Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Immunologie is de studie van het immuunsysteem. Het immuunsysteem is uitermate dynamisch en ingewikkeld en heeft als belangrijkste doel het lichaam te beschermen tegen infecties door alle mogelijke micro-organismen en parasieten. Veel verschillende celtypen en moleculen werken samen om zo'n infectie te bestrijden. Het immuunsysteem is altijd actief, gelukkig veelal zonder dat we het merken. Immunologie is een modern vakgebied dat volop in beweging is. Veel ziekten en aandoeningen hebben een immunologische component en tal van nieuwe therapieën zijn gestoeld op immunologische werkingsprincipes.In Immunologie wordt het complexe immuunsysteem van de mens helder en overzichtelijk uiteengezet. In de eerste helft van het boek ligt de nadruk op de bouw en werking van het immuunsysteem. Uniek voor dit leerboek is ook een apart hoofdstuk over mucosale afweer. De eerste helft van dit boek vormt zo een goede basis voor de meer klinische aspecten van het immuunsysteem, die in de tweede helft centraal staan. Onderwerpen als immuundeficiëntie, overgevoeligheidsreacties, afstoting bij transplantaties en vaccinaties worden daarin behandeld. De voor de klinische praktijk belangrijke stoornissen van het immuunsysteem die het gevolg kunnen zijn van voeding, stress en genotsmiddelen, worden besproken in een eigen hoofdstuk, 'Verworven stoornissen van het immuunsysteem'.De nadruk in deze uitgave ligt op de koppeling tussen theoretische basisconcepten en de klinische praktijk. Met behulp van diverse aansprekende klinische voorbeelden, verdiepingsstof en alledaagse casuïstiek behandelen de auteurs de eigenschappen en functies van honderden moleculen en cellen (zowel de hoofdrolspelers als de figuranten).Immunologie is geschreven in het Nederlands en de behandelde ziekten, getallen en statistieken zijn gebaseerd op de Nederlandse situatie. De auteurs zijn deelspecialisten en behoren tot de top van de Nederlandse wetenschap op het gebied van immunologie. Door de leesbaarheid en duidelijke structuur van de tekst, de overzichtelijke tekeningen, illustraties en foto's wordt de ingewikkelde materie zo helder mogelijk aangeboden.Immunologie is primair geschreven voor studenten geneeskunde, maar is ook uitermate geschikt voor gebruik binnen opleidingen als tandheelkunde en levenswetenschappen, alsmede voor het laboratoriumonderwijs en andere opleidingen op wetenschappelijk niveau en hbo-niveau.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. De afweer van de mens

De mens leeft in een wereld vol micro-organismen: virussen, bacteriën, schimmels en parasieten. Ook ons lichaam zelf wordt bevolkt door enorme aantallen micro-organismen. In onze darm leven bijvoorbeeld in totaal tien keer meer bacteriën dan we aan lichaamscellen hebben. Voor wat betreft hun vermogen om ziekte te veroorzaken, kunnen micro-organismen in vier categorieën ingedeeld worden: goede, onschuldige, slechte en extreem schadelijke micro-organismen. Tot de laatste categorie behoren micro-organismen die vrijwel altijd leiden tot ernstige morbiditeit en mortaliteit, zoals de tetanusbacterie en het ebolavirus (strikte pathogenen). Tot de categorie slechte micro-organismen behoren de micro-organismen die meestal geen ziekte veroorzaken, maar in sommige gevallen wel (bijvoorbeeld de tuberkelbacil vaak bij mensen met stoornissen in de afweer). Van goede micro-organismen heeft de mens juist voordeel, bijvoorbeeld omdat ze helpen bij de spijsvertering (zoals Lactobacillus). Onschuldige micro-organismen leveren de mens voordeel noch nadeel op (kanariepokkenvirus).
G.T. Rijkers

