Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit leerboek geeft studenten hbo-v (BN2020), verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten de kennis die nodig is om kwetsbare ouderen persoonsgerichte behandeling en zorg te bieden. Zowel in de wijkverpleging, het ziekenhuis, de GGZ-instelling, als in het verpleeghuis. Gezondheidszorg voor (kwetsbare) ouderen is complex en individueel bepaald met nauwelijks standaardoplossingen. Verpleegkundigen spelen hierin een cruciale rol, maar uit onderzoek blijkt dat er op dit gebied veel handelingsverlegenheid en kennistekort is. Met het doel daar een forse impuls ter verbetering aan te geven is dit boek geschreven en nu geactualiseerd.Klinisch redeneren bij ouderen. Functiebehoud in levensloopperspectief beschrijft een specifiek voor ouderen geschikte methodiek voor klinisch redeneren. Het boek is gebaseerd op de meest recente ‘body of knowledge’ en de ICF-systematiek. Deel 1 van het boek behandelt de essentiële uitgangsprincipes van en de visie achter klinisch redeneren bij ouderen. Deel 2, 3 en 4 gaan in op respectievelijk specifieke somatische, psychische en sociale gezondheidsthema’s, waaronder de geriatrische syndromen zoals immobiliteit, depressie en eenzaamheid. Steeds is er aandacht voor de gerontologische en geriatrische aspecten. Klinisch redeneren bij ouderen gaat uit van Blended learning. Het boek bevat niet alleen theorie, maar ook verwijzingen naar relevante internetsites en filmpjes. Verder zijn er kennisvragen per hoofdstuk en is er een soap-speelfilm met vragen per scène. Ton Bakker is specialist ouderengeneeskunde en lector functiebehoud bij ouderen aan de Hogeschool Rotterdam. Vera Habes is docent Verpleegkunde aan de Hogeschool Utrecht. Germieke Quist is docent Verpleegkunde. Judith van der Sande is docent Verpleegkunde bij Saxion. Wim van de Vrie is verpleegkundige, docent Verpleegkunde en bestuurslid V&VN Geriatrie en Gerontologie.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Theoretische uitgangspunten

Voorwerk

1. Inleiding

Samenvatting
De demografische shift van minder jongeren naar meer ouderen daagt de maatschappij en de gezondheidszorg uit nieuwe oplossingen te vinden voor de problemen die hiermee samenhangen. Zo is aandacht voor preventie van mogelijk functieverlies gedurende de gehele levensloop van belang. In dit hoofdstuk worden vijf tijdvensters van potentiële preventiewinst onderscheiden. De filosofische basis van de gepresenteerde preventievisie op functiebehoud in levensloopperspectief komt aan de orde. Verder worden gangbare lineaire co-/multimorbiditeitsmodellen uitgebreid naar een model dat berekend is op complexe multifactoriële interfererende processen, die het kenmerk vormen van kwetsbare ouderen. Het integratief gerodynamisch model is niet primair georiënteerd op co-/multimorbiditeit, maar op een ontwikkelingsperspectief vanaf de geboorte.
T. J. E. M. Bakker

2. Verpleegkundige theorieën bij kwetsbare ouderen

Samenvatting
Vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw zijn veel theorieën tot stand gekomen vanuit de professionaliseringsbehoefte van de verpleegkundige beroepsgroep: grand theories, die het hele domein van verplegen verkennen en kaderen vanuit een bepaald concept; middle-range theories, die een verzameling verschijnselen binnen de verpleging onder de loep nemen; micro-level interventions, die de effectiviteit van één of een aantal verpleegkundige interventies beschrijven.
E. V. Habes

3. Kansen en mogelijkheden van de hbo-verpleegkundige in de zorg voor ouderen

Samenvatting
De zorg voor ouderen, ook in het verpleeghuis, is complex en vergt specifieke kennis en vaardigheden. Het imago dat deze zorg heeft komt niet overeen met de ingewikkelde werkelijkheid, waarbij alleen het hart op de goede plaats niet meer voldoende is. Hbo-verpleegkundigen kunnen een noodzakelijke bijdrage leveren aan de zorg voor ouderen, maar kiezen hier nog niet vaak voor. Disciplinebreed is sprake van relatieve onbevoegdheid en onbekwaamheid op het gebied van kwetsbare ouderen, en verbetering van het kennisniveau is dan ook dringend gewenst. Dit hoofdstuk beschrijft hoe in aansluiting bij het opleidingsprofiel van de bachelor of nursing een bijdrage kan worden geleverd aan verbetering van het kennisniveau over kwetsbare ouderen.
G. W. L. Quist-Anholts, E. V. Habes

