Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Kleinschalig zorgen voor mensen met dementie gaat verder dan 'alleen maar' kleinschalig wonen. Voor verzorgenden is het een andere manier van werken: het contact met de bewoner als mens staat centraal. Zij brengen samen met bewoners de dag door. Ze doen bijvoorbeeld samen huishoudelijke klusjes en bereiden samen de maaltijden. Dit vraagt om specifieke competenties.
Met dit boek willen we de aansluiting tussen opleiding en werkvloer verbeteren. Het geeft verzorgenden handreikingen om op een bewuste manier persoonsgerichte zorg te verlenen. Tips en praktijkopdrachten helpen daarbij. De onlinecomponent van het boek bestaat uit verdieping van de lesstof via deeplinks, oefenvragen en samenvattingen.
Het boek is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel geeft algemene informatie over kleinschalig zorgen. Deel twee gaat dieper in op wat kleinschalig zorgen betekent voor werkwijzen en methodes. Het laatste deel behandelt belangrijke wet- en regelgeving.
Kleinschalig zorgen. Voor mensen met dementie is bedoeld voor de studierichtingen Verzorgende en Medewerker Maatschappelijke Zorg (niveau 3). Maar het is ook een handig hulpmiddel bij cursussen en incompany-trainingen aan verzorgenden, woonzorgbegeleiders en andere professionals. 

Inhoudsopgave

Voorwerk

Wat is kleinschalig zorgen?

Voorwerk

1 Een bepaalde manier van zorgen

  • Naar verwachting stijgt het aantal mensen in Nederland met dementie tot een half miljoen in 2050 (zie Inleiding).
  • Ongeveer 25% van alle mensen met dementie die verpleeghuiszorg krijgt, woont in een kleinschalige locatie (zie Inleiding).
  • De eerste kleinschalige woonvorm voor ouderen met dementie opende in 1989 haar deuren (zie Inleiding).
  • Kenmerken van kleinschalige zorg (zie paragraaf 1.1):
    • ○ maximaal acht bewoners per groepswoning;
    • ○ een gezamenlijke huishouding voeren;
    • ○ verzorgenden met een geïntegreerd takenpakket;
    • ○ een vast team medewerkers dat een onderdeel van het huishouden vormt;
    • ○ bewoners/mantelzorgers bepalen grotendeels de dagelijkse gang van zaken;
    • ○ huiselijkheid;
    • ○ bewoners mogen in principe tot het einde van hun leven in de woonvorm blijven wonen.
  • Kleinschalig wonen: gaat om het gebouw en de inrichting daarvan (zie paragraaf 1.1).
  • Kleinschalig zórgen: gaat om de manier waarop de zorg rondom de bewoners wordt georganiseerd (zie paragraaf 1.1).
  • Tien factoren voor een succesvolle woonvoorziening voor mensen met dementie (zie paragraaf 1.1).
    1.
    Een zorgvisie als leidraad voor praktijk en beleid.
     
    2.
    Een leidinggevende die steunt en stuurt.
     
    3.
    Erkenning van verzorgenden als zorgprofessionals.
     
    4.
    Verzorgenden die voldoende tijd ervaren om goede zorg te bieden.
     
    5.
    Een verbonden, open en betrokken team van verzorgenden.
     
    6.
    Een goede samenwerking met familie.
     
    7.
    Vrijwilligers als kans voor de woonvoorziening.
     
    8.
    Een ondersteunende omgeving.
     
    9.
    Persoonsgerichte zorg op een goede manier toegepast.
     
    10.
    Bewoners bij activiteiten betrekken.
     
  • Waar bestaat kleinschalig zorgen voor mensen met dementie meestal uit (zie paragraaf 1.2).
    • ○ Een wooneenheid met 6 tot 8 bewoner (vaak 3 à 4 wooneenheden gekoppeld)
    • ○ Een vast team aan zorgverleners
    • ○ Bewoners hebben een eigen zit-/slaapkamer
    • ○ Een gezamenlijke huiskamer, keuken en sanitaire ruimte
    • ○ Het dagelijks leven lijkt zoveel mogelijk op een gewoon huishouden
    • ○ Verzorgenden zijn woonzorgbegeleiders die de dagelijkse zorg en begeleiding van bewoners doen, maar ook boodschappen, koken en huishouden
    • ○ Verzorgenden zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse activiteiten
    • ○ Er is geen strakke dagstructuur
    • ○ Er is geen aparte kantoorruimte
    • ○ Artsen en therapeuten komen op huisbezoek in de wooneenheid
    • ○ Zoveel mogelijk een huiselijke sfeer
    • ○ Extra’s en aanpassingen aanwezig - zoals domotica (= woonhuisautomatisering) - zodat bewoners minder last hebben van geheugenproblemen
  • Kleinschalig zorgen is mogelijk op verschillende locaties (zie paragraaf 1.3):
    • ○ standalone kleinschalige woningen in de wijk;
    • ○ groepswoningen bij of binnen het verzorgingshuis;
    • ○ groepswoningen bij of binnen het verpleeghuis;
    • ○ groepswoningen als onderdeel van een wijkgericht zorgaanbod (woonzorgzone).
  • Ook internationaal komt kleinschalig zorgen voor mensen met dementie voor, zoals in België, Duitsland, Zweden, Verenigde Staten en Japan. Maar vaak is de zorg er net iets anders dan in Nederland (zie paragraaf 1.3).
  • Kleinschalig wonen en zorgen is in de jaren negentig ontstaan als reactie op de traditionele verpleeghuiszorg. In traditionele verpleeghuiszorg werden bewoners behandeld als patiënten en lag de nadruk op medische behandelingen. Maar mensen met dementie genezen nooit meer. Hun kwaliteit van leven neemt toe als we met ze omgaan als mensen in plaats van als patiënten (zie paragraaf 1.3).
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

