Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek is al bijna vijftig jaar hét standaardwerk over achtergronden en praktijk van de gedragstherapie. Het is bedoeld voor de nieuwkomer die zich wil oriënteren in dit vakgebied, voor de cursist die zich de principes van de gedragstherapie eigen wil maken én voor de ervaren gedragstherapeut die wil bijblijven met de nieuwe ontwikkelingen in theorie en praktijk. Daarnaast is het boek zeer geschikt als naslagwerk voor beoefenaars van andere disciplines in de geestelijke gezondheidszorg.

De eerste druk van Inleiding tot de gedragstherapie verscheen in 1971. Deze zevende druk is een grondige herziening van de zesde druk uit 2007. Allereerst door de beschrijving van nieuwe inzichten, theorieën en methoden. Maar ook door de veranderde structuur: eenvoudiger en meer didactisch, dankzij een stapsgewijze verdieping in elk hoofdstuk.

Deel 1 van Inleiding tot de gedragstherapie beschrijft grondslagen van de gedragstherapie. De geschiedenis en de wetenschappelijke basis van de gedragstherapie komen aan bod, net zoals de meest recente ontwikkelingen. Deel 2 licht de praktijk van de gedragstherapeut toe. Elke fase krijgt daarbij een apart hoofdstuk: informatieverzameling en werkrelatie, holistische theorie en probleemselectie, functieanalyse, plannen en uitvoeren, en evaluatie.

De auteurs zijn Dirk Hermans, Filip Raes en Hans Orlemans. De eerste twee zijn als hoogleraar psychologie/gedragstherapie verbonden aan de KU Leuven. Beiden doen onderzoek naar de grondslagen en praktijk van de gedragstherapie. Hans Orlemans was één van de grondleggers van de gedragstherapie binnen ons taalgebied.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Historische, theoretische en empirische achtergrond

Voorwerk

1. Inleiding

Samenvatting
In dit inleidende hoofdstuk situeren we de gedragstherapie binnen het brede kader van de wetenschappen en de tijdgeest waarin ze ontstond. Gedragstherapie kwam op als een reactie tegen het monopolie van de psychoanalyse. Ze vond haar basis binnen de psychologie, en dan vooral binnen dat deel van de psychologie dat gebruikmaakt van methoden uit de natuurwetenschappen: de experimentele methodologie. Het neobehaviorisme en het radicale behaviorisme kleurden de wetenschappelijke grondslag van de gedragstherapie, met een nadruk op dat wat voor iedereen observeerbaar is: het gedrag en de context waarin het gedrag plaatsheeft. Het leermodel en de functionele benadering zijn typerend voor de gedragstherapie.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

2. Geschiedenis van de gedragstherapie

Samenvatting
De gedragstherapie is eind jaren vijftig van de vorige eeuw ontstaan en is dus een relatief jonge therapiestroming. Toch zijn er in die korte periode meerdere spannende ontwikkelingen geweest. De behavioristische beginfase werd uitgedaagd door de intrede van cognitieve verklaringsmodellen en het ontstaan van de zogenaamde ‘cognitieve therapie’. De integratie van de oorspronkelijke gedragstherapie met de cognitieve visie leidde tot het begrip ‘cognitieve gedragstherapie’. Een toenemende stroom aan nieuwe ontwikkelingen zorgde vervolgens voor een voortdurend uitdagen van wat als ‘essentie’ wordt gezien van onze therapie-oriëntatie. De moderne gedragstherapie dient niet opgevat te worden als een set van technieken, maar als een denkkader waarin een aantal basisopvattingen over het menselijk gedrag verankerd liggen. Dat is een stevig kader, waarbinnen de gedragstherapie zich kan blijven ontwikkelen als een dynamische en effectieve behandelaanpak.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

3. Klassieke conditionering

Leren van betekenissen
Samenvatting
Samen met operante conditionering vormt de klassieke conditionering een model voor het begrijpen van gedrag. Ook van probleemgedrag. De wetmatigheden van de klassieke conditionering helpen ons bij het opstellen van functieanalyses en een behandelplan. Nieuwe inzichten in extinctie en andere procedures voor betekeniswijziging zijn een basis voor het wijzigen en verbeteren van onze behandelmethoden. In dit hoofdstuk bespreken we diverse procedures uit de klassieke conditionering, en gaan we op zoek naar de processen die verantwoordelijk zijn voor die conditioneringsbevindingen. Deze studies helpen ons het gedrag van onze patiënten beter te begrijpen. Elke gedragstherapeut dient over een grondige kennis te beschikken van klassieke (en operante) conditionering.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

