Skip to main content
main-content
Top

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Ieder mensenkind wordt te vroeg geboren

Met de grotere peuters naar de kinderboerderij. Er zijn de vorige dag een paar geitjes geboren. Eentje scharrelt wat rond en het andere staat te drinken bij z’n moeder. ‘Kijk, babygeitjes’, zegt de leidster. Kim trekt haar neusje op: ‘Da’s toch geen baby! Een baby ligt toch in de wieg!’ De leidster moet lachen en denkt: ‘Ja, gek verschil eigenlijk tussen zo’n pasgeboren dier en een pasgeboren kind.’
Rita Kohnstamm

2. Die van mij kan al zitten

Twee moeders van baby’s staan bij de uitgang van de supermarkt te praten over hun baby’s. Ze hebben het over de ontwikkeling van hun kinderen. Ze vinden allebei dat die zo snel gaat. De bevalling is nog maar zo kort geleden! En nu? ‘Natasja kan echt al een beetje zitten’, zegt de ene moeder. De andere kijkt opeens wat sip, terwijl ze net nog zo trots vertelde hoe pienter haar Sofietje in het rond kon kijken als ze op haar buik lag. Maar zitten? Nee, terwijl ze al ruim zes maanden is en Natasja pas vijf maanden. Zou er toch iets niet helemaal in orde zijn?
Rita Kohnstamm

3. Moeder en haar baby

Gek hè’, zegt leidster Joosje tegen haar collega, ‘de moeder van Alain is altijd zo vrolijk en die van Corlijn kijkt altijd chagrijnig. Maar Corlijn is een veel blijere baby dan Alain.’ ‘Ja’, zegt haar collega, ‘maar ze hebben natuurlijk ook een vader en je weet het niet hè, wat er allemaal speelt in zo’n gezin.’
Rita Kohnstamm

4. Een vader moedert niet

Zes uur. Spitsuur bij het afhalen uit het kindercentrum. ‘Moet je kijken’, zegt leidster Moniek, ‘er zijn meer vaders dan moeders. Leuk hè. Zou mijn vader vroeger nooit gedaan hebben. Hij heeft me geloof ik één keer uit school gehaald. Maar mijn moeder zegt dat haar vader bij wijze van spreken niet eens wist waar haar school wás. Dat regelde haar moeder allemaal.’
Rita Kohnstamm

5. De ene baby is de andere niet

Als je op een kraamafdeling in de wiegjes kijkt kun je soms verbaasd zijn over de grote verschillen tussen baby’s. En op de babyafdeling van een crèche is het al niet anders. Spichtige kleintjes en bolle dikkerdjes. Rustige kijkertjes en driftige baasjes. En natuurlijk jongetjes en meisjes. Door die verschillen vanaf de geboorte zijn er ook verschillen in het effect dat ze hebben op hun ouders en andere verzorgers.
Rita Kohnstamm

6. Een moeilijke start

De moeder van Livia komt haar dochtertje brengen met de nieuwe baby in een draagdoek. ‘Wat een snoepie’, zegt de leidster van Livia. De moeder zucht: ‘Je mag hem wel even hebben. Dan ben ik hem tenminste even kwijt. Nou ja, grapje. Maar ik word er wel een beetje gek van. Hij huilt zo véél, dat wil je niet weten. Ik zit de halve dag met hem in de schommelstoel om hem te kalmeren.’
Rita Kohnstamm

7. Van liggen tot lopen

Ayla komt haar tweeling brengen. Ze is zeven maanden zwanger en ziet er moe uit. ‘Hé, gaat het wel goed met jou?’, vraagt de pedagogisch werker. ‘Jawel’, zegt Ayla, ‘maar ik slaap de laatste tijd zo slecht, de baby is zo wild. ’t Is dat ik weet dat het een meisje is, anders zou je zeggen dat ze de hele nacht aan het voetballen is. Nou ja, misschien wordt het ook wel een voetbalstertje.’
Rita Kohnstamm