2 De bewoner centraal

  • Er zijn verschillende benaderingswijzen om de bewoner centraal te stellen, namelijk (zie paragraaf 2.1):
    • vraaggestuurde zorg
      de zorgvraag van de bewoner stuurt het zorgaanbod. Het gaat om zorg waarbij de bewoner met zijn situatie, mogelijkheden en zorgvraag centraal staat;
    • vraaggerichte zorg
      het zorgaanbod richt zich naar de zorgvraag. Hierbij gaat het ook om goed luisteren naar bewoners en helder communiceren;
    • belevingsgerichte zorg
      het inleven in de wereld van de bewoner, begrijpen welke gevoelens de bewoner beleeft en van daaruit contact maken;
    • persoonsgerichte zorg
      de individuele belevingswereld van de bewoner met dementie staat centraal, en niet de ziekte. Hierbij is aandacht voor het levensverhaal en de achtergrond van de bewoner. Bewoners krijgen niet alleen fysieke verzorging, maar ook sociale en emotionele begeleiding.
  • Om de bewoner centraal te stellen, is het nodig dat verzorgenden zich verdiepen in de levens die hun bewoners hebben geleid (zie paragraaf 2.1).
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

3 Keuzemogelijkheid in zorg

  • Mensen met dementie (en hun mantelzorgers) houden graag de regie over hun eigen leven. Een casemanager (deskundige begeleider) kan hen helpen een weg te vinden in alle voorzieningen en zorgvormen. En hen begeleiden naar een zorginstelling of kleinschalige woonvorm, als thuiswonen niet meer gaat (zie Inleiding).
  • Onderzoeken en praktijkervaringen laten zien dat kleinschalig zorgen een aantal duidelijke voordelen heeft voor bewoners en voor verzorgenden (zie Inleiding).
  • Kleinschalig zorgen heeft ook een positief effect op de ontwikkelingen in reguliere (grootschalige) verpleeghuizen (zie paragraaf 3.1).
  • Grootschalige verpleeghuiszorg heeft vaak een groter aanbod van voorzieningen (zoals een winkeltje, een restaurant, meer activiteiten) (zie paragraaf 3.1).
  • Niet iedereen is hetzelfde. Daarom is het belangrijk dat mensen die zorg nodig hebben, kunnen kiezen voor de zorg die bij hen past (zoals groot- of kleinschalige zorg) (zie paragraaf 3.1).
    • ○ Toch heeft kleinschalig zorgen een aantal duidelijke voordelen, zoals (zie paragraaf 3.1):
    • ○ bewoners hebben vaker iets om handen;
    • ○ mantelzorgers ervaren minder zorgbelasting;
    • ○ minder gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen;
    • ○ verzorgende ervaren minder werkdruk en minder fysieke inspanning;
    • ○ mantelzorgers en verzorgenden ervaren de persoonlijke betrokkenheid van verzorgenden bij bewoners als positief.
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

4 Zorgvisie van de organisatie

  • Werken vanuit een en dezelfde zorgvisie is een basisvereiste voor het slagen van kleinschalig zorgen. Als de neuzen allemaal dezelfde kant op staan, zorgen alle verzorgenden van een woongroep op dezelfde manier voor hun bewoners. Dat is prettig voor de bewoners (herkenbaar). En het zorgt ervoor dat alle verzorgenden dezelfde kwaliteit van zorg geven (zie hoofdstuk 4).
  • Voorbeelden van succesvolle zorgvisies op een rij (zie hoofdstuk 4)
    • ○ Ja-cultuur
    • ○ Met de handen op de rug
    • ○ Wonen, zorg en welzijn zijn evenwaardig
    • ○ De bewoner staat centraal
    • ○ Wonen staat centraal
    • ○ Eigen verantwoordelijkheid en werken = leren
    • ○ De ‘hele’ mens staat voorop
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

5 Wel of niet geschikt?

  • Het verschilt per verzorgende of zij prettiger werkt in kleinschalige zorg dan in dan in een grootschalig verpleeg- of verzorgingshuis, of juist andersom (zie hoofdstuk 5).
  • De zelftest in dit hoofdstuk geeft een indruk of kleinschalige zorg een prettige werkplek voor je is. Of dat je je meer thuis voelt in een regulier (grootschalig) verpleeg- of verzorgingshuis (zie hoofdstuk 5).
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

Kleinschalig zorgen: hoe doe je dat?

