Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Het trainen van patiënten is een belangrijk deel van de fysiotherapie en oefentherapie. Een paramedicus heeft deskundigheid nodig op het gebied van effecten van inspanning en training op het lichaam. Kennis van inspanningsfysiologie, trainingsleer en meetmethoden maken het de therapeut mogelijk om patiënten functioneel te behandelen en om objectief vorderingen te meten bij revalidatie na trauma, bij chronische aandoeningen, bij ouderen en bij sportrevalidatietraining.

In deze herziene derde editie is de tekst aangepast aan recente inzichten en waar mogelijk nog compacter geworden. De leesbaarheid is verder verbeterd door een andere opmaak en herziene figuren. Dit boek geeft compacte en leesbare inspanningsfysiologische basiskennis en kennis over trainen bij oefentherapie. In module I beschrijven de auteurs de belangrijkste inspanningsfysiologische systemen en in module II vertalen ze die op praktische wijze in de trainingsleer. Door de toevoeging van intermezzo’s en casusbeschrijvingen van diverse patiëntgroepen is het een goed, leerzaam en leesbaar boek geworden.

Inspanningsfysiologie, oefentherapie en training is bestemd voor studenten fysiotherapie in de bachelor- en masterfase, voor sportfysiotherapeuten en voor de beroepsgroepen van fysiotherapeuten en oefentherapeuten in het algemeen. Kortom; een boek voor elke paramedicus die zich wil verdiepen en scholen in de inspanningsfysiologie en de trainingsleer met hun toepassingen bij specifieke doelgroepen van patiënten.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Aanpassen aan inspannen

Voorwerk

1. Energielevering bij inspanning

Samenvatting
Iedereen heeft een groot scala aan bewegingsmogelijkheden en bewegen kan op heel verschillende inspanningsniveaus plaatsvinden. Dagelijkse activiteiten vinden vaak met een lage intensiteit plaats, mogelijk afgewisseld met korte bezigheden met een wat hogere intensiteit, zoals traplopen. Terwijl je naar een computerscherm tuurt, zijn vooral je armen en handen met het toetsenbord bezig. Hoewel dat geestelijk misschien veel inspanning vergt, is er weinig lichamelijke inspanning voor nodig. Heel anders wordt het op een klimwand, als je voet de steun op een greepje kwijtraakt. Hangend aan je armen probeer je met een uiterste inspanning een val te voorkomen. Een urenlange fietstocht met tegenwind vereist ook veel energie, maar verdeeld over een langere tijd.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

2. Spierwerking bij inspanning

Samenvatting
De spieren van een kind ontwikkelen zich, ze worden sterker en ze passen zich aan de belasting en aan de groei van het skelet aan. Wanneer het skelet zou groeien zonder dat de spieren hun lengte effectief konden aanpassen, zou elke puber tijdens de groeispurt onbeweeglijk strak komen te staan door te korte spieren rond langer wordende beenderen en gewrichten. Dit beeld mag wat vergezocht zijn, de mogelijkheid van lengtetoename van spieren door dagelijks bewegen is onmiskenbaar en niet alleen in de jeugd. Bij verlamde tieners wordt de lengtetoename niet door beweging gestimuleerd en kunnen ernstige bewegingsbeperkingen in gewrichten optreden.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

3. Hartfunctie, circulatie en inspanning

Samenvatting
De bloedsomloop, of circulatie, voorziet weefsels van zuurstof en voedingsstoffen en voert afvalstoffen en CO2 af. Tijdens inspannende arbeid wordt een sterker beroep gedaan op de circulatie, waarbij het volume bloed dat door het hart wordt uitgepompt, kan toenemen van circa 5 liter (in rust) naar 25 liter per minuut (tijdens zware inspanning). Door de aanwezigheid van moleculen die de bloed- en weefsel-pH stabiliseren, wordt de homeostase niet snel bedreigd door veranderingen die bij inspanning optreden. Een te zure of basische celomgeving hindert de weefselfuncties. De vrijkomende warmte uit werkende spieren dient ook te worden afgevoerd; de circulatie is een effectief transportsysteem voor warmte.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

