen voor de mondgezondheid: verminderde weerstand in de mond, vermindering van normaal aanwezige bacteriën in de mond en groei van orale biofilm. In de volgende functies van de mondholte kunnen (mogelijke) problemen ontstaan in het licht van de mondhygiëne: het voelen en onderzoeken van het voedsel, het verwerken van het voedsel, het bevochtigen van het voedsel met speeksel en het beginnen van het verteringsproces door dit speeksel. Bij ouderen is de speekselvloed minder. Ziekten als de ziekte van Parkinson en medicatie kunnen de speekselaanmaak verstoren. Effectieve mondzorgprogramma’s voor ouderen in intramurale setting zijn gebaseerd op drie pijlers: onderzoek van de mondgezondheid, professionele mondzorg en dagelijkse mondzorg. Het doel van mondhygiëne is vooral problemen te voorkomen.
    8. 12. Continentie

      P. van Houten
      Samenvatting
      Toiletgangproblemen komen veel voor bij ouderen. In dit hoofdstuk worden twee typen toiletgangproblemen behandeld: incontinentie (urine en/of ontlasting) en obstipatie. Er zijn diverse typen incontinentie, die gekarakteriseerd worden door de aandoeningen die in de verschillende systemen kunnen ontstaan De diagnose incontinentie kan gesteld worden op basis van de klachten en met behulp van een incontinentiedagboek. Na uitleg en leefstijlaanpassingen kunnen interventies worden ingezet om verbeteringen te bereiken. Veel aandacht daarbij verdient de rol van medicatie op zowel incontinentie als obstipatie.
    9. 13. Kwetsbare huid

      M. Dorgelo
      Samenvatting
      Huidletsel is een verzamelnaam voor diverse vormen van huidbeschadiging, zoals decubitus, letsel door incontinentie, smetten en skin tears. Daarnaast zijn er huidziekten en -infecties die veel bij ouderen voorkomen, zoals herpes zoster, ulcus cruris en eczema nummulare. Bij normale veroudering worden de elasticiteit en de bloedtoevoer van de huid minder. De vermindering van de bloedtoevoer heeft een nadelige invloed op het herstelvermogen van de huid, waardoor een grotere kwetsbaarheid ontstaat. Van verpleegkundigen vraagt dit goede observatie en screening van de huid, liefst met een gestandaardiseerd meetinstrument zoals de Bradenschaal voor decubitus. De verpleegkundige moet preventieve en curatieve maatregelen kunnen nemen ter voorkoming van (ergere) huidproblemen. Deze worden beschreven in dit hoofdstuk.
    10. 14. Pijn

      H. J. van der Sande, H. H. L. P. van den Broek
      Samenvatting
      Er zijn verschillende typen pijn te onderscheiden, bijvoorbeeld naar de tijdsduur (acute of chronische pijn) en naar de bron van de pijn (nociceptieve, neuropathische of centrale pijn). Een veelgebruikt pijnmodel is het model van Loeser, dat bestaat uit vier cirkels: nociceptie, pijngewaarwording, pijnbeleving en pijngedrag. Naar schatting wordt ongeveer 45 % van de ouderen tussen 65–75 jaar in Nederland belemmerd door pijn. Pijn is van invloed op verschillende orgaansystemen, zoals het neurologisch, zintuiglijk, motorisch, cardiovasculair en digestief systeem. Pijn kan het gevolg zijn van een bepaalde aandoening, maar ook een oorzaak voor ontregeling van orgaansystemen. Mogelijke preventieve interventies bij pijn zijn informatie en voorlichting geven, pijnmedicatie geven en afleiding zoeken. Een combinatie van farmacologische en niet-farmacologische interventies is de standaardbehandeling bij pijn. Een positieve arts-patiëntrelatie is geassocieerd met verbeterde behandeluitkomsten.
    11. 15. Polyfarmacie bij oudere patiënten

