Skip to main content
main-content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander artikel

Gepubliceerd in: TSG - Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen 3/2022

Open Access 01-12-2022 | Wetenschappelijk artikel

Honderd jaar TSG – Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen

Van geneeskunde via gezondheidszorg naar gezondheidswetenschappen: maar het bleef TSG

Auteur: Jan G. J. Huurman

Gepubliceerd in: TSG - Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen | bijlage 3/2022

share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail
insite
ZOEKEN

Samenvatting

Op 1 januari 2023 is het honderd jaar geleden dat het eerste nummer van TSG verscheen. Het blad was primair het orgaan van de verenigingen van schoolartsen en artsen voor armenzorg. De gekozen titel Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde was een bewijs dat de term ‘sociale geneeskunde’ in Nederland de huidige inhoud kreeg. Voor die tijd werden andere termen voor dit vakgebied gebruikt. TSG groeide uit tot het orgaan van het gehele praktijk- en wetenschapsgebied, zeker na de oprichting van de overkoepelende Algemeene Nederlandsche Vereeniging voor Sociale Geneeskunde (ANVSG) in 1930. Gedurende de bezettingsjaren 1940–1945 functioneerden ANVSG en TSG ogenschijnlijk onverstoord door, in tegenstelling tot de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (NMG), die vooral de vereniging van en voor curatieve artsen was. Na 1945 volgden de bloeijaren van de sociale geneeskunde, met vestiging van meerdere leerstoelen en de erkenning van de afzonderlijke vakken als geneeskundig specialismen. TSG profiteerde van deze ontwikkeling. Aan deze ontwikkeling kwam begin jaren tachtig van de vorige eeuw een eind. De ANVSG slaagde er niet meer in de afzonderlijke takken te verenigen, mede omdat de dominante positie van artsen in het veld van de public health onder druk kwam te staan. De ‘g’ van ‘geneeskunde’ werd ‘gezondheidszorg, en TSG ging daarin mee. Alle inspanningen ten spijt kon de ANVSG zichzelf niet meer overeind houden, en daarom werd in 1985 tot opheffing besloten. Om de continuïteit van TSG te waarborgen werd een nieuwe vereniging opgericht, de Vereniging voor Volksgezondheid en Wetenschap (V&W). Deze constructie hield ruim dertig jaar stand, totdat ook V&W in 2017 werd opgeheven. TSG was inmiddels weer omgedoopt, tot Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen. Onder die titel bleef het in druk verschijnen tot en met december 2018. Sindsdien is het een online en open access-publicatie.

Inleiding

In januari 1923, nu bijna honderd jaar geleden, verscheen het eerste nummer van het Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde, al snel afgekort tot TSG. Onder die afkorting, maar nu met als formele titel Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, bestaat het blad nog steeds. In dit artikel zal ik in vogelvlucht, qua diepgang begrensd door de omvang, de historie van TSG schetsen. Niet beperkt tot het tijdschrift zelf, maar in de context van de ontwikkeling van de volksgezondheid en sociale geneeskunde. Een tijdschrift is immers geen doel op zich, maar een instrument tot verspreiding van opvattingen en (wetenschappelijke) kennis.
Het format van een (jubileum)artikel dwingt de schrijver tot selectie. Ik heb getracht de hoofdlijnen van de historie te pakken, en, waar nodig en illustratief, sommige episodes wat scherper te belichten. Elke kritiek als zou dit artikel onvolledig zijn, is daarmee op voorhand terecht.
De opbouw van dit jubileumartikel is in hoofdzaak chronologisch, met her en der een thematische uitweiding. De start is een korte schets van de voorgeschiedenis, dat wil zeggen de ontwikkelingen in de volksgezondheid voorafgaand aan het eerste nummer van TSG. Daarna volgt een beschrijving van de jeugd- en puberjaren van het tijdschrift, tevens de eerste groeiperiode van de sociale geneeskunde. De stap naar volwassenheid is abrupt als de Duitsers op 10 mei 1940 ons land binnenvallen. De jaren van bezetting vormen een eigen verhaal. De bevrijding vijf jaar later markeert de tweede groeiperiode, in retrospectief de gloriejaren van de Nederlandse sociale geneeskunde en het daaraan onverbrekelijk verbonden TSG. Deze bloeifase komt in de jaren tachtig ten einde, met in 1986 de opheffing van de Algemene Nederlandse Vereniging voor Sociale Gezondheidszorg (voorheen Geneeskunde) en daarmee de ontkoppeling tussen TSG en zijn dragende verenigingen. Een fase van heroriëntatie, op- af- en ombouw van instituties volgt.
De afsluitende epiloog ziet terug op de afgelopen eeuw en op de ontwikkeling van het vakgebied sociale geneeskunde naar het bredere werkveld public health. Daarbinnen blijft plaats voor TSG, in de eigentijdse vorm van een open access- en online only tijdschrift.

