Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Informatorium voor voeding en diëtetiek online is een systematisch naslagwerk met alles wat men moet weten op het gebied van voeding en diëtetiek. Dit standaardwerk is voor iedere diëtist online toegankelijk (op abonnementsbasis) via een geavanceerd zoeksysteem, waardoor men altijd snel en efficiënt antwoorden op vragen vindt over voeding en diëtetiek.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Algemene informatie levenscyclus

Voorwerk

Voeding van het gezonde jonge kind (0-4 jaar)

(augustus 2007)
Abstract
In dit hoofdstuk worden de huidige richtlijnen voor een gezonde voeding voor kinderen van 0 tot 4 jaar besproken. Uitgangspunten zijn de Nederlandse voedingsnormen en internationaal geaccepteerde normen. Centraal staat een rationele benadering van de voeding van het gezonde jonge kind. Zeker gedurende de eerste zes levensmaanden verdient borstvoeding de voorkeur boven flesvoeding. Het geven van vitaminesuppletie en de eerste bijvoedingworden toegelicht.
Naast voedselallergie worden ‘voedingsstoornissen’ (lichte problemen van het maag-darmkanaal) besproken. Er worden tabellen gegeven met de aanbevolen hoeveelheid of adequate inneming van voedingsstoffen, voedingsschema’s voor zuigelingen, peuters en kleuters en antropometrische afkappunten voor overgewicht en obesitas. Gezien de toename van het aantal kinderen dat te zwaar is, is het niet alleen van belang gezonder te eten maar ook meer te bewegen.
J.J.M. Tolboom

Gezondheid van jongeren en jongvolwassenen in Nederland vanuit het perspectief van de voeding

(december 2002)
Abstract
Vijftien jaar lang is bij een groep van meer dan tweehonderd tieners groei, ontwikkeling en gezondheid gevolgd vanaf hun 13e tot aan hun 27e levensjaar. De gezondheidskenmerken zoals lichaamsgewicht, bloeddruk en cholesterolgehalte in het bloed verslechteren bij het ouder worden. Op 27-jarige leeftijd is bij 10 tot 15 procent sprake van overgewicht, de bloeddruk is bij 15 tot 25 procent te hoog en bij een derde tot de helft zijn de cholesterolwaarden in het bloed aan de hoge kant. Overgewicht, een te hoge bloeddruk en een te hoog cholesterolgehalte zijn risicofactoren voor het optreden van hart- en vaatziekten. Het is een opmerkelijke uitkomst van het Amsterdamse Groei en GezondheidsOnderzoek (aggo) dat bij een flink deel van deze jonge mensen reeds risicofactoren aanwezig zijn nog voordat zij hun 30e levensjaar hebben bereikt.
H.C.G. Kemper

Voeding van de gezonde volwassene

(mei 2009)
Abstract
In dit hoofdstuk wordt de voeding van volwassenen beschreven. Er wordt ingegaan op de samenstelling van de voeding van volwassenen, op sociaal-economische verschillen in de consumptie en op de trend in de voorziening van energie en voedingsstoffen over een periode van vijftien jaar. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de gegevens van de derde landelijke voedselconsumptiepeiling uit 1998, de beperkte voedselconsumptiepeiling onder jongvolwassenen uit 2003 en van de Nederlandse aanbevelingen voor energie en voedingsstoffen.
De afgelopen decennia trad er bij volwassenen een lichte daling op in de energie-inneming, daalde de hoeveelheid vet en de gemiddelde inneming van de meeste microvoedingsstoffen, vooral van vitamine A. De voedingsaspecten die aandacht behoeven op basis van een vergelijking tussen de geschatte inneming en de aanbevelingen volgens de voedingsnormen zijn de hoge inneming van verzadigde vetzuren en de lage inneming van ijzer bij premenopauzale vrouwen, van vitamine A en van foliumzuur. Tevens zijn mogelijk de calciuminneming (bij jonge vrouwen) en de vitamine-D-voorziening bij ouderen een knelpunt. Mensen met een lage sociaal-economische status hebben een iets minder gunstig voedingspatroon dan mensen met een hoge sociaal-economische status. Op grond van de stijging van overgewicht en obesitas bij volwassenen heeft het bereiken en handhaven van een goede balans tussen de energieinneming en het energieverbruik een hoge prioriteit.
E.J. de Boer, M.C. Ocké, C.T.M. van Rossum

Voeding tijdens zwangerschap en lactatie

(december 2003)
Abstract
De fysiologie van zwangeren mag door de vele fysiologische veranderingen niet zonder meer worden vergeleken met die van nietzwangeren. Er vinden veranderingen plaats in het gewicht, het harten vaatstelsel, het maag-darmstelsel en de hormoonhuishouding.
De behoefte aan energie, vitaminen en mineralen neemt toe tijdens de zwangerschap en lactatie. Voedingsadviezen voor de zwangerschap zijn gericht op foliumzuur, vitamine A, het eten van rauw vlees en het belang van een goede regulatie bij vrouwen met diabetes mellitus. Tijdens de zwangerschap wordt, indien nodig, aandacht geschonken aan onder andere het gebruik van alcohol, tabak en drugs, aan hyperemesis, zuurbranden, obstipatie, zoutgebruik, afvallen, ijzersuppletie en medicijngebruik.
Enkele groepen vrouwen lopen extra risico op een tekort aan voedingsstoffen en komen in aanmerking voor suppletie. Dit is het geval bij meerling-zwangerschappen, tienerzwangerschappen, zwangere stomapatiënten, allochtone vrouwen en vrouwen in een ‘slechte voedingstoestand’.
H.W. Bruinse

Voeding van de oudere mens

(december 2005)
Abstract
Als de mens ouder wordt, treden er fysiologische veranderingen op waarbij de leefstijl verandert en ziekte en beperkingen vaker voorkomen. Deze veranderingen hebben vooral effect op de energiebehoefte, die lager wordt. Volgens de huidige inzichten is alleen de behoefte aan vitamine D verhoogd: deze bedraagt voor hoogbejaarden 12,5 g. Een tekort aan vitamine B12 komt echter ook vaak voor (20-25%) en is, mits op tijd gediagnosticeerd, te verhelpen met behulp van vitamine-B12-supplementen. Voor ogenschijnlijk gezonde ouderen verandert de behoefte aan andere nutriënten nauwelijks. Bij een verlaagde energie-inneming zal de vitaminen- en mineralendichtheid van de voeding moeten toenemen. Dit betekent een verschuiving in de voedselkeuze, die niet eenvoudig te bereiken is bij ouderen met weinig eetlust. Behalve fysiologische veranderingen en ziekten kunnen medicijngebruik en sociaal-psychologische problemen een effect hebben op de voedingsgewoonten. De meest gesig-naleerde problemen in de voeding van ouderen worden besproken en er worden enkele praktische adviezen gegeven.
C.P.G.M. de Groot, W.A. van Staveren, R.A.M. Dhonukshe-Rutten

Voeding bij achondroplasie en andere groeistoornissen

(december 2011)
Abstract
In totaal zijn er ruim tweehonderd aandoeningen bekend die groeistoornissen veroorzaken waardoor mensen klein blijven. Achondroplasie is er daar een van. Bij deze aandoening is de lengtegroei van botten verstoord doordat kraakbeen niet wordt omgezet in bot. Dit veroorzaakt, naast een korte lengte, ook klachten als kortademigheid, gehoor-, rug- en gewrichtsproblemen. Het bepalen van een juist gewicht is lastig, omdat de BMI voor kleine mensen niet geldt. Voor achondroplasie is een aantal groeicurven beschikbaar. Monitoring van lengtegroei en gewichtstoename is voor kinderen en volwassenen met een groeistoornis een belangrijk instrument om hun ontwikkeling te volgen. Mensen die ten gevolge van een groeistoornis klein blijven, hebben vaker moeite om overgewicht te voorkomen, terwijl het voor de klachten die ze vaak hebben juist erg belangrijk is om op gewicht te blijven. Behalve het eten van kleinere porties zijn er geen specifieke voedingsrichtlijnen. Begeleiding ter preventie en behandeling van overgewicht zal wel vaker nodig zijn.
L. Noorduyn, I.M.G. Gosselink

Groei, groeistudies en groeidiagrammen in Nederland

(december 2012)
Abstract
Groei is een afspiegeling van de gezondheidstoestand van kinderen, jongeren en de samenleving. Het meten en wegen van kinderen en het interpreteren van groeigegevens is dan ook van groot belang. Het biedt de mogelijkheid om afwijkende groei veroorzaakt door genetische aandoeningen of ziekten tijdig op te sporen. Tijdige opsporing en behandeling kunnen leiden tot een betere prognose. Voor het signaleren van afwijkende groei zijn actuele groeireferentiewaarden nodig. Deze worden in Nederland verkregen uit landelijke groeistudies. De metingen uit de groeistudies werden steeds verwerkt tot nieuwe groeireferentiewaarden. De nieuwste groeidiagrammen zijn in 2010 uitgebracht.
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste resultaten uit de landelijke groeistudies, en vooral uit de laatste groeistudie, besproken. Naast de ontwikkeling in groei (lengte en Body Mass Index) van gezonde kinderen van Nederlandse afkomst, wordt ingegaan op de groei van kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst en van kinderen met het syndroom van Down. Deze groepen zijn onlangs in groeistudies bestudeerd en blijken andere groeipatronen te volgen dan weergegeven in de basisgroeidiagrammen.
Daarnaast wordt ook uitgelegd hoe een schatting van de eindlengte van een kind berekend kan worden en hoe deze gebruikt kan worden bij het interpreteren van de groei van een kind. Tot slot worden de verschillende groeidiagrammen toegelicht en besproken.
Y. Schönbeck, Drs. H.B.M. van Gameren-Oosterom