      C. J. P. W. Keijsers, R. J. van Marum
      Samenvatting
      De prevalentie van polyfarmacie varieert tussen 30–45 % van de ouderen in Nederland. Bij de oudere patiënt zijn er enkele onderdelen van de farmacokinetiek die anders verlopen dan bij de volwassen populatie. Deze onderdelen worden hier gekoppeld aan orgaansystemen. Van een aantal medicijnen is bekend dat ze bij ouderen gemiddeld gesproken een versterkt of juist verzwakt effect hebben. Dit kan komen door veranderde farmacodynamiek. Verschillende risicofactoren voor het ontstaan van (soms gevaarlijke) bijwerkingen zijn aan te wijzen die met de externe en persoonlijke kenmerken van de patiënt samenhangen. Polyfarmacie is bij uitstek een geriatrisch probleem dat een multidisciplinaire aanpak behoeft. Een veilige inname van medicatie begint bij het goed en deskundig voorschrijven. Met behulp van het ‘rodevlaggeninstrument’ (een checklist) kan een verpleegkundige gevaarlijke situaties of bijwerkingen signaleren. Er zijn diverse verpleegkundige interventies om zelfmanagement, en daarmee therapietrouw, te bevorderen.
  4. Geriatrische syndromen – veranderingen bij psychische veroudering

    1. Voorwerk

    2. 16. Dementie

      R. M. Dröes, T. J. E. M. Bakker
      Samenvatting
      Dit hoofdstuk beschrijft de kenmerken, prevalentie en verschillende typen van dementie, de onderliggende processen in de hersenen en factoren die het functioneren van mensen met dementie beïnvloeden, zoals persoonlijkheid, het vermogen om zich aan te passen aan de veranderde omstandigheden, ziektebesef, specifieke beperkingen die iemand ervaart, emotionele en gedragsontregeling, materiële en sociale omstandigheden. In het kader van de persoonsgerichte integrale STIP-Methode komt het methodisch klinisch redeneren en de ‘Stepped Care’-interventieprocedure aan de orde. In de behandeling bij dementie worden medicamenteuze en niet-medicamenteuze interventies onderscheiden. Bij emotionele en gedragsontregeling zijn niet-medicamenteuze interventies eerste keus en behoren dus altijd als eerste ingezet te worden. Conform het Adaptatie-Copingmodel betreft dit onder andere persoonsgerichte algemene zorg, aanpassing van de omgeving (person-environment fit), persoonsgerichte belevingsgerichte omgangsstrategieën, en persoonsgerichte psychosociale en psychotherapeutische interventies; in te zetten op de vier ‘Stepped Care’-niveaus. Ten slotte wordt ingegaan op het belang van de ondersteuning van zelfmanagement en enablement van mensen met dementie en hun mantelzorgers. Casemanagers spelen hierbij een belangrijke rol. Om zelfmanagement te bevorderen, kan onder meer gebruik worden gemaakt van function focused care en van ondersteunende zorgtechnologie.
    3. 17. Delier

      R. J. J. Gobbens, T. J. E. M. Bakker
      Samenvatting
      Een delier is een acute psychische stoornis waarbij sprake is van een bewustzijnsstoornis met een verminderd vermogen de aandacht ergens op te richten, vast te houden of te verplaatsen en van een verandering in cognitief functioneren. Ook kunnen zich waarnemings- en denkstoornissen voordoen, zoals hallucinaties en wanen evenals emotionele symptomen als angst, depressie, agressie en euforie. Het delier kan een acuut (enkele uren of dagen) of persisterend (weken tot maanden) beloop hebben. Een onderliggende (acute) lichamelijke ontregeling van de hersenen is veelal de oorzaak. Kenmerkend is dat een delier acuut ontstaat en dat de symptomen in de loop van de dag in ernst kunnen fluctueren. Een delier dient beschouwd te worden als een ernstig alarmsignaal met vaak ingrijpende consequenties. Delierpreventie is mogelijk: het Hospital Elder Life Program (HELP) is een best-practicevoorbeeld van een kosteneffectief preventief interventieprogramma dat de incidentie van een delier significant vermindert. Hoewel herkenning van een delier als een basistaak van zorgverleners wordt beschouwd, gebeurt dit vaak niet tijdig. De behandeling bestaat uit drie componenten: 1) opsporen en behandelen van de oorzaken en van de psychische ontregeling, 2) optimaliseren zowel van de communicatie met patiënt en naasten als van de oriëntatie, en 3) zorgdragen voor een passende, veilige omgeving en een goede nachtrust.
    4. 18. Depressie en verwante beelden