4. Screening en geriatrisch assessment

Samenvatting
Ouderen die kwetsbaar zijn, doen dikwijls een groter beroep op zorgvoorzieningen. Het tijdig opsporen van kwetsbare ouderen is dan ook belangrijk. Dat gebeurt vaak door middel van screening, gevolgd door een comprehensive geriatric assessment. Het proces van screening naar interventie verloopt in vijf achtereenvolgende stappen: screenen, screenend geriatrisch assessment, prioriteren en persoonlijke doelen stellen, diagnostisch geriatrisch assessment en opstellen van een zorgbehandelplan. De effectiviteit van het systematisch opsporen en begeleiden van kwetsbare ouderen vaststellen is een complexe aangelegenheid. Wat werkt, is de systematiek van screenen, systematisch in kaart brengen van geriatrische problemen, prioriteren en het maken van een zorgbehandelplan, al kan de uitkomst per patiënt verschillen.
B. Buurman

5. Klinisch redeneren met behulp van redeneerhulpen

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt de methodiek voor klinisch redeneren bij de complexe gezondheidszorg voor ouderen uiteengezet. Klinisch redeneren is het continue proces van gegevensverzameling en analyse gericht op de vragen en problemen van een individu en diens naasten in relatie tot ziekte en gezondheid. Het continue cyclisch proces van redeneren omvat risico-inschatting, vroegsignalering, probleemherkenning, interventie en monitoring. Als raamwerk voor dit boek is gekozen voor het ordeningsprincipe van de ICF, omdat daarin het gegeven van de wisselwerking tussen de persoon en zijn omgeving zichtbaar wordt. Bij de beschrijving van interventies is gekozen voor een indeling in zelfmanagementondersteuning, preventieve en curatieve interventies. Zelfmanagementondersteuning kan worden gekoppeld aan zowel preventieve als curatieve interventies.
E. V. Habes, G. W. L. Quist-Anholts, H. J. van der Sande

6. Normale veroudering

Samenvatting
Normale veroudering kan worden beschreven als een tijdafhankelijk biologisch proces dat, hoewel het niet een ziekte op zichzelf betreft, functionele achteruitgang en risico op ziekte en dood met zich meebrengt. Eén manier om de kans op sterven te meten, is door te kijken naar sterftecijfers. Lichamelijke factoren die gecorreleerd zijn met de maximale levensverwachting zijn bijvoorbeeld de relatieve grootte van de hersenen, de metabolische activiteit, de grootte, het gewicht, de lichaamstemperatuur en de snelheid waarmee energie wordt gebruikt. In dit hoofdstuk worden verder theorieën over het normale verouderingsproces beschreven.
J. Dikken

Geriatrische syndromen – verstoringen bij somatische veroudering

Voorwerk

7. ADL en IADL

Samenvatting
Meestal ontstaan bij ouderen eerst beperkingen in het IADL-functioneren en worden pas daarna de ADL-functies aangetast. De prevalentie en incidentie van beperkingen in ADL/IADL-functioneren verschillen per doelgroep. Achteruitgang in functioneren kan een teken zijn van een naderend levenseinde. Bij beperkingen in functioneren is er vaak meer dan één probleem aanwezig. Het is daarom niet genoeg alleen naar het ADL- en IADL-functioneren te kijken. Diverse verstoringen en ziekten kunnen de mogelijkheid beïnvloeden of aantasten om ADL- en IADL-activiteiten uit te voeren. De restcapaciteit is het compensatiemechanisme dat een oudere bezit om beperkingen op te vangen. Veelgebruikte diagnostische zelfrapportage-instrumenten zijn de ADL-schaal van Katz, de Barthel-index, de IADL-schaal van Lawton en Brody en Groningen Activity Restriction Scale. Bij beperkingen in ADL/IADL-functioneren zijn diverse interventies mogelijk.
B. Buurman

8. Visus- en gehoorproblematiek bij ouderen

Samenvatting
Naarmate men ouder wordt, neemt de functie van de visus en het gehoord af. Visus- en gehoorproblemen maken ouderen kwetsbaar en leiden tot verlies van zelfredzaamheid. Bij de visus van ouderen zijn verschillende orgaansystemen betrokken: motorisch systeem, zintuiglijk systeem, bloedsysteem en endocrien systeem. Bij het klinisch redeneren zoekt een verpleegkundige naar verbanden tussen verstoringen en bedreigingen in deze orgaansystemen en brengt ze in verband met andere functiekenmerken. Fysieke gezondheidsproblemen met betrekking tot de visus zijn onder andere presbyopie, glaucoom, cataract, leeftijdgebonden maculadegeneratie, diabetische retinopathie. Gezondheidsproblemen met betrekking tot het gehoor kunnen vanuit de anatomie van het oor worden verklaard. Externe en persoonlijke factoren zijn van invloed op de wijze waarop ouderen met hun visus- of gehoorproblemen omgaan. Screenen en diagnosticeren van visus- en gehoorproblemen bij ouderen kan onder meer plaatsvinden met de snellenkaart (visus) en de Hearing Handicap Inventory for the Elderly-test (gehoor).
J. Boonstra, H. J. van der Sande

