Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Hét Nederlandstalige standaardwerk binnen de interne geneeskunde. Deze 13e druk is volledig geactualiseerd en voorzien van een extra hoofdstuk met veelvoorkomende klachten. Tevens is een nieuw hoofdstuk over genetica toegevoegd. Meer dan 40 internisten en interne deelspecialisten werkten mee aan dit rijk geïllustreerde boek. Interne geneeskunde is dé kerndiscipline binnen de curatieve geneeskunde en daarmee ook binnen de medische opleiding. Door de jaren heen is er een onverminderde behoefte aan een Nederlandstalig boek op dit gebied blijven bestaan. Dit boek – begonnen als 'Den Ottolander' – verscheen voor het eerst in 1969 en heeft zich sinds die tijd ontwikkeld tot hét standaardwerk binnen de interne geneeskunde. Het boek gaat uit van een ziektekundige oriëntatie. Inwendige geneeskunde is immers in belangrijke mate gebaseerd op kennis van de pathofysiologie. Het boek besteedt hier daarom ook ruime aandacht aan. Om het gebruik van het boek voor de praktijk te vergroten is een hoofdstuk opgenomen over veelvoorkomende klachten met verwijzingen naar de hoofdstukken waarin de mogelijke oorzakelijke aandoeningen worden besproken. Naast deze toevoeging is de inhoud van deze 13e druk volledig geactualiseerd en is er een nieuw hoofdstuk over genetica opgenomen. Interne geneeskunde is bedoeld als leerboek voor studenten geneeskunde en als naslagwerk voor huisartsen en andere artsen die gebruik maken van kennis van de inwendige geneeskunde in hun praktijk. Meer dan 40 internisten en interne deelspecialisten uit het hele land werkten mee aan dit rijk geïllustreerde standaardwerk voor de interne geneeskunde.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Klinische epidemiologie

Abstract
Aan de opbouw van medische kennis hebben zowel culturele, politieke, economische, religieuze, filosofische als wetenschappelijke elementen bijgedragen. Vooral in de westerse wereld wordt de arts tegenwoordig meer en meer geacht wetenschappelijk te handelen, dat wil zeggen dat zijn handelingen gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis. Traditioneel komt een groot deel van deze kennis uit de medisch-biologische deelwetenschappen zoals anatomie, celbiologie, genetica, fysiologie en biochemie. Dit heeft ertoe geleid dat artsen hoofdzakelijk handelen op basis van deterministisch, causaal, pathofysiologisch redeneren, uiteraard in combinatie met eigen ervaringen en die van de opleider.
H. Burger, A. Hofman

2. Beeldvormende diagnostiek

Abstract
De radiologie is ontstaan met de ontdekking van de röntgenstralen door J.C. Röntgen in 1895. De omvang van de radiologie is in de loop der jaren toegenomen door de komst van invasieve vasculaire technieken, echografie, computertomografie (CT) en kernspintomografie (magnetic resonance imaging, MRI). Naast de diagnostische verrichtingen is de laatste twintig jaar het aantal minimaal invasieve therapeutische ingrepen op geleide van beeldvormende technieken sterk toegenomen.
R.A. Manoliu, G.J.J. Teule, O.S. Hoekstra

3. Klinische farmacologie

Abstract
Behandeling met geneesmiddelen is de pijler van vrijwel elke therapie in de interne geneeskunde. Een praktisch probleem is de grote, deels onvoorspelbare, interindividuele variatie in effect en bijwerkingen bij toediening van hetzelfde geneesmiddel in dezelfde dosis aan verschillende individuen. De oorzaken van die variatie worden echter steeds duidelijker, en het zich stormachtig ontwikkelende genetisch onderzoek heeft ook hier een grote impact. Kennis van mechanismen op dit gebied is voor elke praktiserende arts van groot belang.
R-P. Koopmans

4. Klinische genetica

Abstract
De kennis over genetica en het genoom van de mens heeft zich explosief ontwikkeld. In snel tempo komt nieuwe kennis beschikbaar, die niet zelden ook van belang is voor frequent voorkomende ziekten. Wie vandaag de dag de medisch-wetenschappelijke literatuur goed wil kunnen lezen, moet de belangrijkste basisbegrippen van de erfelijkheidsleer kennen en iets begrijpen van de manier waarop mutaties en variaties in het DNA ziekten veroorzaken. Het doel van dit hoofdstuk is u daarbij op weg te helpen.
F.J. Hes, M.H. Breuning