      M. Reinhoudt, M. G. Kat
      Samenvatting
      In dit hoofdstuk over depressie, somberheid, rouw, apathie en emotionele labiliteit worden de overeenkomsten en verschillen besproken tussen deze fenomenen en wordt nagegaan welke consequenties die hebben voor de preventie, diagnostiek, begeleiding en behandeling in het dagelijks contact met de oudere patiënt. Juist bij ouderen komen deze fenomenen relatief veel voor. Een genuanceerde kijk op dit spectrum van aan stemminggerelateerde (functie)problemen kan leiden tot een adequatere preventie, behandeling en begeleiding. De depressieve stoornis (ziekte) komt bij 1–5 % van de 55-plussers in de algemene bevolking voor. Er lijkt sprake van een circulair verband tussen depressie (als hersenaandoening) en lichamelijke ziekten. Ook erfelijke, psychische en sociale factoren kunnen van invloed zijn op het ontstaan van een depressie. Een depressie kan leiden tot ernstige problemen in het functioneren op zowel psychisch, somatisch als sociaal gebied. Bij een vermoeden van depressie kunnen een heteroanamnese, observaties en een screeningsinstrument als de GDS of de schaal van Cornell worden gebruikt.
    5. 19. Persoonlijkheidsstoornissen

      J. Collet, T. J. E. M. Bakker
      Samenvatting
      Verschillende persoonlijkheidskenmerken kunnen op latere leeftijd leiden tot een verhoogd risico op problemen en de kwaliteit van het dagelijks leven nadelig beïnvloeden. Sommige persoonlijkheidspathologie openbaart zich op latere leeftijd bijvoorbeeld als gevolg van verlies aan zelfstandigheid, van naasten of van lichamelijke gezondheid. Er zijn verschillende persoonlijkheidsstoornissen volgens de DSM-5, waarbij de prevalentie tussen mannen en vrouwen verschilt en de oorzaken zijn gelegen in voortdurende interactie van biogenetische en psychologische factoren en omgevingsinvloeden. Dit vraagt om een veelzijdige en adaptieve benadering, met oog voor zowel de unieke persoonlijkheidskenmerken als de complexe uitdagingen die de combinatie van lichamelijke, psychische- en sociale problematiek bij het ouder worden met zich mee kan brengen. In de klinisch-redeneerprocedure wordt naar verschillende informatiebronnen en dimensies (DSA-scan) gekeken, wordt een lichamelijke oorzaak uitgesloten en kan met de inzet van verschillende meetinstrument tot een juiste diagnosestelling worden gekomen. Het inzetten van meetinstrumenten is divers vanwege de veelzijdige problematiek. Wat betreft aanpak wordt de voorkeur gegeven aan niet-farmacologische interventies binnen een multidisciplinaire context met een eenduidig theoretisch-methodisch kader, die gericht zijn op het bevorderen van de zelfredzaamheid van de oudere en ondersteuning van hun naasten. Hiervoor is een mediatieve CoMBI-benadering en een persoonsgerichte interdisciplinaire STIP-Methode (preventie en behandeling) beschikbaar. Bij de ‘Stepped Care’-interventieprocedure wordt bekeken welke interventies preventief of vanuit de minst intensieve behandeling het gewenste effect hebben.
    6. 20. Stemmings- en gedragsproblematiek

      J. Collet, T. J. E. M. Bakker
      Samenvatting
      Veel voorkomende stemmings- en gedragsproblemen bij ouderen uiten zich in symptomen zoals angst, depressie, agressie of eenzaamheid. De (achterliggende) oorzaken hiervan zijn divers en per individu verschillend. Naast psychische en sociale problemen kan de oorzaak in het brein liggen en/of een gevolg zijn van lichamelijke aandoeningen. Stemmigs- en gedragsproblemen worden in de zorg voor kwetsbare ouderen vaak omschreven als ‘probleemgedrag’, ‘onbegrepen gedrag’ of ‘signaalgedrag’. Vanuit de STIP-Methode wordt een persoonsbeeld van de oudere gemaakt en onderzocht welke preventie of behandeling het best past bij de kwetsbare oudere, waarbij de autonomie en eigen regie zo veel mogelijk gestimuleerd worden. De interventies zijn gebaseerd op een methodisch bewezen effectieve aanpak, waarbij het betrekken van mantelzorg en naasten, interdisciplinair werken, het passend gebruik van psychofarmaca en het terugdringen van dwangzorg centraal staan.
    7. 21. Agressief gedrag