2. De eerste lijn van verdediging: aangeboren immuniteit

Het aangeboren immuunsysteem is altijd en overal aanwezig en vormt de eerste lijn van verdediging tegen (pathogene) indringers. Dit wordt gerealiseerd doordat de cellen en biochemische componenten van de aangeboren afweer, in tegenstelling tot die van het verworven immuunsysteem, niet eerst geïnduceerd hoeven te worden maar als het ware al klaarliggen om direct in actie te komen. Terwijl het aangeboren immuunsysteem de infectie bestrijdt, wordt het verworven immuunsysteem op gang gebracht, dat immers dagen tot weken nodig heeft om specifiek het infectieuze agens te bestrijden. Het aangeboren immuunsysteem is in staat om hetzij de infectie geheel te overwinnen, hetzij deze net zolang onder controle te houden tot het verworven immuunsysteem krachtig genoeg kan reageren.
D. Roos

3. Ontsteking

(Pathogene) micro-organismen die het lichaam binnendringen, worden direct aangepakt door het aangeboren immuunsysteem (hoofdstuk 2). Het merendeel van de micro-organismen zal uitgeschakeld en geëlimineerd worden door bactericide stoffen en opgeruimd worden door middel van fagocytose. Het zijn vooral neutrofiele granulocyten en macrofagen die als fagocyt actief zijn en die de voornaamste effectorcellen van het aangeboren immuunsysteem vormen. Micro-organismen en hun producten worden niet alleen direct opgenomen door de fagocyten maar zijn daarnaast in staat om deze cellen, en ook dendritische cellen, zodanig te stimuleren dat ze cytokinen en chemokinen gaan synthetiseren en uitscheiden. Belangrijke cytokinen hierbij zijn TNF-α, IL-1 en IL-6 (zie hoofdstuk 2). Deze cytokinen zorgen ervoor dat er meer (en ook andere) cellen tot activatie worden aangezet. Het endotheel van bloedvaten wordt op deze wijze geactiveerd. Hierdoor komen op de lokale endotheelcellen adhesiemoleculen voor leukocyten tot expressie. Het gevolg is onder andere dat er meer cellen van het aangeboren immuunsysteem naar de plaats van infectie gerekruteerd zullen worden, die kunnen helpen bij het bestrijden van de infectie.
C.E. Hack, W.W. Bakker

4. Vorming en expressie van antigeenreceptoren op T- en B-lymfocyten

In voorgaande hoofdstukken is besproken dat micro-organismen ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch af en toe de barrières van huid en slijmvliezen doorbreken en wel ergens het lichaam binnendringen. In die gevallen komt het aangeboren immuunsysteem direct in actie om de infectie te bestrijden. Dit is echter lang niet overal voldoende. Daarom is altijd een respons van het verworven immuunsysteem nodig om uiteindelijk ook echt alle micro-organismen doeltreffend onschadelijk te maken. Het verworven immuunsysteem is uiterst specifiek: hieraan ontleent het dan ook zijn grote kracht. De cellen die verantwoordelijk zijn voor deze verworven immuunresponsen zijn de lymfocyten. Deze zijn daartoe uitgerust met antigeenreceptoren die specifiek (onderdelen van) micro-organismen en andere antigenen kunnen herkennen. Iedere lymfocyt bezit op zijn celoppervlak zijn eigen karakteristieke antigeenreceptor met unieke specificiteit. Om op deze manier specifiek te kunnen reageren op het bijna ontelbare aantal verschillende antigenen, moet het verworven immuunsysteem de beschikking hebben over zeer veel verschillende specifieke lymfocyten. Na interactie van receptor en micro-organisme (antigeen), zullen lymfocyten hierop reageren met de productie van effectormoleculen en effectorcellen, die samen daarna het agens onschadelijk maken. Iedere lymfocyt kan via zijn antigeenreceptor maar één klein onderdeel van een antigeen (epitoop genoemd) herkennen. Met andere woorden: de interactie is monospecifiek. Toch ligt een en ander wat genuanceerder. De vergelijking van antigeen en receptor met een slot waarop maar één sleutel past, gaat dan ook niet helemaal op, omdat dit suggereert dat het een alles-of-nietsinteractie betreft. De specificiteit van de interactie wordt in feite bepaald door de bindingssterkte (de affiniteit) tussen het receptoreiwitmolecuul en het antigeen (vaak ook een eiwitmolecuul). Bindingssterkte is te beschouwen als een glijdende schaal. Iedere receptor heeft altijd wel enige affiniteit met een willekeurig eiwit maar de mate van affiniteit tussen receptor en diverse antigenen kan enorm verschillen.
J.J.M. van Dongen, A.W. Langerak, F.G.M. Kroese