9. Slaapstoornissen

Samenvatting
Met het ouder worden neemt de kans op functieproblemen als gevolg van een verstoorde slaap toe. Bij ouderen verandert het normale slaappatroon. Ouderen vallen minder snel in slaap en de verschillende slaapfasen wisselen zich sneller af. Hierdoor vermindert hun slaapefficiëntie. Als gevolg van fysiologische veranderingsprocessen in de hersenen hebben ouderen de neiging om eerder in te slapen en ’s ochtends eerder te ontwaken. Ook kunnen ze tijdens de slaap last krijgen van restless legs, snurken en slaapapneu. Ouderen slapen niet minder naarmate ze ouder worden. Met behulp van de dynamische systeemanalyse kunnen externe en persoonlijke factoren die van invloed zijn op slaap in kaart worden gebracht. Er zijn diverse meetinstrumenten voor het diagnosticeren van slaapproblemen beschikbaar. Verpleegkundige interventies bij slaapproblemen zijn voorlichting over slaaphygiënische maatregelen, toezicht op medicamenteuze therapie, alternatieve behandelwijzen en cognitieve gedragstherapie.
J. Boonstra, H. J. van der Sande

10. Immobiliteit en vallen

Samenvatting
Vallen komt veelvuldig voor bij ouderen en gaat gepaard met een verhoogd risico op fracturen. De fysieke beperkingen als gevolg van het vallen zorgen bovendien voor een verdere toename van de kwetsbaarheid. Om de levenskwaliteit van ouderen te bevorderen, is valpreventie van groot belang. Vaak is sprake van een complex van factoren dat ervoor zorgt dat een oudere valt. Om zicht te krijgen op deze factoren kan een verpleegkundige het lichamelijk functioneren vanuit verschillende orgaansystemen analyseren. Externe en persoonlijke factoren die van invloed zijn op immobiliteit en vallen zijn met name somatische, cognitieve, persoonlijkheids-, belevings- en sociale functiekenmerken. Alle functiekenmerken zijn met elkaar verbonden. Gebreken of problemen in een functiegebied kunnen snel leiden tot problemen in een ander gebied. Met behulp van valpreventieve interventies kan een verpleegkundige zorgen dat het risico op vallen vermindert, maar ook dat de consequenties van een val of de ernst van het letsel verminderen.
A. Larue, W. Bettman

11. Ondervoeding en dehydratie

Samenvatting
De ondervoede oudere patiënt heeft dikwijls verscheidene functiebeperkingen en/of aandoeningen en er zijn dwarsverbanden met andere zorgproblemen, zoals decubitus, valincidenten en delirium. Ouderen zijn kwetsbaarder voor uitdroging dan jongeren door de veranderingen die in de water- en zouthuishouding optreden als gevolg van het normale verouderingsproces. De prevalentie van ondervoeding stijgt met de leeftijd. Verschillende orgaansystemen zijn bij ondervoeding betrokken: het motorisch systeem, het endocrien systeem, het afweersysteem, het digestief systeem en het zintuiglijk systeem. Ouderen verschillen in de manier waarop ze omgaan met een verstoring van de voedings- en vochthuishouding. Het lichamelijk onderzoek om dehydratie bij ouderen vast te stellen is niet eenvoudig. Wat betreft interventies bij ondervoeding of dehydratie is er veel aandacht voor zelfmanagementondersteuning. De belangrijkste preventieve interventie bij ondervoeding is tijdige screening. Soms kan het nodig zijn ‘vocht op recept’ voor te schrijven.
H. M. Kruizenga, J. M. G. A. Schols, H. J. van der Sande

12. Mondhygiëne

Samenvatting
Exacte cijfers over mondproblemen bij ouderen zijn niet voorhanden, maar er is wel een stijgende lijn waarneembaar in het gebruik van mondzorg. Er zijn drie bedreigingen voor de mondgezondheid: verminderde weerstand in de mond, vermindering van normaal aanwezige bacteriën in de mond en groei van orale biofilm. In de volgende functies van de mondholte kunnen (mogelijke) problemen ontstaan in het licht van de mondhygiëne: het voelen en onderzoeken van het voedsel, het verwerken van het voedsel, het bevochtigen van het voedsel met speeksel en het beginnen van het verteringsproces door dit speeksel. Bij ouderen is de speekselvloed minder. Ziekten als de ziekte van Parkinson en medicatie kunnen de speekselaanmaak verstoren. Effectieve mondzorgprogramma’s voor ouderen in intramurale setting zijn gebaseerd op drie pijlers: onderzoek van de mondgezondheid, professionele mondzorg en dagelijkse mondzorg. Het doel van mondhygiëne is vooral problemen te voorkomen.
M. Dorgelo

13. Incontinentie en obstipatie

Samenvatting
Urine-incontinentie en fecale incontinentie en obstipatie komen veel voor bij ouderen. Er zijn diverse typen incontinentie, die gekarakteriseerd worden door de aandoeningen die in de verschillende systemen kunnen ontstaan. Medicatie kan incontinentie en obstipatie in de hand werken. De diagnose incontinentie kan gesteld worden op basis van de klachten en met behulp van een incontinentiedagboek. Na uitleg en leefstijlaanpassingen kunnen interventies worden ingezet om verbeteringen te bereiken.
P. van Houten

