Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek gaat in op de (veranderende) rol van de huisarts, nu en in de toekomst, bij de zorg rondom de oncologische patiënt in de dagelijkse praktijk.

In een inleidend deel komen algemene onderwerpen aan bod zoals incidentie, prevalentie en sterfte-aantallen. Daarnaast gaat het in op preventie en nieuwe behandelmethoden, revalidatie, de organisatie van de oncologische zorg in Nederland en Vlaanderen en de rol van de huisarts bij palliatieve zorg.

In het tweede deel worden, aan de hand van casuïstiek, de volgende vormen van kanker besproken: colorectale kanker, borstkanker, prostaatkanker, longkanker en gepigmenteerde huidkanker. Hierbij wordt vooral ingegaan op de rol van de huisarts: vanaf het eerste contact bij de klacht (diagnostiek, verwijzing), de rollen die de huisarts heeft voor de patiënt en familie tijdens de behandeling van de specialist, tijdens het controletraject bij het signaleren van langetermijneffecten en bij het palliatieve traject. Er wordt verder ingegaan op palliatieve behandelmogelijkheden, meest voorkomende metastasen en langetermijneffecten aan de orde.

Oncologie verschijnt in de reeks Praktische huisartsgeneeskunde. In deze reeks verschijnen uitgaven met praktische en klachtgerichte informatie over de verschillende deelgebieden van de huisartsgeneeskunde.

Oncologie is in de eerste plaats geschreven voor huisartsen, al dan niet in opleiding. Maar ook voor gespecialiseerde verpleegkundigen, nurse practitioners, physician assistants, basisartsen, praktijkondersteuners en medische studenten biedt het veel relevante informatie.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Algemeen

Voorwerk

1. Kankerepidemiologie: incidentie, prevalentie, sterfte en verwachtingen

Samenvatting
Elk jaar wordt in België en Nederland bij ongeveer 65.000 en 102.500 personen kanker vastgesteld. De huisarts wordt op verschillende tijdstippen van het ziekteproces geconfronteerd met kankerpatiënten. Het incidentiecijfer is voor de huisarts belangrijk, omdat dit aangeeft hoe groot de kans is dat een patiënt met een bepaald type kanker zich aanbiedt in de praktijk. Ongeveer 42 % van deze patiënten overlijdt ten gevolge van kanker. Deze cijfers hebben een onmiddellijke impact op de praktijk van de huisarts. Hij of zij is immers vaak de spilfiguur in de behandeling en begeleiding van de patiënt vanaf diagnose tot aan het levenseinde (palliatieve zorg, symptomatische en comforttherapie). Wat betreft de organisatie van de zorg moeten we rekening houden met een stijgende trend van de kankerincidentie, die zich de volgende jaren zal voortzetten. In dit hoofdstuk introduceren we de begrippen kankerincidentie, sterfte en prevalentie en vermelden we telkens enkele kerncijfers ter illustratie. De verwachtingen voor de kankerincidentie in de toekomst (2025) worden kort besproken. Daarnaast wordt het belang van de kankerregistraties als bron van dit hoofdstuk toegelicht.
L. Van Eycken, K. Henau, O. Visser, S. Siesling

2. De rol van de huisarts in de toekomst

Samenvatting
De rol van de huisarts in de oncologische zorg zal veranderen in de nabije toekomst. In ieder geval zullen meer patiënten in de gemiddelde praktijk kanker hebben, en de patiënten zullen langer overleven. Met de voortschrijding van technologische ontwikkelingen zal veel informatie over kanker vroeger en dichter bij de patiënt verzameld worden. De patiënten zullen hierover vragen hebben en met deze vragen vaak bij de huisarts aankloppen. Als er eenmaal kanker is geconstateerd en behandelingen zijn ingezet, dan zullen die behandelingen dichter bij huis en zelfs thuis kunnen worden gegeven. Hierbij zullen professionals uit ziekenhuizen zijn betrokken die in nauwe verbinding staan met de eerste lijn. Dit vraagt nieuwe competenties van de professionals en interprofessionele samenwerking in netwerkzorg. In de nazorgfase en ook in de laatste levensfase zullen de taken tussen de diverse professionele rollen steeds verder uitkristalliseren, waardoor patiënten nog vaker op hun plaats van voorkeur kunnen overlijden.
H. J. Schers, A. De Sutter