Geneeskunde en maatschappij

De sociale geneeskunde, de oorspronkelijke naamgever van TSG, is als begrip ontstaan in het midden van de negentiende eeuw. Binnen de kring van medisch-historici wordt vrij algemeen aanvaard dat de Franse chirurg Jules Guérin in het revolutiejaar 1848 het begrip muntte. Niet als afzonderlijk vak, maar als oproep aan de geneeskundigen van die tijd om zich socialer c.q. maatschappelijker te gedragen. Het jaar 1848 – in Nederland het geboortejaar van de thorbeckiaanse Grondwet – was in vele opzichten een bijzonder jaar: Rudolf Virchow publiceerde zijn strijdbare rapport over de maatschappelijke oorzaken van de vlektyfusepidemie in Opper-Silezië en in het Verenigd Koninkrijk werd de Public Health Act van kracht. Al deze gebeurtenissen kunnen alleen worden begrepen in de context van de vestiging van natiestaten na het Congres van Wenen (1815) en de industriële revolutie die natiestaat na natiestaat veroverde. De verscherping van de sociale verhoudingen, met in het bijzonder de vorming van een industrieel proletariaat, leidde tot verslechtering van de volksgezondheid, getuige de opeenvolging van ernstige cholera- en tyfusepidemieën vanaf 1831. Het (nieuwe) inzicht dat dit niet het gevolg was van het lot of goddelijke voorzienigheid leidde tot de acties van Guérin en Virchow, en tot de publicatie van het Communistisch Manifest van Marx en Engels, ook in 1848. Van Virchow, niet alleen een groot arts en wetenschapper (de grondlegger van de cellulaire pathologie en de Duitse sociale geneeskunde), is de uitspraak: ‘Geneeskunde is een sociale wetenschap en politiek is niets anders dan geneeskunde op grote schaal.’

Sociale Quaestie

Nederland liep in de negentiende eeuw achter op de omringende landen. Verwend door opgepot kapitaal uit de voorafgaande eeuwen en de relatief goedkope energie uit windkracht (molens!) en turf, werd de stap naar mechanisatie op basis van kolen en stoom laat gemaakt. De eerste stoomlocomotief werd in 1804 in Engeland in gebruik genomen, de eerste spoorlijn in Nederland dateert van 1839. De overgang naar industriële productie en daaraan verbonden sociale verhoudingen kwam in Nederland pas goed op gang in de tweede helft van de negentiende eeuw. Binnen het politieke systeem van de liberale nachtwakerstaat drong het besef van de consequenties van de nieuwe economische verhoudingen (zie hierboven) laat door. Eerst na 1870 kwam de ‘Sociale Quaestie’ op de agenda van de dan ontluikende politieke partijen (ARP, SDAP, Liberale Unie, Katholieke Kiesverenigingen). Dat leidde stap voor stap tot de eerste sociale wetten. Het bekende Kinderwetje van Van Houten (1874) had de primeur. In de daaropvolgende decennia ontwaakte de nachtwakersstaat langzamerhand uit zijn winterslaap, met als culminatiejaar 1901. In dat jaar slaagde het progressief-liberale kabinet Pierson (1897–1901) er in om in hoog tempo belangrijke sociale wetten door het parlement te krijgen: de Leerplichtwet, de Woningwet, de Gezondheidswet en de Ongevallenwet.
Eddy Houwaart heeft in zijn indrukwekkende dissertatie de Nederlandse groep sociaal bewogen geneeskundigen in de negentiende eeuw de titel ‘Hygiënisten’ gegeven [1]. Zij zagen in dat ziekte en sterfte een maatschappelijke oorzaak hadden en dat verbetering van de hygiëne (schoon drinkwater, riolering, betere voeding en huisvesting) de sleutel tot de oplossing was. Deze sociale dimensie van de volksgezondheid kreeg in de loop van de negentiende eeuw een scala aan typeringen: medische politie, gezondheidsleer, sociale hygiëne en openbare gezondheidsregeling. De laatstgenoemde term werd opgepakt door het in 1896 opgerichte Nederlands Congres voor Openbare Gezondheidsregeling (NCOG) [2]. De verhandelingen van de jaarlijkse congressen werden afgedrukt in het vanaf 1899 gepubliceerde Tijdschrift voor Sociale Hygiëne. Een veelheid aan termen dus, maar vooralsnog geen ‘sociale geneeskunde’