14. Decubitus en huidletsel

Samenvatting
Huidletsel is een verzamelnaam voor diverse vormen van huidbeschadiging, zoals decubitus, letsel door incontinentie, smetten en skin tears. Daarnaast zijn er huidziekten en -infecties die veel bij ouderen voorkomen, namelijk herpes zoster, ulcus cruris en eczema nummulare. Bij normale veroudering worden de elasticiteit en de bloedtoevoer van de huid minder. De vermindering van de bloedtoevoer heeft een nadelige invloed op het herstelvermogen van de huid, waardoor een grotere kwetsbaarheid ontstaat. Van verpleegkundigen vraagt dit goede observatie en screening van de huid, liefst met een gestandaardiseerd meetinstrument zoals de Bradenschaal voor decubitus. De verpleegkundige moet preventieve en curatieve maatregelen kunnen nemen ter voorkoming (van ergere) huidproblemen. Deze worden beschreven in dit hoofdstuk.
M. Dorgelo

15. Pijn

Samenvatting
Er zijn verschillende typen pijn te onderscheiden, bijvoorbeeld naar de tijdsduur (acute of chronische pijn) en naar de bron van de pijn (nociceptieve, neuropathische of centrale pijn). Een veelgebruikt pijnmodel is het model van Loeser, dat bestaat uit vier cirkels: nociceptie, pijngewaarwording, pijnbeleving en pijngedrag. Naar schatting wordt ongeveer 45 % van de ouderen tussen 65–75 jaar in Nederland belemmerd door pijn. Pijn is van invloed op verschillende orgaansystemen, zoals het neurologisch, zintuiglijk, motorisch, cardiovasculair en digestief systeem. Pijn kan het gevolg zijn van een bepaalde aandoening, maar ook een oorzaak voor ontregeling van orgaansystemen. Mogelijke preventieve interventies bij pijn zijn informatie en voorlichting geven, pijnmedicatie geven en afleiding zoeken. Een combinatie van farmacologische en niet-farmacologische interventies is de standaardbehandeling bij pijn. Een positieve arts-patiëntrelatie is geassocieerd met verbeterde behandeluitkomsten.
N. Bleijenberg, H. J. van der Sande

16. Polyfarmacie bij oudere patiënten

Samenvatting
De prevalentie van polyfarmacie varieert tussen 30–45 % van de ouderen in Nederland. Bij de oudere patiënt zijn er enkele onderdelen van de farmacokinetiek die anders verlopen dan bij de volwassen populatie. Deze onderdelen worden hier gekoppeld aan orgaansystemen. Van een aantal medicijnen is bekend dat ze bij ouderen gemiddeld gesproken tot een versterkt of juist verzwakt effect leiden. Dit kan komen door veranderde farmacodynamiek. Verschillende risicofactoren voor het ontstaan van (soms gevaarlijke) bijwerkingen zijn aan te wijzen die met de externe en persoonlijke kenmerken van de patiënt samenhangen. Polyfarmacie is bij uitstek een geriatrisch probleem dat een multidisciplinaire aanpak behoeft. Een veilige inname van medicatie begint bij het goed en deskundig voorschrijven. Met behulp van het ‘rodevlaggeninstrument’ (een checklist) kan een verpleegkundige gevaarlijke situaties of bijwerkingen signaleren. Er zijn diverse verpleegkundige interventies om zelfmanagement, en daarmee therapietrouw, te bevorderen.
C. J. P. W. Keijsers, R. J. van Marum

Geriatrische syndromen – verstoringen bij psychische veroudering

Voorwerk

17. Dementie

Samenvatting
Dit hoofdstuk beschrijft de kenmerken, prevalentie en verschillende typen van dementie, de onderliggende processen in de hersenen en factoren die het functioneren van mensen met dementie beïnvloeden, zoals het vermogen om zich aan te passen aan de veranderde omstandigheden, het ziektebesef, de persoonlijkheid en materiële en sociale omstandigheden. In de behandeling bij dementie worden medicamenteuze en niet-medicamenteuze interventies onderscheiden. De niet-medicamenteuze interventies zijn eerste keus en behoren dus altijd als eerste ingezet te worden. Dit betreft op de persoon afgestemde algemene zorg, aanpassing van de omgeving (person-environment fit), persoonsgerichte belevingsgerichte omgangsstrategieën, persoonsgerichte psychosociale en psychotherapeutische behandelmethoden. Ten slotte wordt ingegaan op het belang van de ondersteuning van het zelfmanagement van mensen met dementie en hun mantelzorgers. Casemanagers spelen hierbij een belangrijke rol. Om zelfmanagement te bevorderen, kan onder meer gebruik worden gemaakt van function-focused care en van ondersteunende technologie.
R. M. Dröes, T. J. E. M. Bakker