Functie voedingsstoffen

Voorwerk

Voedingsnormen

(december 2009)
Abstract
De term ‘voedingsnormen’ is een verzamelnaam voor een aantal referentiewaarden voor energie en voedingsstoffen, zoals de gemiddelde behoefte, de aanbevolen hoeveelheid, de adequate inname en de aanvaardbare bovengrens van inname. Deze normen worden in Nederland opgesteld door de Gezondheidsraad. Ze zijn bedoeld om het niveau van inname aan te geven dat toereikend is voor een optimale groei en ontwikkeling en een optimale gezondheid, met andere woorden een inname waarbij tekorten voorkomen worden en de kans op chronische ziekten zo klein mogelijk is. Voedingsnormen gelden voor groepen mensen, waarbij een onderscheid gemaakt wordt naar leeftijd en geslacht. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillen in behoefte tussen personen, als gevolg van verschillen in persoonsgebonden kenmerken zoals erfelijke aanleg. Tekorten bij een individu kunnen alleen aangetoond worden door aanvullend onderzoek naar parameters voor de voedingstoestand (voedings-status) en het afnemen van een individuele voedingsanamnese.
H. van den Berg, A.M. Werkman

Fysiologische aspecten van de vertering en absorptie van voedsel in het maag-darmkanaal

(augustus 2013)
Abstract
Bij de vertering en absorptie van voedsel door het maag-darmstelsel speelt een complex van factoren een rol. Dit samenspel van factoren staat direct onder invloed van het autonome zenuwstelsel. Door een optimale harmonie van motiliteit van het maag-darmstelsel enerzijds en microbiota en de productie van verteringssappen en darmhormonen anderzijds wordt het voedsel langs mechanische of chemische weg in een toestand gebracht waardoor het via de darmwand in het lichaam kan worden opgenomen.
Door de grote omvang van het resorberend darmoppervlak en de regulatie van de doorbloeding van het maag-darmstelsel is de darmwand in staat om voedingsstoffen op te nemen in het bloed of de lymfe. Tijdens dit proces gaan essentiële eigenschappen als bouwstof of energiebron niet verloren. Deze samenwerking van vertering en absorptie garandeert een optimaal rendement uit de voeding.
B.J.M. Witteman

Energieaanbevelingen

(december 2009)
Abstract
Het lichaam heeft energie nodig om alle processen op gang te houden, om lichamelijk actief te zijn en om het voedsel te verteren. Deze energie wordt idealiter voornamelijk geleverd door koolhydraten (minimaal 40 en%), eiwitten (10-25 en%) en vetten (afhankelijk van het lichaamsgewicht 20-40 en%). De energiebehoefte van een groep of persoon wordt geschat op basis van leeftijd, lichaamsgewicht en geslacht in combinatie met de mate van lichamelijke activiteit en eventuele bijzondere omstandigheden. Voor het schatten van het evenwicht tussen de energiebehoefte bij groepen en de voedselconsumptie kan worden uitgegaan van de gemiddelde energiebehoefte die de Gezondheidsraad heeft vastgesteld. Aan de hand van veranderingen in het lichaamsgewicht kan worden beoordeeld of de energie-inname van een individu aansluit op de energiebehoefte. Bij een toename van het gewicht is er te veel energie ingenomen, bij een daling te weinig.
A.M. Werkman, H. van den Berg

Koolhydraten

(augustus 2009)
Abstract
In dit hoofdstuk worden de koolhydraten (inclusief voedingsvezel) besproken, een van de macrovoedingsstoffen. Vooral aspecten die voor diëtisten en voedingsdeskundigen relevant zijn, komen aan de orde. Koolhydraten worden onderverdeeld in drie hoofdgroepen: mono- en disachariden, oligosachariden en polysachariden. Van deze hoofdgroepen worden de chemische structuur, de functie in het menselijk lichaam en de bronnen besproken. Vervolgens wordt ingegaan op de koolhydraatvertering in de dunne darm en de factoren die daarop van invloed zijn. Daarna komen de metabole processen aan de orde die plaatsvinden na intestinale absorptie van monosachariden. Verder wordt stilgestaan bij de fermentatie van koolhydraten in de dikke darm en de metabole effecten hiervan. Tot slot wordt ingegaan op de aanbevolen hoeveelheden en de huidige inname van koolhydraten volgens de meest recente voedselconsumptiepeiling.
M.G. Priebe, R.E. Hagedoorn, S. Tabak, R.J. Vonk

Vetten

(augustus 2012)
Abstract
Dit hoofdstuk gaat in op de verschillende vetten en vetzuren die in de voeding voorkomen, hun chemische eigenschappen en hun functie in het menselijk lichaam. De stofwisselingsprocessen van vetten worden besproken. Hierbij wordt uitgelegd hoe het lichaam voedingsvetten verteert en transporteert om ze te kunnen gebruiken. Vervolgens wordt ingegaan op de gezondheidseffecten van verschillende vetten, met nadruk op de rol die vetzuren kunnen spelen bij het voorkÓmen van hart- en vaatziekten. Dit hoofdstuk behandelt ook hoe wetenschappelijke kennis vertaald wordt in voedingsaanbevelingen en hoe kennis ter voorkoming van chronische ziekten in de praktijk kan worden toegepast.
I.A. Brouwer

Eiwitten

(september 2011)
Abstract
Eiwitten zijn een belangrijk onderdeel van alle cellen en weefsels in het lichaam, zoals spieren en organen, het zenuwstelsel, de botten en het bloed. Ze spelen verder een belangrijke rol bij tal van lichaamsfuncties, zoals in enzymen, hormonen en bij het transport van voedingsstoffen. Eiwitten kunnen ook gebruikt worden als energiebron (4 kcal/g). Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Vooral in de groei wordt veel weefsel opgebouwd en zijn veel aminozuren uit eiwit in de voeding nodig. Een gebalanceerde voeding zou voor minimaal 10 en maximaal 25 procent van de energie van de totaal geconsumeerde dagvoeding uit eiwit moeten bestaan. In de Nederlandse situatie, met een in het algemeen ruime eiwitvoorziening, zijn geen eiwittekorten bekend.
De hoeveelheid eiwit in de voeding en/of de eiwitkwaliteit spelen voor zover bekend geen duidelijke rol bij het risico op chronische ziekten.Wel zijn er aanwijzingen voor een gunstig effect van een eiwitrijke voeding op de bloeddruk en op het verzadigingsgevoel.
Uitwisseling van dierlijk met plantaardig eiwit, zoals wel bepleit uit oogpunt van duurzaamheid, is zeer wel mogelijk mits voldoende gelet wordt op de eiwitkwaliteit en de juiste combinaties van plantaardige eiwitbronnen om een adequate voorziening met de essentiële aminozuren te waarborgen.
H. van den Berg

Alcohol

(mei 2007)
Abstract
Matige alcoholconsumptie is in het algemeen geen verkeerde gewoonte en kan zelfs gezondheidsvoordeel opleveren. De voordelen voor de gezondheid zijn voornamelijk een lagere kans om aan harten vaatziekten te overlijden en een lagere kans om ouderdomssuikerziekte te ontwikkelen. Excessief alcoholgebruik daarentegen levert nadelen voor de gezondheid op. In een aantal situaties zoals deelname aan het (gemotoriseerd) verkeer, werk, voor of tijdens het sporten, zwangerschap en in combinatie met medicijngebruik (afhankelijk van de soort medicijn) kan alcoholgebruik riskant zijn en beter geheel achterwege worden gelaten.
H.F.J. Hendriks

Water

(december 2010)
Abstract
Water is een essentieel bestanddeel om ons lichaam goed te laten functioneren.Water dient als bouwstof, als transportmiddel, als oplosmiddel en houdt het lichaam op temperatuur. Het lichaam van een volwassene bevat ongeveer 60 procent water. De hoeveelheid water hangt samen met het gewicht, de leeftijd, het geslacht en de lichaamssamenstelling. Water wordt verdeeld over de intra- en extracellulaire ruimten van het lichaam. De waterhuishouding wordt nauwkeurig gereguleerd.Wanneer de waterinname (via dranken en voedsel) en -uitscheiding (via nieren, huid, longen en feces) even groot zijn, wordt van een goede vochtbalans gesproken. Om de vochtbalans te handhaven onder normale omstandigheden heeft een volwassene ongeveer 1,5 liter drinkvocht nodig en ouderen 1,7 liter, maar dit is afhankelijk van diverse factoren. Verstoring van de vochtbalans kan zowel leiden tot een tekort aan water (dehydratie) als een overmaat aan water (waterintoxicatie). Beide fenomenen vergen een verschillende behandeling.
J.J. van Duinen

Vitamines

(juli 2002)
Abstract
Vitamines staan nog altijd volop in de belangstelling, zowel bij onderzoekers als bij consumenten. Onderzoekers ontdekken nog steeds nieuwe functies van vitamines, zoals de rol van foliumzuur in het homocysteïnemetabolisme en de rol van vitamines bij de preventie van welvaartsziekten. Steeds meer consumenten gebruiken vitaminesupplementen en kunnen ook kiezen tussen ‘gewone’ voedingsmiddelen en ‘verrijkte’ voedingsmiddelen, waaraan extra vitamines zijn toegevoegd. Deze keuze is momenteel mogelijk door een wat liberaler beleid van de Nederlandse overheid. Dit beleid is gebaseerd op de keuzevrijheid van de consument waarbij de veiligheid voorop staat. Uit de derde Voedselconsumptiepeiling (Voedingscentrum, 1998) blijkt echter dat er in Nederland geen vitaminetekorten op grote schaal voorkomen.Wel zijn er risicogroepen die kans lopen op een vitaminetekort, zoals baby’s, kinderen, zwangere vrouwen, ouderen, allochtonen en mensen die niet gezond eten en dat niet willen of kunnen veranderen. Deze groepen kunnen baat hebben bij het gebruik van vitaminesupplementen of verrijkte voedingsmiddelen.
H. van den Berg, A. Nijhof, A. Severs

