Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Het Informatorium voor voeding en diëtetiek online is een systematisch naslagwerk met alles wat men moet weten op het gebied van voeding en diëtetiek. Dit standaardwerk voor iedere diëtist is online toegankelijk gemaakt via een geavanceerd zoeksysteem, waardoor men altijd snel en efficiënt antwoorden op vragen vindt over voeding en diëtetiek.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Maag, darm

Voorwerk

Voeding en slokdarmaandoeningen

(april 2006)
Abstract
In dit hoofdstuk wordt de fysiologie van de slokdarm beschreven en wordt uitgebreid ingegaan op de etiologie en de gevolgen van oesofageale reflux. Met betrekking tot het slokdarmcarcinoom, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in het plaveiselcarcinoom en het adenocarcinoom, komen etiologie, vroege en late klachten aan bod. Ook de voedingsgerelateerde klachten in de postoperatieve fase evenals palliatieve adviezen met betrekking tot voeding worden beschreven. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de beschrijving van mogelijk minder bekende en minder frequent voorkomende aandoeningen van de slokdarm zoals achalasie en het Zenker’s divertikel. De voedingsproblemen bij deze aandoeningen kunnen echter dermate ernstig en evident zijn, dat de diëtist bij de behandeling betrokken wordt.
E.B. Haverkort, P.D. Siersema

Voeding bij maagaandoeningen

(april 2013)
Abstract
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op diverse frequent en minder frequent voorkomende aandoeningen van de maag wat betreft prevalentie, etiologie en klinische verschijnselen. Tevens wordt een beschrijving gegeven van de behandeling en, indien zinvol, de dieetbehandeling. Allereerst worden gastritis, peptisch ulcuslijden, maagcarcinoom en maagledigingsstoornissen besproken. Vervolgens worden functionele dyspepsie en diverse maagoperaties en de gevolgen hiervan behandeld in relatie tot voeding.
A.J.P.M Smout, L. van der Aa

Voeding bij dunne-darmaandoeningen

(augustus 2009)
Abstract
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op diverse frequent en minder frequent voorkomende dunne-darmaandoeningen, waarbij aandacht besteed wordt aan de prevalentie, pathologie, etiologie, klinische verschijnselen en diagnostiek. Verder wordt er een korte beschrijving gegeven van de behandeling en de dieetbehandeling. De volgende aandoeningen komen aan de orde: diarree, acute enteritis, lactose-intolerantie, coeliakie, dermatitis herpetiformis, de ziekte van Crohn, het short bowel syndrome, het ulcus duodenum en enkele overige aandoeningen van de dunne darm.Waar mogelijk wordt er verwezen naar andere hoofdstukken voor extra informatie.
N.J. Wierdsma, C.J.J. Mulder

Voeding bij dikkedarmaandoeningen

(mei 2007)
Abstract
In dit hoofdstuk worden diverse frequent en minder frequent voorkomende dikkedarmaandoeningen behandeld, waarbij met name wordt ingegaan op de prevalentie, etiologie, pathologie, klinische verschijnselen en diagnostiek. Voorts wordt een korte beschrijving van de behandeling en de dieetbehandeling gegeven. Allereerst worden veranderingen in de passagetijd (diarree en obstipatie) besproken, waarna het prikkelbaredarmsyndroom aan bod komt. Vervolgens wordt het ziektebeeld diverticulose besproken en daarna de chronische ontstekingsprocessen van de dikke darm. Het hoofdstuk wordt afgesloten met enkele opmerkingen over dikkedarmkanker.
N.J. Wierdsma, A.A. van Bodegraven

Voeding bij kinderen met maag-darmaandoeningen

(december 2011)
Abstract
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op prevalentie, pathofysiologie, klinische verschijnselen en behandeling van een aantal slokdarm-, maag- en darmaandoeningen bij kinderen. Gekozen is voor die min of meer frequent voorkomende aandoeningen die elders in deze uitgave niet of onvoldoende aan bod komen, ofwel omdat ze specifiek bij kinderen voorkomen, ofwel omdat de pediatrische aspecten speciale aandacht behoeven. Aandoeningen die al voldoende aan bod komen in andere hoofdstukken, worden hier niet opnieuw besproken. Bij de behandeling wordt kort ingegaan op de medische aspecten ervan, waar nodig gevolgd door een meer uitgebreide bespreking van de dieetbehandeling.

Lever en pancreas

Voorwerk

Voeding bij lever- en galaandoeningen

(april 2010)
Abstract
De galblaas is een opslagplaats voor de galvloeistof die in de lever wordt gemaakt. Galstenen komen vaker voor bij mensen met overgewicht. Bij galsteenlijden zonder klachten is geen dieet nodig. Als er klachten zijn, draagt het dieetadvies bij aan het voorkomen van een recidief van stenen en aan het verminderen van klachten.
De lever is een belangrijk orgaan voor de stofwisseling van koolhydraten, eiwitten en vetten. Bovendien zorgt de lever voor afbraak van schadelijke stoffen zoals alcohol en medicatie. Veel leverziekten kunnen uiteindelijk leiden tot levercirrose. Levercirrose geeft aanvankelijk vaak weinig klachten. Hoe verder de leverfunctie achteruitgaat, hoe meer klachten er ontstaan. Medicatie kan de leverziekte meestal niet genezen, maar wel de klachten verminderen. Bij het eindstadium van levercirrose is levertransplantatie soms de enige behandeling.
Dieetmaatregelen hebben als doel het behouden of verbeteren van de voedingstoestand, voorkomen van complicaties, ondersteunen van de werking van de medicatie en verminderen van klachten bij complicaties. Vaak is suppletie van bepaalde vitaminen of mineralen nodig.
A.S. Donker

Voeding bij pancreasaandoeningen

(april 2010)
Abstract
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op acute en chronische pancreatitis en het pancreascarcinoom. De epidemiologie, etiologie, klinische verschijnselen en diagnostiek, prognose en complicaties, medische behandeling en vanzelfsprekend het voedingsbeleid worden hierin besproken.
Het voedingsbeleid bij pancreatitis en pancreascarcinoom is de laatste jaren aan veel veranderingen onderhevig geweest. Er vindt nog steeds onderzoek plaats om te komen tot een beter evidence based voedingsadvies. In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van de meest recente publicaties.
H.J. van der Linde-van Dijk, E.N. Brons

Voeding bij kinderen met leveraandoeningen

(december 2011)
Abstract
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op prevalentie, pathofysiologie, klinische verschijnselen en behandeling van leveraandoeningen bij kinderen. Onafhankelijk van de oorzaak van de leverpathologie richt de behandeling zich vrijwel steeds voornamelijk op de gevolgen van twee aspecten: verstoorde galafvloed (cholestase) en verbindweefseling (cirrose). Bij de behandeling wordt kort ingegaan op de medische aspecten van leverpatho-logie bij kinderen, gevolgd door een meer uitgebreide bespreking van de dieetbehandeling.
C.M.F. Kneepkens, A.M. Stok-Akerboom, G.H. Hofsteenge

Hart– en vaatziekten

Voorwerk

Medische aspecten van (ischemische) hartziekten

(augustus 2007)
Abstract
Hart- en vaatziekten vormen nog altijd de belangrijkste oorzaak van ziekte en sterfte in Nederland en de westerse wereld. De dalende tendens in het sterftecijfer is onder andere het gevolg van sterke verbeteringen in de preventieve en curatieve zorg. Preventie van hart- en vaatziekten wordt in toenemende mate volgens de richtlijnen uitgevoerd, ook al is nog veel voor verbetering vatbaar. Tevens zijn er verbeterde medicijnen en behandelingstechnieken beschikbaar gekomen. In Nederland is bijvoorbeeld de organisatie erop gericht om bij patiënten met een acuut hartinfarct het betrokken bloedvat zo snel mogelijk doorgankelijk te maken door middel van transport naar een centrum waar een dotterbehandeling kan worden uitgevoerd.
Hart- en vaatziekten omvatten een groot aantal ziektebeelden, waarbij een belangrijke groep gevormd wordt door de coronaire ofwel ischemische hartziekten. Bij de overige hartafwijkingen zijn hypertensie, hartklepafwijkingen, hartritmestoornissen, aangeboren hartafwijkingen en cardiomyopathieën de belangrijkste. Het is duidelijk dat bij het ontstaan van ischemische hartziekte de voeding, en vooral de inneming van bepaalde vetzuren, een belangrijke rol speelt. Bij de meeste overige hartziekten is het belang van voeding beperkt tot maatregelen om de verschijnselen en/of klachten waarmee de afwijking gepaard gaat zoveel mogelijk te beperken.
R.F. van Es, J.W. Deckers

Voedingskundige aspecten van (ischemische) hartziekten

(augustus 2012)
Abstract
In dit hoofdstuk worden de risicofactoren voor het ontstaan van hart- en vaatziekten besproken, die door leefstijl en dieetinterventie te beïnvloeden zijn en wordt ingegaan op de dieetbehandeling bij hartfalen. Uitgangspunt voor de leefstijladviezen en de dieetbehandeling bij (ischemische) hart- en vaatziekten zijn de Richtlijnen Goede Voeding, die zijn opgesteld door de Gezondheidsraad in 2006.
M. Duin

Voeding bij de zuigeling en het jonge kind met een aangeboren hartafwijking

(april 2012)
Abstract
Bij kinderen met een aangeboren hartafwijking komen voedingsproblemen en ondervoeding als gevolg van de ziekte regelmatig voor en kunnen het genezingsproces en de ontwikkeling van het kind negatief beïnvloeden. Een groot deel van deze hartafwijkingen wordt chirurgisch gecorrigeerd. Palliatieve chirurgie in het geval van een complexe hartafwijking heeft als doel de circulatie te stabiliseren zonder deze te kunnen normaliseren. Het zijn vooral deze patiënten die langdurige voedingsproblemen hebben en ernstige groeiachterstand kunnen ontwikkelen. Ondervoeding komt het meest voor bij zuigelingen en jonge kinderen tot de leeftijd van 3 jaar. De inhaalgroei na een chirurgische correctie van hartafwijkingen met belangrijke hemodynamische consequenties wordt daarnaast negatief beïnvloed door intra-uteriene en genetische factoren en een laag geboortegewicht. Voedingstherapie dient vroeg gestart te worden om preoperatieve groeivertraging te voorkomen.
N.A.P. van der Herberg-Van de Wetering, M.E.B. Rijlaarsdam