5. Immunopathologie

Abstract
Ofschoon we voortdurend worden blootgesteld aan allerlei micro-organismen en lichaamsvreemde stoffen, merken we daar weinig van, omdat de natuurlijke barrières van het lichaam, zoals de huid, de pH van de maag en de cilia en mucus van de luchtwegen, niet of nauwelijks te passeren zijn. Wanneer deze barrières echter defect zijn, zoals bij verwondingen, dringen micro-organismen het lichaam binnen. Teneinde deze binnendringers te neutraliseren, beschikt het lichaam over een complex stelsel van cellen en eiwitten die tezamen het afweer- of immuunsysteem vormen. Immunologie is de leer van dit systeem. Het belang van een goed functionerend immuunsysteem wordt geïllustreerd doordat dysfunctie een verhoogd risico op infecties en ook op maligniteiten geeft.
C.E. Hack, D. Hamann-Wenzlau, R.J.M. ten Berge

6. Infectieziekten

Abstract
Infectieziekten (synoniem: infecties) zijn ziekten veroorzaakt door levende micro-organismen. Niet alle ziekmakende microorganismen kunnen van de ene op de andere mens worden overgedragen; in dat geval zijn de patiënten niet besmettelijk. Een deel van de infectieziekten wordt veroorzaakt door micro-organismen die huid en slijmvliezen bewonen (koloniseren), wanneer de verdedigingsmechanismen tegen deze micro-organismen falen. Intacte huid en slijmvliezen vormen het belangrijkste verdedigingsmechanisme tegen het binnendringen van micro-organismen. Sommige micro-organismen zijn in staat door een intacte barrière te dringen, andere kunnen dat alleen door een beschadigd oppervlak. Of daarna al of niet ‘ziekte’ ontstaat, hangt af van de humorale en cellulaire verdedigingsmechanismen van de gastheer tegen de micro-organismen (zie hoofdstuk 5).
J.W.M. van der Meer, R.A. Coutinho, C.M.J.E. Vandenbroucke-Grauls

7. Stollingsstoornissen, trombose, atherosclerose en vaatziekten

Abstract
Het bloedvatstelsel draagt zorg voor een adequate aan- en afvoer van bloed naar en van de verschillende organen. Dit is een vitale functie van het organisme, dat daardoor in staat is de organen van voldoende zuurstof en voedingsstoffen te voorzien en de afvalstoffen af te voeren. Voor een goede bloedcirculatie is het uiteraard van groot belang dat het bloed vloeibaar is. Indien echter een situatie ontstaat waarin het bloed de bloedvaten kan verlaten (bijvoorbeeld bij een snijwond of een operatieve ingreep), is het juist van belang dat deze vloeibare vorm snel kan overgaan in een vaste vorm. Met andere woorden: het vloeibare bloed moet kunnen stollen. Het vermogen van het bloed om te kunnen stollen is de functie van het bloedstollingssysteem. Daarnaast heeft dit systeem nog een tweede, minstens zo belangrijke functie, namelijk het juist vloeibaar houden van het bloed zolang het zich in de bloedvaten bevindt.
M. Levi, C.D.A. Stehouwer

8. Hematologie

Abstract
De hematologie houdt zich bezig met de fysiologie en pathologie van het bloed en de bloedvormende organen. Bloed bestaat uit cellen gesuspendeerd in plasma, een oplossing van eiwitten (transporteiwitten, immuuneiwitten, stollingseiwitten) en zouten in water. We kennen de volgende rijpe bloedcelvormen: erytrocyten (rode bloedcellen), trombocyten (bloedplaatjes) en leukocyten (witte bloedcellen). De leukocyten kunnen worden onderverdeeld in fagocyten (granulocyten en monocyten) en lymfocyten.
M.H.J. van Oers

9. Hemato-oncologie

Abstract
Hemato-oncologie gaat over kanker in bloed, beenmerg en lymfeklieren.
P.C. Huijgens, A. Hagenbeek