Mineralen en spoorelementen

(augustus 2006)
Abstract
Mineralen en spoorelementen zijn enkelvoudige elementen die in kleine hoeveelheden in ons lichaam voorkomen. Sommige daarvan zijn essentieel voor het optimaal functioneren van veel biochemische processen. Van zes mineralen en 23 spoorelementen, waaronder vijftien zogenaamde ultraspoorelementen, wordt de functie in het lichaam besproken. Beschreven wordt in welke voedingsmiddelen ze voorkomen en welke voedingsmiddelen(groepen) van betekenis zijn voor de gemiddelde dagelijkse inneming van mineralen en spoorelementen. Speciale aandacht wordt besteed aan de biologische beschikbaarheid, daar de aanwe-zigheid in voedingsmiddelen nog niet inhoudt dat ze ten goede komen aan het lichaam. Enkele voedingscomponenten die invloed kunnen uitoefenen op de biologische beschikbaarheid, zoals fytaat, vitamine C en eiwit, worden besproken. Van een aantal elementen worden gegevens verstrekt over de gemiddelde dagelijkse inneming.
W. van Dokkum

Bioactieve stoffen in onze voeding

(augustus 2010)
Abstract
Gezondheidsbevorderende stoffen in onze voeding staan al decennia in de belangstelling. Het effect van voeding en de daarin aanwezige bioactieve stoffen op onze gezondheid en het voorkÓmen van diverse ziekten wordt op verschillende niveaus bestudeerd, zowel de effecten van het gehele dieet als de effecten van de afzonderlijke componenten uit het voedingspakket.
Onderzoek toont aan dat een relatief hogere inname van plantaardige voedingsmiddelen als onderdeel van een gezonde levensstijl de kans op enkele veelal leeftijdgerelateerde ziekten kunnen verkleinen, zoals bepaalde vormen van kanker, neurologische aandoeningen, hart- en vaatziekten, en diabetes mellitus type II. Een belangrijke beschermende rol hierbij wordt toegeschreven aan diverse groepen bioactieve stoffen zoals antioxidanten, bepaalde vetzuren en detoxificerende enzymen. Met name plantaardig voedsel, zoals groente, fruit, peulvruchten, noten en granen, bevat veel bioactieve stoffen.
R. Verkerk, M. Dekker

Probiotica

(augustus 2007)
Abstract
Probiotica zijn niet-pathogene melkzuurbacteriën waarvan wordt beweerd dat ze de gezondheid kunnen bevorderen, door een effect op de darmen of het immuunsysteem. Nog niet alle gezondheidseffecten zijn wetenschappelijk bewezen in onderzoek bij de mens. Het onderzoek is vooral gericht op werkzaamheid en er is nog maar weinig bekend over de veiligheid. Over de microbiologische veiligheid van probiotica zijn wel gegevens voorhanden. Sommige stammen kunnen in individuen met een ernstig verzwakt immuunsysteem problemen veroorzaken. Over de immunologische veiligheid is nog weinig bekend, maar bij proefdieren is aangetoond dat sommige probiotica de auto-immuniteit kunnen versterken. Nieuwe toepassingen van probiotica in bijvoorbeeld hypoallergene zuigelingenvoeding kunnen wellicht ook leiden tot risico’s. Hoe probiotica gezondheidseffecten teweegbrengen is erg afhankelijk van de bacteriestam.
Probiotica vallen onder de regelgeving voor nieuwe voedingsmiddelen, wat inhoudt dat alles wat vÓÓr 1997 op de markt was niet gereguleerd wordt. Om een goede afweging te maken tussen de voor- en nadelen van probiotica zijn richtlijnen nodig waarmee de werkzaamheid en de veiligheid beoordeeld kunnen worden. Hiervoor wordt een voorstel gepresenteerd. Het ligt in de verwachting dat de nieuwe wetgeving op het gebied van gezondheidsclaims zal leiden tot meer informatie over de gezondheidseffecten van probiotica.
J. Ezendam, H. van Loveren

Voedingsmiddelen

Voorwerk

Functionele voedingsmiddelen

(april 2011)
Abstract
Functionele voedingsmiddelen zijn eet- of drinkwaren waaraan bepaalde stoffen zijn toegevoegd, waarbij verondersteld wordt dat deze toevoeging extra gezondheidsbevorderende eigenschappenvoor de mens met zich meebrengt. Verschillende klassen van functionele voedingsmiddelen (ingrediënten) worden besproken. Hoewel de veiligheid van deze producten via Nederlands en Europeestoezicht is gegarandeerd, moeten bij de voedingskundige beoordeling van functionele voedingsmiddelen de nodige kanttekeningen worden geplaatst. Zowel objectieve voorlichtingsinstanties in Nederlandals in Europees verband leiden tot de conclusie dat bij een gevarieerde voeding de meeste functionele voedingsmiddelen niet (substantieel) bijdragen aan een betere gezondheid.
W. van Dokkum

Oliën en vetten

(december 2011)
Abstract
Vetten nemen in onze voeding een belangrijke plaats in. Vetten worden als voedingsmiddel gebruikt, maar worden ook verwerkt inveel levensmiddelen. Ze geven producten smaak en consistentie.Sojaolie, palmolie, raapolie en zonnebloemolie zijn de meest gebruikte vetten in voedingsmiddelen. Onderling verschillen deplantaardige en dierlijke oliën en vetten in grote mate in de vetzuursamenstelling. Voor de toepassing van een olie of vetsoort is het van belang de verschillen goed te kennen.
De kwaliteit van oliën en vetten wordt beïnvloed door de wijze waarop ze worden bewaard en hoe ze worden gebruikt. Verhitten veroorzaakt bijvoorbeeld kwaliteitsverlies, maar ook door contactmet water, licht en zuurstof gaat de kwaliteit van oliën en vetten langzaam achteruit.
Een vetzuur met een of meer dubbele bindingen is beter voor de gezondheid dan een vetzuur zonder dubbele bindingen. Maar over het algemeen geldt ook, hoe meer dubbele bindingen in een vetzuur,des te gevoeliger is het vet voor kwaliteitsachteruitgang door water, licht, warmte en zuurstof. Innovaties in de oliën- en vettensector zijn erop gericht voedingsmiddelen te produceren die hetleveren van een bijdrage aan de gezondheid combineren met een goede smaak, textuur en houdbaarheid.
J.E.M. van Roon, M.M. van der Drift

Zoetstoffen

(augustus 2012)
Abstract
Zoetstoffen vormen steeds meer een belangrijk onderdeel van onze voeding. Strikt genomen zijn zoetstoffen, evenals toegevoegde suikers, niet noodzakelijk in een gezond voedingspatroon. De zoete smaak wordt echter algemeen geapprecieerd, maar door de toenemende prevalentie van allerlei voedingsgerelateerde welvaartsziekten is het belang van het beperken van toegevoegde suikers evident en is het gebruik van zoetstoffen duidelijk toegenomen.
Zoetstoffen kunnen onder meer ingedeeld worden op basis van de chemische structuur en de zoetkracht. Intensieve zoetstoffen hebben een te verwaarlozen energetische bijdrage en een enorme zoetkracht in vergelijking met sacharose. De zoetkracht, maar zeker ook de stabiliteit van deze stoffen, is zeer verschillend. Een combinatie van zoetstoffen wordt steeds belangrijker. De recent ontdekte zoetstoffen sucralose en stevia zullen in de toekomst nog meer gebruikt worden.
Extensieve zoetstoffen zijn chemisch gezien polyolen of suikeralcoholen. De zoetkracht van deze stoffen is gelijk aan of lager dan die van sacharose Ze worden in de voedingsindustrie gebruikt als bulkstoffen.Wereldwijd vindt veel onderzoek naar de bestaande en nieuwe voedingsstoffen plaats. Het is de taak van de diëtist deze ontwikkelingen op de voet te volgen en de cliënt de juiste informatie te verschaffen.
A. Van de Sompel

Voeding bij sport

Voorwerk

Voeding en inspanning, een kwestie van energiebalans

(september 2002)
Abstract
Het handhaven van een constant lichaamsgewicht is het resultaat van een balans in de energiewisseling. Veel energie en relatief veel vet wordt gebruikt tijdens matig intensieve lichamelijke activiteiten die met grote spiergroepen worden uitgevoerd en lang kunnen worden volgehouden. Personen met overgewicht kunnen het best afvallen door een combinatie van een energiebeperkt dieet en verhoging van een zelfgekozen lichamelijke activiteitenpatroon. De soort inspanning die vooral dient te worden geadviseerd om het energiegebruik te vergroten, is inspanning die grote spiergroepen betreft. Door middel van wandelen, hardlopen, fietsen en zwemmen is het mogelijk het energiegebruik aanzienlijk te vergroten, zonder dat snel een gevoel van vermoeidheid optreedt.
H.C.G. Kemper