4. Ventilatie en gaswisseling bij inspanning

Samenvatting
De ademhaling is bij gezonde volwassenen meestal geen begrenzende factor bij inspanning. De ventilatie heeft een enorme reservecapaciteit, die in rust niet wordt aangesproken. Een toename van de ventilatie is mogelijk van 6 l/min in rust naar 150–200 l/min bij maximale inspanning. Patiënten hebben na een periode van bedlegerigheid onttrainde ademspieren en kunnen deze waarden niet halen. Astma- en bronchitispatiënten hebben een beperking in de diameter van de luchtwegen en worden in hun inspanningsvermogen ook beperkt door grenzen aan hun ventilatiemogelijkheden.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

5. Temperatuurregulatie tijdens inspanning

Samenvatting
Mensen zijn – evolutionair beschouwd – tropische dieren, met een daarop aangepaste warmte-economie. We hebben van nature geen dikke vacht die als isolatie dienstdoet. Voor de jacht op een eiwitrijke voedselbron (prooidieren) heeft de mens zich ooit gespecialiseerd in het heel lang achtervolgen van vluchtende grazers. De menselijke huid bezit veel zweetklieren, zodat er tijdens dat lopen flink gekoeld kan worden. Een vacht zou zweten belemmeren. De achtervolgde, harige prooidieren raken door het opjagen wel oververhit en bezwijken.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

6. Vermoeidheid

Samenvatting
Een eenduidige definitie van vermoeidheid blijkt niet eenvoudig te zijn. Wij gebruiken de definitie: een door lichamelijke inspanning veroorzaakte afname in het vermogen om een bepaalde intensiteit te handhaven. Vermoeidheid en gebrek aan energie treden ook op bij inspannende mentale taken. Na zulke taken is een fysieke inspanning moeilijker uitvoerbaar. Tegelijk zijn verlies aan concentratie en motivatie ook aspecten die een rol spelen.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

7. Gezond leven met inspanning en training

Samenvatting
Er zijn grote verschillen tussen volwassenen in lichaamsbouw en lichaamsgewicht. Postuur is gedeeltelijk erfelijk bepaald, maar ook het voedingspatroon heeft invloed. Toen de mens als jager/verzamelaar leefde, kostte het vinden van voedsel veel energie. In de periode van landbouw en het begin van het industriële tijdperk was dagelijkse, pittige inspanning ook nog geheel normaal. De energie die met werken werd verbruikt, kon vaak met de voeding maar amper worden aangevuld. Maar het biologische mechanisme van het aanleggen van vetreserves voor een dreigende hongerperiode leidt tegenwoordig bij veel mensen tot overgewicht en obesitas. Er zijn altijd wel een paar mensen geweest met overgewicht, maar in Noord-Amerika en Europa is overgewicht nu een wijdverbreid maatschappelijk en gezondheidszorgprobleem. In Nederland heeft ruim de helft van de volwassenen overgewicht, in de VS heeft zelfs circa een op de drie mensen ernstig overgewicht (obesitas).
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

Training en adaptatie

Voorwerk

8. Fysiotherapie en training

Samenvatting
In module I is uitgebreid ingegaan op de basiskennis van de inspanningsfysiologie. De eerste 7 hoofdstukken in dit boek geven informatie over hoe het lichaam, de energiesystemen, de spieren en onze orgaanstelsels tijdens inspanning functioneren. Deze kennis vormt de basis voor de tweede module. In dit deel gaan we in op oefentherapie en training. De kennis uit module I wordt, samen met kennis uit de trainingsleer, toegepast in oefensituaties. Dit levert onderbouwing voor de keuzes die in de oefensituatie worden gemaakt.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

9. Trainen van fysieke belastbaarheid

Samenvatting
Wanneer een patiënt een functie of prestatie door oefentherapie wil herwinnen of verbeteren, is het zaak dat we de juiste lichamelijke eigenschappen doelgericht trainen. In veel situaties werkt het verhelderend om bij het lichamelijke aspect van een functie of prestatie een verdere onderverdeling te maken.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