Diabetes Mellitus

Voorwerk

Diabetes mellitus bij volwassenen

(mei 2007)
Abstract
Diabetes mellitus is de benaming van ziektebeelden die een verhoging van het bloedglucosegehalte als gemeenschappelijk kenmerk hebben. Complicaties van diabetes mellitus kunnen de kwaliteit van leven van de patiënt nadelig beïnvloeden. In dit hoofdstuk wordt de lezer geïnformeerd over het ziektebeeld diabetes mellitus en de behandelmogelijkheden, in het bijzonder de voedingstherapie. Om het ontstaan van diabetescomplicaties te voorkomen, uit te stellen of de progressie af te remmen is een adequate behandeling van de diabetes van belang. De behandeling omvat leefstijladviezen waaronder voedingsadviezen en medicatie. In dit hoofdstuk wordt duidelijk waaraan een optimale voeding voor diabetespatiënten volgens de huidige inzichten moet voldoen. Naar middelen en mogelijkheden om de behandeling verder te optimaliseren, diabetes te genezen of voorkomen, is veel onderzoek gaande.
E.S.E. Barents

Voeding bij kinderen met diabetes mellitus

(december 2009)
Abstract
Bij kinderen komt behalve diabetes mellitus type 1, waarbij er een tekort aan insuline bestaat door destructie van de insulineproducerende cellen in de pancreas, ook steeds vaker diabetes mellitus type 2 voor als gevolg van de toename van het percentage kinderen met overgewicht. Bij diabetes type 1 bestaat de behandeling uit het toedienen van insuline. Een strikte glucoseregulatie is belangrijk voor een goede kwaliteit van leven maar ook ter voorkoming van complicaties op de lange termijn. Door de insulinepomp is er meer flexibiliteit mogelijk, wat de kwaliteit van leven van het kind met diabetes type 1 sterk heeft verbeterd. Bij diabetes type 2 zal de aandacht vooral gericht zijn op educatie van het hele gezin over verandering van leefstijl, vooral gericht op gezonde voeding en meer beweging.
W.H. Stokvis-Brantsma, A.W. de Hullu, G.J. van Rooijen

Educatie bij diabetes mellitus

(december 2011)
Abstract
Educatie is een essentieel onderdeel van de behandeling van diabetes mellitus (type 1 en 2). Educatie dient aan een aantal voorwaarden te voldoen en is gericht op het bevorderen van de zelfstandigheid van de persoon met diabetes en het goed leren omgaan met diabetes. Er dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke kenmerken van de persoon met diabetes: behoeften, behandeling, leeftijd, interesses, bevattingsvermogen, enzovoort. Behalve het overdragen van kennis is bij diabeteseducatie het aanleren van vaardigheden van belang (spuiten van insuline, controleren van de bloedglucose, enz.). Om gedragsverandering te bereiken, is een goede methodiek van educatie of counseling nodig. Educatie dient dan ook gegeven te worden door ervaren, getrainde hulpverleners, vanuit een diabetesteam, waarin op zijn minst vertegenwoordigd zijn: een (huis)arts/specialist, een diabetesverpleegkundige/praktijkondersteuner en een diëtist.Wat betreft de inhoud van diabeteseducatie wordt ingegaan op diabetes- en voedingsgerelateerde onderwer-pen. Diabeteseducatie kan individueel gegeven worden, maar de voorkeur gaat uit naar groepsverband en eHealthprogramma’s via internet. Aan het eind van het programma wordt geëvalueerd hoe de persoon met de diabetes omgaat.
B. Wittenberg

Diabetes mellitus type 2 bij Hindostanen

(september 2002)
Abstract
Uit onderzoek blijkt dat diabetes mellitus onder Hindostanen zes tot tien keer vaker voorkomt dan onder de gehele Nederlandse populatie. Mogelijke oorzaken zijn erfelijke factoren, verkeerde voedingsgewoonten, gebrek aan lichaamsbeweging en stress. Positief in de Hindostaanse voedingsgewoonten is dat de voeding relatief veel onverzadigd vet bevat. Knelpunten daarentegen zijn een vaak onregelmatig voedingspatroon, warme maaltijden met veel rijst en de grote sociale waarde die eten heeft in de Hindostaanse cultuur. In dit hoofdstuk worden knelpunten in de dieetadvisering besproken en handvatten aangereikt om hierop in te spelen. Tevens worden hulpmiddelen besproken die in de dieetadvisering gebruikt kunnen worden. Er is veel begrip en geduld nodig om gedragsverandering bij Hindostanen te bewerkstelligen en te handhaven. Kennis over Hindostaanse voedingsgewoonten en cultuur is daarbij noodzakelijk.
J.J.C. Romulus-Nieuwelink, M.J.A. Traa

Diabetes mellitus bij Turken

(december 2003)
Abstract
Uit onderzoek blijkt een hogere prevalentie van diabetes mellitus type II bij Turken in Nederland dan onder de autochtone bevolking. Mogelijke oorzaken zijn: overgewicht, erfelijke factoren, omgevingsfactoren, gebrek aan lichaamsbeweging en stress. Ondanks dieetbegeleiding worden slechtere bloedglucosewaarden gevonden bij deze groep dan bij autochtonen. Bij de begeleiding dient rekening gehouden te worden met de sociaal-culturele achtergrond en de voedingsgewoonten. Knelpunten bij de begeleiding zijn een gebrek aan kennis over het eigen lichaam, de taal, een andere ziektebeleving, een vaak onregelmatig voedingspatroon, over-gewicht en weinig lichaamsbeweging. Positief is dat de voeding minder verzadigde vetten en meer fruit (en groente) bevat. Het inzetten van Voorlichters Eigen Taal en Cultuur (vetc’er) en (professionele) tolken bij de advisering kan bijdragen aan een betere hulpverlening. Meer consulten, met een langere duur zullen ingepland moeten worden. Het is aan te raden om gebruik te maken van video en foldermateriaal in het Turks over diabetes. Verder is het ontwikkelen van (visueel) materiaal omtrent de voeding bij diabetes in het Turks gewenst. Voor hulpverleners is kennis over voedingsgewoonten, cultuur en de aanwezige hulpmiddelen noodzakelijk om de steeds groter wordende groep Turken met diabetes te begeleiden.
M.J.A. Traa

Diabetes mellitus bij Marokkanen

(februari 2005)
Abstract
Kennis van de cultuur is een voorwaarde voor een succesvolle begeleidingen van Marokkaanse diabetespatiënten. Hier moeten zowel de patiënt als de hulpverlener zich voor inzetten.
De leefstijlveranderingen die naar Nederland geïmmigreerde Marokkanen ondergaan, hebben vaak een negatieve invloed op hun gezondheid.
F.S. Malki, L.A. Waterval

Diabetes mellitus en zwangerschap

(februari 2005)
Abstract
Diabetes mellitus en diabetes gravidarum vergroten de kans op complicaties tijdens de zwangerschap. De kans op complicaties bij moeder en kind als gevolg van diabetes type 1 of type 2 is afhankelijk van de instelling en de van tevoren aanwezige complicaties bij de moeder. Het risico hangt onder andere samen met de bloedglucoseregulatie rond de conceptie. Bij normoglykemie in deze periode is de kans op een aangeboren afwijking het kleinst, maar nog altijd één- tot tweemaal groter dan bij vrouwen zonder diabetes.
Het belangrijkste doel van de behandeling tijdens de zwangerschap is het normaliseren van de bloedglucosewaarden. Voor een optimaal resultaat van de behandeling van zowel zwangere vrouwen met diabetes mellitus als vrouwen met diabetes gravidarum is het noodzakelijk dat de patiënten goede voorlichting krijgen en de adviezen voor de voeding kunnen integreren in hun dagelijks leven. De diëtist speelt hierbij een belangrijke rol. Educatie en zelfcontrole van de bloedglucosewaarden vormen een belangrijk onderdeel van de multidisciplinaire behandeling.
G.H. Hofsteenge

Diabetes mellitus in de adolescentiefase

(juli 2005)
Abstract
In de adolescentiefase verandert er veel in het leven, het gedrag en het lichaam van een kind. Deze verandering kan veel invloed hebben op de diabetesregulatie en het omgaan met de diabetes. Voor zorgverleners is het belangrijk te weten om welke veranderingen het gaat en hiermee rekening te houden. Soms moeten zorgverleners zelfs een groot deel van hun doelen loslaten om het contact en de omgang met elkaar zo goed mogelijk te houden. Dit kan af en toe erg moeilijk zijn en een conflict met henzelf oproepen. Centraal in de behandeling staat adolescenten te helpen zelf specialist te worden van de eigen diabetes door hen te steunen in zelfstandig optreden en eigen keuzes, ruimte te bieden voor veranderingen en experimenten en grove stuurfouten te begrenzen. De behandelaar zal tevens moeten aanvaarden dat gedurende enkele jaren andere dingen belangrijker zijn dan de diabetes.
J.M.T. Heeremans, M.P.R.D. Mohr-de Laat, J. Waelkens

Diabetes mellitus en bewegen

(juli 2005)
Abstract
Vanwege de toenemende bewegingsarmoede en het stijgende overgewicht van de Nederlander is de Nederlandse Norm Gezond Bewegen opgesteld (nngb). Deze norm is ook van toepassing op mensen met diabetes mellitus. Voor mensen met diabetes type 1 draagt meer bewegen bij tot een betere conditie en een kleinere kans op complicaties. Bij mensen met diabetes type 1 en 2 leidt meer bewegen tot een verbeterde diabetesinstelling.
Meer bewegen heeft een lagere bloedglucosespiegel tot gevolg, waardoor er aanpassingen noodzakelijk zijn op het gebied van voeding en medicatie. Het gebruik van extra koolhydraten vooraf en zonodig tijdens de inspanning is nodig om een hypoglykemie te voorkomen. Het gebruik van een eetdagboek in combinatie met een sportcurve is hierbij een belangrijk instrument. De diëtist heeft kennis van bloedglucoseregulatie en diabetesmedicatie en kan juiste voedingsadviezen en educatie geven.
G. Janssen-Burg

Nierziekten

Voorwerk

Nierziekten bij volwassenen

(december 2007)
Abstract
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste functies van de nier beschreven, evenals de anatomie en fysiologie. Daarna worden acute en chronische nierinsufficiëntie, het nefrotisch syndroom en nierstenen behandeld. Hierbij wordt aandacht besteed aan veelvoorkomende oorzaken, de symptomen, het beloop en de behandeling. Tot slot worden enkele aanbevelingen voor de praktijk gegeven.
P.M. ter Wee