Voorwerk

6 Werken vanuit de relatie

  • Bij kleinschalig zorgen bieden we de bewoners persoonsgerichte zorg (zie Inleiding).
  • Het is gebaseerd op een gelijkwaardige zorgrelatie waarbij zowel de bewoners als de verzorgenden hun eigen identiteit zo veel mogelijk kunnen behouden (zie Inleiding).
  • In een gelijkwaardige zorgrelatie komen de belevingswerelden van de bewoner en van de verzorgende samen (zie paragraaf 6.1).
  • De belevingswereld van de bewoner is anders dan die van de verzorgende. En wordt gekenmerkt door (zie paragraaf 6.1):
    • ○ verliezen;
    • ○ niets (meer) te kiezen hebben.
  • Een betekenisvolle zorgrelatie ontstaat doordat de verzorgende laat merken de bewoner echt te begrijpen en mee te voelen met wat deze meemaakt. Een bewoner die zich emotioneel begrepen voelt, gedraagt zich meer ontspannen dan een bewoner die zich eenzaam en in de steek gelaten voelt (zie paragraaf 6.1).
  • Het beeld dat iemand van zichzelf heeft (identiteit genaamd), bepaalt ook zijn belevingswereld. Identiteit bestaat uit (zie paragraaf 6.1):
    • ○ uiterlijke identiteit (bijvoorbeeld kleding, gewoontes, voor- en afkeuren);
    • ○ innerlijke identiteit (bijvoorbeeld hoe we over onszelf denken, over onze rollen, onze plaats in het leven).
  • Het is belangrijk om de uiterlijke en innerlijke identiteit van een bewoner in stand te helpen houden. Zo voelt deze zich nog betekenisvol, en verbonden met familie, vrienden, vroegere collega’s, enzovoort (zie paragraaf 6.1).
  • Verschillen tussen een professionele zorgrelatie met een bewoner en een privérelatie, zoals met eigen familieleden of vrienden (zie paragraaf 6.2):
    • ○ de zorgrelatie is eindig;
    • ○ de zorgrelatie is vervangbaar (op een vergelijkbare manier over te nemen door een collega).
  • In een team houden verzorgenden samen de grenzen van professionele zorgrelaties in de gaten (zie paragraaf 6.2).
  • Dankzij persoonsgerichte zorg is een professionele zorgrelatie evengoed wel menselijk en persoonlijk. Goed toegepaste persoonsgerichte zorg is een van de succesfactoren van kleinschalig zorgen.
  • In persoonsgerichte zorg onderscheiden we (zie paragraaf 6.3):
    • ○ persoonsversterkende benaderingswijzen (versterkt bij bewoners het gevoel van welbevinden, van gewaardeerd worden, en het gevoel van mens-zijn);
    • ○ persoonsondermijnende benaderingswijzen (verminderd bij bewoners het gevoel van welbevinden, versterkt het ziektegevoel).
  • Regievoering is ervaren dat je controle hebt over de dingen die gebeuren in het dagelijks leven (Pearlin & Schooler 1978) (zie paragraaf 6.4).
  • Om de regievoering door een bewoner te kunnen bevorderen, is het belangrijk dat verzorgenden zich verdiepen in de persoon achter de kwetsbare oudere. En zo inzicht te krijgen in zijn voor- en afkeuren.
  • Persoonsgerichte benadering is hierbij belangrijk. De vijf psychologische behoeften uit de persoonsgerichte benadering van Kitwoord zijn (zie paragraaf 6.4):
    1.
    comfort (troost en bemoediging)
     
    2.
    identiteit
     
    3.
    gehechtheid
     
    4.
    bezigheid
     
    5.
    erbij horen
     
  • Om de regievoering van bewoners en hun familie te kunnen bevorderen, hebben verzorgenden kennis nodig van de levens van bewoners. Het levensverhaal van een bewoner is daarom het startpunt van de zorgrelatie en het zorgen volgens plan (zie paragraaf 6.5).
  • Het levensverhaal gaat om het (leren) kennen van de bewoner als mens. Hoe is hij geworden tot wie hij nu is? Om het levensverhaal te leren kennen, zijn veel gesprekken nodig, zowel met de bewoner als met zijn naasten (zie paragraaf 6.5).
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