10. Trainingsleer

Samenvatting
Kennis van de trainingsleer is belangrijk om er zeker van te zijn dat de oefeningen een training worden, dat er adaptatie optreedt en er niet alleen maar geoefend en bewogen wordt. De trainingsleer verschaft de kennis en achtergronden voor de juiste invulling van trainingen. In dit hoofdstuk worden de volgende aspecten behandeld:
  • fysiologische trainingsprincipes: hoe reageert het lichaam op training;
  • trainingsvariabelen: de praktische bouwstenen;
  • trainingsmethoden.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

11. Richtlijnen voor training

Samenvatting
De trainingsprikkel van een oefening wordt bepaald door intensiteit, frequentie, duur en dichtheid. Dezelfde oefening met een andere invulling van de trainingsvariabelen wordt een heel andere trainingsprikkel. Door verandering van de intensiteit, de frequentie, de duur, de dichtheid of een andere combinatie veranderen we de trainingsprikkel. De invulling van de trainingsvariabelen is dus essentieel voor de te bereiken trainingseffecten. Hierin maken we gerichte keuzes. Hoe gaat dat in zijn werk? Welke dosering gebruik je wanneer? In dit hoofdstuk bespreken we het hoe van trainen.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

12. Testen en meten

Samenvatting
In het paramedische werkveld is er veel aandacht voor meten en testen. Het fysiotherapeutisch methodisch handelen en de implementatie van diverse richtlijnen hebben hieraan bijgedragen. In dit boek besteden we geen aandacht aan het meten van alle grondmotorische eigenschappen. Wij beperken ons tot het meten van spierkracht en uithoudingsvermogen.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

13. Bewegen voor gezondheid, trainen voor fitheid

Samenvatting
Tot nu toe is training vooral besproken als middel om het prestatievermogen te verbeteren of om de belastbaarheid te vergroten: trainen voor fitheid. Oefentherapie of training als therapeutisch middel kan ook gericht zijn op preventie. Sinds circa 1995 wordt er in de vakliteratuur een belangrijk onderscheid gemaakt tussen bewegen voor de fitheid en bewegen voor de gezondheid. Bij gezondheid als doel wordt bewegen ingezet als preventief middel ter voorkoming van allerlei chronische aandoeningen en/of als middel om het beloop van bestaande aandoeningen positief te beïnvloeden. Bij bewegen voor de fitheid ligt de intensiteit hoger dan bij bewegen voor de gezondheid. Bij bewegen voor de gezondheid ligt de gewenste trainingsfrequentie hoger dan bij trainen voor fitheid. De minimaal vereiste hoeveelheid lichaamsbeweging om de gezondheid te bevorderen is omschreven in de beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad uit 2017 (en voorheen in de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)).
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

14. Trainingseffecten

Samenvatting
Als gevolg van regelmatige fysieke belasting met voldoende intensiteit treden er na verloop van tijd fysiologische aanpassingen op. De trainingseffecten die zich bij iemand voordoen, zijn afhankelijk van de aard, de duur en de intensiteit van de belastingsprikkel. Trainingseffecten zijn het gevolg van normale (fysiologische), lokale ‘herstelprogramma’s’ in weefsels en orgaansystemen.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

15. Training van patiëntgroepen

Samenvatting
Paramedici trainen in het algemeen vaker patiënten dan topsporters. Maar bij beide groepen is de basiskennis van de inspanningsfysiologie zoals die in dit boek is beschreven toepasbaar. Verder moet uiteraard rekening worden gehouden met de aandoening van de patiënt. Deze verschillen zorgen voor verschillen in invulling van de trainingsprogramma’s (o.a. belastingsvormen, trainingsfrequentie, duur, intensiteit) We gaan in dit hoofdstuk nader in op trainingsaspecten bij patiènten met hartaandoeningen, COPD, diabetes, obesitas, artrose, osteoporose en kanker. Ook trainen na revalidatie van een sportletsel en trainen van ouderen komen aan de orde.
G. M. van der Poel, M. W. A. Jongert, J. J. de Morree

Nawerk

Meer informatie