Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Nel Jagt Berteke Waaldijk Geschiedenis krijgt vorm in mensen. het methodische, het professionele van Mannen en vrouwen belichamen met hun maatschappelijk werk (of sociaal werk, herinneringen het verleden, in hun hande- Kamphuis zelf gebruikte beide termen lingen zijn de ervaringen van eerdere tijd- door elkaar). Dat spreekt uit haar vele vakken vastgelegd. Zo brengen zij het ver- boeken en artikelen, zie de lijst van pub- leden naar het heden en het heden naar caties die achter in dit boek is opge- de toekomst. De geschiedenis die door men. Voor lezers in de 21e eeuw bieden Marie Kamphuis belichaamd wordt (1907- deze teksten kijkjes in de spiegel van het 2004) is de ontwikkeling van het professi- eigen verleden: het zijn proeven van onele maatschappelijk werk in Nederland. methodisch werken, voorboden van prac- Tijdens haar leven ontwikkelde de sociale tice-based-evidence. De teksten van Marie hulpverlening zich van ongeschoolde lief- Kamphuis hebben bij de ontwikkeling van dadigheid tot een beroep met duidelijke methodisch werken in het Nederlandse methodische en ethische principes. Marie maatschappelijk werk een grote rol Kamphuis belichaamt zowel het voorbije gespeeld. Zij publiceerde met overtuiging verleden als de ambities voor de toe- en vasthoudendheid over methodiek, over komst. Persoonlijk beleefde zij zowel grondslagen van en ontwikkelingen in het hoogte- als dieptepunten in de maat- vakgebied. Wat zij zegt over de profess- schappelijke erkenning van haar vak. Zij naliteit van sociaal werkers heeft weinig nam afstand van de bevoogdende armen- aan actualiteit ingeboet.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Inleiding

Abstract
Geschiedenis krijgt vorm in mensen.
Nel Jagt, Berteke Waaldijk

1. 1932-1935

Abstract
In het najaar van 1932 maakte ik mijn entree in het wereldje dat thans welzijnswerk genoemd wordt, dat wil zeggen ik begon een opleiding voor maatschappelijk werk. Vierentwintig was ik; met moeite had ik mij ondanks een zwakke gezondheid, losgeworteld uit een beschermd, conservatief en restrictief milieu en nu stond ik voor een nieuw begin. Dat vond plaats op het in de tweede wereldoorlog verwoeste kasteel Hemmen in de Betuwe, dat door de laatste bewoner ervan, baron Van Lynden, vermaakt was aan een vereniging die de langademige, voor de eerste decennia van deze eeuw typerende naam droeg: ‘Centraal Bond voor Inwendige Zending en Christelijke Philantropische Inrichtingen’ (later ‘… en Christelijk Maatschappelijk Werk’), waar het Centraal Instituut voor Christelijke Sociale Arbeid, de CICSA zijn beginweek hield. Door mijn ouders, die ook wel eens wilden zien waar hun dochter terecht kwam, gebracht per auto met chauffeur. Maar mij bij aankomst wat onbehaaglijk voelend over deze pater- en maternalistische en kapitalistische zorg, deed ik hen al spoedig de terugtocht aanvaarden.
Marie Kamphuis

2. Drenthe

Abstract
Op 1 augustus 1935 trad ik in dienst van het Instituut voor Jeugd-en Ontwikkelingswerk van de Centrale Vereeniging voor de Opbouw van Drenthe, de CV zoals wij die toen onder elkaar noemden. Toen ik vroeg hoe ik mezelf moest aanduiden was het antwoord: ‘functionaris’. De term vormingsleidster, die toen nog niet bestond, zou heel goed van toepassing geweest zijn op het werk dat wij deden.
Marie Kamphuis

3. Terug naar amsterdam

Abstract
Aanvang november 1937 begon ik mijn werk aan de CICSA te Amsterdam. ‘Leidster practisch werk’ mocht ik mij noemen. Na anderhalf jaar werd dat ‘adjunct-directrice’, hetgeen beter overeenkwam met de taken die ik vervulde. Een financiële promotie was het niet, na twee jaar werd mijn salaris verhoogd tot ƒ 150,- per maand waarvan echter tegelijkertijd weer ƒ 25,- werd ingehouden voor een pensioenpremie. Ik vertel deze financiële bijzonderheden niet om te klagen, onder deze zijde van mijn bestaan heb ik niet geleden. Ik kon mij destijds echter niet voorstellen dat ik ooit een auto of een appartement zou bezitten; fiets en huurkamer(s) scheen mijn perspectief van transport en wonen, maar daarmee kon ik leven. Echter wel als illustratie van de lage waardering die overheid en samenleving aan dit werk en de opleiding daartoe toekenden. In de jaren vijftig en daarna zijn maatschappelijk werkers er dikwijls van beschuldigd dat ze statuszoekers waren. So what? In het licht van de hier vermelde gegevens was daar alle reden voor. Dat je, althans in de ogen van de overheid, nauwelijks bestond, bleek ook uit het feit dat er geen werkruimte voor mij was, geld om die te maken werd niet beschikbaar gesteld. De CICSA was inmiddels verhuisd naar een oud, niet meer in gebruik zijnd lagere-schoolgebouw in de Baarsstraat.
Marie Kamphuis

4. Spelen

Abstract
Mijn vorig verhaal liep tot 1943. Nu moet ik echter meerdere jaren teruggaan omdat één aspect van de en mijn werkelijkheid en het werk van toen nauwelijks aan bod gekomen is. Ik meende alles daarover in een apart hoofdstuk te moeten onderbrengen.
Marie Kamphuis