Leerstoel sociale geneeskunde

De term ‘sociale geneeskunde’ drong pas laat in het Nederlandse taalgebied binnen. En in eerste instantie niet met de huidige betekenis, maar als label voor wat we tegenwoordig verzekeringsgeneeskunde zouden noemen. De eerste Vereeniging voor sociale geneeskunde (1921) was een hernoemde Vereeniging ter beoefening van de Ongevallengeneeskunde (1908) en de eerste leerstoel sociale geneeskunde had als leeropdracht verzekeringsgeneeskunde. De eerste hoogleraar op die leerstoel (Baart de La Faille, 1918 Utrecht) was sinds 1901 controlerend geneeskundige voor de al genoemde Ongevallenwet uit 1901.
De wetgeving vanaf 1848 liet binnen de diffuse groep van geneesheren nieuwe beroepen c.q. functies ontstaan. De Armenwet van 1854 introduceerde de gemeente-geneesheer, belast met de medische zorg voor onvermogenden, de Wet regelend het geneeskundig staatstoezicht (1865) creëerde de eerste groep geneesheren die in volledig ambtelijke dienst waren (de geneeskundig inspecteurs). Het genoemde Kinderwetje van Van Houten legde de basis voor de arbeidsinspecteurs. De wetten van 1901 voegden daar nog een aantal categorieën aan toe, onder meer de controlerend geneeskundige op basis van de Ongevallenwet en de schoolarts krachtens de Leerplichtwet. Al met al zorgde de sociale wetgeving stap voor stap voor het uitkristalliseren van een nieuwe groep van geneesheren en artsen die niet vrijgevestigd waren en niet gericht op de individuele (curatieve) zorg, maar juist in (deel)dienstverband en dienstbaar aan de uitvoering van collectieve (deels preventieve) doelstellingen.
In de goede traditie van verenigingsland Nederland richtten de nieuw ontstane beroepsgroepen hun eigen organisaties op, zoals de Nederlandse Vereeniging van Schoolartsen (NVS, 1907) en de Nederlandse Vereeniging van Gemeentelijke Geneeskundige Verzorging (NVGGV, 1919). De artsen binnen deze twee verenigingen werkten allen voor gemeenten, soms binnen het verband van een GG(&G)D, waardoor het al snel vanzelfsprekend werd om vergaderingen op hetzelfde tijdstip en dezelfde plek te organiseren, met ruimte voor een gezamenlijke afsluiting. Deze steeds sterker groeiende relatie resulteerde in 1921 in de oprichting van een gezamenlijk tijdschrift.