10. Oncologie

Abstract
In dit hoofdstuk, waarin solide tumoren worden besproken, wordt eerst kort ingegaan op de epidemiologie en etiologie. Vervolgens komen algemene aspecten van diagnostiek, stagering en therapie aan de orde.
E.G.E. de Vries, A.K.L. Reyners, C.J. Rodenburg, P.H.B. Willemse, J.A. Gietema

11. Bloeddruk en circulatie

Abstract
Een adequate weefselperfusie is essentieel voor het handhaven van de grootte en de samenstelling van de extracellulaire vloeistof (ook wel interne milieu genoemd). Het lichaam beschikt dan ook over een groot aantal regelsystemen en compensatiemechanismen die erop gericht zijn de bloedcirculatie zo goed mogelijk af te stemmen op de weefselbehoefte.
P.W. de Leeuw, W.H. Birkenhäger

12. Zuur-base-evenwicht en kaliumhuishouding

Abstract
De concentraties van waterstof- en kaliumionen worden binnen zeer nauwe grenzen gereguleerd. Vele essentiële functies zoals membraanpotentiaal en eiwitinteracties zijn daarvan afhankelijk. H+- en K+-ionen bevinden zich beide zowel intra- als extracellulair. Regulatie van de extracellulaire [H+] en [K+] berust enerzijds op regulatie van de voorraad (= uitscheiding door de nier van dagelijkse enterale H+- en K+-opname) en anderzijds op regulatie van de balans tussen intra- en extracellulaire concentraties. Zowel wat betreft de uitscheiding door de nier als het transcellulaire evenwicht zijn H+ en K+ met elkaar in competitie. Stoornissen van de extracellulaire [H+] en [K+] komen daarom vrijwel altijd gelijktijdig voor. Stoornissen kunnen geleidelijk ontstaan, zoals bij chronische bemoeilijkte renale uitscheiding (nierinsufficiëntie) of hyperacuut (door transcellulaire verschuivingen).
H.A. Koomans

13. Hypertensie

Abstract
Men schat dat bij 10 tot 20% van de volwassen bevolking een min of meer persisterende verhoging van de bloeddruk voorkomt, waarbij echter wel bedacht moet worden dat er geen strikte scheidingslijn kan worden getrokken tussen het normotensieve en het hypertensieve gebied. Wanneer men immers de frequentieverdeling van de bloeddruk in een bepaalde populatie beziet, blijkt er sprake te zijn van een unimodale curve met een uitloop naar rechts (figuur 13.1). Met andere woorden: de frequentie waarmee hypertensie zich voordoet, is afhankelijk van de bloeddruk die men zelf (arbitrair) als bovengrens van normaal accepteert. Daarnaast is bij epidemiologisch onderzoek gevonden dat er niet één bepaalde waarde van de bloeddruk is waarboven het risico van cardiovasculaire complicaties toeneemt.
P.W. de Leeuw, W.H. Birkenhäger

14. Nierziekten

Abstract
De nier speelt een belangrijke rol bij de verwijdering van afvalstoffen en bij de regulatie van het extracellulaire volume, de water- en zouthuishouding en het zuur-base-evenwicht. Door de snelle ontwikkeling van onderzoek op het gebied van de nierfysiologie en de moleculaire biologie is in het afgelopen decennium onze kennis over het functioneren van de nier sterk toegenomen. Ook de inzichten in de basale pathofysiologische mechanismen die een rol spelen bij het ontstaan van acute nierinsufficiëntie door ischemie en bij de onafwendbare progressie van chronische nierinsufficiëntie zijn vergroot. Toch komt zowel acute als chronische nierinsufficiëntie steeds vaker voor, vooral door de toenemende complexiteit van het medisch handelen en de hoge prevalentie van atherosclerose in een steeds ouder wordende patiëntenpopulatie.
J.F.M. Wetzels, N.H. Lameire

15. Hartziekten

Abstract
Hart- en vaatziekten zijn onverminderd de belangrijkste doodsoorzaak in Nederland. In 2001 overleden in Nederland in totaal meer dan 140.000 mensen. Van dit aantal overleden er 35% aan hart- en vaatziekten. Kwaadaardige nieuwvormingen zijn de op één na belangrijkste doodsoorzaak in Nederland; daaraan overleed 27%.
A.A. Voors, D.J. van Veldhuisen