8. Wat valt er te beleven?

Chafi zit op het muurtje bij de zandbak bellen te blazen. Op zich natuurlijk niks bijzonders. Maar het is grappig dat hij er een paar maanden geleden ook eindeloos mee bezig was. En toen opeens was het afgelopen. Vond hij d’r niks meer aan. En nu vanmorgen zag hij het potje staan en wilde beslist weer gaan blazen. Hij zit daar al bijna een half uur.
Rita Kohnstamm

9. Een leven lang leren

‘Kijk! Kijk nou!’, roept Ruth naar Marc die haar komt ophalen voor de BSO. Ruth zit op de schommel en wil apetrots laten zien dat ze zelf kan gaan zwaaien. Afzetten, benen naar voren, benen naar achteren. En vanzelf gaat ze steeds hoger. Ze hoeft geen zetje meer te krijgen. Gisteren nog wel, vandaag opeens niet meer. Ruth stráált.
Rita Kohnstamm

10. Hoe leren kinderen?

Klaas kon zich een paar dagen geleden zelf optrekken om te gaan staan. Hij is naar de speelgoedkast gekropen en heeft zich aan de planken omhoog getrokken. Hij reikte naar een groene dinosaurus, waarnaar hij de laatste tijd al vaak geboeid had zitten kijken. Het beest tuimelde naar beneden. Het mechaniekje raakte ontgrendeld en de dinosaurus begon plotseling hard te grommen. Hartverscheurend gehuil bij Klaas. Sinds die tijd blijft hij zo ver mogelijk uit de buurt van de kast en als hij erlangs moet begint hij opnieuw te huilen.
Rita Kohnstamm

11. Kleine kinderen denken anders

Jacqueline is een jaar en negen maanden. Ze komt bij de deur met in elke hand een grasspriet. Zo kan ze de deurkruk niet pakken. Zij legt één grasspriet op de grond en dan kan ze met één hand bij de kruk. Een maand eerder zou dat nog niet in haar opgekomen zijn en zou ze nog hebben afgezien van haar plannetje de deur open te doen.
Rita Kohnstamm

12. Denken en taal

Manuel is tweeënhalf en heeft zijn schoen gezet voor Sinterklaas. ’s Ochtends vindt hij er een pakje in dat hij met veel gepruts openmaakt. Er komt een speelgoedbeestje uit. Een zachte knuffel. Een fantasiebeest, zoals Manuel nog nooit heeft gezien. Hij duwt de snuit tegen zijn neus, trekt aan de lange oren, kijkt nog eens goed en zegt dan met grote beslistheid: ‘Haashondje’.
Rita Kohnstamm

13. Het wonder van de eerste woordjes

Leidster Laila heeft een paar keer met de kleintjes een prentenboek met grote platen van dieren ‘gelezen’. En natuurlijk heeft ze steeds bij elk dier gezegd: ‘Kijk, de poes, de poes zegt Miauw. En dit is de kip, die zegt Tók. Oh, het lammetje, dat Bè zegt.’ Als ze vandaag met het boek komt aanlopen roept Matthijs van dertien maanden triomfantelijk ‘Tók’. En de rest van de dag horen ze hem dat af en toe zomaar herhalen. Het lijkt wel alsof hij het woordje steeds weer even wil proeven.
Rita Kohnstamm

14. De groeiende woordenschat

Op de speelplaats doen de kinderen een spelletje: met een bekertje water zonder morsen naar de overkant lopen. Marcel heeft als enige helemaal niks gemorst: ‘Ik ben de goedste’, zegt hij triomfantelijk. De leidster kijkt verbaasd. Marcel kan al zo goed praten. En nu opeens maakt hij zo’n malle fout!
Rita Kohnstamm

15. Een misverstand zit in een klein hoekje

Daantje van tweeënhalf gaat met zijn ouders naar Amerika. Het is een slim ventje, zodat ze van alles met hem kunnen bepraten over de tocht. Daantje heeft plezier in de voorbereidingen. Tot hij kort voor vertrek alle lust verliest. Het blijkt dat hij heeft opgevangen dat zijn moeder tegen iemand zei ‘Dan vliegen we naar Amerika.’ Daantje zegt verdrietig: ‘Ik kan niet mee naar Amerika, ik kan nog niet vliegen’.
Rita Kohnstamm