3. Preventie

Samenvatting
De impact van kanker op de volksgezondheid neemt nog steeds toe. In de strijd tegen kanker kunnen preventieve maatregelen compenseren voor de beperkte successen van sommige van de huidige behandelingsmogelijkheden. Teneinde de kans op het ontstaan van kanker te verlagen, worden preventieve acties gericht op het vermijden van de blootstelling aan risicofactoren en dit zowel op het niveau van populatie(s) als van het individu. Vaccinatie en chemopreventie zijn nieuwe, deels nog te ontwikkelen, methoden voor ‘primaire’ preventie. De vroegdiagnostiek (‘secundaire’ preventie) maakt het voor een beperkt aantal vormen van kanker (borst-, baarmoederhals- en dikkedarmkanker) mogelijk een effectievere behandeling toe te passen. Aan verschillende randvoorwaarden moet voldaan zijn, voordat een screeningsprogramma (bevolkingsonderzoek) kan worden opgezet. Rond deze aanpak heerst controverse, die niet in het minst het gevolg is van de complexiteit van de evaluatie van bestaande screeningsprogramma’s.
J. J. J. Weyler, P. J. E. Bindels

4. Diagnostiek

Samenvatting
Het grootste deel van de patiënten die later kanker blijken te hebben presenteert zich met klachten bij de huisarts. De huisarts speelt dus een belangrijke rol bij het tijdig opsporen van kanker, en adequate diagnostiek van kanker is daarom een grote uitdaging. Minder dan 1 % van de patiënten heeft kanker, en het merendeel presenteert zich niet met alarmsymptomen maar met alledaagse klachten. Bovendien is de voorspellende waarde van de meeste alarmsymptomen minder dan 5 %. Het diagnostisch besluitvormingsproces van de huisarts bij kanker is daarom gebaseerd op een individuele risico-inschatting, op basis van leeftijd en geslacht, familierisico, leefstijlfactoren, anamnese en lichamelijk onderzoek. De uitkomsten daarvan geven een indicatie voor het absolute risico op kanker, en de reden voor verwijzing naar de tweede lijn.
N. J. de Wit, D. Devroey

5. Erfelijkheid

Samenvatting
Het ontwikkelen van kanker kan erfelijk bepaald zijn. Personen en families waarin dit het geval is kunnen herkend worden aan het frequent voorkomen van bepaalde tumoren, vaak op jongere leeftijd, en aan het familiair voorkomen van al of niet zeldzame vormen van kanker. Erfelijkheidsonderzoek kan deze predispositie bewijzen door het aantonen van het causale genetische defect, ook wel mutatie genoemd. Het aantonen van erfelijke belasting voor kanker bij de patiënt wordt belangrijker en biedt zowel prognostische als therapeutische informatie. Daarnaast is erfelijkheidsonderzoek belangrijk om het risico op het ontwikkelen van kanker bij (nog) gezonde familieleden in te schatten. Verder kan het aantonen van een genetisch defect belangrijk zijn bij het maken van reproductieve keuzes.
B. Poppe, G. H. de Bock

6. Nieuwe behandelmethoden (doelgerichte behandelingen en immuuntherapie)

Samenvatting
Nieuwe behandelmethoden in de oncologie bestaan uit doelgerichte (oftewel targeted) therapie, en immuuntherapie. De werking van deze geneesmiddelen is gebaseerd op intracellulaire signaaltransductieroutes, die essentieel zijn voor het ontstaan en het in stand houden van kanker. Doelgerichte behandelingen omvatten zowel medicamenten gericht op genetische veranderingen van de tumorcel die kanker aansturen (zogeheten ‘driver’-mutaties), als hormonale therapie (bij borst- en prostaatkanker), en middelen gericht tegen de angiogenese (vaatnieuwvorming). Twee soorten medicamenten worden onderscheiden: intraveneuze monoklonale antilichamen en orale kinaseremmers. De monoklonale antilichamen binden zich aan receptoren (eiwitten) op de tumorcel of vangen signalerende eiwitten, zoals groeifactoren, in het bloed weg. Orale kinaseremmers blokkeren intracellulair het signaal van specifieke genetisch veranderde receptoren. Bij Immuuntherapie de-blokkeren antilichamen de rem op ontstekingscellen (T-cellen), waardoor in het lichaam een endogene antitumor immuunrespons wordt geactiveerd. Omdat dit mechanisme ingrijpt op de herkenning van eiwitten als lichaamseigen heeft het blokkeren ervan als bijwerking dat er ernstige auto-immuun fenomenen kunnen optreden.
V. Kruse, T. J. N. Hiltermann