7 Gelijkwaardige relatie

  • Een gelijkwaardige relatie tussen verzorgende en bewoner zorgt ervoor dat een verzorgende grenzen kan stellen aan ongewenst gedrag van een bewoner. En dat ze tegelijkertijd invoelt dat het gedrag van de bewoner komt door bijvoorbeeld angst en verwarring (zie Inleiding).
  • Professioneel gedrag houdt in, dat (zie Inleiding):
    • ○ de verzorgende weet dat het gedrag van een bewoner niet persoonlijk bedoeld is;
    • ○ de verzorgende kan met haar eigen emoties, zoals angst en boosheid, omgaan.
  • Persoonlijke opvattingen (bijvoorbeeld over omgangsvormen, of over ouderen en seksualiteit) kunnen een gelijkwaardige relatie in de weg staan. Onze opvattingen bepalen hoe we omgaan met de dagelijkse zorg, zoals eten en drinken, en de sfeer die we willen creëren in de huiskamer (zie Inleiding).
  • De grondhouding van een gelijkwaardige relatie zit in de uitspraak: ‘Ik werk waar u woont’. Op basis van deze grondhouding kunnen we met bewoners, familie en medewerkers afspreken hoe we met elkaar omgaan (zie paragraaf 7.1).
  • In kleinschalige zorg spelen familie en mantelzorgers een grote rol. Zij zijn altijd welkom want ze horen bij de bewoner (zie paragraaf 7.2).
  • Gezamenlijk bepalen zij mede de dagelijkse gang van zaken in de woongroep. Daarom is het belangrijk dat we regelmatig contact met hen hebben en hen betrekken (zie paragraaf 7.2).
  • Regelmatig huiskamerberaad houden in de woongroep is een manier om familie en mantelzorgers betrokken te houden. Huiskamerberaad kan gaan over wat we doen, hoe we het doen, en over de sfeer: hoe wonen we samen (zie paragraaf 7.2).
  • Het is belangrijk dat verzorgenden tijdig met een bewoner en zijn familie bespreken wat zij belangrijk vinden in de allerlaatste levensfase. Hoe wil hij de laatste levensfase doorbrengen als duidelijk wordt dat hij niet lang meer te leven heeft? Hoe kunnen we familieleden daarbij betrekken (zie paragraaf 7.3)?
  • Voor verzorgenden is het belangrijk dat zij goed kunnen communiceren met familieleden, vrijwilligers, behandelaren en therapeuten, maar ook in overleg met teamleden (zie paragraaf 7.4).
  • Door goede communicatie is het mogelijk om steeds van elkaar te leren. En om een professionele, gelijkwaardige zorgrelatie met bewoners en hun familie te onderhouden (zie paragraaf 7.4).
  • Door open vragen te stellen geven we de ander de gelegenheid om ons te informeren (zie paragraaf 7.4).
  • Open vragen beginnen met: ‘wat’, ‘wie’, ‘waar’, ‘wanneer’, ‘waardoor’, en ‘hoe’ (zie paragraaf 7.4).
  • Als familie moppert of klaagt, vraag dan door (zie paragraaf 7.4):
    • ○ naar feiten;
    • ○ naar beleving en gevoelens;
    • ○ of de ander een oplossing weet.
  • Contacten met mensen met dementie vereisen speciale communicatieve vaardigheden. Het is belangrijk om veel te oefenen met gesprekstechnieken. De belangrijkste gesprekstechnieken zijn (zie paragraaf 7.4):
    • ○ gevoelens benoemen;
    • ○ korte zinnen gebruiken en herhalen;
    • ○ samenvatten;
    • ○ algemene opmerkingen maken;
    • ○ stapsgewijs woorden en feiten aanreiken;
    • ○ naar uitersten vragen;
    • ○ tegenspreken, grenzen aangeven;
    • ○ herinneringen gebruiken.
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

8 Methodisch zorgen

  • Methodisch zorgen betekent planmatig werken. Het proces van methodisch zorgen begint steeds weer opnieuw, en bestaat uit (zie Inleiding):
    • ○ een plan maken;
    • ○ het plan uitvoeren;
    • ○ de uitvoering van het plan evalueren;
    • ○ het plan bijstellen.
  • De persoonsgerichte zorgmethodiek bestaat uit meerdere stappen. Door de verschillende stappen uit te werken, borgen we ons streven naar een gelijkwaardige zorgrelatie waarbij een bewoner zo veel mogelijk zelf de regie voert.
  • Stappen voor persoonsgerichte zorgmethodiek:
    • ○ het levensverhaal van de bewoner (zie paragraaf 8.1);
    • ○ het profiel (zie paragraaf 8.2);
    • ○ het omgangsadvies (zie paragraaf 8.3);
    • ○ het zorgleefplan (zie paragraaf 8.4);
    • ○ de welzijnsagenda (zie paragraaf 8.4);
    • ○ domeingerichte 24-uursrapportage (zie paragraaf 8.5);
    • ○ evaluatie in bewonersgerichte bespreking (zie paragraaf 8.6).
  • Kijken naar gedrag aan de hand van vijf vragen (zie paragraaf 8.6):
    1.
    Wat zien we de bewoner doen?
     