Dieet bij chronische nierinsufficiëntie

(juli 2005)
Abstract
Het dieet bij chronische nierinsufficiëntie betekent een beperking van eiwit, natrium, kalium en fosfaat in de voeding. Bij de samenstelling van het dieet moet tevens gelet worden op voldoende energie, de voedingstoestand, voldoende vocht en een beperking van verzadigd vet. Deze dieetmaatregelen beogen het uitstellen van uremische complicaties, de regulering van de vochthuishouding en de elektrolytenbalans, het handhaven dan wel verbeteren van de voedingstoestand en, voorzover mogelijk, het vertragen van de achteruitgang van de nierfunctie.
J.G. Spijker

Nierfunctievervangende therapie en dieet

(juli 2005)
Abstract
Bij voortschrijdend nierfunctieverlies treden veel levensbedreigende complicaties op. Nierfunctievervangende therapie kan dan een deel van de functie van de nieren overnemen zodat de patiënt kan overleven. Dieetadviezen ten aanzien van eiwit, energie, natrium, kalium, fosfaat en vocht nemen een belangrijke plaats in bij de nierfunctievervangende behandeling. Verder is er veel aandacht nodig voor een optimale voedingstoestand. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de kwaliteit van leven van de dialysepatiënt.
J.G. Spijker

Nierinsufficiëntie bij kinderen

(oktober 1999)
J.A.E. van Wijk

Nefrotisch syndroom bij kinderen

(oktober 1999)
J.A.E. van Wijk

Voeding en dieettherapie bij kinderen met chronische en terminale nierinsufficiëntie

(oktober 1999)
J.A.E. van Wijk, T.A.M. van den Hurk

Voeding bij nierziekten bij kinderen

(december 2010)
Abstract
Bij kinderen met nierinsufficiëntie (acuut en chronisch), nefrotisch syndroom en nierstenen is begeleiding door een diëtist gewenst. Bij de zorg voor kinderen met een chronische nierinsufficiëntie is de inbreng van een diëtist onontbeerlijk. Kinderen met deze chronische aandoening hebben een verminderde eetlust en verdragen de voeding vaak minder goed. Daarbij komt dat het nodig is beperkingen aan het dieet te stellen. Onvoldoende energie-inname, stille ondervoeding en groeiachterstand vormen zodoende een reële bedreiging voor deze patiënten. Ook bij acute nierinsufficiëntie, nefrotisch syndroom en nierstenen speelt de diëtist een rol in de zorg. Bij deze ziekten moet het dieet voor korte of langere duur worden aangepast en vaak houdt dit een significante beperking in. Daarbij blijft het oogmerk om een voldoende inname te garanderen en deficiënties in de voeding te voorkomen.
M.J.S. Oosterveld, J.W.M. Renken-Terhaerdt, J.A.E. van Dijk

Voeding met gewijzigde consistentie

Voorwerk

Orale voeding met een aangepaste consistentie

(december 2004)
Abstract
Eten en drinken en het daarbij horende kauwen en slikken zijn alledaagse bezigheden die vanzelfsprekend worden gevonden. Wanneer een patiënt door lichamelijke of geestelijke factoren niet in staat is normaal te kauwen of te slikken, of wanneer het voedsel niet wil ‘zakken’, kan het noodzakelijk zijn de consistentie van de voeding aan te passen. De voedingsconsistentie is afhankelijk van de indicatie. Om de op de patiënt afgestemde consistentie aan te duiden is het van belang dat er eenduidige terminologie wordt gebruikt. Als de patiënt wordt overgeplaatst naar een andere instelling of een andere afdeling, bestaat de kans dat de patiënt voedsel met een andere consistentie krijgt. Hierdoor nemen het risico op verslik- ken en de angst van de patiënt om te eten toe. Een multidisciplinaire werkgroep heeft een richtlijn met de voedingsconsistentiematrix als aanbeveling uitgebracht. De richtlijn met de matrix bestaat uit het expliciet benoemen van wat belangrijk is bij aangepaste voedingsconsistenties.
D. Kroes

Klinische voeding

(augustus 2012)
Abstract
Klinische voeding is voeding voor zieke mensen, die niet via de gebruikelijke weg, maar op kunstmatige wijze wordt toegediend via een voedingssonde, voedingsfistel of via een directe toegang in de bloedbaan. Het doel is het stimuleren van het metabolisme door optimalere voedingsinname, waardoor complicaties van ziekte en behandeling worden beperkt of voorkomen.
Het vaststellen van de behoefte aan voedingsstoffen en de wijze van evaluatie worden besproken. De verschillende wegen voor toediening van klinische voeding komen aan de orde, evenals de complicaties die kunnen optreden.
In de andere hoofdstukken in het katern VI van de sectie Dieetleer wordt uitgebreid ingegaan op de verschillende voedingsmogelijkheden via de enterale weg en de parenterale weg (direct in de bloedbaan). Voor klinische voedingstherapie is een multidisciplinaire aanpak vereist; de rol van de diëtist wordt in dit hoofdstuk neergezet.
C.F. Jonkers-Schuitema, T.A.J. Tas

Enterale voeding

(december 2012)
Abstract
Wanneer het niet mogelijk is om te voeden via de natuurlijke weg (mond en vervolgens maag-darmkanaal), is kunstmatige voeding geïndiceerd. Via het maag-darmkanaal toegediend wordt deze ook wel enterale voeding genoemd of — naar de toedieningsweg — sondevoeding. In dit hoofdstuk worden de mogelijkheden voor enterale voeding besproken. Na het vaststellen van de indicatie voor enterale voeding volgt de beslissing over de samenstelling en de toedieningsweg van de enterale voeding.
Dit hoofdstuk biedt een leidraad voor het maken van de keuze voor de soort voeding en de verschillende toedieningswegen. Daarbij worden de mogelijke complicaties ten gevolge van de toediening van enterale voeding besproken en suggesties gegeven hoe de enterale voeding opgebouwd kan worden. Het hoofdstuk sluit af met enterale voeding in de thuissituatie en de rol van de diëtist bij deze vorm van voedingstherapie.
C.F. Jonkers-Schuitema, T.A.J. Tas

Parenterale voeding

(april 2013)
Abstract
Parenterale voeding is geïndiceerd voor patiënten die niet in staat zijn via de enterale weg (oraal of door de sonde) voldoende voedingsstoffen op te nemen. De risico’s en complicaties van parenterale voeding zijn ernstig en deze wordt daarom alleen geadviseerd wanneer er drie dagen of langer, parenteraal (bij)gevoed kan worden. Dit hoofdstuk beschrijft de indicaties voor parenterale voeding, de mogelijke toedieningswegen, samenstelling en complicaties. Behandeling van een patiënt met parenterale voeding gebeurt bij voorkeur door een gespecialiseerd voedingsteam. Regelmatige evaluatie van bloedwaarden en gewicht kan ervoor zorgen dat de voorgeschreven voeding optimaal wordt toegepast. Is het niet mogelijk tijdens de opname de voeding via de enterale weg te hervatten, dan kan de parenterale voeding ook thuis worden gecontinueerd.
C.F. Jonkers-Schuitema, T.A.J. Tas

Perioperatieve voeding

(augustus 2012)
Abstract
Ondervoeding is een risicofactor voor postoperatieve morbiditeit en sterfte. Een preoperatieve goede voedingstoestand en een optimale voeding gedurende de opname lijken derhalve belangrijke factoren in de behandeling van de chirurgische patiënt. Een slechte preoperatieve voedingstoestand leidt tot toename van morbiditeit, mortaliteit, hogere kosten en langere ziekenhuisopnameduur van de patiënt die geopereerd wordt. Rondom de operatie is een zo kort mogelijke periode van nuchter zijn en het zo snel mogelijk kunnen herstarten van voeding belangrijk voor het behoud van de voedingstoestand. Dit hoofdstuk is geschreven op basis van de informatie uit de CBO-richtlijn Perioperatief voedingsbeleid, 2007.
A. Droop, E. Steenhagen

Voedselovergevoeligheid

Voorwerk

Allergie

(december 2012)
Abstract
Allergische ziekten komen de laatste veertig jaar steeds vaker voor, vooral in landen met westerse levensgewoontes. De afname van vroegkinderlijke blootstelling aan infectieuze prikkels en de toegenomen blootstelling aan een breed scala (voedsel)allergenen zijn factoren die daarbij een belangrijke rol spelen. De gevolgen van de ‘allergie-epidemie’ zijn aanzienlijk voor de patiënt en zijn/haar omgeving, maar ook voor de samenleving als geheel. Daarbij valt te denken aan de negatieve invloed van allergie op de kwaliteit van leven voor de individuele patiënt en aan directe (medische) en indirecte (ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid, enz.) kostenstijging.
Allergische aandoeningen zijn chronisch en ze zijn niet te genezen. De huidige behandelopties zijn allergeenvermijding, symptoombestrijding en allergeenspecifieke immunotherapie. Tegen deze achtergrond blijft allergie, en met name voedselallergie/overgevoeligheid, een zowel medisch als sociaaleconomisch interessant domein waar onverminderd onderzoek plaatsvindt naar oorzaken, pathofysiologische mechanismen en effectievere behandelingen. Niet-valide diagnostiek en overbodige behandelingsmethoden dienen vermeden te worden, omdat ze bijdragen aan een verzwaring van de ziektelast en kostenstijging.
A.P.H. Jansen

Voedselovergevoeligheid bij zuigelingen, peuters en kleuters

(april 2008)
Abstract
Voedselovergevoeligheid is een complexe aandoening waarbij de diëtist niet alleen in de behandeling, maar ook in de diagnostiek een belangrijke rol speelt. Dit hoofdstuk biedt achtergrondinformatie over de prevalentie, etiologie, pathologie en klinische verschijnselen van voedselovergevoeligheid bij zuigelingen, peuters en kleuters. Verder wordt ingegaan op de diagnostiek en behandeling bij jonge kinderen met (vermeende) voedselovergevoeligheid.
Voor de beschrijving van de diagnostiek en behandeling van voedselovergevoeligheid bij zuigelingen is de Landelijke standaard voedselallergie bij zuigelingen (Kneepkens e.a., 2005) als leidraad gebruikt. De meer complexe problemen op dit gebied (zoals die in de tweede en derde lijn worden gezien) komen ook uitgebreid aan de orde. Voor de peuter- en kleuterleeftijd worden specifieke adviezen gegeven, waarbij niet alleen aandacht is voor de voeding maar ook voor de normale ontwikkeling.
Vaak schrijven ouders ten onrechte allerlei klachten toe aan voedselovergevoeligheid. Het voorkomen van overdiagnostiek, en als gevolg daarvan onnodige eliminatie, is daarom een belangrijk aandachtspunt in dit hoofdstuk. Onnodige eliminatie kan de emotionele en fysieke groei belemmeren.
C.J.E. Aarsen, S. van Amstel-Visser, K.I. van Drongelen, B.W. de Jongh