5. Antigeenpresentatie en antigeenverwerking

Zoals we in het voorgaande hoofdstuk (hoofdstuk 4) hebben gezien, verloopt de antigeenspecifieke activatie door T- en Blymfocyten volgens vergelijkbare principes:één lymfocyt brengt een antigeenreceptor met één enkele specificiteit tot expressie. De interactie tussen antigeenreceptor en antigeen leidt vervolgens tot activatie van de betreffende lymfocyt. De manier waarop T-lymfocyten antigeen herkennen en binden verschilt echter fundamenteel van de manier waarop B-lymfocyten dat doen. B-lymfocyten kunnen met hun B-celreceptor (een membraangebonden immuunglobulinemolecuul) vrij, oplosbaar antigeen binden. Daarmee kunnen micro-organismen en microbiële antigenen die extracellulair aanwezig zijn aangepakt worden door het verworven immuunsysteem. Echter, micro-organismen (en vooral virussen) kunnen zich ook verschansen in cellen en zich zo onzichtbaar proberen te houden voor de cellen en moleculen van het immuunsysteem. Ook kan het voorkomen dat micro-organismen niet gedood worden nadat ze zijn opgenomen door de fagocyten van het aangeboren immuunsysteem. Er bestaat daarom behoefte aan een mechanisme om het verworven immuunsysteem te laten weten dat in een bepaalde cel een micro-organisme (of microbiële antigenen) aanwezig is. Door antigeenpresentatie wordt op de celmembraan van een bepaalde cel een stukje van het (microbiële) antigeen gepresenteerd en daarmee zichtbaar gemaakt voor het immuunsysteem. Deze presentatie gebeurt op de celmembraan door specifieke eiwitten, de eiwitten van het major histocompatibility complex(MHC). T-lymfocyten zijn alleen in staat om antigeen (een peptide) in combinatie met dit celgebonden MHC te herkennen. De T-celreceptor herkent en bindt aan dit MHC-peptidecomplex. Antigeenpresentatie is niet alleen nodig voor de afweer tegen intracellulair overlevende micro-organismen maar is ook cruciaal voor de initiatie van de verworven immuunrespons in secundaire lymfoïde organen. Zoals in hoofdstuk 6 zal worden besproken, worden in deze lymfoïde organen antigenen verzameld en geconcentreerd. Dat gebeurt door professionele antigeenpresenterende cellen, die antigeen opnemen in de weefsels en het vervolgens van daaruit transporteren naar de secundaire lymfoïde organen, waar de immuunrespons kan plaatsvinden.
G.T. Rijkers

6. Bouw en functie van perifere lymfoïde organen

Het verworven immuunsysteem heeft de beschikking over onnoemelijk veel verschillende specifieke T- en B-lymfocyten, elk met een unieke en specifieke antigeenreceptor, om alle mogelijke micro-organismen die het lichaam bedreigen te kunnen herkennen en aan te pakken. Omgekeerd betekent dit ook dat er maar zeer weinig specifieke lymfocyten zijn die een bepaalde bacterie of virus zullen kúnnen herkennen. In hoofdstuk 4 hebben we gezien hoe tijdens de vorming van lymfocyten de antigeenreceptor na herschikkingprocessen tot expressie wordt gebracht. Deze lymfocytenvorming vindt plaats in primaire lymfoïde organen, beenmerg en thymus. Naar schatting is de frequentie van een specifieke (naïeve) B- of T-lymfocyt die een bepaald antigeen herkent minder dan 1 op de 100.000 van de totale populatie aan B- en T-lymfocyten. Voor een verworven immuunrespons is een interactie tussen antigeen enerzijds en zowel antigeenspecifieke T-lymfocyten als antigeenspecifieke B-lymfocyten anderzijds een eerste vereiste. Daarnaast is het voor veel responsen noodzakelijk dat een bepaalde antigeenspecifieke B-lymfocyt ook nog eens een interactie aangaat met een T-lymfocyt die een T-celreceptor tot expressie brengt die hetzelfde antigeen herkent. Een ander probleem voor het immuunsysteem is dat antigeen (in ieder geval aanvankelijk) in zeer geringe hoeveelheid aanwezig is en in principe ook nog eens op elke plek in het lichaam kan binnendringen. Hoe is het dan mogelijk dat die paar specifieke (naïeve) T- en B-lymfocyten elkaar én dit antigeen tegenkomen met als gevolg een immuunrespons? Het antwoord ligt in de unieke structuur en organisatie van het immuunsysteem: T- en B-lymfocyten recirculeren voortdurend via de bloedbaan en lymfevaten door het lichaam, om antigeen en elkaar te ontmoeten in secundaire lymfoïde organen: milt, lymfeklieren en slijmvliesgeassocieerde lymfoïde organen. Deze secundaire lymfoïde organen worden ook wel perifere lymfoïde organen genoemd. De B- en T-lymfocyten zijn dus voortdurend op zoek naar lichaamsvreemd materiaal: er is sprake van immuunsurveillance.
F.G.M. Kroese