    2.
    Welke stemming of welk gevoel denken wij dat de bewoner hiermee uitdrukt?
     
    3.
    Waar komt dit gevoel of deze stemming vandaan?
     
    4.
    Wat kunnen we doen om aan te sluiten bij het gedrag en de stemming van de bewoner?
     
    5.
    Welk advies geeft de bewoner ons als verzorgenden?
     
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

9 Integraal werken

  • Het dagelijks leven in ene kleinschalige woongroep lijkt zo veel mogelijk op een normaal huishouden (zie Inleiding).
  • Verzorgenden verlenen als woonbegeleiders integrale zorg: ze zijn verantwoordelijk voor de totale zorg en begeleiding aan de bewoners (zoals begeleiding en hulp bij de ADL, huishoudelijk werk, activiteiten en koken). Waar mogelijk betrekken ze zo veel mogelijk de bewoners daarbij (zie Inleiding).
  • De belangrijkste taken van verzorgenden in de integrale zorg (zie paragraaf 9.1):
    • ○ dagbesteding;
    • ○ huishouding;
    • ○ huishoudboekje bijhouden
    • ○ samen koken, samen eten;
    • ○ de was doen.
  • Om alle integrale taken op een dag georganiseerd te krijgen, is het belangrijk dat alle verzorgenden vanuit dezelfde visie werken en op dezelfde manier prioriteiten stellen (zie paragraaf 9.2).
  • Voorbeelden van werken vanuit een visie:
    • ○ welzijn gaat voor zorg;
    • ○ sfeer gaat voor taken;
    • ○ persoonlijke zorg gaat vóór huishoudelijke taken.
  • Bij het prioriteiten stellen moeten verzorgenden in het team samen afspreken wat ze als resultaat willen van de dag. Dus niet: wat moeten we allemaal doen (is een opsomming van taken). Maar wel: wat willen we vandaag gerealiseerd hebben (is denken in resultaten) (zie paragraaf 9.2).
  • Door te bedenken wat in ieder geval belangrijk is voor een bewoner, kunnen we bij drukte gemakkelijker beslissen wat we doen. We stellen onszelf dan twee vragen (zie paragraaf 9.2):
    1.
    Wat is het meest urgent? Wat moet echt nu?
     
    2.
    Wat is het meest essentieel? Wat is van belang dat ik nu doe?
     
  • Wissel actieve tijd af met voldoende rust- en herstelmomenten voor bewoners. Geef daarin het goede voorbeeld door ook zelf rustig te gaan zitten, bijvoorbeeld om de rapportages bij te werken (zie paragraaf 9.2).
  • Kloktijd: regelt afspraken waar we ons aan moeten houden. Bijvoorbeeld het tijdstip dat de kapster komt voor mevrouw Van Veen.
  • Belevingstijd: tijd waarin we genieten van de gezellige sfeer. Bijvoorbeeld als de maaltijd een halfuurtje uitloopt omdat we zo gezellig zitten.
  • Bij het plannen van de dagindeling willen we zo veel mogelijk momenten voor belevingstijd in bouwen, want dat zijn de resultaten die we willen (zie paragraaf 9.2).
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

10 Samenwerken met vrijwilligers

  • Vrijwilligers zijn belangrijk. Contacten met vrijwilligers geven bewoners het gevoel dat zij nog steeds de moeite waard zijn en een rol spelen in het leven van anderen (zie Inleiding).
  • Voor een goede samenwerking tussen verzorgenden en vrijwilligers is het goed om te weten waarom vrijwilligers vrijwilligerswerk willen doen. Bespreek dit bij het eerste afstemmingsgesprek. Want voor een vrijwilliger maakt het veel uit of hij kan doen of leren wat hij wilde. Het team moet hier dan ook voor zorgen (zie paragraaf 10.1).
  • Veelvoorkomende redenen voor vrijwilligerswerk zijn (zie paragraaf 10.1):
    • ○ sociale contacten willen opdoen;
    • ○ willen oefenen met een werkritme;
    • ○ werkervaring willen opdoen, iets nieuws willen leren;
    • ○ iets willen betekenen voor een ander.
  • Bij het kiezen van werkzaamheden voor vrijwilligers, staat het welzijn van de bewoners voorop. Vrijwilligers willen meestal iets extra’s toevoegen. En zijn er niet om personeelstekort op te lossen. Voorbeelden van mogelijke werkzaamheden (zie paragraaf 10.2):
    • ○ bewoners bezoeken die geen familiebezoek krijgen;
    • ○ gezamenlijk een hobby uitoefenen (zoals handwerken, vissen);
    • ○ bij een sfeeractiviteit in de huiskamer helpen (zoals bloemschikken, een spelletje);
    • ○ bij het huishouden helpen (zoals samen koken, wasgoed strijken);
    • ○ aan het maatschappelijk leven deelnemen (zoals kerk- of verenigingsbezoek).
  • Om vrijwilligers tot hun recht te laten komen, zorgen de verzorgenden samen voor ‘3 x i’ (zie paragraaf 10.3):
    1.
    informatie;
     
    2.
    introductie;
     
    3.
    inwerken.
     
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

11 Samenwerken met andere disciplines

  • Artsen en therapeuten verlenen in de kleinschalige woongroep op een andere manier zorg en werken op een andere manier samen met de verzorgenden dan in een traditioneel verpleeghuis: De belangrijkste verschillen (zie hoofdstuk 11):
    • ○ de bewoner houdt de regie en bepaalt mede wanneer de behandelaar op bezoek kan komen en heeft inspraak op de behandeling;
    • ○ de behandeling is persoonsgericht en dat vraagt inlevingsvermogen van alle behandelaren;
    • ○ de kennis en informatie die de familie heeft over de bewoner over voor- en afkeuren en gewoontes is nuttige informatie die de behandelaar gebruikt om de behandeling op af te stemmen;
    • ○ verzorgenden hebben een signalerende functie en moeten kunnen inschatten wanneer het nodig is om een behandelaar te raadplegen. Daarom coachen behandelaren de verzorgenden en bevorderen hun deskundigheid;
    • ○ behandelaren en verzorgenden maken heldere afspraken, bijvoorbeeld over wanneer en waar spreekuren plaatsvinden, over de verdeling van de verantwoordelijkheid en coaching en sturing hierop;
    • ○ de samenwerking tussen behandelaren en verzorgenden is een wisselwerking. Een goede wisselwerking zorgt voor wederzijds begrip, het benutten van elkaars kwaliteiten en goed samenwerking om de kwaliteit van leven van bewoners te verbeteren.
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