5. Groningen

Abstract
De periode waarover ik nu ga vertellen, loopt van 1943 tot in de eerste helft van de jaren vijftig, met één uitzondering. In 1946/47 was ik in de Verenigde Staten. Omdat ik daar ook 1954/55 verbleef, ligt het in mijn bedoeling een afzonderlijk hoofdstuk te wijden aan mijn Amerikaanse belevenissen en ervaringen en daarna te berichten over de consequenties daarvan voor ons opleidingswerk en de sociale hulpverlening in Nederland. Dit heeft ten gevolge dat er wat de inhoudelijke kant van het nu beschrevene betreft enkele belangrijke leemten zijn, die eerst in de volgende delen van mijn verhaal opgevuld zullen worden.
Marie Kamphuis

6. Amerika

Abstract
‘En toen ging je dus naar Amerika om het casework te halen’, merkte niet zo lang geleden iemand half vragend, half ironisch tegen me op. Als er een voorstelling van zaken volstrekt in strijd was met de werkelijkheid van toen, dan wel deze.
Marie Kamphuis

7. Nederland 1

Abstract
Nu moet ik weer een aantal jaren teruggaan om iets van de ontwikkelingen van het methodisch werken, in het bijzonder van het casework in Nederland, op het eind van de jaren veertig, in de jaren vijftig en zestig en de gevolgen daarvan voor hulpverlening en opleiding, zoals ik die meegemaakt heb, te vertellen.
Marie Kamphuis

8. Nederland 2

Abstract
In het vorige hoofdstuk vertelde ik over de betekenis van het casework in het bijzonder voor de werkwijze en houding van de maatschappelijk werker en over de gevolgen hiervan voor beleid en organisatie. Maar dat alles was toch maar een deel van het verhaal.
Marie Kamphuis

9. Duitsland

Abstract
Zoals uit mijn vorige verhalen duidelijk geworden zal zijn ging ik in het bijzonder na 1945 maar ook reeds voordien nogal eens over de grenzen in allerlei richtingen. Internationale congressen en seminars, waar ik meestal een of ander karweitje had, brachten mij over heel Europa, maar meestal was dat toch oostwaarts. Ik heb mezelf afgevraagd waarom naar een land dat ik zo gehaat heb. Natuurlijk spelen daarbij allerlei toevallige factoren een rol. Men zocht daar o.a. in de jaren vijftig naar mensen die konden helpen het maatschappelijk werk en de opleiding te moderniseren en meestal was men niet zo erg op de Amerikanen gesteld. Die, vond men, begrepen niets van de Duitse cultuur en men wees hen vaak af als oppervlakkig. Een Nederlandse, werd verwacht, zou meer begrip hebben. Maar dat was het niet alleen, ik had op die uitnodigingen ook afwijzend kunnen reageren. Was het dan misschien: ‘Wir haben lang genug gehasst, wir wollen endlich lieben’. Nee, dat geloof ik niet. Zoals veel Nederlanders in en na de jaren veertig had ik ongeveer gezworen nooit nog een woord Duits te spreken, die taal scheen voor mij afgedaan te hebben. Hoewel er wel een betrekkelijk toevallig begin was – daarover straks – meen ik dat de oorzaak ergens anders lag, nl. in de taal en de poëzie.
Marie Kamphuis

10. Opnieuw groningen

Abstract
In deze Spiegel keer ik weer terug naar mijn basis Groningen, waar ik geworteld was. Al dat werk op nationaal en internationaal niveau had ik niet kunnen doen zonder dit thuisfront. Van Groningen ben ik gaan houden, het is een stad met een hart dat, ondanks de verwoestingen van 1945, toch grotendeels intact is gebleven. En het is een stad waarin men zich niet verliest, waar nog enig overzicht en verband is.
Marie Kamphuis

Epiloog

Abstract
Mijn terugblik heb ik afgesloten in het jaar 1970, hoewel het mij gegund is daarna als particulier persoon nog op allerlei wijzen in onderwijs en werk, in Groningen en in het buitenland bovendien in redactioneel werk actief te zijn. De grote veranderingen die zich sindsdien voltrokken, heb ik met belangstelling en zoals uit eerdere opmerkingen gebleken is, niet altijd met enthousiasme gevolgd. Er waren ontwikkelingen met positieve aspecten zoals bijvoorbeeld in de zelfhulpgroepen en de uitbreiding van vrijwilligerswerk. In de opleidingssector werd nog wel eens de kwaliteit aan de kwantiteit opgeofferd en was er, zoals overigens vaak ook in de werkvelden, meer behoefte aan ‘fundamentele democratie’ (wat dat dan ook mocht zijn), dan aan goede service aan cliënten. Ik wil daarop nu niet verder ingaan; wat gebeurd is, is gebeurd. Wel moet ik, ook in het bijzonder bij de ontwikkelingen in de jaren tachtig en wat vanuit de politiek in de hulpverlening en de opleiding daartoe thans vaak plaats vindt, nogal eens denken aan de woorden in een van de Bommelstrips in het NRC Handelsblad (Tom Poes en het Bommelverschiet 01627) gemaakt, dat ‘de achteruitgang de vooruitgang ingehaald heeft’. En de sociale hulpverlening die in de jaren vijftig en zestig zulk een wezenlijke plaats in de samenleving innam, is weer in de marge daarvan geraakt.
Marie Kamphuis

Nawerk

Meer informatie