7. Herstel en revalidatie

Samenvatting
Steeds meer mensen met kanker overleven of leven langer met kanker. De gevolgen van kanker(behandelingen) zijn dikwijls aanzienlijk en herstellen gaat vaak niet vanzelf. Er kan sprake zijn van problematiek in zowel fysiek als psychosociaal functioneren. De huisarts heeft hierbij een belangrijke signalerende, begeleidende en verwijzende rol. Aanvullende zorg, zoals paramedische, psychosociale en revalidatiezorg, kan aangewezen zijn om de gevolgen van kanker bij patiënten te verminderen en hun dagelijks functioneren en kwaliteit van leven te verbeteren. Systematische signalering van de gevolgen van kanker(behandeling) met behulp van een screeningsinstrument maakt de problematiek inzichtelijk voor het consult en de begeleiding bij herstel en verbeteren van de kwaliteit van leven. Vaak is de hulp van de huisarts, of diens praktijkondersteuner, aangewezen voor zelfmanagement en educatie, zoals voor leefstijl. Bij enkelvoudige problematiek (fysiek of psychosociaal) kan de huisarts begeleiding bieden en bij indicatie verwijzen naar oncologische paramedische, psychosociale en revalidatiezorg. Revalidatiezorg is vooral bedoeld voor patiënten met multipele problematiek. De huisarts kan als spil fungeren in de begeleiding en het herstel van mensen met kanker in alle ziektefases.
B. C. M. Gijsen, B. Van Ruymbeke

8. Psychologische distress en vermoeidheid

Samenvatting
Psychologische distress en vermoeidheid zijn bekende fenomenen bij oncologische patiënten. Psychologische distress en vermoeidheid uiten zich in diverse vormen bij patiënten, zoals slecht slapen of piekeren, maar ook depressie, angst of somatische klachten komen voor. Het is belangrijk dat de huisarts deze klachten proactief navraagt en samen met de patiënt kan ontrafelen en verder bespreken of behandelen. De omgeving van de patiënt kan eveneens belangrijke stress ervaren, ook hier is een proactieve rol voor de huisarts weggelegd. Daarnaast kan de huisarts zelf distress ervaren, als een patiënt met wie hij een langdurende relatie heeft opgebouwd een oncologisch probleem ontwikkelt. Deze stress kan zowel patiënt- als persoongerelateerd zijn. Het is dan ook belangrijk dat de huisarts bij zichzelf distress (h)erkent en hiervoor op tijd hulp zoekt.
M. Deveugele, P. Pype, S. W. M. C. Accord-Maass

9. Organisatie van oncologische zorg in België en Nederland

Samenvatting
Door ontwikkelingen in de medische wetenschap en techniek wordt de oncologische zorg steeds complexer en zijn steeds meer disciplines betrokken bij de vroegopsporing, diagnostiek, behandeling en follow-up van patiënten met kanker. Deze toegenomen complexiteit vraagt om specifieke kennis, ervaring en infrastructuur, maar ook om goede informatie-uitwisseling tussen de verschillende behandelaars in de zorgketen. Door toegenomen complexiteit en specialisatie kan niet alle oncologische zorg meer in alle ziekenhuizen plaatsvinden. Behandelaars en instellingen gaan daarom samenwerken in oncologische netwerken rondom expertcentra waar laagvolume hoogcomplexe zorg geconcentreerd wordt. Kwaliteitsnormen en -registraties borgen dat iedere patiënt behandeld wordt in de juiste setting door het juiste team van behandelaars en geven de oncologische teams continu feedback over de kwaliteit van de door hen geleverde oncologische zorg (spiegelinformatie). Transparantie van deze zorgkwaliteit en keuze-informatie zal ertoe leiden dat patiënten een beroep doen op hun huisarts om kwaliteitsinformatie te bespreken voorafgaand aan een verwijzing naar een medisch specialist of voorafgaand aan behandelbeslissingen.
V. Cocquyt, E. Decoene, M. W. J. M. Wouters