7. Cellulaire immuniteit

De verworven cellulaire immuniteit omvat alle immunologische reacties waarbij T-lymfocyten betrokken zijn. Virussen kunnen lichaamscellen infecteren en vervolgens vernietigen. Intracellulaire bacteriën kunnen macrofagen binnendringen via fagocytose, maar aldaar ontsnappen aan de bactericide werking van fagolysosomale componenten en daardoor intracellulair overleven. Antilichamen (maar ook andere humorale componenten van het verworven en aangeboren immuunsysteem) zijn over het algemeen niet in staat om levende cellen binnen te dringen omdat ze de celmembraan niet kunnen passeren. Daarom zijn dergelijke effectormoleculen niet effectief tegen intracellulaire microorganismen. De cellulaire immuniteit richt zich juist vooral tegen cellen die met een virus of ander intracellulair micro-organisme zijn geïnfecteerd (zie tabel 7.1). Cellulaire immuniteit richt zich, behalve tegen intracellulaire micro-organismen, ook tegen tumoren. Maligne transformatie tot tumorcel gaat vaak gepaard met (of is zelfs het gevolg van) een veranderd patroon van cellulaire eiwitexpressie of expressie van gemuteerde eiwitten. In die gevallen worden de tumorcellen door het cellulaire immuunsysteem als lichaamsvreemd herkend en wordt er een respons geïnitieerd. Er treedt ook een cellulaire respons op wanneer cellen van een ander individu worden ingebracht (zoals bij cel- en orgaantransplantatie). De sterkte van een dergelijke reactie hangt af van het type cel of orgaan dat getransplanteerd wordt en van het genetische verschil tussen donor en ontvanger (zie verder hoofdstuk 16).
T.H.M. Ottenhoff

8. Humorale immuniteit

In het vorige hoofdstuk is besproken op welke wijze het cellulaire immuunsysteem, dat verzorgd wordt door de T-lymfocyten, intracellulaire micro-organismen en tumorcellen onschadelijk maakt. Het immuunsysteem dat er vooral op gericht is om extracellulaire micro-organismen (bacteriën, sommige virussen, parasieten) aan te pakken, is het humorale immuunsysteem. De cellulaire dragers van dit systeem zijn de B-lymfocyten. Door middel van immuunglobulinen die op het celoppervlak van B-lymfocyten als antigeenreceptoren functioneren, kunnen deze cellen het extracellulaire antigeen rechtstreeks binden. De B-lymfocyten worden vervolgens geactiveerd en kunnen differentiëren tot plasmacellen die grote hoeveelheden antilichamen uitscheiden. De antilichamen binden aan de (extracellulaire) antigenen, waarna het antigeen (veelal micro-organismen) op verschillende manieren uitgeschakeld en opgeruimd kan worden. De wijze waarop antilichamen hun effectortaken uitoefenen zijn vooral neutralisatie, activatie van het complementsysteem en opsonisatie. Hierbij is een intensief samenspel met het aangeboren immuunsysteem van essentieel belang.
M.J.D. van Tol

9. Mucosale immuniteit

In de voorgaande hoofdstukken zijn de cellulaire en humorale immuunrespons uitgebreid behandeld. Het accent lag daarbij op de systemische immuunrespons zoals die zich vooral afspeelt in milt en lymfeklieren en die zich richt op het onschadelijk maken van micro-organismen die het lichaam eenmaal zijn binnengedrongen. Een belangrijk deel (en misschien wel het grootste deel) van de humorale en cellulaire responsen vindt echter plaats aan de slijmvliezen van luchtwegen, maag-darmkanaal en urogenitaal systeem.
G. Kraal