18. Delier: ‘wisselend bewolkt’ bewustzijn

Samenvatting
Een delier is een acute psychische stoornis waarbij sprake is van een bewustzijnsstoornis met een verminderd vermogen de aandacht ergens op te richten, vast te houden of te verplaatsen en van een verandering in cognitief functioneren. Ook kunnen zich waarnemingsstoornissen voordoen, zoals hallucinaties en wanen. Een onderliggende (acute) lichamelijke ontregeling is veelal de oorzaak. Kenmerkend is dat een delier acuut ontstaat en dat de symptomen in de loop van de dag in ernst kunnen fluctueren. Een delier dient beschouwd te worden als een ernstig alarmsignaal met vaak ingrijpende consequenties. Delierpreventie is mogelijk: het Hospital Elder Life Program (HELP) is een best-practicevoorbeeld van een kosteneffectief preventief interventieprogramma dat de incidentie van een delier significant vermindert. Alhoewel herkenning van een delier al een basistaak van zorgverleners beschouwd wordt, gebeurt die dikwijls niet tijdig. De behandeling bestaat uit drie componenten: opsporen en behandelen oorzaken, optimaliseren communicatie met patiënt en oriëntatie en zorgdragen voor een passende veilige omgeving en goede nachtrust.
H. P. J. M. Habets

19. Depressie en verwante beelden

Samenvatting
In dit hoofdstuk over depressie, somberheid, rouw, apathie en emotionele labiliteit worden de overeenkomsten en verschillen besproken tussen deze fenomenen en wordt nagegaan welke consequenties die hebben voor de preventie, diagnostiek, begeleiding en behandeling in het dagelijks contact met de oudere patiënt. Juist bij ouderen komen deze fenomenen relatief veel voor. Een genuanceerde kijk op dit spectrum van aan stemming gerelateerde (functie)problemen kan leiden tot een adequatere preventie, behandeling en begeleiding. De depressieve stoornis (ziekte) komt bij 1 tot 5 % van de 55-plussers in de algemene bevolking voor. Er lijkt sprake van een circulair verband tussen depressie (als hersenaandoening) en lichamelijke ziekten. Ook erfelijke, psychische en sociale factoren kunnen van invloed zijn op het ontstaan van een depressie. Een depressie kan leiden tot ernstige problemen in het functioneren op zowel psychisch, somatisch als sociaal gebied. Bij het vermoeden van een depressie kan gebruik worden gemaakt van een heteroanamnese, observaties en een screeningsinstrument als de GDS.
C. C. M. Ooijevaar, M. G. Kat

20. Persoonlijkheidsstoornissen

Samenvatting
Verschillende persoonlijkheidskenmerken kunnen op latere leeftijd leiden tot een verhoogd risico op problemen en het dagelijks leven nadelig beïnvloeden. Sommige persoonlijkheidsstoornissen openbaren zich op latere leeftijd door problemen vanwege zelfstandigheid, verlies van anderen of lichamelijke achteruitgang. Er zijn verschillende persoonlijkheidsstoornissen volgens de DSM-clusters, waarbij de prevalentie tussen mannen en vrouwen verschilt en de oorzaken zijn gelegen in voortdurende interactie van biogenetische factoren en omgevingsinvloeden. Bij stepped care wordt bekeken welke interventies vanuit de minst intensieve behandeling het gewenste effect hebben. Het inzetten van meetinstrumenten is divers vanwege de veelzijdige problematiek. Geadviseerd wordt om vanuit de benadering te kijken naar verschillende informatiebronnen, een lichamelijke oorzaak uit te sluiten en met de inzet van verschillende meetinstrument tot een juiste diagnose te komen. De voorkeur wordt gegeven aan niet-farmacologische interventies die zijn gericht op een multidisciplinaire context met een eenduidig theoretisch kader en aan het stimuleren van de zelfredzaamheid van de oudere.
L. M. van Assen-Withag

21. Stemmings- en gedragsproblematiek

Samenvatting
Stemmings- en gedragsproblemen bij ouderen uiten zich vaak in symptomen van angst, depressie of eenzaamheid. De oorzaken hiervan zijn divers en per individu verschillend. Naast psychosociale problemen kan de oorzaak in het brein liggen en/of een gevolg zijn van lichamelijke aandoeningen. Uit onderzoek is gebleken dat hormonen een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van stemmings- en gedragsproblemen. Probleemgedrag wordt in de zorg voor ouderen steeds vaker omschreven als onbegrepen gedrag. Vanuit de stepped care wordt gekeken welke behandeling het meest past bij de oudere, waarbij het zelfmanagement zo veel mogelijk gestimuleerd wordt. De interventies zijn steeds meer gericht is op een methodische aanpak, waarbij het betrekken van mantelzorg en naasten, interdisciplinair werken en beperking van het gebruik van psychofarmaca en middelen en maatregelen centraal staan.
L. M. van Assen-Withag

22. Agressief gedrag

Samenvatting
Dit hoofdstuk bespreekt agressief gedrag in de zorg, inclusief onderliggende invloeden en oorzaken, de behandeling en begeleiding, de diagnostiek en managementaspecten. Onderwerp zijn verbale agitatie en fysiek agressief gedrag bij ouderen (met dementie), niet bij hun familie of andere betrokkenen.
R. J. G. M. Geelen, T. J. E. M. Bakker