Voeding bij intensieve sportbeoefening

(december 2007)
Abstract
Voeding is een belangrijke factor die het prestatievermogen van een sporter kan beïnvloeden. Gezien het hoge energiegebruik van een actieve sporter is het belangrijk dat zijn energie-inneming gelijke tred houdt met zijn energiegebruik. Behalve aan de hoeveelheid voeding die geconsumeerd moet worden, dient ook aandacht besteed te worden aan de samenstelling. Een juiste verhouding tussen vetten, koolhydraten en eiwitten in de voeding is noodzakelijk. Om prestaties te optimaliseren bestaan gerichte adviezen voor een optimale voeding vÓÓr, tijdens en na inspanning. De kwaliteit van de voeding is tevens van groot belang, waarbij een adequate aanvoer van vitaminen en mineralen de aandacht behoeft. De vraag of een sporter een verhoogde behoefte heeft aan vitaminen en mineralen is onderwerp van discussie. Aan sommige voedingsstoffen worden – te pas en te onpas – prestatiebevorderende effecten toegeschreven.
L.J.C. van Loon, A.M.J. van Erp-Baart, W.H.M. Saris

Voeding bij recreatieve sportbeoefening

(mei 2000)
Abstract
Voor de recreatieve sporter die als doel heeft zijn prestatie te verbeteren, kunnen speciale voedingsadviezen uitkomst bieden. Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden naar adviezen voor duursport, krachtsport en spelsport.
Voor de duursporter is vÓÓr de inspanning een koolhydraatrijke voeding en een juiste timing van voedselinneming van belang. Tijdens de inspanning zullen, afhankelijk van de duur van de inspanning, vocht en koolhydraten moeten worden gebruikt. Voor een snel herstel is het goed om na de inspanning een royale hoeveelheid koolhydraten en vocht in te nemen.
Aangezien de duur van de inspanning van een krachtsporter en spelsporter vaak korter is, ligt het accent daarbij vooral op het gebruik van vocht en een goede timing en wat minder op het gebruik van een koolhydraatrijke voeding.
Via een goed samengestelde voeding kunnen de (extra) voedingsstoffen die de recreatieve sporter nodig heeft worden ingenomen. In sommige gevallen kan het gebruik van een dorstlesser en/of energierijke drank zinvol zijn.
Gewichtsreductie is te realiseren wanneer een verlaagde energie– inneming gecombineerd wordt met een verhoogd energieverbruik.
A. van Geel, J. Hermans

Sportvoedingssupplementen en doping

(december 2008)
Abstract
Topsporters gebruiken, vaker dan de ‘gewone burger’, voedingssupplementen om beter te presteren, sneller te herstellen na een training en om hun gezondheid op peil te houden. Ook recreatieve sporters gebruiken voedingssupplementen. (Sport)voedingssupplementen kunnen verontreinigd zijn met als doping aangemerkte stoffen. Een positieve dopingtest als gevolg van het gebruik van een vervuild voedingssupplement kan voor een topsporter leiden tot uitsluiting van deelname aan wedstrijden van twee jaar tot levenslang. Uit verschillende onderzoeken (vanaf 2000 tot in 2007) blijkt dat dit probleem al een tijd bestaat en nog steeds actueel is. Overigens nemen ook bezoekers van fitnesscentra en sportscholen soms voedingssupplementen, waarvan een als doping aangemerkte stof het hoofdbestanddeel vormt. Het gebruik hiervan kan tot forse gezondheidsschade leiden.
Topsporters en recreatieve sporters doen in toenemende mate een beroep op (sport)diëtisten. Daarom dienen diëtisten op de hoogte te zijn van de risico’s die verbonden zijn aan het gebruik van voedingssupplementen door beide groepen sporters en van manieren waarop deze risico’s zoveel mogelijk kunnen worden vermeden. Om in Nederland een zo veilig mogelijk gebruik van voedingssupplementen voor (top)sporters mogelijk te maken, is in 2003 het Nederlands Zekerheidssysteem Voedingssupplementen Topsport (NZVT) opgezet.
A.H. Palsma

Geneesmiddelen

Voorwerk

Interacties tussen voeding en geneesmiddelen

(augustus 2013)
Abstract
In een aantal gevallen is de voeding of het dieet van een cliënt van invloed op het therapeutische effect van een geneesmiddel. Bij dergelijke interacties kan onderscheid worden gemaakt in twee typen mechanismen: farmacokinetisch en farmacodynamisch. In het eerste geval betreft het processen waarbij de hoeveelheid geneesmiddel in het bloed verandert. Zo wordt de opgenomen hoeveelheid van een aantal antibiotica verminderd door gelijktijdig gebruik van bepaalde voedingsbestanddelen. Bij farmacodynamische interacties beïnvloedt voedsel de feitelijke werking van een geneesmiddel. Een belangrijke interactie waarbij onder meer een farmacodynamisch mechanisme een rol speelt, is de ‘kaasreactie’. Deze complicatie kan optreden bij gebruik van sommige antidepressiva (oude MAO-remmers) in combinatie met tyraminerijke voeding (bijv. oude kaas).
Ook het omgekeerde kan het geval zijn: het geneesmiddel heeft een ongewenste invloed op de voedingstoestand. Een belangrijk voorbeeld hiervan zijn de effecten op lichaamsgewicht, bloedsuiker en bloedvetten van sommige in de psychiatrie gebruikte geneesmiddelen.
De diëtist dient op de hoogte te zijn van de belangrijkste processen die zichop het grensvlak van zijn/haar vak met dat van de farmacotherapie afspelen. Met dit inzicht kan een zinvolle bijdrage worden geleverd aan de totale behandeling van de patiënt.
G. van den Brink

Voedingsanamnese

Voorwerk

De voedingsanamnese

Methoden voor voedselconsumptieonderzoek van bevolkingsgroepen en individuen (augustus 2007)
Abstract
Voedingsanamnese is een verzamelnaam voor verschillende technieken om de voedselconsumptie van een persoon te schatten. Alle beschikbare technieken hebben voor- en nadelen. De keuze hangt af van het doel, de doelgroep en de beschikbare middelen. Onderzoek naar de validiteit en reproduceerbaarheid van een techniek geeft inzicht in de kwaliteit. Om deze kwaliteit te verbeteren moet men de bronnen van fouten en variatie in de meting kennen. Belangrijke bronnen van variatie zijn de tussenpersoonsvariatie en de binnenpersoons- of dag-tot-dagvariatie in de voeding. Door het aantal personen en/of het aantal dagen per persoon te vergroten kan men de reproduceerbaarheid van een groepsgemiddelde verbeteren, maar niet de validiteit. Het verkrijgen van valide en reproduceerbare resultaten vereist een duidelijk onderzoeksprotocol en draaiboek voor het veldwerk.
De voedingsanamnese wordt in de gezondheidszorg voor andere doelen gebruikt dan in het wetenschappelijk onderzoek. De kwaliteitseisen zijn daarom anders, maar voor een evaluatieonderzoek van het diëtistisch handelen worden kwaliteitseisen gesteld, vergelijkbare met die voor wetenschappelijk onderzoek.
J.H.M. de Vries, E.J. de Boer, K.F.A.M. Hulshof

Het Nederlandse voedingspeilingsysteem

(mei 2009)
Abstract
Van 1987 tot 1998 zijn er drie landelijke voedselconsumptiepeilingen uitgevoerd. Daarna is het voedingspeilingsysteem vernieuwd. Het nieuwe systeem bestaat uit diverse modules van onderzoek naar de voedselconsumptie en vervolgonderzoek daarop. Sinds 2003 zijn drie modules volgens het nieuwe voedingspeilingsysteem geïmplementeerd. Ten eerste is dit de basisgegevensverzameling, een continue voedselconsumptiepeiling bij een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking tussen de 7 en 69 jaar (circa 1200 personen per jaar). Een pilot hiervoor onder jongvolwassenen is in 2003 uitgevoerd. Ten tweede is er een module van voedselconsumptiepeilingen onder specifieke groepen. In dit kader zijn in 2005-06 jonge kinderen onderzocht en wordt nu een peiling onder ouderen voorbereid. De derde module betreft voedingsstatusonderzoek naar het niveau van vitamines of mineralen in bloed of urine.
Door het voedingspeilingsysteem komt informatie beschikbaar over de consumptie van voedingsmiddelen en de daarmee samenhangende inneming van energie, voedingsstoffen en potentieel schadelijke stoffen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet en uitvoering van de voedselconsumptiepeilingen en wordt aan de hand van enkele voorbeelden het gebruik van de gegevens toegelicht.
M.C. Ocké, E.J. de Boer, C.T.M. van Rossum

Voedingsmiddelentabellen

Voorwerk

Voedingsmiddelentabellen en de nevo-tabel

(mei 2007)
Abstract
Voedingsmiddelentabellen worden voor diverse doeleinden gebruikt, waaronder voedselconsumptieonderzoek, voedingsvoorlichting en dieetadvisering. Met behulp van een voedingsmiddelentabel, voor Nederland de nevo-tabel, wordt de inneming van voedingsstoffen of de samenstelling van producten en voedingen berekend. De kwaliteit van de voedingsmiddelentabel wordt bepaald door de keuzes die zijn gemaakt bij het verzamelen van de gegevens. Dit betreft zowel de selectie van de voedingsmiddelen als de gehaltes van de voedingsstoffen. Idealiter bevat een tabel zoveel mogelijk waarden afkomstig van chemische analyse van voedingsmiddelen.
De kwaliteit van de getallen in een tabel, in relatie tot relevante producten voor een land of populatie is essentieel voor de kwaliteit van de berekeningen die worden uitgevoerd, zowel op individueel niveau (voedingsadviezen) als in voedselconsumptieonderzoek (bijv. ten behoeve van overheidsbeleid). Het is van belang dat gebruikers een voedingsmiddelentabel op een kritische manier gebruiken.
Internationale samenwerking op het gebied van voedingsmiddelentabellen krijgt gestalte via organisaties zoals infoods en Eurofir. In Eurofir wordt grote vooruitgang geboekt op het gebied van standaardisatie en harmonisatie van de voedingsstoffenbestanden in Europa.
S. Westenbrink, M. Jansen van der Vliet, L. van der Heijden