Professionalisering

Verbazing: 1921? Inderdaad, niet 1923 is het geboortejaar van het tijdschrift dat nu TSG, Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen heet, maar 1921. Twee jaar eerder dus. En met een andere titel: Sociaal-Medisch Maandschrift. Uit het eerste redactionele artikel valt op te maken dat het primaire doel van het nieuwe tijdschrift het versterken van de positie van de twee samenwerkende beroepsgroepen was: schoolartsen en artsen voor de zorg aan onvermogenden: ‘Inderdaad! Er is behoefte aan een tijdschrift waarin de overheidsartsen hun denkbeelden over de sociale geneeskunde kunnen uiteenzetten’ [3]. Een hulpmiddel dus in het professionaliseringsproces van deze twee relatief nieuwe beroepen. Het Maandschrift was een succes, zodanig succesvol zelfs dat na twee jaargangen de stap naar een betere vormgeving én een nieuwe naam kon worden gezet. In januari 1923 verscheen het tijdschrift onder de nieuwe naam Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde. Dragende verenigingen waren nog steeds de NVS en de NVGGV, maar daar sloten zich in de loop der jaren steeds meer organisaties bij aan.
Die verbreding van de basis – steeds meer beroepsgroepen – weerspiegelde zich in de verandering van naamgeving. Sociale geneeskunde werd de nieuwe vlag en hoogleraar Baart de La Faille zette in het openingsartikel van het eerste nummer helder uiteen dat hiermee meer werd bedoeld dan enkel verzekeringsgeneeskunde. In zijn oratie van 1918 had Baart de sociale geneeskunde gepositioneerd tussen de geneeskunde en de sociale wetenschappen, en in dit artikel borduurde hij hierop voort: ‘Indien (…) is aangetoond dat longtering (…) meer voorkomt onder de armen dan onder de welgestelden en dat het beloop dezer ziekte veel ongunstiger is in de eerste dan in de andere maatschappelijke groep, dan is het de taak van de sociale geneeskunde om maatregelen te beramen, welke die verhouding kunnen veranderen ten goede’ [4].
Het nieuwe TSG en zijn voorganger waren in het interbellum niet de enige tijdschriften die aandacht besteedden aan sociaal-medische vraagstukken. De meest gelezen concurrent was het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, op dat moment nog het orgaan van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. Een andere belangrijke speler op het publicitaire vlak was het al genoemde Tijdschrift voor Sociale Hygiëne, het orgaan van het NCOG, een uitgesproken multidisciplinaire vereniging. In 1930 kwam een volgende collega op het toneel: Katholieke Gezondheidszorg, het orgaan van het Wit-Gele Kruis, de exponent van het ontluikende confessionele particuliere initiatief in de volksgezondheid.

Verbreding en samengaan

In hetzelfde jaar 1930 waren de onderlinge banden tussen NVS en NVGGV zodanig versterkt dat een volgende stap kon worden gezet. Op 14 juni 1930 fuseerden de beide verenigingen binnen de nieuwe Algemeene Nederlandsche Vereeniging voor Sociale Geneeskunde, de ANVSG. Met ingang van juli 1930 werd TSG het orgaan van de ANVSG. De nieuwe vereniging wilde niet alleen de pleisterplek voor de leden van de fusiepartners zijn, maar stelde zich uitdrukkelijk open voor ‘alle Nederlandsche artsen, die in overheidsdienst of in particuliere dienst of zelfstandig uitsluitend of ten deele werkzaam zijn op het gebied der sociale hygiëne of sociale geneeskunde’ [5]. Deze ambitie kreeg in de daarop volgende jaren gestalte. De ANVSG verbreedde zich met de gebieden verzekerings- en arbeidsgeneeskunde. De positie van TSG werd in 1933 verder versterkt toen het NCOG besloot zijn Tijdschrift voor Sociale Hygiëne op te heffen. Voortaan werden de verslagen van de jaarlijkse congressen afgedrukt in TSG. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was TSG het orgaan van een viertal verenigingen naast de ANVSG, waaronder de Vereeniging van directeuren van geneeskundige en/of gezondheidsdiensten in Nederland.
TSG floreerde. De groep van artsen in de sociaal-medische sector breidde zich uit, maar de wetenschappelijke basis bleef nog erg smal. Niet meer dan één leerstoel en dan ook nog een die van meet af aan fragiel en bedreigd was. Het enthousiasme en de inzet van Baart de La Faille konden niet verhinderen dat zijn collega-hoogleraren het nieuwe vak niet apprecieerden en de studenten niet overliepen van belangstelling [6]. In de nasleep van de grote economische crisis werd de leerstoel in 1936 opgeheven en werd Baart ontslagen. De Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (NMG) sprong in het ontstane gat en creëerde voor Baart de La Faille een bijzondere leerstoel [7]. J.G. Remijnse volgde hem in 1938 op. Tot ruim na 1945 bleef dit de enige leerstoel Sociale geneeskunde in Nederland.