Geriatrische syndromen – verstoringen bij sociale veroudering

Voorwerk

23. Eenzaamheid

Samenvatting
Eenzaamheid is een gevoel van een onplezierig of ontoelaatbaar gemis aan (kwaliteit van) bepaalde relaties. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen twee typen eenzaamheid: emotionele en sociale eenzaamheid. Bijna 40 % van de volwassenen in Nederland voelt zich eenzaam. Boven de 75 jaar stijgt dit percentage; het sociale netwerk wordt dan kleiner. Het is belangrijk om eenzaamheid te herkennen, omdat het gevolgen heeft voor de kwaliteit van leven en de gezondheid. De verpleegkundige kan letten op de aanwezigheid van lichamelijke, psychische, sociale of gedragsmatige signalen. De Eenzaamheidsschaal is een hulpmiddel dat inzicht geeft in de ernst en het type eenzaamheid. De verpleegkundige zoekt samen met de oudere naar een passende interventie, die aansluit bij het type eenzaamheid en de wensen van de oudere. Voor het doorbreken van eenzaamheid is het van belang dat de oudere er zelf mee aan de slag gaat en door professionals ondersteund wordt in het vergroten van zelfmanagementvaardigheden.
R. Agterhof, J. M. C. Broese

24. Mantelzorger onder druk

Samenvatting
Ouderen blijven steeds langer zelfstandig thuis wonen. Het aantal kwetsbare ouderen in Nederland zal in 2030 naar schatting één miljoen bedragen, en bij deze groep zal een veelvoud van mantelzorgers betrokken zijn. (Neuro)psychiatrische factoren bij ouderen kunnen leiden tot ernstige problematiek, en mantelzorgers lopen als gevolg hiervan een groot risico op overbelasting. Overbelasting kan echter ook veroorzaakt worden door belastende factoren bij de mantelzorgers zelf. Het is belangrijk (dreigende) overbelasting, mogelijke incompetentiegevoelens bij mantelzorgers en andere systeemproblematiek vroegtijdig te signaleren. De intake op basis van de onderwerpen uit de dynamische systeemanalyse, MantelScan en signaleringsinstrumenten kan leiden tot preventieve maatregelen. Een hulpmiddel bij curatieve interventies is het Sofa-model. De vervolgstap is contextuele therapie en daarna kan worden verwezen naar een systeemtherapeut. Om zelfmanagement bij mantelzorgers en ouderen te stimuleren, kan gebruik worden gemaakt van motivatietechnieken.
J. J. Groeneveld

25. Woon- en leefomgeving vanuit sociotherapeutisch perspectief

Samenvatting
Sociotherapie is gericht op het doelbewust creëren en hanteren van sfeer en ambiance in de woon-leefomgeving en op ritme, structuur en dagbesteding; het gaat hierbij steeds om cliënten, mantelzorgers en (een multidisciplinair team van) hulpverleners tegelijkertijd. Een woon-leefomgeving met kenmerken van een sociotherapeutisch klimaat draagt in belangrijke mate bij aan het individuele welbevinden van kwetsbare ouderen. Binnen het sociotherapeutisch milieu voor kwetsbare ouderen kunnen vier niveaus onderscheiden worden, die in intensiteit oplopen: basiselementen, communicatie en samenwerking, evidence-based benaderingswijzen en interventies en enscenering klimaat, situatie en relaties. De inbreng van hbo-verpleegkundigen en hbo-agogisch hulpverleners is hierbij noodzakelijk.
T. J. E. M. Bakker, M. van Helden

26. Ouderenmishandeling

Samenvatting
Er zijn meerdere vormen van ouderenmishandeling: psychische mishandeling, lichamelijke mishandeling, financiële en materiële uitbuiting, geestelijke of lichamelijke verwaarlozing en seksueel misbruik. In Nederland worden naar schatting jaarlijks tweehonderdduizend ouderen mishandeld. Er zijn diverse risicofactoren voor het ontstaan van ouderenmishandeling. Het is van belang alert te zijn op signalen bij de oudere zelf en bij zijn omgeving. Elke zorginstelling is verplicht de meldcode voor huiselijk geweld op te nemen in haar beleid. Een zorgorganisatie kan een aantal maatregelen nemen ter preventie van ouderenmishandeling: scholing, ondersteuning, klimaat scheppen waarin knelpunten en zorgen bespreekbaar zijn, beleidsvoering wat betreft grensoverschrijdend gedrag en sociale veiligheid. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) beschikt over een meldpunt voor ouderenmishandeling in de zorg. De IGZ kan een tuchtrechtszaak bij BIG-geregistreerde professionals aanspannen.
M. J. M. Adriaansen