Maten, gewichten en codenummers 2003

(mei 2007)
Abstract
De cd-rom Maten, Gewichten en Codenummers 2003 (M&G 2003) bevat informatie over maten, gewichten en codenummers van voedingsmiddelen. Het bestand draagt bij aan de standaardisering en uniformering van voedingsberekeningen. In het bestand staan gegevens over gangbare maten en gewichten waarin voedingsmiddelen geconsumeerd kunnen worden; de voedingsmiddelen krijgen een codenummer dat verwijst naar de nevo-tabel 2001. De aanpassing aan de nevo-tabel 2006 moet nog worden uitgewerkt.
L. van der Heijden

Voedingstoestand - ondervoeding

Voorwerk

Methoden voor het vaststellen van de lichaamssamenstelling

(december 2000)
Abstract
De lichaamssamenstelling bestaat uit twee hoofdcomponenten, de vetmassa en de vetvrije massa. Spiermassa is de belangrijkste component van de vetvrije massa. Er zijn diverse methoden beschikbaar voor het meten van de lichaamssamenstelling. De methoden varie ¨ren sterk in prijs, benodigde apparatuur, belasting voor de persoon en nauwkeurigheid. Het vier–componentenmodel wordt algemeen beschouwd als de gouden standaard, hoewel de onderwaterweging en dxa ook geaccepteerd worden. De methoden zijn meestal ontwikkeld en gevalideerd in jonge volwassenen. Voorzichtigheid is geboden bij het toepassen van de methoden voor het meten van de lichaamssamenstelling van kinderen, ouderen, obesen en patiënten. Op individueel niveau kunnen de meetfouten groot zijn wat het meten van kleine veranderingen in de lichaamssamenstelling van één persoon bemoeilijkt. Om de meting van de lichaamssamenstelling te vereenvoudigen, zijn verschillende voorspellingsformules op basis van simpele metingen ontwikkeld. Een zorgvuldige keuze uit de beschikbare voorspellingsformules is noodzakelijk. De keuze voor een bepaalde meetmethode hangt uiteindelijk af van de specifieke eigenschappen van de methode die de arts/diëtist/onderzoeker van belang acht.
Marjolein Visser

Voedingstoestand, klinische depletie en nutritional assessment

(juli 2005)
Abstract
Ondervoeding als gevolg van ziekte, oftewel klinische depletie is een veelvoorkomend probleem, zelfs in de Nederlandse ziekenhuizen en verpleeghuizen. Omdat een slechte voedingstoestand een negatieve invloed heeft op het herstel van ziekte is het van groot belang om patiënten die klinisch depleet zijn of een groot risico lopen op depletie snel op te sporen. Het bepalen en monitoren van de voedingstoestand, oftewel nutritional assessment, draagt bij aan een adequate voedingstherapie. Het bepalen van de voedingstoestand gebeurt met behulp van een aantal verschillende metingen en bepalingen, zoals het afnemen van een voedingsanamnese en het in kaart brengen van eventuele verliezen, het bepalen van de lichaamssamenstelling, het meten van het energieverbruik, het bepalen van functionele parameters en relevante bloedparameters. Hoewel de verschillende metingen een goed overzicht geven van de voedingstoe-stand van een patiënt, kunnen ook metingen afzonderlijk een bijdrage leveren aan de evaluatie van het voedingsbeleid. Aangezien behalve de voeding ook ziekte van invloed is op de voedingstoestand, is een multidisciplinaire benadering aan te raden.
E. van den Hogen

Ondervoeding bij kinderen

(augustus 2009)
Abstract
In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van ondervoeding als gevolg van ziekte, ook wel klinische depletie genoemd. Oorzaken en gevolgen van ondervoeding bij kinderen worden besproken. In de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat een tijdige interventie belangrijk is om de gevolgen van ondervoeding te beperken of voorkomen. Vroegtijdig signaleren met behulp van een gevalideerd screeningsinstrument moet dit mogelijk maken. Het bepalen van de voedingsbehoefte en adviezen over de behandeling vormen het slot van het hoofdstuk.
J.H.M. Spanjers, M. Sigmond

Screenen op ondervoeding bij volwassenen

(augustus 2010)
Abstract
Het probleem van aan ouderdom en ziekte gerelateerde ondervoeding is in alle sectoren van de Nederlandse gezondheidszorg hoog. Gemiddeld is één op de vier patiënten in ziekenhuizen, zorginstellingen of bij de thuiszorg ernstig ondervoed en ruim één op de drie patiënten matig ondervoed. Tijdige behandeling van (dreigende) ondervoeding leidt tot verbetering van de voedingsinname, stabilisatie van het gewicht, eventuele gewichtstoename, een verbetering van de voedingstoestand en functionele uitkomstparameters zoals spierkracht en kwaliteit van leven en vermindering van het aantal complicaties, opnameduur en mortaliteit.
Een eerste stap om ondervoeding aan te pakken is screening van de hoogrisicogroepen. De afgelopen jaren zijn verschillende screeningsinstrumenten ontwikkeld voor de verschillende sectoren van de zorg. Voor de ziekenhuispopulatie wordt de SNAQ of de MUST aanbevolen, op de polikliniek de MUST of de SNAQ+BMI, voor de verpleeg- en verzorgingshuizen de SNAQRC, voor ouderen in de eerstelijnszorg en thuiszorg de SNAQ65++ en voor de leeftijdsgroep van 18 tot 65 in deze setting de Gewicht Š Gewichtsverlies65-. Aan deze screeningsinstrumenten is een multidisciplinair behandelplan gekoppeld.
Het screenen op ondervoeding is een prestatie-indicator voor ziekenhuizen en verpleeg- en verzorgingshuizen.
H.M. Kruizenga, A.M. Evers

Ondervoeding bij de geriatrische patiënt

(augustus 2012)
Abstract
Ondervoeding is een veelvoorkomend probleem bij kwetsbare ouderen. Ten minste één op de drie geriatrische patiënten kan als ondervoed worden beschouwd.
Ondervoeding staat bij deze groep zelden op zichzelf. Bij ondervoeding zijn er vrijwel altijd ook problemen in het somatische, psychische, functionele en/of sociale domein. De aanpak van ondervoeding is dan ook altijd multifactorieel, gericht op enerzijds de behandeling van het onderliggende probleem, anderzijds de behandeling van de ondervoeding.
Dit hoofdstuk beschrijft de verschillende stappen in de herkenning en behandeling van ondervoeding bij de geriatrische patiënt: werkdefinitie, screening en assessment, behandeling van ondervoeding en de onderliggende oorzaken, rol van de diëtist en transmurale samenwerking.
De inhoud van dit hoofdstuk is tot stand gekomen door middel van consensus van een panel van klinisch geriaters en gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke bewijsvoering in combinatie met ervaringen en best practices.
D.Z.B. van Asselt, M.A.E. van Bokhorst-de van der Schueren

Culturele en sensorische invloeden

Voorwerk

Eetcultuur en voedingstrends

(april 2010)
Abstract
Het doel van dit hoofdstuk is inzicht geven in de eetcultuur van deNederlandse samenleving, de processen van verandering en trends. Dit is van praktisch belang omdat voedingsproblemen niet alleen fysiologische oorzaken hebben, maar ook zeer maatschappelijk bepaald zijn. Er wordt ingegaan op de sociale functies van voedsel in de samenleving. Hierbij wordt ook aandacht geschonken aan de Nederlandse eetcultuur en de beïnvloeding door de multiculturele samenleving. Voedingsgewoonten, oordelen over wat wel en niet gegeten mag worden, globalisering en streekgebonden voedingsmiddelen, en het Nederlandse maaltijdenpatroon worden behandeld. Wat mensen eten wordt behalve door persoonsgebonden voorkeuren, voor een belangrijk deel bepaald door de sociaal-economischeen culturele processen van de samenleving.
A.P. den Hartog

Voedselvoorkeur en eetgedrag

(december 2008)
Abstract
De meeste mensen houden van lekker eten. De waardering van een voedingsmiddel hangt vooral af van de smaak en de geur van het product. De smaak- en geurzintuigen informeren het lichaam of een voedingsmiddel goed of niet goed is. Ook de overige zintuigen, te weten de tastzin, het gezicht en het gehoor, hebben een effect op de waardering van een product. Afgezien van een aangeboren voorkeur voor zoet en een aangeboren afkeer van bitter en zuur, worden de meeste voorkeuren aangeleerd. Voorkeuren worden gevormd op grond van frequentie van blootstelling, positieve postingestieve consequenties, evenals positieve sociaal-affectieve aspecten bij het eten. Voorkeuren zijn echter ook veranderlijk en afhankelijk van de voedingstoestand, gezondheid en ziekte, leeftijd en omgevingsfactoren. Bij de verstrekking van eten en drinken en/ of het voorschrijven van bepaalde voeding, blijft het van het grootste belang dat ervan wordt uitgegaan dat eten voor veel mensen een van de grootste geneugten van het leven is.
H.J. Meester

Voeding van enkele niet–Nederlandse bevolkingsgroepen

(oktober 1998)
Abstract
Diverse bevolkingsgroepen hebben in Nederland hun vaste woonplaats gevonden. Chinezen, Indonesiërs, Molukkers, Surinamers, Nederlandse Antillianen en Arubanen wonen al geruime tijd in Nederland.
J.M. Stenvert