      T. J. E. M. Bakker
      Samenvatting
      In dit hoofdstuk wordt agressief gedrag besproken bij kwetsbare ouderen, inclusief achterliggende invloeden en oorzaken in een context, de integrale persoonsgerichte diagnostiek, preventie, behandeling en begeleiding en diverse organisatie-aspecten. Het hoofdstuk gaat over verbale agitatie en fysiek agressief gedrag bij kwetsbare ouderen (onder andere met dementie), en niet over het gedrag bij hun familie of andere betrokkenen.
  5. Geriatrische syndromen – veranderingen bij sociale veroudering

    1. Voorwerk

    2. 22. Eenzaamheid

      R. Agterhof, J. M. C. Broese
      Samenvatting
      Eenzaamheid is een gevoel van een onplezierig of ontoelaatbaar gemis aan (kwaliteit van) bepaalde relaties. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen twee typen eenzaamheid: emotionele en sociale eenzaamheid. Bijna 40 % van de volwassenen in Nederland voelt zich eenzaam. Boven de 75 jaar stijgt dit percentage; het sociale netwerk wordt dan kleiner. Het is belangrijk om eenzaamheid te herkennen, omdat het gevolgen heeft voor de kwaliteit van leven en de gezondheid. De verpleegkundige kan letten op de aanwezigheid van lichamelijke, psychische, sociale of gedragsmatige signalen.
      De eenzaamheidsschaal is een hulpmiddel dat inzicht geeft in de ernst en het type eenzaamheid. De verpleegkundige zoekt samen met de oudere naar een passende interventie, die aansluit bij het type eenzaamheid en de wensen van de oudere. Voor het doorbreken van eenzaamheid is het van belang dat de oudere er zelf mee aan de slag gaat en door professionals ondersteund wordt in het vergroten van zelfmanagementvaardigheden.
    3. 23. Mantelzorger onder druk

      H. W. Nijhoff, T. J. E. M. Bakker
      Samenvatting
      Ouderen blijven steeds langer zelfstandig thuis wonen. Het aantal kwetsbare ouderen in Nederland zal in 2040 naar schatting één miljoen bedragen, en bij deze groep zal een veelvoud van mantelzorgers betrokken zijn. In 2023 waren er ongeveer vijf miljoen actieve mantelzorgers, waarvan ongeveer 10 % zich ernstig overbelast voelde. Fysieke aandoeningen in combinatie met (neuro)psychiatrische, psychosociale en dementiële factoren bij ouderen kunnen leiden tot ernstige problematiek. Betrokken mantelzorgers lopen als gevolg hiervan een groot risico op overbelasting. Overbelasting kan daarnaast veroorzaakt worden door de combinatie met belastende factoren bij de mantelzorgers zelf. Het is belangrijk (dreigende) overbelasting, (mogelijke) gevoelens van incompetentie bij mantelzorgers en andere systeemproblematiek vroegtijdig te signaleren.
      De intake op basis van de onderwerpen uit de dynamische systeem analyse (DSA-scan), de MantelScan en signaleringsinstrumenten kan leiden tot preventieve maatregelen.
      Een hulpmiddel bij curatieve interventies is het SOFA-model. De vervolgstap is contextuele therapie en daarna kan worden verwezen naar een systeemtherapeut. Om zelfmanagement bij mantelzorgers en ouderen te stimuleren, kan gebruik worden gemaakt van motivatietechnieken.
    4. 24. Woon- en leefomgeving vanuit sociotherapeutisch perspectief