10. Infecties en infectieziekten

De mens wordt omgeven door een breed spectrum van microorganismen waaronder virussen, bacteriën, schimmels, gisten en wormen. Ook in en op het lichaam zijn altijd micro-organismen aanwezig. Bacteriën zijn niet gelijkmatig verdeeld over de lichaamsoppervlakken. Elk direct of indirect aan de buitenwereld blootgesteld deel van het lichaam is gekoloniseerd met zijn eigen, karakteristieke flora (formeel is de term ‘flora’ niet correct wanneer over bacteriën wordt gesproken omdat ze niet tot het plantenrijk behoren: een juistere benaming is microbiota). Bacteriën op de huid worden overal aangetroffen, maar vooral grote aantallen in de oksels, in de bilnaad en perineum en tussen de tenen. Al lijkt hun aantal schrikbarend hoog (circa 108-9), samen nemen ze minder volume in dan één suikerkorreltje. Evenzoveel bacteriën zijn aanwezig in elke milliliter speeksel, en vele malen hogere aantallen in de darmen, tot wel 1011-12 bacteriën per gram feces in de endeldarm. Samen zijn de bacteriën goed voor 1,5 kilogram van het lichaamsgewicht (figuur 10.1). Zo zijn er ruim tien keer meer bacteriën op en in het lichaam aanwezig dan iemand eigen lichaamscellen bezit. Onder de aanwezige bacteriën bevinden zich potentieel ziekmakende (pathogene) micro-organismen, naast onschuldige en vaak zelfs nuttige soorten. De mens leeft in een voortdurende wisselwerking met al deze micro-organismen. Bij deze wisselwerking en de handhaving van het evenwicht daarin speelt het immuunsysteem een cruciale rol.
J.T. van Dissel

11. Aangeboren defecten in de afweer

In voorgaande hoofdstukken is uitgebreid besproken op welke wijze het immuunsysteem functioneert bij de afweer tegen micro-organismen en hoe het voorkómt dat een infectie (te) veel schadelijke gevolgen heeft. Hierbij zijn vele verschillende cellen en moleculen betrokken, die intensief samenwerken. Er zijn zo’n 1100 genen bekend die een specifieke functie hebben binnen het immuunsysteem. In principe kunnen in al deze genen door mutaties defecten optreden, of kan het gen in kwestie op een andere manier beschadigd raken (bijvoorbeeld door recombinatie). Ook kan de expressie van de genen verstoord zijn door bijvoorbeeld defecten in regulatormoleculen. Daarnaast komen er genetische polymorfismen voor (variaties van het gen binnen de populatie), waarbij een bepaald gen verminderd (of soms meer) functioneel actief is. De scheidslijn tussen deficiëntie op basis van een mutatie en verminderde functie op basis van een genetisch polymorfisme is soms moeilijk te trekken. Binnen de genetica geldt de afspraak dat van een polymorfisme wordt gesproken wanneer de betreffende genetische variant bij meer dan 1% van de populatie voorkomt.
T.W. Kuijpers

12. Verworven stoornissen van de afweer

In het vorige hoofdstuk is besproken hoe de functie van het immuunsysteem verstoord kan zijn als gevolg van erfelijke afwijkingen (mutaties) in een breed scala van genen. Ook genetische polymorfismen in genen betrokken bij het immuunsysteem kunnen soms verklaren waarom het ene individu een betere immuunrespons vertoont dan het andere. De polymorfismen van het MHC-systeem (major histocompatibility complex; hoofdstuk 5) zijn in dit kader belangrijk, maar ook polymorfismen in bijvoorbeeld Fc-receptoren, cytokinen en cytokinereceptoren dragen bij aan de effectiviteit van de afweer tegen infecties.
J.W.M. van der Meer