12 Passende omgevingen voor mensen met dementia

  • In de kleinschalige zorg willen we een passende omgeving creëren voor bewoners met dementie, want dit voelt prettig, veilig en herkenbaar aan voor bewoners (zie Inleiding).
  • Een passende omgeving is niet alleen de tastbare omgeving (de inrichting van kamers, overzichtelijkheid, kleurgebruik, rust of juist drukte in een ruimte), maar ook het gedrag van verzorgenden en hoe zij reageren op gedrag van bewoners (zie Inleiding).
  • Veel gedrag van bewoners met dementie kan problemen geven als wij niet begrijpen waarom deze bewoner zich zo gedraagt. Bijvoorbeeld agressie, angst, ontremd gedrag, achterdocht of apathie (zie paragraaf 12.1).
  • We spreken van probleemgedrag als verzorgenden, bewoners, of familieleden het moeilijk vinden om met bepaald gedrag om te gaan (zie paragraaf 12.1).
  • Overwegingen bij ‘probleemgedrag’ (zie paragraaf 12.1):
    • ○ Is dit een probleem?
    • ○ Voor wie is het een probleem (voor de bewoner zelf, andere bewoners, de verzorgenden)?
    • ○ Kennen we de achtergrond van dit gedrag?
    • ○ Welk gedrag van onszelf versterkt of verzwakt het gedrag van de bewoner?
    • ○ Wat kunnen we er het best aan doen?
  • Verschillende factoren kunnen het gedrag van een bewoner tot een probleem maken (zie paragraaf 12.1, figuur 12.1):
    • ○ dementieel ziektebeeld;
    • ○ lichamelijke oorzaken;
    • ○ persoonlijkheid;
    • ○ omgevingsfactoren.
  • Om het gedrag van een bewoner met dementie beter te kunnen begrijpen, is het belangrijk om meer te weten over de dementievorm (zie paragraaf 12.1 en Bijlage 2).
  • Mensen met dementie verwerken prikkels veel trager. Doseer het aantal prikkels (meer of minder) daarom zorgvuldig (zie paragraaf 12.1).
  • Schep in de omgeving van bewoners mogelijkheden om meer of minder prikkels te doseren. Denk aan de volgende zintuigen (zie paragraaf 12.1).
    • ○ Reuk: welke geuren zijn herkenbaar en stimuleren bewoners?
    • ○ Zicht: wat is er te zien? En roept dat beweging, interesse of juist vermoeidheid op?
    • ○ Smaak: wat valt er te proeven? En is dat herkenbaar, vies of juist lekker?
    • ○ Gehoor: welke geluiden zijn er te horen? Hoe druk of rustig is het en voor welke bewoners is dat juist goed of niet goed?
    • ○ Tast: hoe voelt de omgeving en hoe voelen de materialen? Hoe is de temperatuur? Is er frisse lucht? Zijn er aaibare materialen, dieren?
  • Voor een groot deel zitten de mogelijkheden voor dosering van prikkels in ons eigen gedrag (zie paragraaf 12.1).
  • Een passende omgeving helpt bewoners met dementie om een omgeving voor hen herkenbaar en begrijpelijk te maken, en om erin te kunnen functioneren. Dit wordt ook healing environment genoemd (zie paragraaf 12.1).
  • Bij een passende omgeving (een kamer of een locatie) gaat het onder meer om hoe we ons gedragen in deze ruimte, om de inrichting, de manier waarop het meubilair is neergezet, om het kleurgebruik, en om licht en donker. Dit heeft invloed op het gedrag van mensen met dementie (zie paragraaf 12.1).
  • Paragraaf 12.2 beschrijft belangrijke aandachtspunten voor passende omgevingen voor een aantal specifieke ruimtes in de kleinschalige zorg, namelijk voor de huiskamer, slaapkamer en voor de gangen, loopruimtes en algemene ruimtes.
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