      T. J. E. M. Bakker, M. van Helden
      Samenvatting
      Sociotherapie is gericht op het doelbewust creëren en hanteren van sfeer en ambiance in de woon-leefomgeving en op ritme, structuur en dagbesteding; het gaat hierbij om cliënten, mantelzorgers en (een multidisciplinair team van) hulpverleners tegelijkertijd. Een woon-leefomgeving met kenmerken van een sociotherapeutisch klimaat draagt in belangrijke mate bij aan het individuele welbevinden van kwetsbare ouderen. Binnen het sociotherapeutisch milieu voor kwetsbare ouderen kunnen vier niveaus onderscheiden worden, die in intensiteit oplopen: basiselementen, communicatie en samenwerking, evidence-based benaderingswijzen en interventies, enscenering van klimaat, situatie en relaties. De methodische inbreng van hbo-verpleegkundigen en hbo-agogische professionals is hierbij noodzakelijk; ook voor preventie in de eerstelijnszorg.
    5. 25. Ouderenmishandeling

      M. J. M. Adriaansen
      Samenvatting
      Er zijn meerdere vormen van ouderenmishandeling: psychische mishandeling, lichamelijke mishandeling, financiële en materiële uitbuiting, geestelijke of lichamelijke verwaarlozing en seksueel misbruik. In Nederland worden naar schatting jaarlijks ruim 115.000 ouderen mishandeld. Er zijn diverse risicofactoren voor het ontstaan van ouderenmishandeling. Het is van belang alert te zijn op signalen bij de oudere zelf en bij zijn omgeving. Hoe met deze signalen om te gaan, is verschillend in de chronische en acute zorg. Elke zorginstelling is verplicht de meldcode voor huiselijk geweld op te nemen in haar beleid. Een zorgorganisatie kan een aantal maatregelen nemen ter preventie van ouderenmishandeling: scholing, ondersteuning, een klimaat scheppen waarin knelpunten en zorgen bespreekbaar zijn, beleid voeren wat betreft grensoverschrijdend gedrag en sociale veiligheid. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) beschikt over een meldpunt voor ouderenmishandeling in de zorg. De IGJ kan een tuchtrechtzaak bij BIG-geregistreerde professionals aanspannen.
  6. Geriatrische uitdagingen

    1. Voorwerk

    2. 26. Multimorbiditeit en multifunctieproblematiek (MM/MF)

      R. J. Schim van der Loeff-van Veen
      Samenvatting
      Het aantal mensen met twee of meer chronische aandoeningen (multimorbiditeit) is in de periode 2011–2022 toegenomen, van 3,5 miljoen mensen in 2011 tot 5,7 miljoen mensen in 2022. De toename is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan vergrijzing. De groep ouderen met multimorbiditeit en multifunctieproblematiek (MM/MF) is zeer divers. Het is belangrijk om aandoeningen of functiebeperkingen te beschouwen als veranderingen in de levensloop die van de oudere keuzes en ander gedrag vragen. Om redzaam te blijven, zijn patiënten met MM/MF gebaat bij passende zorg. Dit vergt een investering die pas in de toekomst haar vruchten zal afwerpen en dus vraagt om een ander (politiek) inzicht. Ook is een andere mentaliteit nodig om ageism tegen te gaan. Zeker in latere levensfasen zijn er namelijk mogelijkheden voor aanpassing, groei en ontwikkeling, deze verschillen per individu. Zorgprofessionals en zorgopleidingen besteden nog onvoldoende structurele aandacht aan de specifieke eisen voor de gezondheidszorg aan kwetsbare ouderen.
    3. 27. Palliatieve zorg