Voedselovergevoeligheid bij oudere kinderen en volwassenen

(december 2005)
Abstract
De dieetbegeleiding van patiënten met voedselovergevoeligheid vereist van de diëtist meedenken en meebehandelen in het diagnostisch traject en vraagt een flinke tijdsinvestering. Op basis van de aangeleverde medische en immunologische gegevens bepaalt de diëtist of er sprake is van een verhoogde kans op voedselallergie op basis van een atopische aanleg of niet. De voedingsanamnese bij voedselovergevoeligheid is afgestemd op de individuele situatie van de patiënt. Deze wordt afgenomen op basis van het risicoprofiel, positief geteste inhalatie- of voedselallergenen (indien aanwezig) en gegevens verkregen uit eigen aanvullend anamnestisch onderzoek. De hieruit voortkomende diëtistische diagnose legt vast welke voedingsmiddelen verdacht zijn in relatie tot de klachten van de patiënt en of de voeding kwalitatief verbeterd moet worden. Hierna wordt een diagnostisch dieet opgesteld, gevolgd door een voedselprovocatie of re-introductie van het geëlimineerde voedingsmiddel. Ten slotte kan het definitieve dieetadvies worden opgesteld.
B.J. Vlieg-Boerstra

Pediatrie

Voorwerk

Voeding voor prematuren en dysmaturen

(augustus 2013)
Abstract
Recent onderzoek toont een positief effect van snelle introductie van Totaal Parenterale Voeding (TPV) met een hoog eiwitaanbod op de groei en ontwikkeling van pasgeborenen met een extreem korte zwangerschapsduur. Niet alleen over de eiwitkwantiteit en -kwaliteit zijn er nieuwe inzichten, maar ook wat betreft het gebruik van vetemulsies zijn er aanwijzingen dat door het gebruik van gestructureerde lipiden in de emulsies (visoliën) er minder snel cholestase optreedt bij zeer preterme neonaten.
Borstvoeding blijkt in sterke mate bij te dragen aan de afweer van de preterme zuigeling en het voorkómen van Necrotiserende Entero Colitis (NEC) bij extreem prematuren, terwijl extra macro- en micronutriënten (eiwitten, calcium en fosfaat) kunnen worden toegevoegd als moedermelkversterker. Onderzoek heeft aangetoond dat suppletie van aminozuren, zoals glutamine, aan speciale prematurenvoeding kan leiden tot een betere darmfunctie en dat het gebruik van pre- en/of probiotica en nucleotiden de immuunfunctie kunnen versterken.
Follow-up studies tonen aan dat te snelle inhaalgroei na de preterme geboorte kan leiden tot het metabool syndroom op latere leeftijd. Om die reden is speciale eiwitversterkte, energieverlaagde ‘postdischarge"-voeding ontwikkeld, die de eerste zes maanden thuis na ontslag uit het ziekenhuis kan worden gegeven. Gebruik van deze voeding laat zien dat een goede groei optreedt met een lagere lichaamsvet-samenstelling dan bij standaardzuigelingenvoeding.
H.N. Lafeber

Coeliakie bij kinderen

(augustus 2009)
Abstract
Mensen die aan coeliakie lijden hebben een intolerantie voor gluten en moeten een glutenvrij dieet volgen. Het is niet precies bekend hoe coeliakie ontstaat, maar het is wel duidelijk dat genetische en omgevingsfactoren een rol spelen. De ziekte komt in Nederland voor bij ten minste één op de honderdvijftig personen, al zijn er nog altijd veel niet-herkende gevallen. De klinische verschijningsvorm van coeliakie is in de loop der tijd veranderd en wordt nu vaker als monosymptomatische of atypische verschijningsvorm gezien. In dit hoofdstuk wordt besproken wat de verschijnselen van de ziekte zijn en waardoor die veroorzaakt worden. De diagnose wordt gesteld op basis van een biopt uit de dunne darm. De behandeling bestaat uit een levenslang glutenvrij dieet. Dit is niet eenvoudig omdat veel producten verborgen gluten bevatten en omdat er contaminatie met gluten kan optreden. De diëtist begeleidt en motiveert de patiënt en geeft informatie over glutenvrije producten. Ook de Nederlandse Coeliakie Vereniging en het Diëtisten Info Netwerk Coeliakie (DINC) kunnen hierbij een rol spelen.
F. van Klinken

Adipositas

Voorwerk

Obesitas bij volwassenen

(mei 2009)
Abstract
Obesitas is een veelvoorkomende risicofactor voor een aantal ziekten. Een Body Mass Index van 30 kg/m2 of meer wordt geassocieerd met het optreden van hart- en vaatziekten, diabetes mellitus, verschillende vormen van maligniteit en een aantal andere aandoeningen. Gewichtsverlies verbetert het risicoprofiel. Behalve de totale hoeveelheid vet die in het lichaam aanwezig is, is ook de vetverdeling van belang voor de geassocieerde risico’s. Vooral overmatige vetopslag in de abdominale compartimenten is slecht voor de gezondheid. Een middelomtrek van meer dan 88 cm bij vrouwen en meer dan 102 cm bij mannen is sterk geassocieerd met ziekte. Obesitas is een multifactorieel bepaalde aandoening. Genetische aanleg, voedingscondities in de baarmoeder en direct na de geboorte, en omgevingsfactoren spelen een pathogenetische rol. Verandering van eetgedrag en lichamelijke activiteit vormen de hoekste-nen van de behandeling. De verandering van eetgedrag kan gedragstherapeutisch, medicamenteus of chirurgisch worden ondersteund.
H. Pijl

Adipositas bij kinderen

(december 2001)
Abstract
Adipositas op de kinderleeftijd heeft ingrijpende psychosociale en somatische gevolgen. Onafhankelijk van het volwassen gewicht leidt adipositas in de adolescentie tot een toegenomen morbiditeit en mortaliteit aan coronaire hartziekten. Adipositas op de kinderleeftijd die op volwassen leeftijd blijft bestaan, is geassocieerd met een hogere morbiditeit.
Er bestaat geen algemeen geaccepteerde definitie voor adipositas op de kinderleeftijd. Hierdoor zijn er verschillende methoden in gebruik om adipositas bij kinderen vast te stellen en te kwantificeren. Gebruik van de Body Mass Index (bmi) of Quetelet-index (qi) wordt toenemend aanbevolen.
De laatste jaren is er sprake van een duidelijke toename van adipositas bij kinderen. Via een goede anamnese en volledig lichamelijk onderzoek komt men risicofactoren en eventueel al bestaande gevolgen van de adipositas op het spoor. Een multidisciplinaire behandeling waarin de ouders participeren biedt de meeste kans op blijvende gewichtsafname.
A.H. Teeuw, J.A.J.M. Taminiau

De behandeling van overgewicht bij kinderen

(juli 2004)
Abstract
Steeds meer kinderen hebben te kampen met gewichtsproblemen. Het aantal te dikke kinderen is tussen 1980 en 1997 verdubbeld. Overgewicht ontstaat vaak al tussen het vierde en zesde levensjaar en de schatting is dat thans 15 procent van de totale populatie kinderen overgewicht heeft. Overgewicht bij kinderen is gerelateerd aan overgewicht op volwassen leeftijd. Een dik kind gaat een leven met ‘hindernissen’ tegemoet en ontwikkelt een allesbehalve gunstig risicoprofiel. Behalve de gezondheidsrisico’s zijn bij kinderen met name de psychosociale gevolgen van overgewicht ingrijpend. Dikke kinderen hebben vaak een negatief zelfbeeld, emotionele problemen, gedragsproblemen, zij worden gepest en raken sociaal geïsoleerd.
Kinderen met overgewicht worden het meest effectief begeleid met gedragstherapie. Er zijn ambulante, maar ook klinische, multidisciplinaire begeleidingsprogramma’s. De programma’s moeten uitnodigend en prik-kelend zijn voor kinderen en ouders. Begeleiding kan plaatsvinden individueel, in groepsverband of in een mix van beide. De laatste optie biedt de beste kansen op een goed resultaat.
Het voorkomen van overgewicht op jonge leeftijd is natuurlijk van groot belang. Overgewicht bij kinderen is gerelateerd aan overgewicht bij volwassenen, dus het is zaak sterk in te zetten op preventie van overgewicht bij kinderen.
J. Veen-Roelofs

Beoordeling van gangbare en minder gangbare vermageringsdiëten en voedingsadviezen

(augustus 2013)
Abstract
Obesitas is een chronische, niet te genezen metabole ziekte van overmatige vetopslag met vele tegenregulatiemechanismen die afvalpogingen dwarsbomen. De boodschap dat 5–10 procent gewichtsverlies, mits langdurig behouden, gezondheidswinst oplevert, is niet populair bij personen met overgewicht die de diëtist als hulpverlener benaderen. De diëtist moet zich telkens realiseren dat energie-inneming voor 47 procent wordt ondergerapporteerd en lichamelijke activiteit voor 51 procent wordt overgerapporteerd. Ook moet de diëtist een antwoord hebben op de vele feiten en fabels die opduiken als het afvallen niet (meer) lukt. Populaire diëten die met veel tromgeroffel en aandacht in de pers gebracht worden, zijn vaak op halve waarheden gebaseerd. De diëtist heeft tot taak populaire diëten te beoordelen op de juistheid van de achterliggende beweringen en de voorschriften te toetsen aan de eisen die aan een goed vermageringsdieet moeten worden gesteld. Het doel van dit hoofdstuk is de diëtist te wapenen met de kennis om feiten van fabels te scheiden.
E.M.H. Mathus-Vliegen

Endoscopische behandelmethoden bij obesitas

(april 2013)
Abstract
Afhankelijk van de mate van overgewicht volgen na gecombineerde leefstijlinterventies, bestaande uit voedings- en beweegadviezen en gedragstherapie, de medicamenteuze therapie en chirurgie. Door het van de markt halen van vele medicijnen is alleen orlistat, een lipaseremmer, beschikbaar. Bariatrische chirurgie komt pas bij een BMI van > 40 kg/m2 in aanmerking of bij een BMI van > 35 kg/m2 bij ernstige comorbiditeit. Er is dus een enorm behandelingsvacuüm voor een groot aantal mensen met een BMI tussen 28 en 40 kg/m2.
Endoscopische behandelmethoden kunnen dit vacuüm opvullen en bestaan uit restrictieve methoden, zoals intragastrische ballonnen (ofwel maagballonnen) en endoscopische maagverkleiningsingrepen, en bypass-methoden. Intragastrische ballonnen grijpen in op de wisselwerking tussen centrale cerebrale en perifere verzadigingsmechanismen en zijn een hulpmiddel bij de beperking van de orale inneming. Maagverkleining door inwendige ingrepen beperken de voedselinname en lijken op de chirurgi-sche maagband of de maagsleeve. Het endoscopisch bypassen van maag, duodenum en jejunum hebben effecten op de vertering en op de gastro-intestinale hormoonhuishouding en lijken op de chirurgische maag-bypass. Het behaalde gewichtsverlies is aanzienlijk en beter dan bij de medicamenteuze therapie, maar minder goed dan bij bariatrische chirurgie. Dit gewichtsverlies wordt mede bepaald door de mate van energiebeperking en het begeleidende programma van gedragsverandering en lichaamsbeweging. De diëtist heeft hierbij een belangrijke rol, evenals in de eerste tijd na de ingreep vanwege klachten en bij het advies over een vloeibaar dieet in de eerste weken. Bij tijdelijke therapieën, zoals de maagballon en bypassmethoden, is deskundige begeleiding op termijn van eminent belang.
E.M.H. Mathus-Vliegen