13 Zelfsturing door verzorgenden

  • Verzorgenden functioneren door eigen regievoering. Dit noemen we zelfsturing (zie Inleiding).
  • Het vereist oefening om zelfsturing te leren en verzorgenden hebben daar ondersteuning bij nodig, zowel van de organisatie als van collega’s. Dit kan door tijdens overlegmomenten aandacht te besteden aan de persoonlijke ontwikkeling van verzorgenden (zie paragraaf 13.1).
  • Het competentieprofiel voor medewerkers in kleinschalige zorgsituaties beschrijft welke kennis, vaardigheden en kwaliteiten de ideale verzorgende in de kleinschaligheid heeft. Het is een soort wegwijzer die aangeeft welke kwaliteiten verzorgenden kunnen ontwikkelen door scholing, training en praktijkoefening (zie paragraaf 13.1).
  • De kern van zelfsturing is dat onze omgeving invloed heeft op ons en op hoe wij handelen. Maar tegelijkertijd hebben wij ook weer invloed op de mensen om ons heen. Als we bewust gebruik maken van onze invloed, dan brengen we zelfsturing in de praktijk (zie paragraaf 13.1).
  • Voor zelfsturing moeten we ons bewust zijn van wat we (wel of juist niet) doen (zie paragraaf 13.2).
  • Reflectie betekent: terugkijken naar eigen (of gezamenlijk) gedrag en je bezinnen op eigen motieven en emoties die geleid hebben tot dat gedrag (zie paragraaf 13.2).
  • We kunnen reflecteren op eigen handelen door steeds drie stappen te doorlopen, die ons bewust maken van ons eigen handelen, waarna we er vervolgens verantwoordelijkheid voor nemen (zie paragraaf 13.2):
    • ○ Stap 1 Tot onszelf komen; het hoofd leeg maken
    • ○ Stap 2 Waarnemen zonder oordeel
    • ○ Stap 3 Betekenis geven aan wat we waarnemen
  • We kunnen reflecteren op gezamenlijk handelen door casuïstiek (praktijksituaties) te bespreken volgens een methode (zie paragraaf 13.2).
  • Door feedback te vragen, kunnen we van elkaar leren. Feedback maakt ons bewust van de oordelen en routines in ons handelen en helpt ons om verantwoordelijkheid te nemen voor de dingen die we doen (zie paragraaf 13.3).
  • Voor feedback geven en ontvangen geldt een aantal gouden regels (zie paragraaf 13.3):
    • ○ geef de feedback zo snel mogelijk in een omgeving die zich daarvoor leent;
    • ○ gebruik altijd ik-boodschappen;
    • ○ geef feedback op feitelijk waargenomen gedrag;
    • ○ geef aan wat het met onszelf doet;
    • ○ vervolgens vertellen we wat volgens ons anders kan.
  • Een positieve insteek voor feedback geven is de pluim-tip-vraagformule (zie paragraaf 13.3):
    • ○ als we in een situatie feedback willen geven, bedenken we eerst wat de bedoeling van deze persoon kan zijn geweest. Die bedoeling kunnen we dan positief benoemen. We geven een pluim;
    • ○ we geven onze tip hoe de ander dat beter kan doen;
    • ○ en we stellen een vraag, zodat de ander kan aangeven wat met onze tip gedaan kan worden.
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

Kleinschalig zorgen: waarmee moet je rekening houden

Voorwerk

14 Kwaliteit van zorg

  • In de Normen voor verantwoorde zorg staat waar kwalitatief goede zorg in de kleinschalige zorg, in verpleeg- en verzorgingshuizen en in de thuiszorg aan moet voldoen (zie hoofdstuk 14).
  • De normen beschrijven wat het resultaat moet zijn van goede zorg. Elke zorgaanbieder wordt jaarlijks getoetst aan die normen (zie hoofdstuk 14).
  • Toetsing gebeurt onder andere op basis van de rapportage in de zorgdossiers. Voor elke cliënt staat daarin afzonderlijk hoe voor hem of haar deze normen worden ingevuld. Uitgangspunt is dat een cliënt zo veel mogelijk keuzevrijheid krijgt en zo veel mogelijk de regie voert over het eigen leven (zie hoofdstuk 14).
  • In de zorgdossiers komt kwaliteit van leven tot stand op vier belangrijke domeinen (zie hoofdstuk 14):
    1.
    lichamelijk welbevinden en gezondheid;
     
    2.
    woon- en leefsituatie;
     
    3.
    participatie;
     
    4.
    mentaal welbevinden.
     
  • Er wordt op twee manieren gemeten of een zorginstelling voldoet aan de Normen voor verantwoorde zorg.
    1.
    De instelling moet jaarlijks een rapportage geven van feiten en cijfers.
     
    2.
    Een onafhankelijk bureau meet eenmaal per twee jaar de cliëntenervaringen door middel van vragenlijsten en interviews (met behulp van de CQ-index, Consumer Quality Index, een gestandaardiseerde methodiek om dit te meten) (zie hoofdstuk 14).
     
  • De resultaten van deze metingen worden gepubliceerd op www.​kiesbeter.​nl. Op basis van deze informatie kunnen cliënten (of hun familie) de resultaten van zorginstellingen met elkaar vergelijken en weloverwogen kiezen bij welke instelling zij zorg willen afnemen (zie hoofdstuk 14).
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

15 Wet Bopz en vrijheidsbeperkende maatregelen

  • De Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) beschermt de rechten van deze mensen bij gedwongen opname en bij dwang in de zorg (zie Inleiding).
  • De wet is niet alleen van toepassing op psychiatrische ziekenhuizen, maar ook op locaties waar verpleeghuiszorg wordt geboden, met Bopz-erkenning, zoals (zie Inleiding):
    • ○ de psychogeriatrie (ouderenzorg voor mensen met dementie);
    • ○ gedwongen opnamen en behandelingen in de psychiatrie;
    • ○ de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.
  • Paragraaf 15.1 zet de belangrijkste punten uit de Wet Bopz op een rij. Ook gaat deze in op de procedure die wordt gevolgd bij een gedwongen opname.
  • Ook vrijheidsbeperkende maatregelen vallen onder de Wet Bopz. Er kunnen goede redenen zijn om in de kleinschaligheid te kiezen voor vrijheidsbeperkende maatregelen. Toch zoeken steeds meer zorginstellingen naar alternatieven. Vrijheidsbeperkende maatregelen verminderen immers de kwaliteit van leven van bewoners (zie paragraaf 15.2).
  • De Tweede Kamer is bezig met een wetsvoorstel voor de nieuwe Wet Zorg en dwang. Het is de bedoeling dat deze wet mensen met dementie of een verstandelijke beperking beter beschermt dan de huidige Wet Bopz als zij door zorgverleners in hun vrijheid worden beperkt of dwangverzorging moeten ondergaan (zie paragraaf 15.3).
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