4. Operante conditionering

Leren handelen in een betekenisvolle context
Samenvatting
Operante conditionering verwijst naar een geheel van leerprincipes dat inzichtelijk maakt hoe ons gedrag voortdurend gestuurd wordt door de omgeving waarin wij ons bevinden. Wat aan ons gedrag voorafgaat en wat erop volgt, bepaalt mede wat de kans is dat dit gedrag, in die context, herhaald zal worden. Om een goede analyse te maken van het gedrag van onze patiënten is kennis van deze operante principes onontbeerlijk. Inzicht in de functie van het probleemgedrag helpt om adequate interventies te plannen. In dit hoofdstuk zullen we ingaan op de belangrijkste principes: bekrachtiging, uitdoving en bestraffing. In het hoofdstuk over functieanalyse wordt deze kennis rechtstreeks toegepast op de praktijk.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

5. Integratie van nieuwe ontwikkelingen

Samenvatting
De gedragstherapie is voortdurend in beweging. Sommige ontwikkelingen verlopen haast spontaan en ongemerkt. Andere leiden tot onduidelijkheid en verwarring, of zijn zelfs een bron van verdeeldheid en controverse. Op het vlak van de praktijkvoering is er een aantal nieuwkomers: nieuwe behandelvormen, die soms een stijlbreuk vormen, en waarvan je je kunt afvragen of ze nu wél of niet ‘gedragstherapie’ zijn. Op het vlak van de theorievorming werd de leerpsychologie, die aanvankelijk dé hoeksteen was van de gedragstherapie, aangevuld door de cognitieve psychologie, en meer recent ook door de Relational Frame Theory. Hoewel dit een verrijking inhoudt, blijkt het tegelijk ook een bron van rusteloosheid en vele vragen. Bijvoorbeeld: kunnen deze kaders, die conceptueel soms tegengesteld zijn (cognitivistisch versus behavioristisch), samen een plaats krijgen? In dit hoofdstuk gaan we in op een aantal van deze essentiële kwesties. Wat is de essentie van gedragstherapie? Wat is gedragstherapie, en wat niet? En wat is nu de empirische basis van de gedragstherapie?
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

Het gedragstherapeutisch proces

Voorwerk

6. De empirische cyclus

Samenvatting
Ondanks grote verschillen in de aanpak van gedragstherapeuten delen ze een soort gemeenschappelijk stappenplan. Dat stappenplan heeft de vorm van een empirische cyclus, waarbij – na kennismaking met de patiënt – in eerste instantie uitgebreid informatie wordt verzameld, die vervolgens de basis is voor een geïndividualiseerde probleemanalyse (holistische theorie en functieanalyse). Die probleemanalyse laat toe een degelijk behandelplan op te stellen, op maat van de individuele patiënt. De kwaliteit en de voortgang van de uitvoering van dat behandelplan worden goed gecontroleerd. Indien tussentijdse evaluaties aangeven dat gewenste veranderingen uitblijven, zal de therapeut terugkeren naar de probleemanalyse. Deze empirische cyclus vormt de basisstructuur voor de hoofdstukken uit dit tweede deel van het boek.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

7. Informatieverzameling en de werkrelatie

Samenvatting
De kern van het gedragstherapeutisch proces wordt gevormd door de fasen van het opstellen van de holistische theorie en het uitvoeren van de functieanalyse. Maar de basis hiervoor en voor wat nog later volgt, leg je in de eerste sessies, die vooral in het teken staan van het verzamelen van informatie en het opbouwen van een goede therapeutische (werk)relatie. Je verzamelt daarbij niet alleen informatie over de probleemdomeinen, maar ook over het gezond functioneren. Volgen én sturen zijn hierbij de belangrijke gespreksvaardigheden. Om een goede therapeutische werkrelatie op te bouwen, is in de communicatie met de patiënt vooral luisteren een belangrijke vaardigheid, waarbij je ‘oor’ moet hebben voor verschillende aspecten in de communicatie. In de beginfase leg je echt de fundamenten voor wat volgt: het verzamelen van informatie vormt de basis van de geïndividualiseerde probleemanalyse en het opstellen van het behandelplan; en daarnaast vormt een goede werkrelatie een belangrijk fundament voor het welslagen van de behandeling.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