16. Longziekten

Abstract
Longziekten komen zeer frequent voor. De meeste longaandoeningen ontstaan in de luchtwegen; voorbeelden hiervan zijn astma en COPD (chronic obstructive pulmonary disease). Ook longkanker is een ziekte die vrijwel altijd in een van de luchtwegen begint. Aandoeningen die zich vooral in het longparenchym afspelen zijn veel zeldzamer. Voorbeelden hiervan zijn sarcoïdose of longfibrose. Aandoeningen van de longvaten komen als geïsoleerde ziekte weinig voor. Een voorbeeld hiervan is primaire pulmonale hypertensie. Bij trombo-embolische processen, COPD of hartfalen zijn de bloedvaten in de longen wel betrokken.
G.H. Koëter, D.S. Postma, H.J.M. Groen, C.A. van Minnen

17. Ziekten van maag, darm en pancreas

Abstract
De kennis van ziekten van maag, darm en pancreas is het laatste decennium aanzienlijk toegenomen, deels door fundamentele ontdekkingen met betrekking tot de pathogenese van een aantal ziekten (onder andere de ontdekking van de rol van Helicobacter pylori als verwekker van peptische ulcera), deels door toepassing van nieuwe diagnostische technieken (onder andere slokdarm-pH-registratie). Er werden veel nieuwe behandelingsmogelijkheden ontwikkeld, zoals krachtige zuursecretieremmers en nieuwe middelen tegen inflammatoire darmziekten. Zo mogelijk nog fascinerender is het feit dat zich op een aantal terreinen grote verschuivingen hebben voorgedaan in de epidemiologie van ziekten. Een deel van deze verschuivingen is toe te schrijven aan therapeutisch ingrijpen (eradicatie van Helicobacter pylori, wijdverbreide toepassing van zuursecretieremmers). Een ander deel van de veranderde epidemiologie is vooralsnog niet goed te verklaren (stijging van de incidentie van cardiacarcinoom en van coloncarcinoom).
A.J.P.M. Smout, M. Samsom

18. Ziekten van lever en galwegen

Abstract
Ziekten van lever en galwegen hebben in Nederland een beperkte plaats in de algemene geneeskunde, terwijl wereldwijd hepatitisvirus, overmatig alcoholgebruik, parasieten, overvoeding en ondervoeding in grote mate bijdragen tot ‘the burden of disease’. Leverziekten hebben vaak twee componenten: een component die samenhangt met de etiologie van de ziekte en een andere component die samenhangt met de aard of het stadium van de ziekte, zoals hepatitis, cholestase, cirrose, portale hypertensie en leverinsufficiëntie.
S.W. Schalm

19. Endocrinologie

Abstract
Endocrinologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de (patho)fysiologie van de klieren die hormonen in de bloedbaan uitscheiden. Hormonen zijn chemische signaalstoffen die de functie van diverse doelweefsels en -organen beïnvloeden. Endocrinologie kan derhalve ook worden beschouwd als de leer van de regulatie van weefseldifferentiatie en metabolisme door hormonen. Centraal voor het begrip van hormoonwerking is het receptorconcept. Een receptor, die uit één of twee eiwitketens bestaat (monomeer of dimeer), bindt het hormoon bindt en geeft het signaal door; in feite gaat het dus om een signaaltransducer (figuur 19.1). Bij signaaloverdracht via de bloedbaan spreekt men van endocriene effecten, bij signaaloverdracht op naastgelegen cellen van paracriene effecten van hormonen, bij signaaloverdracht binnen cellen van intracriene effecten.
J.A. Romijn, J.W.A. Smit, S.E. Papapoulos

20. Diabetes mellitus

Abstract
Diabetes mellitus is een stoornis in de stofwisseling die wordt veroorzaakt door een absoluut of relatief gebrek aan insuline. Daarbij ontstaan belangrijke veranderingen in de koolhydraat-, eiwit- en vetstofwisseling, en kan op den duur de functie van verschillende organen verslechteren.
R.J. Heine, C.D.A. Stehouwer