Geriatrische uitdagingen

Voorwerk

27. Multimorbiditeit en multifunctieproblematiek (MM/MF). De kunst van het omgaan met verschillen

Samenvatting
Er wordt een stijging verwacht van het aantal chronisch zieken. Het aantal mensen met twee of meer aandoeningen zal bovendien sterk toenemen, tot naar schatting drie miljoen Nederlanders in 2030. De groep ouderen met MM/MF is zeer divers. Het is belangrijk om aandoeningen of functiebeperkingen te beschouwen als veranderingen in de levensloop die van de oudere keuzes en ander gedrag vragen. Om ‘redzaam’ te blijven, zijn patiënten met MM/MF gebaat bij passende zorg. Dit vergt een investering die pas in de toekomst haar vruchten zal afwerpen en dus vraagt om een ander (politiek) inzicht. Ook is een andere mindset nodig om ageism tegen te gaan. Zeker ook in latere levensfasen zijn er namelijk mogelijkheden voor aanpassing, groei en ontwikkeling en deze zijn individueel bepaald. Zorgprofessionals en zorgopleidingen besteden nog onvoldoende structurele aandacht aan de specifieke eisen voor de gezondheidszorg aan kwetsbare ouderen.
R. J. Schim van der Loeff-van Veen

28. Triage in de ouderenzorg

Samenvatting
Triage is een urgentiebepaling van een hulpvraag. Het doel van de urgentiebepaling is de patiënt het geschiktste traject te laten doorlopen om zodoende efficiënt en doelmatig gebruik te kunnen maken van resources, de mortaliteit te reduceren en kosteneffectief te werken. Voor kwetsbare ouderen zijn nog geen valide triagemodellen voor multimorbiditeit en multifunctionele problematiek beschikbaar. De huidige triagemodellen leiden vaak tot ondertriage. Bij ouderen moet eerst acute of chronische ziekte of een acute gezondheidssituatie bij diverse chronische aandoeningen worden onderscheiden. In de ouderenzorg is vaak sprake van acute on chronic disease. In hoofdlijn geven alle triagemodellen een vast aantal stappen om urgentie te bepalen.
B. J. M. Derks-Mensink, C. Spanninga

29. Palliatieve zorg

Samenvatting
Palliatieve zorg begint meestal met ziektegerichte palliatie. Deze gaat geleidelijk over in symptoomgerichte palliatie, gevolgd door palliatie in de stervensfase. Na het overlijden is er nazorg voor de nabestaanden. De aandacht voor palliatieve zorg richtte zich voorheen vooral op kankerpatiënten, maar tegenwoordig ook steeds meer op patiënten met orgaanfalen en ouderdom/dementie. Bij deze aandoeningen is de palliatieve fase minder duidelijk gemarkeerd. Om tot een goede vaststelling van de belangrijkste problemen en de beïnvloedende factoren te komen, gebruiken we de term ‘palliatief redeneren’. Palliatief redeneren heeft als doel de communicatie en de kwaliteit van zorg te verbeteren. Het is in de palliatieve fase belangrijk om aan proactieve zorgplanning te doen. Hierbij worden afspraken gemaakt over de in te zetten (medische) interventies, bijvoorbeeld over het stoppen van medische handelingen of over beslissingen rondom het levenseinde. Door proactieve zorgplanning voelen patiënten en hun naasten zich goed geïnformeerd en kunnen zij tijdig hun zaken regelen.
M. J. M. Adriaansen

30. Gezond ouder worden met mindfulness. De stress van ouder worden klinisch in kaart gebracht

Samenvatting
‘Gezond zijn bij ouder worden’ is eenvoudig, maar niet gemakkelijk. De werkelijkheid van illusies en van het leven alledag doorzien vraagt specifieke aandacht en doorzettingsvermogen. De mindfulnesstraining is een efficiënte methode om deze aandacht te ontwikkelen en met ouderdomsgebreken te leren omgaan. Ontologisch beschouwen onderzoekt wat de aard van ons bestaan, ons ‘zijn’ is. Meestal onderzoeken we alleen ‘ontisch’, wat betekent dat we iets analyseren. Bij ouderdomsgebreken, chronische ziekten of sterven stuit de ontische benadering op haar grenzen. De ontologische benadering is een reis langs vier stations: een berustingsprestatie leveren, persoonlijk groeien, rijpen en rijker worden. Het ICF-model kan helpen bij het klinisch redeneren over de mogelijke levensontwikkeling bij patiënten. Het ICF-model is uitgewerkt in het formulier Rehabilitation Problem Solving. Hierin is ruimte voor de verwoording van de situatie door de patiënt en voor de visie van de zorgprofessional op mediators: beïnvloedbare oorzaak-gevolgverbanden.
P. J. M. Verduin