13. Allergie en overgevoeligheid

Hoewel het immuunsysteem tot doel heeft om bescherming te bieden tegen ziekte, kan een overbodige en overmatige immuunrespons juist ziekte veroorzaken. Een te heftige reactie van het immuunsysteem wordt overgevoeligheid genoemd. De Britse immunologen Philip Gell en Robin Coombs hebben in 1963 deze immunologische overgevoeligheidsreacties in vier typen onderverdeeld (zie hieronder en figuur 13.1). Deze typen overgevoeligheidsreactie verschillen van elkaar wat betreft hun werkingsmechanisme en de daarmee gepaard gaande klinische ziekteverschijnselen. Type-I-overgevoeligheidsreacties worden veroorzaakt door IgE-antilichamen en worden gekenmerkt door een onmiddellijke reactie van het immuunsysteem. Andere klassen van antilichamen (vooral IgG) spelen een rol bij andere typen overgevoeligheidsreacties. Na binding aan cel- of matrixgebonden weefselantigeen (veelal autoantigenen) kunnen antilichamen tot weefselschade leiden als gevolg van bijvoorbeeld complementactivatie en de daardoor geïnitieerde ontstekingsreacties. Deze overgevoeligheidsreacties worden type-II-overgevoeligheidsreacties genoemd. Wanneer er (veel) immuuncomplexen worden gevormd en in de circulatie terechtkomen, kan er weefselschade ontstaan als deze complexen zich afzetten op vooral bloedvatwanden. Dit is de type-III-overgevoeligheidsreactie. De type-IV-overgevoeligheidsreactie ten slotte betreft de vertraagd-type-overgevoeligheid van T-lymfocyten, die in hoofdstuk 7 (paragraaf 7.5.3) al eerder is besproken. Hierbij treden ontstekingsreacties op doordat macrofagen door effector-Th1-lymfocyten lokaal geactiveerd worden en ontstekingsmediatoren uitscheiden.
E.F. Knol, J.G.R. De Monchy

14. Auto-immuniteit

Een karakteristieke en fundamentele eigenschap van het immuunsysteem is dat het onderscheid kan maken tussen lichaamseigen en lichaamsvreemd. Zowel het aangeboren als het verworven immuunsysteem is in staat een dergelijk onderscheid te maken, hoewel de wijze waarop dit gebeurt verschilt. De cellen van het aangeboren immuunsysteem maken dit onderscheid met een relatief klein aantal receptoren: de patroonherkenningsreceptoren (PRR’s), die alleen pathogeen-geassocieerde moleculaire patronen herkennen (PAMP’s;pathogen associated molecular patterns). Dergelijke moleculaire patronen zijn afwezig op lichaamscellen. De cellen van het verworven immuunsysteem, de B- en T-lymfocyten, hebben als gemeenschappelijke en unieke eigenschap, dat ze tegen vrijwel ieder antigeen (micro-organisme) dat het lichaam bedreigt, moeten kunnen reageren op uiterst specifieke wijze. Deze cellen zijn daartoe uitgerust met antigeenreceptoren (membraanimmuunglobuline (mIg) en T-celreceptor (TCR)). De variatie aan antigeenreceptoren is vrijwel ongelimiteerd en wordt in principe op willekeurige wijze aangelegd tijdens de vorming van Ben T-lymfocyten in beenmerg en thymus. Hierdoor kunnen er ook antigeenreceptoren gevormd worden die kunnen binden aan autoantigenen (dat wil zeggen antigenen die op lichaamseigen cellen en moleculen voorkomen). Dit levert een potentieel gevaarlijke situatie op en brengt als risico met zich mee dat het immuunsysteem gaat reageren tegen lichaamseigen cellen en moleculen. Om te voorkomen dat het immuunsysteem in actie komt tegen het eigen lichaam, beschikt het over ‘immunologische tolerantie’. Door deze tolerantie is het mogelijk dat het immuunsysteem ‘eigen’ ongemoeid laat maar wel in actie kan komen tegen ‘vreemd’.
C.G.M. Kallenberg, H.A. Drexhage