Chirurgische behandeling van extreem overgewicht (morbide obesitas)

(december 2012)
Abstract
Morbide obesitas is een sterk groeiend gezondheidsprobleem, waarvoor behandeling noodzakelijk is vanwege het hoge risico op allerlei ziekten, zoals diabetes mellitus en hart- en vaatziekten. Conservatieve behandeling, zoals een dieet, leidt in de meeste gevallen niet tot het gewenste resultaat en heeft vaak alleen effect voor korte duur. De chirurgische behandeling, hetzij door een beperking van de voedselinneming, hetzij door een ingreep die de energieopname beperkt, geeft op dit moment de meeste kans op een succesvol resultaat. Voorwaarde voor succes zijn een goede patiëntenselectie (multidisciplinair team), een op de patiënt afgestemde operatie en een optimale (pre- en) postoperatieve begeleiding. Hierbij is een belangrijke rol voor de diëtist weggelegd. Adequate dieetadviezen en het tijdig herkennen van problemen zijn daarbij cruciaal. Basiskennis van de gebruikte operatieve technieken komt daarbij zeer van pas.
J.W.M. Greve, G. Erkens

Farmacotherapie ter behandeling van obesitas

(augustus 2006)
Abstract
Obesitas is een steeds groter wordend volksgezondheidsprobleem. Excessieve vetstapeling, met name in de buikholte, leidt tot een toegenomen incidentie van onder andere hart- en vaatziekten, diabetes mellitus type 2 en bepaalde kankervormen. De oorzaak is altijd gelegen in een structureel positieve energiebalans (grotere energie-inneming dan -verbruik). Behandeling van obesitas moet dan ook altijd en primair gericht zijn op het verkrijgen van een negatieve energiebalans, door het verstrekken van adequate voedings-, bewegings- en gedragsadviezen. Verder is het op lange termijn handhaven van een eenmaal bereikte gewichtsreductie van groot belang. Een gewichtsreductie van circa 10 procent van het oorspronkelijk gewicht geeft al een duidelijke reductie van het cardiovasculaire risico. Farmacotherapie kan bij gewichtsreductie en gewichtshandhaving uitsluitend een ondersteunende rol spelen. In Nederland zijn hiervoor twee preparaten beschikbaar: de lipaseremmer orlistat en de centraal werkende eetlustremmer sibutramine. Van beide middelen zijn de effectiviteit en veiligheid in vele grote trials uitgebreid onderzocht. Gebruik van deze middelen gedurende een jaar geeft gemiddeld 3 tot 4,5 kg meer gewichtsverlies dan bij een placebo, en voortgezet gebruik zorgt voor een significant betere gewichtshandhaving. De bijwerkingen zijn in het algemeen, en bij adequate begeleiding zeker, acceptabel. Helaas worden deze middelen gewoonlijk niet door de zorgverzekeraars vergoed en de vrij hoge prijs (80 euro per maand) is een belemmering voor het inzetten van deze middelen bij veel obese patiënten. De diëtist kan een belangrijke rol spelen bij het geven van adviezen aan patiënten en artsen ten aanzien van voor- en nadelen van farmacotherapie bij obesitas.
P.M.J. Zelissen

Lichamelijke activiteit, overgewicht en gezondheid

(augustus 2007)
Abstract
In Nederland kampen steeds meer mensen met overgewicht. Zowel bij de behandeling als de preventie van overgewicht speelt regelmatige lichamelijke activiteit een onmisbare rol. In dit hoofdstuk komen de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot lichamelijke activiteit in relatie tot overgewicht aan de orde. Hoe actief moet iemand zijn? Hoe lang moet iemand bewegen en hoe intensief ? Wat is de relatie tussen lichamelijke activiteit en overgewicht? Wat is de relatie tussen lichamelijke activiteit en fitheid enerzijds en gezondheid anderzijds? Tot slot wordt ingegaan op de vertaling van de wetenschappelijke bevindingen naar beweegadviezen die bruikbaar zijn in de dagelijkse (diëtisten)praktijk.
M. Chin A Paw

Neurologische aandoeningen

Voorwerk

Voeding en de ziekte van Parkinson

(december 2008)
Abstract
De ziekte van Parkinson is een ziekte van de hersenen. De ziekte is chronisch, progressief en invaliderend, en vooral oudere mensen worden erdoor getroffen. De therapie bestaat uit een medicamenteuze en een niet-medicamenteuze component. Bij de behandeling zijn verschillende disciplines betrokken. Door zowel de ziekte zelf als door de medicamenteuze therapie kunnen (voedings)problemen zoals obstipatie, kauw- en slikstoornissen, alsmede onder- en overgewicht optreden. Tevens kan door invloed van de voeding de werkzaamheid van het medicijn levodopa verminderen.
H.C. Dicke

Kauw- en slikstoornissen

(december 2003)
Abstract
Stoornissen in het kauwen en slikken bemoeilijken het adequaat innemen van voedsel. Oorzaken van slikstoornissen zijn vaak neurologische ziekten of mechanische veranderingen door ingrepen in het hoofd- en halsgebied. Afhankelijk van de oorzaak en de slikfase die is aangedaan, bestaat de behandeling uit oefeningen om het kauwen en slikken efficiënter en veiliger te laten verlopen, tegelijk met adviezen over de beste voedselconsistentie. Multidisciplinaire diagnostiek en behandeling betreffen zowel medische disciplines (o.a. kno-arts, neuroloog, radioloog) als paramedische disciplines (o.a. diëtist en logopedist).
J.G. Kalf

Voeding bij de ziekte van Huntington

(augustus 2012)
Abstract
De ziekte van Huntington is een autosomaal neurodegeneratieve aandoening die leidt tot atrofie in de basale ganglia en in de cortex. Dit heeft bewegings- en mentale stoornissen tot gevolg. De chorea (onwillekeurige bewegingen) is het meest voorkomende en opvallendste kenmerk.
De energiebehoefte kan bij Huntingtonpatiënten oplopen tot wel 3000–3500 kcal per dag. Motorische beperkingen, slikstoornissen, stoornissen in het cognitief functioneren en persoonlijkheidsveranderingen kunnen leiden tot beperkingen in het voedingsgedrag.
Naast ongewenst gewichtsverlies kunnen obstipatie en braken voedingsproblemen veroorzaken.Wanneer de slikfunctie ernstig verminderd is of als de patiënt met orale voeding niet in zijn voedingsbehoefte kan voorzien, kan kunstmatige toediening van voeding een oplossing zijn. Hierbij moeten de ethische aspecten goed overwogen worden.
J.A. van Dommelen-van Wamelen, P. Minkhorst

Multipele sclerose en voeding

(december 2009)
Abstract
Dit hoofdstuk behandelt aspecten die van belang zijn om mensen met multipele sclerose (MS) te behandelen en te begeleiden bij het aanpassen van hun voeding. Het gaat in op de prevalentie en incidentie van MS, op het ziektebeeld zelf en op de prognose en sociale gevolgen van de ziekte. De (medische) behandelingen van mensen met MS komen aan de orde, evenals de inzet van verschillende professionals bij de totale behandeling. De beschreven symptomen en klachten vormen het uitgangspunt van de dieetbehandeling. De behandeling van MS is momenteel slechts gericht op het onderdrukken en remmen van de progressie van de ziekte en op het bestrijden van symptomen. De diëtistische behandeling vermindert de symptomen en klachten die mensen met MS ervaren. Dit hoofdstuk biedt de handvatten voor een kwalitatief goede dieetbehandeling. Voor het verband tussen voedingsfactoren en het ontstaan van MS zijn er wel enkele aanwijzingen, maar vooral is duidelijk dat verder onderzoek nog nodig is.
K. van Pul

Bloedziekten

Voorwerk

Voeding bij hemato-oncologische ziekten

(maart 2004)
Abstract
De hematologie houdt zich bezig met de fysiologie en pathologie van bloed en bloedvormende organen. De hemato-oncologische ziekten vormen een substantieel onderdeel van de patiëntenzorg in dit vakgebied. De behandeling van hemato-oncologische ziekten bestaat veelal uit chemotherapie, al dan niet gecombineerd met radiotherapie en/of stamceltransplantatie. Voedingsadviezen tijdens de behandeling van deze ziekten zijn van groot belang. De behandeling van de hemato-oncologische aandoeningen heeft namelijk grote invloed op de voedingsstatus van de patiënt. Niet alleen verkeren de patiënten vaak in een katabole toestand, maar ook is de inneming van voedsel vaak ernstig belemmerd. Dit komt door de hooggedoseerde chemotherapie en eventuele radiothera-pie, die gepaard gaan met gastro-intestinale klachten. Bovendien heeft een aantal behandelingen een langdurige pancytopenie tot gevolg waarbij ter preventie van infectieuze complicaties onder andere darmdecontaminatie en kiemarme voeding wordt voorgeschreven.
Behandeling van hemato-oncologische aandoeningen c.q stamceltransplantaties vindt plaats in specialistische centra.
S. Runia, L.M.W. van Venrooij

Oncologie

Voorwerk

Voeding bij oncologische aandoeningen

(juli 2008)
Abstract
Oncologische aandoeningen leiden vaak tot een verslechterde voedingstoestand en een veranderde lichaamssamenstelling met een negatief effect op de overlevingskansen en op de kwaliteit van leven. De voedingsinneming en stofwisseling kunnen worden verstoord. Voedingszorg vormt een belangrijk onderdeel van de totale zorg voor oncologische patiënten. Zowel voor aanvang als tijdens en na de behandeling spelen gerichte voedingsadviezen een belangrijke ondersteunende rol om genezing of optimale palliatie te bereiken. Voor een goede voedingszorg is het van belang dat voedingsinterventies niet ad hoc worden toegepast, maar dat hulpverleners beschikken over richtlijnen voor voeding bij oncologische aandoeningen in het algemeen en over specifieke richtlijnen en werkafspraken voor voedingsinterventie bij vormen van kanker die in een bepaalde instelling of bepaald werkveld worden behandeld.
N. Doornink, J. Vogel