16. Heb jij ook een iq?

Tienjarige Gijs zit op de BSO. De medewerkers hebben plezier in hem, hij is vrolijk, sociaal en ze vinden hem ook wel pienter. Ook op school is hij geliefd, maar met leren vlot het niet erg. Zijn leraar weet niet goed wat hij ervan moet denken. Tegen de ouders zegt hij: ‘Ik geloof wel dat hij het kan, maar het komt er niet uit.’ Daarom moet Gijs maar eens worden getest om te weten te komen hoe het met zijn intelligentie zit. Als dat achter de rug is vraagt een pedagogisch werker ‘En Gijs, hoe was het nou toen je werd getest?’ ‘Ik heb 110’, zegt Gijs, ‘heb jij ook een IQ?’
Rita Kohnstamm

17. Een eng mens

Jamie doet met zijn moeder boodschappen in de kinderwagen, die in zitstand staat. Zo kan hij rondkijken en dat doet hij ook. Maar hij kijkt toch vooral naar mama en lacht tegen haar. Dan komt moeder een schoolvriendin van vroeger tegen. ‘Oh, zeg, is die van jou!’ ‘Ja’, zegt z’n moeder, ‘dat is Jamie’. ‘Ha Jamie’, zegt de vriendin en buigt zich over de wagen. Jamie krijgt een trillip, draait z’n hoofd weg en begint te huilen. ‘Dat komt niet door jou hoor’, zegt z’n moeder, ‘hij is eenkennig aan het worden.’
Rita Kohnstamm

18. Een veilig gevoel

Als de laatste peuter is afgehaald staan twee leidsters nog wat na te praten. Zegt de ene tegen de andere: ‘Valt het jou nou ook op dat sommige kinderen helemaal niet opkijken als hun vader of moeder hen komt halen? En andere kinderen rennen juist meteen naar hen toe. En dan blijven ze óf hangen óf ze gaan weer terug om nog wat te spelen. Gek hè, die verschillen?’
Rita Kohnstamm

19. Ik ben ik

Baby Yamina ligt tevreden rond te kijken in haar bedje. Ze is vier maanden en zwaait wat met haar handjes. Als je goed oplet kun je iets bijzonders zien. Als Yamina haar handjes opzij zwaait blijft ze gewoon vooruit kijken, ze volgt haar handjes niet. Als zij ze terugzwaait en ze weer binnen haar blikveld komen zie je iets van verrassing op haar gezichtje. Die verrassing komt tijdens het zwaaien iedere keer weer terug. Haar handjes zijn voor Yamina als het ware speeltjes die zomaar iedere keer tevoorschijn komen.
Rita Kohnsamm

20. Zó iemand ben ik

Freek zit vandaag op z’n praatstoel. Op de BSO vertelt hij over zijn voetbalteam. Hij is tien en is net gescout als een talent. ‘Ik kan goed een assist geven’, zegt hij. Hij vertelt ook over zijn teamgenoot Ramon die naar Barcelona mag om daar een wedstrijd te zien. Zijn vader is er al, dus moet Ramon alleen met het vliegtuig. ‘Wel cool’, zegt Freek, ‘ik zou dat niet durven…of wel?.. Denk jij dat ik dat zou durven?’
Rita Kohnsamm

21. Geloof in eigen kunnen

Vierjarige Lisa rijdt op de speelplaats rond in de trapauto. Bazige Abel, bijna vijf, verspert haar de weg. Wijdbeens, handen in de zij gaat hij voor de auto staan. ‘Nou wil ik.’ Lisa kijkt hem aan, lacht een beetje, blijft rustig zitten. Na een paar tellen zegt ze: ‘Abel, ga es weg!’ Abel stapt opzij. De leidster die het ziet, zegt: ‘Het is ongelooflijk, zo gaat het nou altijd. Dat kind is zo zelfverzekerd!’
Rita Kohnsamm