10. Palliatieve zorg

Samenvatting
Palliatieve zorg verbetert de levenskwaliteit van patiënten met een levensbedreigende aandoening en die van hun naasten. Het is méér dan terminale zorg en kan al vroeg, zelfs tijdens een ‘actieve behandeling’, ingezet worden. Men spreekt van ‘supportieve zorg’ wanneer deze parallel aan medische technologie wordt gegeven bij een (nog) niet terminale patiënt. Terminale zorg is gericht op de laatste weken. Palliatieve zorg omvat zowel supportieve zorg, terminale zorg als rouwzorg. Palliatieve zorg is ontstaan als reactie op de veelal technische benadering en zinloze behandelingen van ongeneeslijk zieken. Een huisarts met voldoende expertise kan deze zorg zelf geven, rekening houdend met voorafgaande zorgplanning. Zo niet, dan schakelt hij een deskundige in op het gebied van de palliatieve zorg. Euthanasie is zowel in België als in Nederland toegestaan om ernstig, onbehandelbaar lijden te vermijden. Het ingediende verzoek wordt steeds door een tweede arts beoordeeld. Dit is een SCEN-arts in Nederland of een LEIF-arts in Vlaanderen en Brussel.
B. S. Wanrooij, W. Distelmans

11. Late gevolgen van kankerbehandeling: gedeelde zorg

Samenvatting
Overlevenden van kanker kunnen op de lange termijn diverse nadelige effecten van hun behandelingen ondervinden. Voorbeelden hiervan zijn cardiotoxiciteit, ontwikkeling van het metabool syndroom, endocriene stoornissen, en osteoporose. Deze langdurige en late effecten zijn mogelijk, mits tijdig opgespoord, gunstig te beïnvloeden of te voorkomen. Patiënt en huisarts dienen deelgenoot te worden van de zorg om deze potentiële toxiciteit, door het ontwikkelen van een duidelijk nazorgplan voor elke overlever en door follow-up waarin patiënt, huisarts en oncoloog ieder een eigen rol hebben, zogeheten ‘shared care’. De huisarts is een belangrijke en logische speler in dit geheel, gezien zijn generalistische achtergrond en zijn kennis van multimorbiditeit. Voor goede zorg voor overlevenden van kanker zijn wel betere richtlijnen nodig en is meer onderzoek vereist naar nut en frequentie van screening op de diverse late effecten.
J. Nuver

The Big Five

Voorwerk

12. Colorectaal kanker en de rol van de huisarts

Samenvatting
In Nederland en België wordt jaarlijks bij 21.000–25.000 patiënten een colorectaal carcinoom gediagnosticeerd. Colorectale carcinomen geven over het algemeen pas laat symptomen. Met de start van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker wordt een deel van de tumoren en premaligne poliepen tegenwoordig opgespoord door het uitvoeren van een occult-bloedtest. Coloscopie wordt beschouwd als de referentiestandaard voor de detectie van een carcinoom. CT-colografie of MR-colografie als alternatief kan worden overwogen. Wanneer de diagnose colorectaal carcinoom is gesteld, is het TNM-stadium van belang voor het bepalen van het behandelplan. De behandeling van het colorectaal carcinoom omvat meerdere modaliteiten. Chirurgie is nog altijd de hoeksteen en bestaat uit het verwijderen van de tumor, inclusief het bijbehorende lymfedrainagegebied. Bij rectumcarcinomen wordt er eveneens gebruikgemaakt van neoadjuvante radio(chemo)therapie. Een deel van de patiënten met een coloncarcinoom dient nog adjuvant behandeld te worden met chemotherapie. Ook bij gemetastaseerde tumoren worden de voor- en nadelen van de verschillende modaliteiten: chemotherapie, radiotherapie en chirurgie, afgewogen. De huisarts speelt een belangrijke rol bij de opsporing van darmkanker, bij de begeleiding tijdens de behandeling, in de nazorgfase en bij eventueel palliatieve zorg.
J. Wind, K. Geboes, J. D. W. van der Bilt