Fysiologische aspecten van eetgedrag

(december 2009)
Abstract
De fysiologische regulatie van honger en verzadiging is zeer complex en wordt geïntegreerd in de hypothalamus waar een eetluststimulerend en een eetlustremmend (verzadigingsbevorderend) systeem operationeel zijn. De hypothalamus krijgt informatie over de energievoorraden in het lichaam via de hormonen leptine en insuline die gecorreleerd zijn met de vetmassa van het lichaam en over de maaltijdgrootte en geconsumeerde voedingsmiddelen via een aantal hormonen en neurale signalen uit het maag-darmkanaal. Behalve door deze fysiologische mechanismen wordt eetgedrag echter ook beïnvloed door hedonistische en psychologische factoren.
P.M.J. Zelissen

Eetgedrag van ouderen: regulatie van voedselinname

(december 2010)
Abstract
Bij het ouder worden neemt de energiebehoefte af. De daling van de voedselinname is echter groter dan verklaard kan worden door een verminderde energiebehoefte. Hieraan ligt het verouderingsproces ten grondslag, waarbij fysiologische en psychologische veranderingen de regulatie van voedselinname verstoren. Zo vermindert in meer of mindere mate de zintuiglijke waarneming waardoor ouderen minder geur en smaak ervaren. Daarnaast daalt de speekselproductie, neemt de kauw- en slikkracht af en zijn de tongbewegingen minder krachtig. Hierdoor geven ouderen vaak de voorkeur aan vloeibare of zachte voedingsmiddelen. Bovendien zorgen fysiologische veranderingen, zoals hormonale en musculaire veranderingen ervoor dat ouderen eerder een verzadigd gevoel ervaren. Samen met sociale factoren vormen de lichamelijke factoren, de zintuiglijke waarneming en voedselvoorkeuren een geïntegreerd complex waardoor een geïntegreerde aanpak noodzakelijk is om ondervoeding bij ouderen te voorkomen.
S.J.G.M. van der Staak, R.M.A.J. Ruijschop

Wettelijke bepalingen

Voorwerk

Levensmiddelenwetgeving

(augustus 2006)
Abstract
De belangrijkste regels om de kwaliteit en veiligheid van levensmiddelen te waarborgen zijn beschreven in de Warenwet. De Warenwet is een kaderwet. Op basis van de Warenwet kunnen voor speciale categorieën waren specifieke regels worden opgesteld die zijn te vinden in Warenwetbesluiten en verordeningen. Deze gevengrotendeels uitvoering aan Europese wetgeving.
A.M. van der Greft, J.M. de Stoppelaar

Veiligheid van verpakkingen en gebruiksartikelen voor levensmiddelen

(mei 2009)
Abstract
Verpakkingen en gebruiksartikelen, bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen, kunnen mogelijk stoffen afgeven aan het levensmiddel. Om te voorkomen dat er een risico voor de volksgezondheid optreedt, is voor iedere materiaalcategorie (plastic, papier, glas enz.) specifieke regelgeving opgesteld. Deze regelgeving is gebaseerd op positieve lijsten. Dat wil zeggen dat alleen die stoffen zijn toegestaan als grond- en hulpstoffen, die op deze lijst staan. Voor een aantal stoffen zijn op basis van hun toxicologische eigenschappen specifieke migratielimieten opgelegd, of een maximaal restgehalte in de verpakking of het gebruiksartikel. Verder worden aan het eindproduct bepaalde eisen gesteld. Ook de omstandigheden waaronder de verpakkingen en gebruiksartikelen getest moeten worden op chemische veiligheid zijn wettelijk vastgelegd.
M. Verbruggen, K. Bouma, H. Roelfzema

Wettelijke regelgeving voor de diëtist

(mei 2009)
Abstract
De diëtist moet, net als andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, de wettelijke regelgeving in acht nemen. Die regelgeving heeft betrekking op de kwaliteit van de beroepsuitoefening en de positie en rechten van cliënten. De Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) bevat kwaliteitsnormen voor de beroepsuitoefening door individuele beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg. Er wordt een onderscheid gemaakt in artikel 3- en artikel 34-beroepen, waaronder de diëtist valt. Om de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken is een Kwaliteitsregister Paramedici ingesteld. De Wet op de Geneeskundige Behandelings Overeenkomst (WGBO) heeft als doel de rechtspositie van de cliënt te versterken en te verduidelijken. De wet is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. De Wet Klachtrecht Cliënten Zorgsector (WKCZ) re-gelt het recht van de cliënt om een klacht in te dienen. Tot slot is er een nieuwe wet in ontwikkeling waarin zeven rechten van patiënten in de zorg worden vastgelegd.
Rian van Nuland

Classificaties

Voorwerk

Classificaties voor de diëtetiek

(december 2004)
Abstract
Een classificatie is een poging tot ordening van termen waarmee ‘dingen’ of ‘objecten’ uit de werkelijkheid, zoals ziekte, hulpmiddel of beroep, worden aangeduid (naar:Ten Napel, 1998). Een classificatie bestaat uit een lijst van termen, gerangschikt in een bepaalde structuur – volgens bepaalde indelingscriteria – en op verschillende niveaus (van heel globaal tot redelijk gedetailleerd). Een codelijst is een eenvoudige classificatie (minder stringent gebruik van kenmerken en vaak met minder niveaus).
Met behulp van nu voor de diëtetiek beschikbare classificaties en codelijsten kan men de belangrijkste gegevens uit het primaire zorgproces vastleggen, waardoor er een basis is ontstaan voor eenheid van taal in de beroepsgroep. Dit maakt het mogelijk gegevens uit te wisselen tussen diëtisten onderling en met andere beroepsgroepen (zoals in de zorgketen of in de wetenschap). Daarbij is het niet de bedoeling dat zorgverleners de classificaties zelf hanteren, maar gebruikmaken van (elektronische) registratiesystemen, richtlijnen of protocollen en meetinstrumenten die zijn ontwikkeld op basis van de beschikbare classificaties en codelijsten. Behalve als hulpmiddel bij het ontwikkelen van instrumenten voor de dagelijkse praktijk kunnen classificaties en codelijsten worden toegepast bij wetenschappelijk onderzoek (bijv. epidemiologisch onderzoek en effectonderzoek in ‘randomised clinical trials’, rct’s), in het onderwijs en bij het maken van beleid (bijv. op basis van onderzoeksgegevens). Op die manier leveren classificaties een bijdrage aan de (wetenschappelijke) ontwikkeling van de diëtetiek.
Tijdens het ontwikkelen van de classificaties is ook consensus bereikt over de formulering van de diëtistische diagnose. Dat is een veelomvattend begrip dat het vertrekpunt is voor de behandeling van de patiënt. Uit reacties en vragen van diëtisten blijkt dat men het gebruik van classificaties nog niet altijd op de juiste waarde schat. Het kost tijd om aan het gebruik van classificaties te wennen. De basisopleidingen hebben de Classificaties en Codelijsten voor de Diëtetiek vanaf 2003 in hun onderwijsprogramma (curriculum) opgenomen.
E. Lie, Y.F. Heerkens

Voedingsfysiologie

Voorwerk

Voeding en de biologische klok

(april 2012)
Abstract
Sinds het begin van de evolutie zijn bijna alle wezens op aarde onderworpen aan het dagelijkse ritme van licht en donker. Als gevolg hiervan ervaren de meeste levende wezens ook een dagelijks ritme in de aanwezigheid van voedsel. In dit artikel beschrijven we de biologische klok, bestaande uit een centrale klok in de nucleus suprachiasmaticus (SCN) en perifere klokken in verschillende weefsels (waaronder de lever, de alvleesklier en de darm).We beschrijven hoe de perifere klokken aangestuurd worden door de centrale klok en door metabole signalen. Vervolgens gaan we in op de invloed van de biologische klok op voedselinname, activiteit van het gastro-intestinale systeem en de stofwisseling van glucose en lipiden. Daarna beschrijven we de gevolgen van de invloed van de biologische klok op de spijsvertering en de stofwisseling, waarbij we ingaan op de gezondheidseffecten van het tijdstip van voedselinname, de maaltijdfrequentie en al dan niet ontbijten. Ook gaan we in op de mogelijke consequenties van de aanwezigheid van de biologische klok voor het toedieningsschema van sondevoeding en parenterale voeding. Ten slotte beschrijven we de relatie tussen de biologische klok en diabetes mellitus type 2.
De afgelopen jaren is er veel ontdekt over de intrigerende verwevenheid van de biologische klok en de stofwisseling, en de komende jaren zal de biologische klok waarschijnlijk een steeds belangrijker rol gaan spelen in de voedingsleer.
D.J. Stenvers, C.F. Jonkers, E. Fliers, P.H.L.T. Bisschop, A. Kalsbeek

Voedingsvoorlichting en -gedrag

Voorwerk

Gezondheidsvoorlichting en beïnvloeding van voedingsgedrag

(december 2007)
Abstract
Hoe kun je door middel van voorlichting een bepaald voedingsgedrag bij een bepaalde persoon, een bepaalde groep of zelfs bij de gehele bevolking blijvend veranderen? In dit hoofdstuk wordt een planningsmodel uit de gezondheidsvoorlichting gepresenteerd dat kan worden gebruikt om deze vraag te beantwoorden. Het model bestaat uit verschillende fasen die moeten worden doorlopen teneinde effectieve voorlichting te realiseren. Het planningsmodel wordt toegelicht voor twee situaties: de ontwikkeling van grootschalige voorlichtingsinterventies en de ontwikkeling van voorlichting voor een individuele cliënt in de diëtistenpraktijk.
P. van Assema, J. Brug, L. Lechner