      M. J. M. Adriaansen
      Samenvatting
      Palliatieve zorg begint meestal met ziektegerichte palliatie. Deze gaat geleidelijk over in symptoomgerichte palliatie, gevolgd door palliatie in de stervensfase. Na het overlijden is er nazorg voor de nabestaanden. De aandacht voor palliatieve zorg richtte zich voorheen vooral op kankerpatiënten, maar tegenwoordig ook steeds meer op patiënten met orgaanfalen, functieverlies door ouderdom en dementie. Bij deze aandoeningen is de palliatieve fase minder duidelijk gemarkeerd. Om tot een goede vaststelling van de belangrijkste problemen en de beïnvloedende factoren te komen, gebruiken we de term ‘palliatief redeneren’. Palliatief redeneren heeft als doel de communicatie en de kwaliteit van zorg te verbeteren. Het is in de palliatieve fase belangrijk om aan proactieve zorgplanning te doen. Hierbij worden afspraken gemaakt over de in te zetten medische en psychosociale interventies, bijvoorbeeld over het stoppen van medische handelingen of over beslissingen rondom het levenseinde. Door proactieve zorgplanning voelen patiënten en hun naasten zich goed geïnformeerd en kunnen zij tijdig hun zaken regelen.
    4. 28. Technologie gebruiken in de zorg voor ouderen

      T. van Houwelingen, S . W. M. Groeneveld
      Samenvatting
      In de toekomst zal het aandeel ouderen in de Nederlandse samenleving naar verwachting sterk toenemen: van circa 25 % in 2018 naar meer dan 50 % in 2040. Vanwege de vergrijzing en afname van het aantal jongeren in de bevolking zal de zorg anders georganiseerd moeten worden. Oplossingen zijn het bevorderen van zelfmanagement van de patiënt en technologische vernieuwingen. Ouderen in Nederland zijn relatief goed bekend met de digitale mogelijkheden die bijvoorbeeld internet en videocommunicatie kunnen bieden. Er zijn steeds meer zorgorganisaties die starten met het verlenen van zorg op afstand. Als de zorgvrager bereid is een actieve rol te spelen in zijn behandeling, zijn er verschillende verpleegkundige taken waarbij technologie kan worden ingezet. De verpleegkundige zal in de nabije toekomst meer zorgvragers helpen, wat mogelijk wordt door het gebruik van technologie en het bevorderen van zelfmanagement. Als gevolg hiervan wordt de verpleegkundige van een zorgverlener steeds meer een zorgcoach. In het onderwijs is aandacht nodig voor dergelijke nieuwe verpleegkundige competenties.
    5. 29. Intimiteit en seksualiteit bij kwetsbare ouderen

      F. R. Hoogeveen
      Samenvatting
      Seksualiteit en intimiteit behoren tot de basisbehoeften van alle mensen, ongeacht leeftijd of culturele achtergrond. Mensen verschillen in de wijze waarop ze seksualiteit en intimiteit beleven. Als gevolg van fysieke, sociale en psychische veranderingen van de ouderdom kunnen ouderen problemen ervaren met het vervullen van deze basisbehoeften. Handelingsverlegenheid van zorgprofessionals, mantelzorgers en verkeerde denkbeelden over ouderen, beïnvloeden dit proces negatief. Onvervulde seksuele behoeften worden vaak ten onrechte aangemerkt als probleemgedrag. Het is belangrijk dat verpleegkundigen zich hiervan bewust zijn en tijdig professionele ondersteuning bieden.
    6. 30. Cultuursensitieve zorg

      C. H. M. Smits, M. A. Echteld
      Samenvatting
      Zorgverleners in Nederland staan voor grote uitdagingen om mensen met een migratieachtergrond goede zorg te verlenen. Op basis van migratieachtergrond zijn er in Nederland ongewenste gezondheidsverschillen. In dit hoofdstuk presenteren we een casus rond ouderen. We laten vanuit een intersectioneel perspectief zien wat de achtergrond van deze verschillen is en hoe we de zorg en ondersteuning kunnen verbeteren met cultuursensitief werken en (cultuur)sensitieve zorg. Het intersectioneel perspectief en cultuursensitief werken zien we als onderdelen van persoonsgericht werken. We presenteren een aantal praktische hulpmiddelen voor cultuursensitieve zorg.
  7. Nawerk

Titel
Klinisch redeneren bij ouderen
Redacteuren
Ton Bakker
Robbert Gobbens
Vera Habes
Germieke Quist
Judith van der Sande
Copyright
2025
Uitgeverij
BSL Media & Learning
Elektronisch ISBN
978-90-368-3136-9
Print ISBN
978-90-368-3135-2
DOI
https://doi.org/10.1007/978-90-368-3136-9