8. De holistische theorie en de probleemselectie

Samenvatting
Een gedegen geïndividualiseerde probleemanalyse of casusconceptualisatie is het kloppende hart van het gedragstherapeutisch proces. Een eerste belangrijke component van die conceptualisatie is de holistische theorie (HT). Dat is een ‘theorie’ die je als therapeut opstelt over hoe verschillende klachten bij je patiënt vermoedelijk samenhangen. Het opstellen van zo’n HT gebeurt gaandeweg via het opstellen en toetsen van een voorlopige probleemsamenhang (VPS). Op basis van de uiteindelijke HT ga je vervolgens over tot het selecteren van een (eerste) probleemgedrag of klacht, of probleemdomein waar je mee aan de slag gaat. Het is belangrijk dat je het geselecteerde probleemgedrag voldoende lang registreert of ‘meet’. Die registratie levert concrete informatie op voor aanvullende analyses en laat toe het verloop van de behandeling te evalueren.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

9. De functieanalyse

Samenvatting
Naast de holistische theorie vormt de functieanalyse de tweede component van de geïndividualiseerde casusconceptualisatie. Nadat de holistische theorie (HT) je geholpen heeft bij het kiezen van een (eerste) probleemgedrag, analyseer je het geselecteerde probleemgedrag grondig verder. Dat gebeurt in de functieanalyse (FA). De FA vormt de overgang of brug tussen je HT en de concrete behandeling die je gaat instellen. Het gaat om een analyse van de factoren die het (probleem)gedrag in stand houden: een zoektocht naar de functie van het gedrag. We onderscheiden drie fasen bij het opstellen van een FA. In de derde en laatste fase vertaal je de verzamelde en geordende informatie met betrekking tot het gedrag zelf en haar antecedenten en consequenten naar leerpsychologische termen. De tweefactorentheorie van Mowrer biedt daarvoor een handig ‘model’: het geeft een mooie integratie van de klassieke en operante zijde van probleemgedrag.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

10. Plannen en uitvoeren

Samenvatting
Een gedegen casusconceptualisatie maakt dat je als therapeut in een behandeling niet om het even wat gaat doen. Op basis van een analyse van de functie van bepaald probleemgedrag kun je concrete behandeldoelen formuleren én doordachter kiezen voor gepaste interventies. Het concretiseren van behandeldoelen, op basis van wat in de individuele probleemanalyse naar voren is gekomen, zorgt er niet alleen voor dat de behandelmethode beter ‘matcht’ met je patiënt en diens probleem, maar maakt tevens dat je je behandeling beter kunt evalueren en zo nodig bijsturen. Als gedragstherapeut heb je een heel arsenaal aan interventies en behandelmethoden tot je beschikking. De ‘klassiekers’ in het basisrepertoire van de gedragstherapie zijn exposure, operante technieken, cognitieve technieken en ontspanningstechnieken. Naast die vier ‘klassiekers’ zijn in de loop der tijd heel wat aanvullende specifieke behandeltechnieken en -protocollen ontwikkeld voor welomschreven populaties, klachten of (transdiagnostische) (kwetsbaarheids-)processen.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

11. Evaluatie

Samenvatting
Evaluatie of (outcome) monitoring is belangrijk. Eigenlijk zou je elke behandeling in min of meerdere mate systematisch dienen te evalueren via herhaalde metingen of registraties. Daar zijn tal van bijzonder goede redenen voor. De belangrijkste is dat onderzoek aangeeft dat de feedback die je als therapeut op die manier ontvangt, de uitkomsten van je behandelwerk verbeteren. Níét evalueren gaat in tegen de hele filosofie van evidencebased werken en strookt niet met de attitude van een scientist-practitioner. Nagaan of je patiënt betrouwbare en klinisch betekenisvolle vooruitgang heeft geboekt, is essentieel. En hoe vaker je meet, hoe beter. Meer meetmomenten geven je meer kansen om waar nodig bij te sturen (bijv. na eventuele aanpassing van je probleemanalyse). Meer meetmomenten geven je ook meer geavanceerde opties wat betreft analysemethoden.
Dirk Hermans, Filip Raes, Hans Orlemans

Nawerk

Meer informatie