Voedingscoaching met NLP

(december 2006)
Voedingscoaching of dieetbehandeling met nlp is gericht op het helpen veranderen van omstandigheden, gedragingen en overtuigingen in een concrete context en met een duidelijke doelstelling. Voor diëtisten is het een belangrijke verrijking als zij nlp-vaardigheden hebben naast vakinhoudelijke kennis. Met die vaardigheden kunnen zij beter doorvragen en afstemmen op de belevingswereld van de cliënt, interveniëren op verschillende logische niveaus en overtuigingen helpen veranderen.
N. van Kaathoven

Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag en de diëtist

(december 2006)
Abstract
Het voorschrijven van een vermageringsdieet bij een probleem met overeten is op dit moment controversieel. De diëten werken meestal niet blijvend. Bovendien geldt lijnen als belangrijke risicofactor voor eetstoornissen. Er zijn echter ook succesvolle lijners. Potentieel succesvolle lijners kunnen met de Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag (nve) eenvoudig en valide worden opgespoord. Met behulp van de nve kan worden vastgesteld of een dieet kans van slagen heeft of dat slechts van gedragstherapie baat te verwachten is.
T. van Strien, Y. Vocking

Motivational Interviewing voor diëtisten

(april 2008)
Abstract
Motivational Interviewing (MI) is een directieve, persoonsgerichte gespreksstijl, bedoeld om verandering van gedrag te bevorderen. MI helpt bij het verhelderen en oplossen van ambivalentie ten opzichte van verandering.
Een belangrijk aspect bij de bereidheid om gedrag te veranderen is motivatie. Het is niet eenvoudig om een definitie van motivatie te geven.Wat de diëtist belangrijk vindt, vindt een cliënt misschien helemaal niet belangrijk. Verder gaat het vaak om gewoontegedrag. Vaak staat een cliënt ambivalent tegenover nieuw aan te leren gedrag. Inzicht in de fasen van gedragsverandering (model Stages of Change van Prochaska) is een voorwaarde om Motivational Interviewing te kunnen toepassen.
Bij de toepassing van MI maakt de hulpverlener gebruik van basisgesprekstechnieken en technieken voor het omgaan met weerstand.
F.J.M. Spikmans, J.M. Vernooij

Voedsel en radioactiviteit

Voorwerk

Voedsel en radioactiviteit

(juli 2005)
Abstract
Radioactiviteit en voeding vormen vooral een thema na nucleaire calamiteiten en wat betreft het conserveren van voedingsmiddelen. Na nucleaire calamiteiten is blootstelling aan radioactieve stoffen in het geding, die de gezondheid kan schaden. Voedselbestraling is controversieel vanwege het ontstaan van radiolytische stoffen en de publieke voorkeur voor andere conserveringsmethoden. Overheden bepalen wat op dit punt wel en niet toelaatbaar wordt geacht.
L. Reijnders

Voedingsaspecten bij gehandicapten

Voorwerk

Voeding bij mensen met een verstandelijke beperking

(december 2005)
Abstract
Dit hoofdstuk beschrijft het voorkomen van, de oorzaken en de mate van verstandelijke beperking. Tevens wordt ingegaan op de complexiteit van de problematiek bij mensen met een verstandelijke beperking in het algemeen, omdat er vaak sprake is van meervoudige beperkingen: onder andere motorisch, zintuiglijk en bijkomende problematiek zoals gedragsproblemen. Daarna worden de hieruit voortvloeiende meest voorkomende voedingsproblemen en de oorzaken daarvan belicht. Tot slot wordt de meest relevante dieetbehandeling beschreven.
P.G. Rooymans

Dieetkosten

Voorwerk

Vergoedingsregelingen voor dieetkosten

(december 2009)
Abstract
Uitgaven ten gevolge van ziekte, waaronder de kosten voor het volgen van een dieet, kunnen hoog zijn, zeker als gebruikgemaakt moet worden van dieetpreparaten. In veel gevallen is er een tegemoetkoming of vergoeding van de gemaakte kosten mogelijk. Ziektekostenverzekeraars vergoeden de kosten van dieetpreparaten bij specifieke indicaties. De kosten voor een consult bij een diëtist maken deel uit van de basisverzekering volgens de zorgverzekeringswet (Zvw). Voor gemaakte dieetkosten ten gevolge van het gebruik van dieetproducten is fiscale aftrek van de belasting mogelijk, maar hiervoor gelden beperkende voorwaarden en regelingen. Huishoudens met een laag inkomen kunnen een tegemoetkoming in de kosten aanvragen bij de Gemeentelijke Sociale Dienst volgens de Wet bijzondere bijstand. Iedere gemeente is echter vrij hierin eigen procedures te hanteren.
J.J. van Duinen, R. van Nuland

Voedselveiligheid

Voorwerk

Microbiologische voedselveiligheid

(december 2010)
Abstract
Ondanks veel maatregelen op het gebied van hygiëne lukt het nog steeds niet om het aantal geregistreerde voedselinfecties drastisch te verminderen. Integendeel, het lijkt er zelfs op dat de incidentie toeneemt. Verschillende factoren spelen hierbij een rol: onvoldoende kennis bij producenten, bereiders en consumenten van levensmiddelen, en veranderingen in de commerciële voedselproductie (meer kant-en-klaarmaaltijden die minimaal geconserveerd worden). Maar deze trend kan ook (voor een deel) veroorzaakt worden door de zich terugtrekkende overheid, zo laat bijvoorbeeld de Voedsel en Waren Autoriteit steeds meer taken over aan de particuliere sector. Om het aantal voedselinfecties zoveel mogelijk terug te dringen moet er aan drie voorwaarden worden voldaan: besmetting zoveel mogelijk voorkomen, uitgroei van micro-organismen remmen, en geen rauwe producten eten.Wordt aan al deze voorwaarden voldaan, dan zal het aantal voedselinfecties kunnen dalen. Maar ze zullen nooit geheel verdwijnen.
R.R. Beumer

Voeding en immunologie

Voorwerk

Voeding en immunologie

(mei 2009)
Abstract
De mens wordt voortdurend blootgesteld aan de bedreigingen van ziekmakende stoffen, levende ziekteverwekkers uit de buitenwereld en afwijkende cellen in het lichaam zelf. Om die te bestrijden is het immuunsysteem ontwikkeld. Immuniteit is gedefinieerd als de weerstand van het lichaam tegen specifieke infecterende bestanddelen (pathogenen). Het immuunsysteem kan worden onderverdeeld in twee interactieve systemen: aangeboren (niet-specifieke) en verworven (specifieke) afweermechanismen. Beide systemen maken ongewenste indringers onschadelijk door middel van een ontstekingsreactie. Er zijn vier fasen: herkenning, acute cellulaire respons, chronische cellulaire respons en resolutie. Het lichaam reageert echter niet altijd adequaat: er treedt een immuunrespons op terwijl dat niet nodig is of de immuunrespons is veel te sterk. Er is dan sprake van overgevoeligheid, allergie of auto-immuniteit.
Het immuunsysteem ondergaat gedurende het leven allerlei veranderingen. Ook de leefstijl en verschillende aandoeningen zijn hierop van invloed. De samenstelling van de voeding is belangrijk voor het behoud van een actief en specifiek immuunsysteem. De vatbaarheid voor ziekten wordt door de algehele voedingstoestand van het individu beïnvloed en een volwaardig dieet bevat alle benodigde macro- en micronutriënten. Variaties hierin beïnvloeden de natuurlijke werking van de immuunrespons.
E. Claassen, E. Pronker

De diëtist

Voorwerk

Taak en functie van de diëtist

(augustus 1999)
Abstract
De diëtetiek is een jong vakgebied dat nog volop in ontwikkeling is. Tijdens dit proces wordt belang gehecht aan een goede kwaliteit van alle aspecten die met de dieetbehandeling te maken hebben: het verwijsbeleid, de dieetbehandeling zelf, de rapportage, maar ook aan de organisatie rondom de dieetbehandeling en aan het bewaken van die kwaliteit. Aan ‘het maken van productieafspraken’ met de verwijzers, maar ook aan het werken volgens protocollaire verwijzing wordt veel aandacht besteed. Dieetbehandeling vindt bij voorkeur plaats in een multidisciplinaire setting. Om de organisatie rondom de dieetbehandeling te verbeteren, wordt gewerkt aan classificatie en het elektronisch diëtetiekdossier. Toetsing zorgt onder meer voor het bewaken van de kwaliteit.
M. ’t Hart–Eerdmans, A.W. de Hullu, C.G.J. Indemans, L.L.A.M. van Nispen tot Pannerden

Voedingsinterventie in de thuiszorg: huisarts en diëtist een onafscheidelijk koppel

(april 2001)
Abstract
De vraag naar voedingsinterventie in de thuiszorg neemt toe. Het aanbod echter wordt bepaald door de financiering. Afhankelijk daarvan worden keuzen gemaakt in taken en in tijd voor de verschillende taken. Het accent is in de laatste jaren op de consulten dieetadvisering gelegd. Maar de Landelijke Vereniging van Thuiszorg vindt nu dat de diëtist die in de thuiszorg werkt ook voedingsvoorlichting (preventief ) tot taak heeft.
De thuiszorgdiëtist werkt steeds meer in multidisciplinair verband en zal steeds vaker in allerlei overlegstructuren een rol gaan spelen. Opvallend hierin is haar relatie met de huisarts: de belangrijkste verwijzer. Samen integreren zij voedingszorg in het totale behandelplan.
Een belangrijke taak is bovendien voor haar weggelegd in de ondersteuning en bijscholing van verpleegkundigen en verzorgenden in de Thuiszorg en wijkverpleegkundigen Ouder- en kindzorg en consultatiebureau-artsen.
G.F.P. van Kuijk, J.J. van Binsbergen