22. Kan best zelf!

Hester van tweeënhalf zit al een hele tijd te wurmen met het riempje van haar schoen. Waarom koopt die moeder nou niet gewoon schoenen met klittenband!’ denkt leidster Saida. Ze wil met de kinderen naar buiten en dit dúúrt maar. Maar als ze wil helpen gaat Hester gillen. Heszelfdoen. Heszelfdoen!!!
Rita Kohnsamm

23. De eerste grote jaloezie

Tussen de ouders en kinderen ziet hoofdleidster Moniek ’s morgens twee nieuwe gezichten. Kevin, die vandaag komt wennen met zijn moeder. Ojee, die moeder loopt op alledag van haar tweede kind en uitgerekend nu brengt ze hem naar de peuterspeelzaal! Moniek denkt dat ze een moment moet zien te vinden om uit te leggen dat dat misschien niet zo’n goed idee is.
Rita Kohnstamm

24. Karakterverschillen

Iris en Jasmijn, negen en zes jaar, zitten nu twee maanden op de BSO. Tijd voor een oudergesprek. ‘Het zijn wel heel erg verschillende karaktertjes, hè?’, zegt de pedagogisch werkster. De ouders schieten in de lach: ‘Dat kun je wel zeggen, ja!’ En de vader zegt: ‘Ik heb nog een dochter uit m’n eerste huwelijk en die is eigenlijk nog weer anders. Ze woont bij haar moeder, maar is ook vaak bij ons. Dus we kunnen de verschillen goed merken.’
Rita Kohnstamm

25. De managers van de speelgroep

Al zijn ze nog zo klein, ook in een speelgroep bestaan tussen kinderen rangen en standen. Regelaars en meelopers. Sterren en muurbloempjes. Leiders en volgelingen. ‘Je haalt ze er zo uit, de bazen van de toekomst’, zegt een leidster lachend.
‘Ja, dat is waar’, zegt haar collega, ‘maar er zijn wel baasjes in soorten, net als later bij echte bazen.’
Rita Kohnstamm

26. Heel verlegen

‘Hoe gaat het hier nou met Femke?’, vraagt haar moeder aan Louis, pedagogisch werker van de BSO, ‘is ze nou nog net zo verlegen als in het begin?’ ‘Ja’, zegt Louis ‘dat zit er nou eenmaal in, hè. Dat krijg je niet zo maar weg. Maar ze is niet meer zo schuw zoals toen ze hier net kwam. Ze is wel wat vrijer aan het worden. Maar natuurlijk nog wel verlegen.’
Rita Kohnstamm

27. Heel druk

De kinderen zitten rond de tafel voor de ochtendsap en cracker. Ze hebben geleerd dat ze met eten en drinken moeten wachten tot iedereen heeft. Maar zoals iedere morgen kán David niet wachten en neemt vast een slokje. En zoals iedere morgen zegt de leidster: ‘David, kijk es goed, heeft iedereen al?’ ‘Oh nee’, zegt David en zet z’n beker gauw terug.
Rita Kohnstamm

28. Het stemmetje van het geweten

‘Oh, mijn haarbandje is weg!’, roept Hanna van bijna vier. Leidster Kitty stelt haar gerust: ‘Ik zal het voor je zoeken. Robin, help jij mee?’ Robin is twee en dol op alles wat glittert en glinstert. Kitty weet dan ook bijna zeker dat hij het bandje heeft gepakt. Robin kijkt ijverig op en achter van alles en nog wat. ‘Kannievinde’, zegt hij. ‘Zit het misschien in jouw rugzakje, Robin? Zullen we even gaan kijken? …. I Oh, gelukkig, daar is het. Hanna, Robin heeft je haarbandje gevonden!’
Rita Kohnsamm

29. VAN weten naar doen

Sofie, tweeënhalf, klimt op een krukje om bij de verboden schaar te komen. Als ze van het krukje springt valt de schaar uit haar hand en geeft een kras op de arm van Yildiz, die hard begint te huilen. Als de leidster komt aangelopen zegt Sofie: ‘Heb nie gedaan, Yil heb schaar.’
Rita Kohnsamm