15. Ontsporing van de afweer

Onder een ontsporing van de afweer verstaan we een niet-fysiologische, pathologisch toegenomen immuunrespons of toename van cellen van het immuunsysteem. De cellen die bij de ontsporing betrokken zijn, kunnen behoren tot zowel het aangeboren als het verworven immuunsysteem. In feite is er in een normaal individu steeds een balans tussen (de agressiviteit van) een (vreemd) agens zoals een bacterie of virus en de afweerreactie daartegen. De immuunrespons dient daarbij zowel kwalitatief als kwantitatief toegesneden te zijn op de hoeveelheid en agressiviteit (virulentie) van het agens. Bovendien dient deze reactie zelflimiterend te zijn, dat wil zeggen dat deze zodra het agens verwijderd is, terug moet gaan naar een basisniveau van waakzaamheid (surveillance). Bij een ontsporing van het afweersysteem is er een bovenmatige, disproportionele afweerreactie, een reactie die niet stopt nadat het agens verwijderd is. Ook is het mogelijk dat er zelfs een geheel autonome ‘ongevraagde’ en soms progressieve woekering (tumor) van cellen van het immuunsysteem optreedt. In het geval van een ontsporing van B-lymfocyten of T-lymfocyten spreekt men vaak van een ‘lymfoproliferatieve aandoening’ en in het geval van een ontsporing van bloedvormende cellen waaronder de granulocyten en monocyten/macrofagen van een ‘myeloproliferatieve aandoening’. Een duidelijk voorbeeld van een disproportionele afweerreactie is het maligne lymfoom van de maag, dat kan ontstaan uit een ontstekingsreactie na besmetting met de bacterie Helicobacter pylori(zie Verdieping 15.1 en figuur 15.1).
Ph.M. Kluin

16. Transplantatie en afstoting

Volgens de overlevering waren de chirurgen Cosmas en Damianus in de tweede eeuw na Christus in staat een been te transplanteren zonder dat dit direct tot enige complicaties leidde (figuur 16.1). Het duurde echter tot de twintigste eeuw voordat orgaantransplantatie chirurgisch-technisch mogelijk werd. Helaas leidden deze transplantaties aanvankelijk niet tot een functionerend donororgaan: het immuunsysteem van de ontvanger herkent het transplantaat als lichaamsvreemd en probeert het daarom te vernietigen. Afstoting (rejectie) van een transplantaat berust op dezelfde immunologische reacties die een rol spelen bij de afweer tegen virussen en bacteriën. De antigenen waartegen gereageerd wordt bij transplantatiereacties, worden wel transplantatieantigenen genoemd. Het gaat daarbij vooral om belangrijke moleculen van het immuunsysteem en dan vooral de componenten van het major histocompatibility complex(MHC). Dat deze MHC-moleculen bij transplantatiereacties betrokken zijn is niet vreemd, gezien de hoge mate van polymorfisme van dit systeem. MHC-moleculen komen voor op alle lichaamscellen (klasse I) en op cellen van het immuunsysteem (klasse II) en vormen het grootste verschil tussen individuen (zie hoofdstuk 5). Afstotingsreacties tegen deze transplantatieantigenen kunnen uitsluitend worden voorkomen door selectie van een donor met exact dezelfde transplantatieantigenen (MHC) als de patiënt (de ontvanger). Dit is in de praktijk alleen het geval bij eeneiige tweelingen. In alle andere gevallen is het noodzakelijk om het immuunsysteem van de ontvanger te onderdrukken, zodat het donororgaan niet als ‘vreemd’ herkend en daarna vernietigd wordt. Klinische orgaantransplantatie werd dan ook pas echt een realiteit toen er afweeronderdrukkende medicamenten beschikbaar kwamen.
F.H.J. Claas

17. Vaccins en vaccinatie

Het immuunsysteem heeft als taak om het lichaam te verdedigen tegen infecties. Het doet dit door potentieel ziekteverwekkende micro-organismen aan te vallen en uit te schakelen. Daar waar de afweer tekortschiet, of het gevaar van een infectie met een bepaald micro-organisme gevaarlijk is of mogelijk schadelijke gevolgen kan hebben, kan het immuunsysteem worden versterkt door vaccinatie. Vaccinatieprogramma’s zijn gericht op het bewerkstelligen van bescherming van de gehele bevolking tegen ziekten die veroorzaakt kunnen worden door (extreem) slechte micro-organismen. Bovendien is vaccinatie belangrijk om de verspreiding van een micro-organisme tegen te gaan (op basis van populatie-immuniteit (herd immunity)).
G.T. Rijkers

Nawerk

Meer informatie