Evidence-based diëtetiek

(juli 2008)
Abstract
Diëtisten moeten in toenemende mate hun handelen kunnen onderbouwen met onderzoeksgegevens, ook wel ‘evidence’ genoemd. Belangrijk onderdeel van het ‘evidence-based’ handelen is het kunnen vinden en interpreteren van geschikte onderzoeksartikelen. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat de waarde is van evidencebased handelen voor de diëtist en worden de verschillende stappen van het evidence-based handelen beschreven. Uitleg wordt gegeven over het zoeken naar evidence en de verschillende vormen van evidence, gerangschikt van meest tot minst overtuigend. Aan de hand van een checklist kunnen onderzoeksartikelen systematisch worden beoordeeld. Verder geeft het hoofdstuk praktische adviezen om het evidence-based werken tot een vast onderdeel van het eigen handelen te maken. Dit hoofdstuk gaat niet over het zelf opzetten van onderzoek, maar over het interpreteren van onderzoek.
N.M. de Roos

Voeding, ethiek en wensen van cliënten

(december 2010)
Abstract
Voeding hoort bij de basiszorg, maar ook diëtisten kunnen geconfronteerd worden met de vraag hoe de belangen van de cliënt het best gediend kunnen worden. Daarbij voldoet het niet altijd om te verwijzen naar de eigen wens van de cliënt. Soms stroken professionele ideeën niet met die van de cliënt en soms is het de vraag welk doel met de diëtistische zorg bereikt kan worden. De diëtist heeft haar eigen morele en professionele verantwoordelijkheid. In dit artikel wordt een aantal praktijksituaties geanalyseerd, aan de hand waarvan handreikingen worden gedaan om in de eigen praktijk na te denken over het antwoord op de vraag: wat is goed voor deze cliënt.
D.P. Touwen

Implementatie van richtlijnen

(december 2011)
Abstract
Richtlijnen zijn handige samenvattingen van de stand van wetenschap, gemaakt door deskundige collega’s, en worden beschouwd als een van de belangrijkste hulpmiddelen om nieuwe inzichten over optimale patiëntenzorg in te voeren in de praktijk. De invoering van richtlijnen in de dagelijkse praktijk verloopt echter niet vanzelf. Er zijn factoren die de invoering kunnen bevorderen, maar ook factoren die de implementatie kunnen belemmeren. Bevorderende en belemmerende factoren liggen niet alleen in de richtlijn zelf, maar ook in de professionals, in de sociale context en organisatie waarin ze werken, en in de patiënt.
Het identificeren van bevorderende en belemmerende factoren blijkt van groot belang. Maatregelen en acties die zijn afgestemd op de potentieel belangrijke factoren in de implementatie blijken het meest effectief. Een ‘strategie op maat’ bestaat meestal uit een creatieve mix van meerdere strategieën die nodig zijn om veranderingen in de verschillende doelgroepen en verschillende settings in te voeren. Een goede voorbereiding en een systematische aanpak zijn dan ook nodig om tot een succesvolle verandering van de dagelijkse praktijk te komen.
J. Maessen

Voeding en epidemiologie

Voorwerk

Voeding en epidemiologie

(juli 2008)
Abstract
Voedingsepidemiologie is het onderzoek naar voedingsdeterminanten van ziekten en gezondheid in menselijke populaties. Het kan inzicht verschaffen in de mogelijke oorzaken van belangrijke bedreigingen voor de volksgezondheid en in de preventie daarvan.
Het doel van voedingsepidemiologie is het duidelijk in kaart brengen van de voedselconsumptie, de nutriënteninneming en de voedingsstatus van een populatie, het genereren van nieuwe hypothesen over voeding en ziekten, het testen van reeds bestaande hypothesen en het vaststellen van de sterkte en de richting van bepaalde associaties tussen voeding en ziekten. Uiteindelijk is de hoofddoelstelling van de voedingsepidemiologie een bij-drage leveren aan de preventie van ziekten en de verbetering van de volksgezondheid.
A. Geelen, J.M. Geleijnse, P. van ’t Veer

Alternatieve voeding

Voorwerk

Alternatieve voeding

(december 1999)
Abstract
Het begrip ‘alternatief’ betekent zoveel als ‘afwijkend van wat gangbaar is’. ‘Alternatieve voeding’ is een verzamelnaam voor verschillende voedingswijzen die zowel variëren in achterliggende gedachten als in concreet voedingsgedrag. Gemeenschappelijke kenmerken zijn het beperken van de consumptie van dierlijke producten en het prefereren van biologisch geteelde voedingsmiddelen.
De gezondheidseffecten van alternatieve voedingswijzen verschillen al naar gelang de toegepaste richtlijnen. De richtlijnen van de ecologische en antroposofische (ook wel biologisch–dynamische) voeding staan relatief dicht bij de Richtlijnen Goede Voeding van het Voedingscentrum. Bij de macrobiotische voeding hangen de gezondheidseffecten sterk af van de gevolgde richting. In de klassieke, streng doorgevoerde, macrobiotiek bestaat een groot risico op tekorten. Tegenwoordig worden de veel flexibeler richtlijnen van de Nederlandse Macrobiotische Vereniging gevolgd, zodat de risico’s op tekorten van de macrobiotische voeding niet groter zijn dan die van de veganistische voeding.
Een belangrijk praktisch punt waarmee artsen en diëtisten geconfronteerd kunnen worden, is dat bij veel mensen de voeding afwijkt van de richtlijnen van de betreffende richting. In feite heeft ieder individu zijn/haar eigen voeding en ook zijn/haar eigen opvattingen, normen en waarden over voeding. Een nauwkeurige anamnese is dus essentieel. Hiervoor is het van belang over enige kennis van de desbetreffende voedingwijze te beschikken: de hulp van een diëtist of voedingskundige is veelal onontbeerlijk.
P.C. Dagnelie

Erfelijkheid en voeding

Voorwerk

Voeding en erfelijke aandoeningen

(september 2011)
Abstract
Recente ontwikkelingen in het genetisch en moleculair biologisch onderzoek hebben tot nieuwe inzichten geleid in de erfelijke achtergrond van aandoeningen. In dit hoofdstuk worden deze besproken in het licht van mogelijke gevolgen voor de diëtetiek. Monogenetische aandoeningen die veroorzaakt worden door een afwijking in een gen, worden belicht; onder andere familiaire hypercholesterolemie is relevant voor de diëtetiek. Voorts is er aandacht voor multifactoriële aandoeningen, zoals obesitas, coronaire hartziekten, diabetes en darmkanker. Multifactoriële aandoeningen zijn chronische ziekten die door een samenspel van genetische gevoeligheid en omgevingsfactoren, zoals voeding, worden beïnvloed. Het onderzoek naar de verantwoordelijke genen is in volle gang.
Inmiddels wordt op DNA-niveau onderzoek gedaan naar de effecten van voedingscomponenten (nutrigenomics) en de effecten van voeding op de mate waarin het DNA wordt afgelezen (epigenetica). Tot op heden zijn er echter nog weinig concrete bewijzen dat voedingsadviezen specifiek geschikt zijn voor mensen met een specifiek genetisch profiel. Mogelijk komt dit in de toekomst. Ten slotte is nader onderzoek noodzakelijk om de motivatie tot leefstijlverandering en dieettrouw op basis van genetische informatie bij patiënten te bestuderen. Ook het toekomstig onderzoek naar de genetica van eetgedrag en smaak kan van belang worden.
E.J.M. Feskens, J.M.A. Boer, E. Kampman

Voeding en de huid

Voorwerk

Voeding en de huid

(april 2011)
Abstract
De huid is het grootste orgaan van het menselijk lichaam en staat voortdurend bloot aan veranderingen in het lichaam en in de omgeving, die de conditie en het functioneren van de huid beïnvloeden. In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de huidige kennis omtrent de relatie tussen voeding en de huid. De meeste onderzoeken op dit gebied zijn gericht op vitamines, carotenoïden en meervoudig onverzadigde vetzuren en kunnen worden ingedeeld in:
1.
behandeling van huidaandoeningen;
 
2.
bescherming tegen schade door zonlicht;
 
3.
invloed op de afweer.
 
Hoewel voedingscomponenten in hogere doseringen aantoonbare invloeden uitoefenen op de huid, bestaat er slechts weinig informatie over de effecten van consumptie van gemiddelde en lage doseringen gedurende lange tijd door gezonde mensen. Bovendien bestaan er nauwelijks gegevens over directe effecten van voedingscomponenten op basale eigenschappen van de huid, zoals vochtgehalte,talgproductie, zuurgraad en elasticiteit.
B.A.J. van Hattem-Heutink

Voeding en milieu

Voorwerk

Voeding en milieu

(december 2008)
Abstract
Energieverbruik is gezien de klimaatverandering een uitermate belangrijk milieuthema. Huishoudens kunnen op veel manieren energie besparen, onder andere door bewust met voeding om te gaan. Bij de productie, het transport, de verwerking, de verpakking en de bereiding wordt namelijk energie verbruikt, in sommige gevallen zelfs veel. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in directe en indirecte energie. Door de juiste voedingsmiddelen te kiezen en voedselverspilling te voorkomen kan een huishouden het energieverbruik van voeding beperken. De diëtist kan hierover nuttige adviezen geven.
S.A. de Waart, L.M. Nijenhuis, P. van Meegeren
Meer informatie