30. De waarheid over jokken

‘Ja, in de tuin, ja, daar was Kiki. Ik kon ’r zien. En ook Kleine Beer. En ook Nijntje. In de tuin. In mijn tuin. En ze hadden een pistool. En toen gingen ze schieten. En toen was alles nat. Mama ook, en ik en de baby. Enne…’ Even weet bijna driejarige Ricky niet hoe hij verder moet.
Rita Kohnstamm

31. Heibel in de zandbak

Langzaam loopt hij een rondje over het muurtje van de zandbak. Zo slenterend kijkt hij naar het bouwsel van zand dat een paar kinderen aan het maken zijn. Dan opeens springt hij daar midden bovenop. Het bouwsel kapot en de kinderen huilen. Als één van hen hem kwaad wegduwt pakt hij een schep en slaat haar ermee op haar hoofd. Vincent, bijna vier jaar en de wanhoop van de leidsters in het kindercentrum. Ze weten niet goed wat ze met die agressiviteit moeten beginnen.
Rita Kohnstamm

32. De lange adem van agressie

‘Het is echt niet normaal’, zegt assistente Treeske tegen lerares Yvonne over tienjarige Bennie. ‘Als ze buiten spelen doet hij niks als schoppen. Tegen de afvalbak, het hek, de fietsen, gisteren tegen het caviahok. En als je niet oppast krijg je zelf ook een schop, als je er wat van zegt. En hij begint ook om het minste of geringste te vechten.’ ‘Misschien wordt ie later wel een crimineel’, zegt Yvonne, ‘laatst was op de televisie dat criminelen als kind al agressief waren.’
Rita Kohnstamm

33. Pestkoppen

Tussen de middag zit Camiel, negen jaar, in de klas te eten. Er zijn nog vier anderen. De rest is al klaar en is naar buiten. De overblijfkracht I is met hen mee. Camiel eet langzaam om maar zo kort mogelijk buiten te zijn. Want daar is Lex, zijn kwelgeest. Maar Lex komt even terug in de klas. Hij pakt Camiels trommeltje en zegt: ‘Getver’ en gooit alles in de prullenbak. De overblijfkracht komt binnen en ziet Camiel in de bak rommelen. Hij ziet ook tranen bij Camiel. ‘Wat is er gebeurd?’, vraagt hij. ‘Nee hoor, niks’ zegt Camiel. De andere kinderen houden zich stil.
Rita Kohnstamm

34. Bang zijn is niet kinderachtig

Ik vind het zo gek’, zegt de moeder van Vigna tegen de leidster, ‘ze was met slapen altijd zo gemakkelijk. En nu wordt ze iedere nacht gillend wakker.’ ‘Ach ja’, zegt de leidster, ‘dat heb je vaak. Hoe oud is ze nu? Twintig maanden toch? Ja, dan hoort dat er zo’n beetje bij. Maar je moet er wel naartoe gaan hoor! Niet laten huilen! Even geruststellen en weer weggaan. Dan gaat het ’t snelst weer over.’
Rita Kohnstamm

35. Hoeveel kun je hebben?

‘Heeft hij het jullie verteld?’, vraagt de vader van Richard aan de leraar en de assistent als hij zijn zoon komt afhalen. ‘Nee, wat is er dan?’ ‘Zijn nieuwe fiets is gestolen. Stond op slot in het schuurtje. En daar is hij ondersteboven van. Dat een dief zo dicht bij huis is geweest. Vlak onder het raam van zijn kamertje.’
‘Ah, nou begrijpen we waarom hij vandaag zo snauwerig was. Niks voor Richard. Die is altijd zo gezellig.’
Rita Kohnstamm

36. Kinderzorgen

Het is kort na de zomervakantie. De kinderen zijn al bijna een week weer naar school. ‘En’, vraagt de BSO-medewerker, ‘zijn jullie al weer een beetje gewend? Hebben jullie nu een andere leraar gekregen?’ ‘Nee’, zegt Halim, ‘maar wel een nieuwe klas, want mijn klas is opgedeeld. Maar wel leuk hoor, leuke kinderen.’ Paulien kijkt sip, haar lip trilt een beetje: ‘Kheb nou een meester. Kwou dat ik m’n juf nog had.’ En dan begint ze te huilen.
Rita Kohnstamm