16 Voedselveiligheid

  • Verzorgenden in de kleinschalige zorg moeten ervoor zorgen dat voedsel, en de bereiding daarvan, zo veilig mogelijk is (zie Inleiding).
  • Bedrijven, zoals instellingskeukens en horeca, moeten aan zeven basisprincipes voldoen om voedselveiligheid te garanderen (zie paragraaf 16.1).
  • Dit systeem van zeven basisprincipes noemen we HACCP. Dit staat voor Hazard Analysis and Critical Control Point, ofwel: analyse van de gevaren en de kritische beheerspunten in het productieproces (zie paragraaf 16.1).
  • HACCP geeft onder meer richtlijnen voor temperatuurbeheersing tijdens bereiding en opslag, bewaartijden en wijze van opslag, hygiëne bij de bereiding, reiniging en desinfectie, en het voorkomen van kruisbesmetting (zie paragraaf 16.1).
  • De uitgebreide basisprincipes van de HACCP stonden haaks op het uitgangspunt van kleinschalige zorg: namelijk zo gewoon en huiselijk mogelijk leven (zie paragraaf 16.1).
  • Sinds 2007 is er een hygiënecode voor de kleinschalige zorg die de basisprincipes van de HACCP beperkt tot het hoogst noodzakelijke, zodat ze nog werkbaar zijn voor verzorgenden die voedsel bereiden in de kleinschalige zorg (zie paragraaf 16.1).
  • De Voedsel en Warenautoriteit (VWA) gebruikt de hygiënecode als basis voor controle en toezicht (zie paragraaf 16.1).
  • Paragraaf 16.2 gaat in op de belangrijkste regels voor basishygiëne in de kleinschaligheid en op het voorkómen van kruisbesmettingen.
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

17 Arbeidsomstandigheden

  • Werkgevers zijn verplicht om op basis van de regels in de Arbeidsomstandighedenwet beleid te voeren om ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en beroepsziekten te voorkomen. Dit beleid moeten zij samen met hun werknemers opstellen (zie paragraaf 17.1).
  • Verzorgenden hebben ook een eigen verantwoordelijkheid voor hun arbeidsomstandigheden (zie paragraaf 17.1).
  • De Arbocatalogus VVT is een hulpmiddel om gemakkelijker te kunnen voldoen aan de regels in de Arbeidsomstandighedenwet. De catalogus geeft een overzicht van de belangrijkste arbeidsrisico’s voor mensen die in de VVT werken. En er staan praktisch bruikbare oplossingen in om deze arbeidsrisico’s te voorkomen en te verminderen (zie paragraaf 17.2).
  • De Arbocatalogus VVT noemt momenteel vier belangrijke arbeidsrisico´s, namelijk (zie paragraaf 17.2):
    • ○ biologische agentia (zoals hepatitis of MRSA);
    • ○ fysieke belasting;
    • ○ gevaarlijke stoffen (zoals cytostatica);
    • ○ psychosociale arbeidsbelasting: ongewenst gedrag en werkdruk.
  • De Arbeidstijdenwet is in de kleinschalige zorg altijd van toepassing. Alleen over nachtdiensten mogen andere afspraken gemaakt worden in een cao of tussen de werkgever en medezeggenschapsorgaan (zie paragraaf 17.3).
  • In de kleinschalige zorg kan het moment van pauze afwijken van wat in de ‘reguliere zorg’ gebruikelijk is (zie paragraaf 17.3).
  • Voor bewoners van kleinschalige woongroepen is het belangrijk dat het tijdens de maaltijden zo rustig mogelijk is. Dat gaat niet goed samen met het gebruikelijke wisselsysteem van de ‘reguliere zorg’ waarbij verzorgenden hun pauze juist tijdens de maaltijden van bewoners nemen. Daarom kunnen zij het beste micropauzes nemen tussen de verschillende zorgmomenten met bewoners (zie paragraaf 17.3).
  • Verzorgenden in kleinschalige woongroepen drinken samen met de bewoners koffie, en eten mee tijdens de maaltijden. Op deze tijdstippen kunnen ze dus geen pauzes inplannen vanwege alle drukte die wisselingen en overdracht met zich meebrengen (zie paragraaf 17.3).
  • Bij een dienst langer dan 5,5 uur is het mogelijk om een halfuur ongestoorde pauze in te plannen, door af te spreken dat een collega toezicht houdt op een moment dat past in het leefritme van de groep (zie paragraaf 17.3).
Angèle Jonker, Wilma Spijkers, Betty van Wijngaarden

Nawerk

Meer informatie

Extra’s