Oncologische aandoeningen bij kinderen

(mei 2009)
Abstract
Bij kinderen met kanker is een goede voedingstoestand van essentieel belang omdat een kind geestelijk en lichamelijk volop in ontwikkeling is. Bij kinderen zijn de meestvoorkomende vormen van kanker: leukemie, lymfklierkanker, blastomen en sarcomen. De behandeling gaat bij veel patiënten gepaard met gewichtsverlies en soms met ernstige ondervoeding. Ondervoeding heeft een nadelige invloed op weefselherstel na chirurgie, bestraling en chemotherapie. Het is van het grootste belang een optimale voedingstoestand te onderhouden door voldoende energie, eiwit en voedingsstoffen toe te dienen, zo mogelijk per os. Soms kan (nachtelijke) sondevoeding of totale parenterale voeding aangewezen zijn. Bij de start van de behandeling moet de energiebehoefte van het kind bepaald worden en tijdens de behandeling moet dit nauwkeurig gevolgd worden.
M.D. van de Wetering, M.E. Dijsselhof

Voeding en primaire en secundaire preventie van kanker

(december 2011)
Abstract
In Nederland is kanker onder mannen de belangrijkste doodsoorzaak, bij vrouwen is het na hart- en vaatziekten de tweede doodsoorzaak. Voedings- en leefgewoonten spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van kanker. Geschat wordt dat 30 tot 40 procent van alle gevallen van kanker te voorkomen is door gezondere leef- en eetgewoonten. Voorkomen van overgewicht, voldoende lichamelijke activiteit, voldoende inname van groente en fruit en een beperkte inname van rood vlees, alcohol en zout dragen bij aan de preventie van kanker. Er is nog weinig bekend welke rol voeding heeft bij mensen die kanker hebben of hebben gehad. Voor deze mensen gelden daarom dezelfde aanbevelingen als bij preventie van kanker.
R. Winkels, E. Kampman

Reumatische ziekten

Voorwerk

Voeding bij reumatische aandoeningen

(april 2011)
Abstract
De term reuma omvat een groot aantal aandoeningen aan de gewrichten en spieren. Bij reumatische aandoeningen onderscheidt men ontstekingsreuma, artrose en wekedelenreuma. Ze worden gekarakteriseerd door pijn en zwelling van de gewrichten, wat vaak samen gaat met stijfheid. Over de oorzaak en het ontstaan van reumatische aandoeningen is nog veel onduidelijk. De medicamenteuze behandeling omvat NSAID’s (non-steroidal antiinflammatory drugs), DMARD’s (disease-modifying antirheumatic drugs) en de zogenoemde ‘biologicals’. Door de effectievere behandeling behoort reuma niet altijd meer tot de invaliderende aandoeningen. Toch ondervinden patiënten meestal grote beperkingen die ook de voedselbe-reiding en het eten en drinken kunnen beïnvloeden. Advies van een diëtist omvat informatie over volwaardige voeding volgens de Richtlijnen goede voeding en adviezen om de voedselbereiding en inname te vergemakkelijken. Het streven is een gezond gewicht te krijgen of te behouden ondanks de veranderingen in het rustmetabolisme en de verminderde lichamelijke activiteit. Hierbij is echter advies op maat noodzakelijk omdat er zowel risico op cachexie als op overgewicht bestaat. Daarnaast is informatie over de mogelijkheden van ‘alternatieve’ voedingsadviezen van belang. Veelal is er niet of onvoldoende wetenschappelijk bewijs en verhogen alternatieve diëten het risico op voedingsdeficiënties.
J.J. van Duinen

Voeding bij jicht en hyperuricemie

(augustus 2010)
Abstract
Jicht is een gewrichtsaandoening waarbij een ontsteking ontstaat doordat natriumuraatkristallen neerslaan. De aandoening begint in de regel zeer plotseling, met hevige pijn in een gewricht. Zonder behandeling zullen er herhaaldelijke aanvallen optreden. Aangezien bij jicht meestal een te hoog urinezuurgehalte in het bloed voorkomt, worden urinezuurverlagende geneesmiddelen voorgeschreven. Urinezuur ontstaat door de afbraak van purine (een onderdeel van het DNA). Risicofactoren voor het ontstaan van jicht zijn overgewicht, verminderde nierfunctie en het gebruik van diuretica, maar ook alcoholgebruik en een eiwitrijke voeding kunnen een rol spelen. De huidige medicamenteuze behandelingen hebben ertoe geleid dat een purinearme voeding een minder belangrijke plaats heeft in de behandeling. Voedingsadviezen bij jicht bestaan uit een gezonde voeding met aandacht voor het verkrijgen of behouden van een gezond gewicht, beperkt alcoholgebruik, extra vocht en beperking van eiwit- en purinerijke voedingsmiddelen.
J.J. van Duinen

Eetstoornissen

Voorwerk

Eetstoornissen: anorexia nervosa en bulimia nervosa

(april 2008)
Abstract
Anorexia en boulimia nervosa zijn de belangrijkste psychiatrische eetstoornissen. Daarnaast wordt tegenwoordig de eetbuistoornis (binge eating disorder) onderscheiden. Diverse factoren spelen een rol bij het ontstaan. Een eetstoornis begint vaak in de puberteit en het betreft meestal vrouwen. Bij anorexia nervosa staat de angst om in gewicht aan te komen centraal. Door extreem lijnen, soms in combinatie met andere gewichtsverminderende maatregelen (bijv. overmatig bewegen, braken, laxeermiddelenmisbruik) ontstaat ondergewicht en vervolgens amenorroe. Levensgevaarlijke lichamelijke complicaties kunnen optreden. Behandeling (motivering, voedingstherapie, cognitieve gedragstherapie) wordt bemoeilijkt doordat de patiënten (de ernst van) de ziekte ontkennen. Bij boulimia nervosa worden eetbuien gevolgd door compensatiegedrag (meestal braken, ook regelmatig laxeermiddelenmisbruik). Doordat de patiënten zich schamen bestaat de stoornis vaak lang in het geheim. Naast cognitieve gedragstherapie kan antidepressieve medicatie van waarde zijn. De diëtist speelt in de behandeling een belangrijke rol. Het opbouwen van een goede werkrelatie met de patiënt is cruciaal.
M.J. Bruna, P. Balke, M.H.M. Reuver

Eetstoornissen bij jonge kinderen

(december 2007)
Abstract
Ouders van jonge kinderen rapporteren vaak problemen met eten. Bij sommige kinderen neemt dit zodanige vormen aan dat er sprake is van een ernstige eetstoornis. Indien deze eetstoornis gedragsmatig kan worden verklaard, is een behandeling geïndiceerd. Allereerst moet ervoor worden gezorgd dat de eetstoornis niet verder verergert en dat de lichamelijke conditie van het kind verbetert of stabiliseert. Daarna kan worden gestart met een gedragstherapeutische interventie. Hierbij is een goede samenwerking tussen een consulent eetstoornissen en een diëtist onontbeerlijk. Ieder kind is uniek en verdient bij de behandeling van de eetstoornis zorg op maat!
M.H.M. Thomas-Holtus, P.W.J. Klaassen, E.C. Carbasius Weber

Geriatrie

Voorwerk

Voeding bij dementie

(augustus 2010)
Abstract
Dementie is een veelvuldig voorkomende ziekte bij met name ouderen. Er zijn vele aandoeningen die dementie kunnen veroorzaken, waarvan de ziekte van Alzheimer de meest voorkomende is. De symptomen beginnen geleidelijk, verlopen langzaam progressief en kunnen sterk verschillen in aard en ernst. De diagnose is vaak moeilijk te stellen omdat de verschijnselen in het begin aspecifiek zijn en sluipend beginnen. Voeding speelt soms een rol bij het ontstaan van dementie. Sommige vitamines, antioxidanten, vis en vetzuren blijken belangrijke beschermende factoren. De verschijnselen van dementie kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de voeding. De voedingsproblemen die kunnen optreden, leiden meestal tot ondervoeding en gewichtsverlies. De behandeling van dementie inclusief de voedingsproblemen vindt plaats door een multidisciplinair team en is afgestemd op de individuele situatie van de dementerende op dat moment. De diëtist speelt een belangrijke rol in het multidisciplinaire team.
S. van Genuchten, Karin Kouwenoord-van Rixel

Diagnostiek

Voorwerk

Onderzoeksdiëten

(augustus 2009)
Abstract
Voeding blijkt bij bepaalde röntgenologische en laboratoriumonderzoeken invloed te hebben op de resultaten. Een tijdelijke aanpassing van de voeding is dan vereist om fout-positieve of foutnegatieve uitslagen te voorkomen. Een onderzoeksdieet kan een onderdeel zijn van het diagnostische proces en moet uitsluiten dat voeding het onderzoek negatief beïnvloedt. Verder kan een dergelijk dieet tot doel hebben de reactie van het lichaam op een standaard dieetinterventie te meten. Ook kan de voeding worden aangepast om een bepaald onderzoek op een betrouwbare wijze uit te kunnen voeren.
A.D. Michelsen-Huisman, L.J. Ruitenberg

Jodiumbeperkt voorbereidingsdieet

(december 2003)
Abstract
Het jodiumbeperkt voorbereidingsdieet wordt voorgeschreven aan patiënten met een gedifferentieerd schildkliercarcinoom, die worden behandeld met radioactief jodium. Een week voor de opname voor behandeling met radioactief jodium wordt gestart met het jodiumbeperkte voorbereidingsdieet. Dit dieet bevat maximaal 50 microgram jodium. Met het dieet wordt een verhoging van de opname van radioactief jodium in de schildklierrest beoogd. Het jodiumbeperkte dieet wordt gebruikt voor behandeling van schildkliercarcinoom, niet voor diagnostiek.
L. Swart, T.P. Links