37. Stomme laarzen

Natte sneeuw heeft de straten kleddernat gemaakt. Zelfs van het kleine eindje lopen naar school zijn Sarina’s gympen doorweekt. ‘Hé Saar, waarom heb je geen laarzen aan met dit weer?!’, roept de onderwijsassistent. ‘Vergeten’, mompelt Sarina en zet haar gympen te drogen bij de verwarming. Als zij even later iets uit haar rugzak moet pakken, ziet de assistent toevallig dat daar laarzen in zitten. ‘Het moet niet gekker worden’, denkt hij.
Rita Kohnstamm

38. Heb je broertjes of zusjes?

Sterre is de nieuwe assistente in groep twee. Om de kleuters te leren kennen houdt ze steeds een kringgesprekje met een stuk of vijf kinderen. Ze vraagt hen allerlei dingen. Wat ze het allerlekkerst vinden. Wat ze op school het liefste doen. Wie een knuffel heeft. Of ze thuis een dier hebben. En hoe die heet. En ook of ze een broertje of zusje hebben.
Rita Kohnstamm

39. Bij kinderen thuis

Een moeder heeft haar zoontje Adriaan al kort na zijn geboorte opgegeven voor de peuterspeelzaal om zeker te zijn van een plaats. Nu is het zo ver, want hij is net twee geworden en ze komt kennismaken. De pedagogisch werkster stelt haar verschillende vragen. Eén daarvan is of de gezinssituatie nog dezelfde is als die ze indertijd opgaf. ‘Nee’, zegt de moeder, ‘ik ben inmiddels gescheiden. Maar waarom vraagt u dat eigenlijk?’
Rita Kohnstamm

40. Problemen thuis

‘Ik vind het zo moeilijk’, zegt de onderwijsassistente tegen de lerares van groep twee. ‘Soms heb je een kind waarbij je voelt dat het niet lekker in z’n vel zit. Dat er iets mee is. En dan zie je de ouders en dan denk je: zit het wel goed daar thuis? Maar je komt er niet achter. Je kan d’r moeilijk naar gaan vragen.’
Rita Kohnstamm

41. Touwtjes of lintjes

De groep heeft generale repetitie voor een kerstspel. Niet alle kostuums zijn al klaar. Ook niet de koningskroon voor Titus. ‘Oh’, zegt de OA, ‘doe deze zolang maar even op’ en geeft hem een diadeempje. ‘ja, doei’, zegt Titus, ‘ik ben geen meisje.’
Rita Kohnstamm

42. Jij hebt geen piemeltje, hé?

Floris zit op een fietsje heen en weer te wiegelen op het zadel. Leidster Romy ziet door zijn broek heen zijn piemeltje stijf worden. ‘Jeetje’, denkt ze, ‘moet ik hem er nou niet afhalen?’ Maar voor ze iets kan doen is driejarige Floris al van het fietsje af om te kunnen kijken naar wat Zaïm van Duplo aan het maken is. Maar ze blijft erover denken. Als ze weer zoiets ziet, wat moet ze dan doen? Op een of andere manier vindt ze het niet prettig zoiets seksueels bij zo’n hummel te zien. Maar aan de andere kant ziet het er ook weer zo onschuldig uit.
Rita Kohnstamm

43. Vriendjes en vriendinnetjes

Na de zomervakantie valt het lerares Sofie op dat Barbara en Chloé geen vriendinnen meer zijn. Ze waren altijd onafscheidelijk. Nu kijken ze nauwelijks naar elkaar. Barbara gaat naast Zahra zitten. Chloé doet of dat haar niks kan schelen, maar af en toe kijkt ze heel ongelukkig. ‘Oh’, zegt Sofie tegen de assistente, ‘dat doet me zo aan vroeger denken. Ik had ook een hartsvriendin toen ik negen was. Ze ging een dagboek schrijven en dat mocht ik niet lezen!’ ‘Ja, weet je’, zegt haar collega, ‘ik vind dat Barbara minder kinderlijk is geworden.’
Rita Kohnstamm