21. Andere stofwisselingsstoornissen

Abstract
In dit hoofdstuk worden enkele zeer uiteenlopende stofwisselingsstoornissen belicht, alsmede obesitas en anorexia nervosa. De vetstofwisselingsstoornissen krijgen in dit hoofdstuk speciale aandacht. De normale transportwegen van triglyceriden en cholesterol worden apart en sequentieel beschreven. Stoornissen daarin zijn goed herkenbaar en krijgen een plaats in deze volgorde. Ook zeer zeldzame stoornissen komen aan de orde als ze de normale transportwegen goed illustreren. Vetstofwisselingsstoornissen zijn vanuit medische optiek vooral relevant voor de preventie van coronaire en perifere atherosclerotische ziekten. Preventie daarvan kan ten dele worden bereikt op basis van richtlijnen, waarover in Nederland consensus is bereikt.
J.A. Gevers Leuven, A.H.M. Smelt

22. Reumatische ziekten

Abstract
Reuma of reumatiek is het woord dat vanouds wordt gebruikt als verzamelnaam voor pijnlijke, niet-traumatische aandoeningen van het bewegingsapparaat. Tot de reumatische ziekten worden die ziektebeelden gerekend die klachten en meestal ook afwijkingen veroorzaken van onderdelen van het bewegingsapparaat. Dit houdt overigens geenszins in dat deze ziekten zich altijd beperken tot het bewegingsapparaat. Het spectrum van reumatische ziekten strekt zich uit van geringe lokale afwijkingen van het bewegingsapparaat tot complexe systeemziekten.
L.B.A. van de Putte, F.C. Breedveld

23. Geriatrie

Abstract
In de komende twintig jaar stijgt het percentage senioren ouder dan 65 jaar in Nederland van 14 naar 25%. Deze stijging is het sterkst onder de ‘oudste ouderen’ van 85 jaar en ouder. Met de leeftijd ontstaan veelal multipele chronische en superponerende acute aandoeningen: de multipathologie. Bijna iedere medicus zal toenemend worden geconfronteerd met oude patiënten met gecompliceerde ziektebeelden. Somatische pathologie wordt steeds vaker gecompliceerd door psychische aandoeningen, zoals delier, depressie en dementie, met een toenemende dreiging van sociaal vastlopen en permanente hulpbehoefte.
G.J. Ligthart

24. Intensivecaregeneeskunde

Abstract
De intensivecaregeneeskunde (IC-geneeskunde) houdt zich bezig met (dreigende) stoornissen van vitale orgaansystemen die in korte tijd kunnen leiden tot een levensbedreigende situatie. Het werkterrein is daarmee zeer breed en een multidisciplinaire samenwerking is dan ook een voorwaarde voor een optimaal resultaat. In ons land is de IC-geneeskunde een aandachtsgebied binnen de diverse basisspecialismen. De totale opleidingsduur is twee jaar, waarna men zich kan registreren als ‘intensivist’. De intensivist treedt meestal op als coördinator van het multidisciplinaire behandelteam.
J.G. van der Hoeven

25. Differentiële diagnostiek in de inwendige geneeskunde

Abstract
In dit hoofdstuk wordt een aantal veelvoorkomende klachten besproken die voor een patiënt reden zijn om medische hulp in te roepen. In een groot aantal tabellen komen de belangrijkste intern-geneeskundige ziektebeelden en syndromen aan de orde, met een verwijzing naar andere paragrafen van dit boek. Bij iedere tabel met de differentiële diagnose van een klacht wordt een korte toelichting gegeven, waarin – naast een begripsbepaling – iets over de gekozen structuur van de tabel wordt gezegd, of waarin een korte aanwijzing wordt gegeven voor anamnese of lichamelijk onderzoek, of beide. Uit de tabellen zal blijken dat de systematiek om van klacht tot diagnose te komen niet bij elke klacht dezelfde is. De ordening van ziektebeelden in het algemeen is ook niet geheel logisch en rationeel: daarvoor is van veel ziekten nog te weinig bekend, en datzelfde geldt ook voor (het ontstaan van) klachten.
A. Thijs

Nawerk

Meer informatie