Voeding en tandziekten

Voorwerk

Voeding en mond- en tandziekten

(april 2012)
Abstract
Voeding heeft diverse relaties met mond- en tandziekten. Een goede mondgezondheid is belangrijk voor adequate voedselinname en voeding kan de mondgezondheid beïnvloeden. De algemene voedingsadviezen van het Voedingscentrum (2011) omvatten adviezen voor het behoud van een gezonde mond. Voor de mondgezondheid is het consumptiepatroon (maximaal zeven eet-/drinkmomenten per dag) belangrijker dan individuele verschillen in schadelijkheid van producten. Vaak voorkomende ziekten van de mond en het gebit zijn tandcariës (tandbederf ) veroorzaakt door te frequent gebruik van suiker en gemakkelijk vergistbare koolhydraten en aandoeningen van het tandvlees en steunweefsels rond de tanden en kiezen (parodontale aandoeningen). Ook kan het gebit worden aangetast door tanderosie, een proces waarbij harde tandweefsels oplossen door zuren die voorkomen in zure dranken en voedingsmiddelen. Andere mondziekten komen veel minder vaak voor. Voeding heeft een duidelijke invloed op het ontstaan van tandcariës en tanderosie en vertonen weinig tot geen relatie met voeding.
C. van Loveren, A.M. Fokker

Stofwisselingsziekten

Voorwerk

Cystic fibrosis

(maart 2004)
Abstract
Cystic fibrosis (cf) is een van de meest voorkomende erfelijke stofwisselingsziekten onder het blanke ras. Het basisdefect berust op niet goed functionerende chloridekanalen in de celmembraan van epitheelcellen. Hierdoor is het secreet van alle extern secernerende klieren in het lichaam abnormaal taai en droog, waardoor afvoergangen van luchtwegen, neus, pancreas, lever en voortplantingsorganen verstopt raken. Als gevolg hiervan hebben de meeste kinderen een stoornis in de vertering van vetten en eiwitten; zij presenteren zich met achterblijven in groei ondanks goede eetlust.
Behandeling is tot nu toe alleen symptomatisch mogelijk door intensieve bestrijding van luchtweginfecties en optimalisering van de voedingstoe-stand met behulp van energieverrijkte voeding, substitutie van pancreasenzymen en extra vetoplosbare vitaminen. Beïnvloeding van het defecte chloridekanaal is nog niet mogelijk.
Gecentraliseerde behandeling en begeleiding van patiënten blijkt zijn vruchten af te werpen ten aanzien van prognose en kwaliteit van leven. Multidisciplinaire behandeling staat hierbij centraal. In een cf-team neemt de diëtist een belangrijke plaats in. Adviezen over de samenstelling van de voeding, energieverrijking, het gebruik van dieetproducten en -preparaten en eventueel sondevoeding bij ernstige groeistoornissen en de bespreking van het voedingspatroon in relatie tot leeftijdsadequaat eetgedrag zijn essentieel.
J. van der Laag, J.W. Woestenenk, R.H.J. Houwen

Erfelijke metabole ziekten

(december 2007)
Abstract
Erfelijke metabole ziekten is de naam voor een scala aan ziekten die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze worden veroorzaakt door biochemische ontsporingen. Die ontsporingen kunnen het gevolg zijn van een gestoorde omzetting van nutriënt of substraat, of van een gestoord transport. Er worden ziekten onderscheiden met een gestoorde energiehuishouding, ziekten waarbij de acute of chronische toxiciteit sterk bepalend is en ziekten die worden veroorzaakt door acuut katabolisme.
De stofwisselingsziekten hebben ook als gemeenschappelijk kenmerk dat aanpassing van de voeding een zeer belangrijke pijler van de behandeling vormt. De dieetbehandeling bestaat (afhankelijk van het defect) vooral uit ‘elimineren’ en ‘suppleren’.
G.P.A. Smit

Schildklieraandoeningen

(december 2006)
Abstract
Aandoeningen van de schildklier zijn niet zeldzaam en komen op alle leeftijden voor. Klachten bij schildklieraandoeningen zijn zeer divers en worden daarom niet altijd direct herkend. Vrijwel alle schildklieraandoeningen zijn goed te behandelen.
De rol van de diëtist bij schildklieraandoeningen is beperkt tot eventuele bemoeienis met het jodiumbeperkt dieet bij schildkliercarcinoompatiënten.
J.W.F. Elte

Hemochromatose en voeding

(april 2012)
Abstract
Hemochromatose is een van de meest voorkomende erfelijke ziektes, waarbij het ijzermetabolisme is verstoord. De verstoring leidt onder meer tot een hogere ijzeropname uit de voeding dan noodzakelijk is. Dit ijzer stapelt zich op in het lichaam en kan schade veroorzaken aan organen als de lever, de alvleesklier, de schildklier, het hart en aan de gewrichten. Hemochromatose uit zich veelal eerst in vage klachten als chronische vermoeidheid, gewrichtsproblemen en buikklachten. Bij verergering kunnen diabetes mellitus, leverfunctieafwijkingen, hartproblemen, hormonale stoornissen, huidverkleuringen en libidoverlies optreden. De hoofd-behandeling van hemochromatose is aderlaten (bloedafname). Door te kiezen voor ijzerarme producten en rekening te houden met factoren die de ijzerabsorptie beïnvloeden, kan het aantal aderlatingen verminderd worden.
I.M.G. Gosselink, G.M. van Doorn

Voeding en osteoporose

Voorwerk

Osteoporose en voeding

(december 2009)
Abstract
In dit hoofdstuk wordt besproken welke voedingsfactoren van betekenis zijn bij de preventie en behandeling van osteoporose. Osteoporose is een ziekte die vooral bij de oudere mens voorkomt, in het bijzonder bij vrouwen na de menopauze. De ziekte gaat gepaard met een verminderde botmassa en een daardoor sterk verhoogde kans op fracturen van met name de heup, wervellichamen en de pols. Erfelijke factoren spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van de ziekte. Door een gezonde leefstijl met voldoende beweging en adequate voeding kan de kans op het krijgen van osteoporose worden verkleind en kan medicamenteuze behandeling van de ziekte worden ondersteund. Een adequate inname van calcium en een voldoende voorziening met vitamine D zijn de belangrijkste voedingsfactoren bij preventie en behandeling van osteoporose. Primaire preventie is gericht op het bereiken van de zogenaamde piekbotmassa op jongvolwassen leeftijd en op het verminderen van het verlies van botmassa in het latere leven.
G. Schaafsma

Voeding bij brandwonden

Voorwerk

Voeding bij brandwonden

(juli 2008)
Abstract
Ernstige brandwonden veroorzaken grote veranderingen in het metabolisme. In de eerste fase na het letsel kunnen verschuivingen in de vocht- en elektrolytenbalans tot shock leiden. Met intraveneuze infusie van een gebufferde, licht hypertone natriumoplossing worden de hyponatriëmie en hyperkaliëmie bestreden, wordt het plasmaverlies gecompenseerd en wordt de oedeemvorming beperkt. Om de darmintegriteit te behouden en om tegemoet te komen aan de verhoogde energiebehoefte is aan te raden de voedingstherapie zo snel mogelijk te starten.
Bij de behandeling van de brandwonden staan de bescherming tegen in-fectie en de gevolgen van hypermetabolisme centraal. De behoefte aan energie, eiwit, vocht en voedingsstoffen is sterk verhoogd en gerelateerd aan de uitgebreidheid van de brandwonden. Nauwkeurige registratie van onder andere het lichaamsgewicht, de hoeveelheden toegediend vocht en voeding en de urineproductie is noodzakelijk. Veel parameters voor de bepaling van de voedingstoestand zijn bij patiënten met brandwonden niet bruikbaar.
Brandwonden kunnen complicaties veroorzaken, die gevolgen hebben voor de uitscheiding en spijsvertering. Om infectie via de voeding te voorkomen worden er hoge eisen gesteld aan de hygiëne.
J. Stevens, G.I.J.M. Beerthuizen

HIV en aids

Voorwerk

Voeding bij hiv en aids

(april 2010)
Abstract
Het human immunodeficiency virus (hiv) veroorzaakt een infectieziekte waarbij het immuunsysteem wordt aangetast.Wanneer symptomen ontstaan, spreekt men van aids (acquired immune deficiency syndrome). Wereldwijd zijn miljoenen mensen besmet geraakt en terecht wordt gesproken van een panepidemie. De diagnose aids werd in 1981 in Amerika voor het eerst gesteld. Na meer dan vijfentwintig jaar is er nog altijd geen genezende therapie. Vanaf 1996 is er grote vooruitgang geboekt op therapeutisch gebied met HAART (highly active anti retroviral therapy). HAART is een combinatie van antiretrovirale medicijnen die de vermenigvuldiging van het virus remt en de toename van de ziekte onderdrukt. Hiv/aids is veranderd van een dodelijke ziekte in een chronische en beter controleerbare ziekte. Helaas veroorzaakt de therapie regelmatig (metabole) bijwerkingen. Door deze bijwerkingen en de ziekte kunnen voedingsgerelateerde problemen ontstaan.
P. van Rhoon-Bruynzeel, C.F. Jonkers-Schuitema, J. van Eden, M. van Vugt

Spierziekten

Voorwerk

Voeding bij neuromusculaire aandoeningen

(september 2011)
Abstract
Neuromusculaire aandoeningen, ofwel spierziekten, omvatten een groot aantal ziekten met verscheidenheid in oorzaak, symptomen en verloop. De meeste ziekten zijn zeldzaam, progressief en de multidisciplinaire behandeling is voornamelijk symptomatisch. De aard en ernst van voedingsgerelateerde problemen wordt duidelijk gemaakt aan de hand van drie ziektebeelden: amyotrofische laterale sclerose, myotone dystrofie en Duchenne spierdystrofie. De specifieke aspecten van dysfagie, motiliteitsstoornissen, voedingsstoma, ademhalingsinsufficiëntie en secundaire problematiek op de voedingstoestand wordt nader uitgewerkt. DXA-scans en impedantiemetingen geven inzicht in de lichaamssamenstelling en energiebehoefte. Kerndoelen van de diëtistische behandeling zijn het verbeteren/ behouden van een goede voedingstoestand en de groei evenals het verminderen van symptomen bij dysfagie en gastrointestinale stoornissen.
J.C. Wijnen

Psychiatrie

Voorwerk

Voedingsadviezen bij gebruik van MAO-remmers

(augustus 2010)
Abstract
Bij behandeling van depressies kunnen MAO-remmers worden voorgeschreven. MAO (monoamine-oxidase) is een enzym dat belangrijk is bij de afbraak van de neurotransmitters serotonine, norepinefrine en dopamine, die een belangrijke rol spelen bij stemmings- en angstregulatie. Door de werking van het enzym te blokkeren wordt de afbraak van deze neurotransmitters geremd. Verhoging van het neurotransmitterniveau lijkt belangrijk voor het antidepressieve en anxiolytische (angst- en onrustverminderend) effect.
Het enzym MAO is eveneens betrokken bij de afbraak van tyramine. De MAO-remmers veroorzaken een verhoogd tyraminegehalte in het bloed. Daardoor kan de bloeddruk gevaarlijk stijgen. Tyramine komt in een aantal voedingsmiddelen voor, maar ontstaat ook door bacteriële omzetting van het aminozuur tyrosine. Het gebruik van MAO-remmers moet daarom altijd worden gecombineerd met een tyraminebeperkte voeding.
J.A. Melissen-Leeuwen, J.C. Pruissen-Boskaljon