31. Samen werken aan kwaliteit van zorg

Samenvatting
De overheid heeft de inzet van hbo-verpleegkundigen gestimuleerd, zowel in het onderwijs als in zorgorganisaties. Uit onderzoek is gebleken dat een hbo-verpleegkundige een aantal CANMEDS-rollen vrij gemakkelijk aanneemt, zoals die van zorgverlener en communicator. De rollen van reflectieve professional en kwaliteitsbevorderaar worden echter onvoldoende benut. Twee belangrijke ontwikkelingen in de ouderenzorg bieden hbo-verpleegkundigen vijf uitdagingen om deze rollen beter in te zetten. De overgang van een traditionele naar een lerende werkomgeving is verbonden met de uitdagingen van het creëren van een lerende en innoverende werkomgeving (inclusief praktijkonderzoek opzetten) en de omgaan met weerstand tijdens een innovatie. Het adequaat omgaan met functiedifferentiatie is verbonden met het bevorderen van interprofessionele samenwerking, het waarborgen van persoonsgericht werken waarbij positieve samenwerkingsrelaties worden bevorderd en het delen van kennis die aansluit bij andere zorgprofessionals. Het hoofdstuk bespreekt per uitdaging een aantal aanbevelingen, die gebaseerd zijn op de theorie van Practice Development.
E. V. Habes, M. W. C. Snoeren

32. Wijkgerichte preventie

Samenvatting
Door toename van de zorgvraag richting 2030 met een als gevolg van comorbiditeit bij ouderen toenemende complexiteit, ontstaat een arbeidsmarktprobleem en dreigt een financieringsprobleem. De gezondheidszorg zal zich veel meer moeten gaan richten op het behoud van gezondheid en het voorkomen van gezondheidsproblemen. Van ziekte en zorg (ZZ) naar gezondheid en gedrag (GG) en vervolgens mens en maatschappij (MM) is het voorgestelde adagium. Beïnvloeding van omgevingsfactoren als groenvoorzieningen en armoede blijkt bij preventie veel effectiever dan gedragsverandering. Bij wijkgerichte preventie is een aantal succesfactoren bekend, zoals een grondige wijkanalyse en actieve betrokkenheid van de doelgroep. Voor de wijkanalyse zijn hulpmiddelen beschikbaar die in een stappenplan uitgewerkt worden. Sociale wijkteams bieden wijkverpleegkundigen, jeugdverpleegkundigen, huisartsen en welzijnswerkers mogelijkheden om samen de gezondheid van bewoners van de wijk onder hun hoede te nemen, waarbij wijkgerichte preventie en zorg gecombineerd worden en gezondheid en sociale problematiek integraal aangepakt worden.
H. P. M. Sibbing

33. Active ageing: actief ouder worden

Samenvatting
Active ageing is een multidimensionaal concept dat activiteit, gezondheid, zelfstandigheid en productiviteit van ouderen omvat. Inactiviteit leidt wereldwijd tot veel chronische ziekten en een hoge morbiditeit. Regelmatige fysieke activiteit zorgt voor aanzienlijke gezondheidgerelateerde voordelen in alle leeftijdscategorieën. Een actievere leefstijl leidt niet alleen tot het verlagen van de incidentie van ‘zware’ aandoeningen zoals kanker, hart- en vaatziekten of dementie, maar ook tot het verminderen van ‘lichtere’ aandoeningen zoals somberheid, angst, pijn, overgewicht of slaapproblemen. Het is voor ouderen belangrijk actief te blijven en te participeren in de maatschappij. Een nieuwe visie op de ouderenzorg zal pas effectief geïmplementeerd kunnen worden als attitudes en mentaliteiten ten aanzien van ouderen veranderen. Het grote belang van active en healthy ageing ligt in preventie (primair, secundair en tertiair). Eden Alternative is een nieuwe filosofie voor de verpleeghuiszorg, die leidt tot een duidelijke vermindering in zorggebruik, minder medicatie en minder externe opnamen.
A. Larue

34. Technologie gebruiken in de zorg voor ouderen: kansen en uitdagingen

Samenvatting
In de toekomst zal het aandeel ouderen in de Nederlandse samenleving naar verwachting sterk toenemen: van circa 25 % in 2018 naar meer dan 50 % in 2040. Vanwege de vergrijzing en ontgroening zal de zorg anders georganiseerd moeten worden. Oplossingen zijn meer zelfmanagement van de patiënt en technologische vernieuwingen. Ouderen in Nederland zijn relatief goed bekend met de digitale mogelijkheden die bijvoorbeeld internet en videocommunicatie kunnen bieden. Er zijn steeds meer thuiszorgorganisaties die starten met het verlenen van zorg op afstand. Indien de zorgvrager bereid is een actieve rol te hebben in zijn behandeling, zijn er verschillende verpleegkundige taken waarbij technologie kan worden ingezet. De verpleegkundige zal in de nabije toekomst meer zorgvragers bedienen, wat mogelijk is door het gebruik van technologie en het aansturen op zelfmanagement. Als gevolg hiervan wordt de verpleegkundige van een zorgverlener steeds meer een zorgcoach. In het onderwijs is aandacht nodig voor dergelijke nieuwe verpleegkundige competenties.
C. T. M. van Houwelingen

35. Digitaal verder studeren en overzicht video’s

Samenvatting
Bij dit boek zijn de volgende onderdelen digitaal beschikbaar: de volledige tekst, samenvattingen per hoofdstuk, verdiepingsvragen en antwoorden en video’s. Alle opgenomen url’s zijn doorklikbaar gemaakt.
T. J. E. M. Bakker

Nawerk

Meer informatie

Extra’s