13. Borstkanker en de rol van de huisarts

Samenvatting
Borstkanker is de meest voorkomende maligniteit bij vrouwen. De nog stijgende incidentie wordt slechts gedeeltelijk veroorzaakt door vroeg-detectieprogramma’s. Huisartsen hebben een belangrijke taak bij het tijdig onderkennen en verwijzen van vrouwen met borstkanker. Vroege opsporing en efficiëntere behandeling zorgen voor een betere prognose. Hierdoor zijn er steeds meer vrouwen die in het verleden zijn behandeld voor borstkanker. Zij blijven vaak medische aandacht nodig hebben. Het opsporen van een locoregionaal recidief en het managen van bijwerkingen door behandelingen, zoals radio- en chemotherapie, maar ook hormonale therapie, zijn de belangrijkste taken wat betreft follow-up. Deze zorg wordt nog grotendeels vanuit mammapoli’s of borstklinieken gecoördineerd, maar kan deels met goede instructie ook veilig overgedragen worden aan huisartsen of in samenwerking gedaan worden.
V. Cocquyt, E. Naert, M. Corsten

14. Prostaatkanker en de rol van de huisarts

Samenvatting
De behandeling van prostaatkanker kent vele mogelijkheden, die in verschillende fases van de ziekte ingezet kunnen worden. De huisarts kan de patiënt in elk stadium van de ziekte ondersteunen. In de diagnostische fase kan de huisarts voorlichting geven om de patiënt te ondersteunen bij het nemen van een beslissing om diagnostiek te laten verrichten. Daarna kan de huisarts met de patiënt in gesprek blijven over zijn voorkeuren en behandelingsopties, zowel in het curatieve traject als in de terminale fase. Aan de hand van casuïstiek zullen in dit hoofdstuk diagnostiek en behandeling van prostaatkanker besproken worden en welke rol de huisarts daarbij op zich kan nemen.
M. H. Blanker, K. M. van Asselt, S. Rottey, D. De Maeseneer, F. Poelaert

15. Longcarcinoom en de rol van de huisarts

Samenvatting
In Nederland kregen 11.900 mensen in 2014 longkanker; in België 8.196. Longkanker is te verdelen in niet-kleincellige longcarcinomen (die weer onderverdeeld kunnen worden in plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom en grootcellig carcinoom) en kleincellige longcarcinomen. De belangrijkste oorzaak van longkanker is nog steeds roken. Ook passief meeroken leidt tot een verhoogd risico op het krijgen van longkanker. Helaas heeft het merendeel van de patiënten (70–75 %) bij diagnose een gemetastaseerde ziekte. Diagnostiek van longcarcinoom vindt plaats door middel van bronchoscopie en CT-thorax gecombineerd met een PET-scan. Ook genetisch onderzoek heeft tegenwoordig een belangrijke rol binnen de diagnostiek. Het is van belang naast de exacte pathologische diagnose het juiste stadium vast te stellen. Op basis hiervan kan het behandelplan worden vastgesteld. Behandeling bestaat uit chirurgische curatie of, als dat niet meer mogelijk is, uit chemoradiatie. Gezien de vaak slechte prognose, is het belangrijk al vroeg een palliatief traject uit te zetten om voldoende kwaliteit van leven te hebben.
M. A. de Meij, V. Surmont

16. Melanoom en de rol van de huisarts

Samenvatting
In dit hoofdstuk worden de stappen beschreven van het consult bij de huisarts van de patiënt die zich meldt met een verdachte, gepigmenteerde (niet-huidkleurige) laesie. Het betreft een patiënt met een melanoom. Er wordt duidelijk gemaakt hoe het in de praktijk in zijn werk gaat: via de huisarts naar de tweede lijn, naar de dermatoloog, naar de chirurg en tegenwoordig vaak ook naar de medisch oncoloog. Ingegaan wordt op de differentiële diagnostiek en er worden praktische tips gegeven: waar moet ik bij de anamnese op letten, wat zijn risicofactoren, hoe pas ik de ABCDE-regel toe en wat is de waarde van de dermatoscoop? Verdieping van kennis en begrip wordt geboden door middel van beschrijving van het diagnostisch en begeleidingstraject bij de dermatoloog en de behandeling van het gemetastaseerde melanoom door de chirurg en de medisch oncoloog. Terwijl vóór 2011 het gemetastaseerd melanoom als een ongeneeslijke ziekte gold, neemt dankzij de nieuwe systemische behandelopties de kans op een langere overleving toe. Ondanks een vaak steeds langer wordend palliatief traject, worden de meeste patiënten uiteindelijk weer terugverwezen naar de huisarts. Met een paragraaf over begeleiding in de terminale fase wordt het hoofdstuk afgesloten.
W. K. van der Heide, E. Rácz, V. Kruse

Nawerk

Meer informatie