Voeding en psyche

(juli 2004)
Abstract
De relatie tussen voeding en psyche is tweeledig. Psychische stoornissen kunnen gevolgen hebben voor het voedingspatroon en de voedingstoestand, zoals bij depressies of primaire eetstoornissen. De voeding zelf kan, door het effect op de hersenen, ook aanleiding zijn tot gedragsstoornissen, zoals bij deficiënties van vitamine B1, B12 of foliumzuur. Ook een op zichzelf normale voeding kan bij individuele gevoeligheid voor serine of glycine tot psychosen leiden. Of hulpstoffen in de voeding tot een verergering van de aandachtstekortstoornis of de hyperkinetische stoornis kunnen leiden, blijft omstreden. De hulp van de diëtist is van belang bij het herstellen van een normale voeding bij primair psychiatrische stoornissen, bij het herstel van de voedingstoestand bij deficiënties van bijvoorbeeld vitaminen en bij diëten beperkt in serine, glycine of tyramine ter preventie van psychiatrische of lichamelijke stoornissen.
M.J.A.J.M. Hoes

Voedingsadviezen bij lithiummedicatie

(augustus 2006)
Abstract
Voor de behandeling van een bipolaire stoornis schrijven psychiaters al sinds 1949 lithium voor als medicijn. Lithium kan grote stemmingsstoornissen voorkomen of in hevigheid laten afnemen. Het middel is bij 70 tot 80 procent van de gebruikers effectief.
Aanvankelijk zijn er vaak bijwerkingen zoals gastro-intestinale klachten en tremor. Deze bijwerkingen verdwijnen meestal na enkele weken. Polydipsie, polyurie, hypothyreoïdie en gewichtstoename kunnen blijvend hinder geven. Op den duur kan nefrogene diabetes insipidus optreden doordat lithium de werking van het hormoon adh blokkeert.
De psychiater zal de patiënt met (dreigend) overgewicht doorverwijzen naar de diëtist. De diëtist geeft voedingsadviezen die specifiek gericht zijn op het gebruik van lithium en heeft een signalerende functie als de patiënt zegt meer dan 3 liter per dag te drinken.
J.A. Melissen-Leeuwen, J.C. Pruissen-Boskaljon

Alcohol: misbruik en afhankelijkheid

(mei 2007)
Abstract
In West-Europese landen is alcoholgebruik algemeen verspreid en sociaal geïntegreerd. Een grote meerderheid van de volwassen Nederlanders drinkt min of meer regelmatig alcoholhoudende dranken. Dit hoofdstuk beschrijft de definities, diagnostiek en behandeling van alcoholmisbruik en de rol van de diëtist bij het vaststellen van de voedingstoestand van excessieve drinkers en bij de behandeling van alcoholisme.
P.H. Lemmens

Voeding en gedragsstoornissen

(april 2013)
Abstract
Een goede voeding van de moeder voor en tijdens de zwangerschap is van belang voor de groei en ontwikkeling van het ongeboren kind. Schadelijke stoffen in de voeding en ondervoeding hebben negatieve gevolgen voor de sociale en emotionele ontwikkeling van een kind. Een niet-optimale status van onder meer vitamine D, ijzer en DHA leiden tot structurele en functionele afwijkingen in de hersenen die negatief zijn voor de mentale en of psychische ontwikkeling van het kind.
Al geruime tijd wordt er internationaal onderzoek gedaan naar de relatie tussen voeding en gedrag. Er komen steeds meer aanwijzingen dat er een verband bestaat tussen voeding en gedragsstoornissen, zoals ADHD en autismespectrumstoornissen. Een aantal kinderen met ADHD reageert goed op een eliminatiedieet en in relatie tot autisme zijn diverse voedingstherapieën ontwikkeld, die echter nog niet voldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. De diëtist kan helpen bij het aanpassen van de voeding in geval van gedragsproblemen, waardoor de voeding volwaardig blijft en klachten zouden kunnen verminderen.
M. Former-Boon

Longziekten

Voorwerk

Voeding bij chronische longziekten

(april 2010)
Abstract
Gewichtsverlies en spieratrofie zijn frequent voorkomende complicaties bij patiënten met COPD en zijn belangrijke factoren voor de kwaliteit van leven en de mortaliteit. Bij deze patiënten zijn er verschillende oorzaken voor een verminderde eetlust en voedselinname, een verhoogde energiestofwisseling en een verstoorde eiwitbalans. Voedingsinterventie is geïndiceerd voor klinisch stabiele patiënten met COPD en gewichtsverlies en voor gewichtsstabiele COPD-patiënten met spieratrofie, als onderdeel van een longrevalidatie- en/of leefstijlprogramma. De combinatie van beweging en voeding heeft bij deze patiënten namelijk gunstige effecten op de lichaamssamenstelling, de respiratoire en perifere skeletspierfunctie en op de inspanningscapaciteit.
E.P.A. Rutten, A.M.W.J. Schols

Chylothorax en het MCT-dieet

(mei 2007)
Abstract
Een chylothorax is een van de indicaties om een lct-beperkt, met mct’s verrijkt dieet te starten, het zogenoemde ‘mct-dieet’. Daarbij volgt de patiënt een sterk vetbeperkt dieet en worden zichtbare vetten vervangen door speciale mct-vetten en -oliën. De diëtist speelt een belangrijke rol in de praktische uitvoering van dit dieet.
M.G. Brandt

Decubitus en voeding

Voorwerk

Decubitus en voeding

(september 2011)
Abstract
Decubitus is een veelvoorkomende aandoening bij patiënten in alle sectoren van de gezondheidszorg, die niet alleen veel menselijk leed veroorzaakt, maar ook nog eens erg kostbaar is. Er wordt een onderverdeling gemaakt in vier gradaties, oplopend van licht tot ernstig. De schade aan de huid en het onderliggende weefsel wordt bij decubitus veroorzaakt door druk-, schuif- en/of wrijfkrachten. Daarnaast spelen ook intrinsieke factoren, die een relatie hebben met de vatbaarheid van de individuele patiënt voor decubitus, een rol. De voedingsstatus is een van deze intrinsieke factoren, die bovendien goed therapeutisch beïnvloedbaar is. Duidelijk is inmiddels dat decubitus integraal en multidisciplinair aangepakt moet worden. Het belang van een goede voedingszorg als onderdeel van deze integrale aanpak staat daarbij niet meer ter discussie. Bij patiënten met (een verhoogd risico op) decubitus moet vooral worden gelet op de energie-, eiwit- en vochtinname. Daarnaast moet de inname van vitaminen, mineralen en spore-elementen voldoende zijn. Voor veel zieke en hulpbehoevende patiënten is het realiseren van een adequate eiwit- en energie-inname met normaal voedsel echter een groot probleem. Het additioneel toedienen van voedingssupplementen (drink- of sondevoeding) is dan een logische handelwijze. Het feit dat in een recente studie de toepassing van een met arginine verrijkte drinkvoeding ook bij niet-ondervoede decubituspatiënten leidde tot een snellere genezing van decubitus, zal de toepassing van voedingssupplementen bij patiënten met (een risico op) decubitus ongetwijfeld een extra impuls geven.
J.M.G.A. Schols

Hersenaandoeningen

Voorwerk

Voeding bij epilepsie

(augustus 2012)
Abstract
Dit hoofdstuk gaat in op de pathofysiologie, etiologie, klinische verschijnselen en de behandeling van epilepsie. Epilepsie en de voorgeschreven medicatie kunnen invloed hebben op de eetlust en het gewicht van de patiënt. Zowel overgewicht als ondergewicht zijn vaak voorkomende problemen. De meeste epilepsiepatiënten kunnen met anti-epileptica afdoende worden behandeld. Bij 25 procent van de patiënten heeft medicatie echter geen of onvoldoende resultaat. Dan moet een andere behandelmethode overwogen worden, bijvoorbeeld chirurgie of een ketogeen dieet. Een ketogeen dieet wordt gekenmerkt door een hoog percentage aan vet (70-90 energie%), een laag percentage aan koolhydraten en een normale hoeveelheid eiwit. Tot nu toe werd het dieet vooral bij kinderen gebruikt, maar inmiddels wordt het ook bij volwassenen toegepast. Er zijn verschillende vormen van het ketogeen dieet: het klassieke ketogeen dieet, het MCT-dieet, het gemodificeerd Atkinsdieet en het dieet met laagglykemische index. Er zijn meerdere hypotheses die het werkingsmechanisme kunnen verklaren.
D.A.J.E. Lambrechts, C.M. Troost, S. van Genuchten-Gessner, A. Commissaris

Smaak- en reukstoornissen

Voorwerk

Voeding bij smaak- en reukstoornissen

(september 2011)
Abstract
Er bestaat een nauwe samenhang tussen de reukgewaarwording en smaakgewaarwording.Wanneer het reukorgaan niet goed functioneert, gaat dit meestal gepaard met smaakverlies. Naast de vier basiskwaliteiten zout, zuur, zoet en bitter kan een vijfde smaakkwaliteit worden onderscheiden: umami. Behalve de reuk beïnvloedt ook speeksel de smaak-gewaarwording. Vele chemosensorische stoornissen die leiden tot een gestoorde smaak zijn in feite reukstoornissen. Tijdelijke stoornissen dienen te worden onderscheiden van meer permanente veranderingen. Behandeling kan bestaan uit medicatie en eventueel chirurgie.
Smaak- en reukstoornissen kunnen leiden tot gewichtsverlies en soms tot gewichtstoename. Voedingsvoorlichting vormt een essentieel onderdeel van de begeleiding van de patiënt met een chemosensorische stoornis. Bij reuk- en smaakstoornissen gerelateerd aan een oncologisch proces of de behandeling hiervan, dient onderscheid te worden gemaakt tussen alge-mene voedingsadviezen en voedingsadviezen tijdens radio- en/of chemotherapie. Voedingsadviezen dienen ter verbetering van de voedings-toestand en het welbevinden van de patiënt. Bij ernstige problemen met de verwerking van een reuk- en/of smaakstoornis kan psychosociale ondersteuning worden overwogen.
H. Jager-Wittenaar, A. Vissink, R. van Weissenbruch, A. van Nieuw Amerongen
Meer informatie