44. Hoe komt een kind aan mensenkennis?

Als je aan kleuters vraagt iets over een ander kind te vertellen, komen ze met concrete dingen: hoe het kind heet, waar hij woont, wat voor speelgoed hij heeft. Ze noemen geen eigenschappen. Zevenjarigen wel. Maar nog heel concreet: ‘Ze is niet aardig, want ik mocht niet op haar partijtje.’ Rond negen jaar komen de eerste echte karakterbeschrijvingen: ‘Hij is heel erg verlegen, maar ook wel grappig.’ ‘Zij doet altijd heel stoer, maar ze durft helemaal niet zo veel’.
Rita Kohnstamm

45. Meeleven, delen en helpen

‘Zo schattig’, vertelt de moeder van veertien maanden oude Nicky als ze hem komt brengen. ‘Gisteravond zat hij in de kinderstoel die pap te eten die hij zo lekker vindt. Komt mijn man doodmoe thuis en gaat naast hem aan tafel zitten. Maar zo, met z’n hoofd in z’n handen. Hij zat er echt helemaal doorheen. Duwt Nicky één hand weg en stopt een lepeltje pap in zijn mond!’
Rita Kohnstamm

46. Fantasie

Wesley heeft van zijn oma een grote, ouderwetse knikker gekregen. Hij noemt het zijn toverknikker en als hij één oog dichtknijpt en met het andere door de gekleurde strepen heen tuurt, zegt hij dat hij Selvies ziet. Dat is een kaboutervolkje waar zijn vader hem voor het slapen gaan verhaaltjes over vertelt. ‘Zie je ze nou echt?’, vraagt leidster Rania, ‘of verzin je ze?’ Wesley knikt hevig met zijn hoofd: ‘Nee, echt hoor!’ Hij is bijna vier.
Rita Kohnstamm

47. Spelen doe je voor je lol

Meike loopt wat verveeld rond. ‘Vooruit Mei, niet zo hangen. Ga wat doen’, zegt de pedagogisch werker. ‘Kweeniewat’, zegt Meike. ‘Nou gewoon, ga spelen!’ Zijn collega schiet in de lach: ‘Ik geloof niet dat je op commando kunt spelen. Spelen doe je toch voor je lol?’
Rita Kohnstamm

48. Kijk, een vis!

Salima van bijna drie zit met krijt allerlei krabbels te maken op papier. Lijntjes, rondjes, slingertjes. Opeens zegt ze, wijzend op de bovenste hoek van het vel: ‘Kijk, een vis!’ De leidster zegt: ‘Ja, goed zeg, je hebt een vis getekend, ik zie het.’
Rita Kohnstamm

49. Film- en televisiewereld

Brian, bijna vier, zegt dat hij met het poppenhuis gaat spelen. Hij gaat er even vóór zitten en begint dan stoeltjes, tafeltjes, ja alles om te kieperen. Binnen de kortste keren is het in alle kamertjes een grote bende en ligt een groot deel van de inrichting rond het huis. ‘Wat doe je nou!’, roept de leidster. ‘Aarbeffing, alles kapot’, zegt Brian, I ‘ja, op de televisie, heb ik gezien’. ‘Daar moesten ouders zo’n kind toch niet naar laten kijken’, denkt de leidster.
Rita Kohnstamm

50. De nieuwe media

Opeens klinkt geblaf. Heel even lijkt het of er een hond de BSO-ruimte is binnengelopen. Maar de kinderen begrijpen al snel: dit is een ringtone. Ino kijkt schuldbewust. Hij heeft vergeten zijn mobiel uit te zetten. Eigenlijk moet hij hem nou inleveren en krijgt hij hem weer terug als hij naar huis gaat. Dat is de afspraak. Maar de leidster is in een goeie bui: ‘Nou vooruit, omdat het de eerste keer is. Maar als het weer gebeurt geef je hem aan mij.’
Rita Kohnstamm

Nawerk

Meer informatie