Organisatie van de volksgezondheid

De pagina’s van TSG vulden zich met verhandelingen over schoolgeneeskunde, hygiëne en bestrijding van infectieziekten. Naast deze inhoudelijke artikelen ging de aandacht vanaf het begin ook uit naar de organisatie van de volksgezondheid. Met een inmiddels indrukwekkend systeem van publieke gezondheidsdiensten en private (deels confessionele) Kruisorganisaties en tbc-verenigingen had Nederland zich naar de top van de mondiale gezondheidsstatistiek opgewerkt [8]. Dit ging echter gepaard met een steeds onoverzichtelijker organisatiepatroon. De katholieke minister Aalberse had in 1920 een poging gewaagd tot stroomlijning in de vorm van een wetsontwerp tot instelling van uitvoerende én coördinerende publieke gezondheidsdiensten. Deze poging leed evenwel schipbreuk, deels door verzet vanuit de achterban van de bewindspersoon zelf, waar steeds meer steun groeide voor het particulier initiatief. Het gebrek aan samenwerking en coördinatie bleef een steen des aanstoots. Deze zorg leidde in 1936 tot de instelling van een ‘Commissie ter Bestudeering van de Organisatie van de Gezondheidszorg’, op initiatief van de particuliere organisaties NMG, ANVSG, het Groene Kruis en het Wit-Gele Kruis. De commissie werd voorgezeten door R.N.M. Eijkel, op dat moment geneeskundig hoofdinspecteur, een overheidsdienaar dus. Een van de twee afgevaardigden namens de ANVSG was C.J. Brenkman, adjunct-directeur van de Amsterdamse GG&GD en tevens beherend redacteur van TSG. Deze Brenkman had al in 1934 in een beknopt artikel zijn pleidooi voor een meer gestroomlijnde structuur van de Nederlandse volksgezondheid en gezondheidszorg uiteengezet. De commissie-Eijkel werkte deze ideeën verder uit. Na uitvoerige beschouwingen was de slotsom: ‘De Commissie is op al deze gronden gekomen tot een bij wet in te stellen systeem van Raden voor de Volksgezondheid met als doel de samenwerking te bevorderen van instellingen door overheid en particulieren (…) welke worden verricht ten behoeve van de volksgezondheid’. Aan het rapport voegde de commissie toe een uitgewerkt ‘Ontwerp van wet inzake de bevordering der volksgezondheid’. Rapport en ontwerp werden integraal afgedrukt in het februarinummer van jaargang 1940 [9]. Voor de kenners: een duidelijke voorloper van de Gezondheidswet van 1956 met het stelsel van Nationale Raad en Provinciale Raden.

De Tweede Wereldoorlog

De inval en de daaropvolgende bezetting door de Duitsers in mei 1940 legden de voorbereiding van wetgeving volledig stil. Van Duitse zijde, dan wel onder Duitse dwang, werden wel een Ziekenfondsenbesluit (1941) en een Besluit Schoolartsendiensten (1942) afgekondigd, maar de bezetter bleef weg van een grote reorganisatie van de volksgezondheid.
ANVSG en TSG functioneerden na mei 1940 onveranderd door. In zeer bedekte termen werd over de bezetting gesproken, maar uit de kolommen van TSG, en ook de daarin opgenomen verslagen van vergaderingen van de ANVSG, komt niets van grote spanning tussen de ANVSG en de Duitse autoriteiten naar voren. In het juninummer van 1940 slechts een kort commentaar: ‘Een korte, hevige oorlog teisterde ons volk en ons land; (…); wij hopen vurig dat het hierbij zal blijven en dat ons volk in de gelegenheid zal zijn opbouwenden arbeid te gaan verrichten’ [10]. De NMG daarentegen kwam in de loop van 1941 in heftige botsing met de Duitsers over het Ziekenfondsenbesluit. De belangenbehartigers van de individueel-curatieve artsen zagen in dit plan een aantasting van hun onafhankelijke positie als medische professional.
Terwijl vanuit Duitse zijde getracht werd greep te krijgen op de NMG, onder meer door benoeming van de leider van het ‘Medisch Front’ G.A. Schalij in het hoofdbestuur van de Maatschappij (juli 1941) [11], werd de ANVSG met rust gelaten. Van een ingreep in het bestuur is niets gebleken. Tegelijkertijd kregen interventies van de Duitse autoriteiten een positief of een tenminste niet-vijandig onthaal. Zo schreef de toen bekende arts-jurist Schuurmans Stekhoven in het TSG-oktobernummer van 1941 een welwillende beschouwing over het kort daarvoor afgekondigde Ziekenfondsenbesluit [12]. De ‘Artsenverordening’ van 19 december 1941, met daarin de instelling van de Artsenkamer en de Vereeniging van Ziekenfondsartsen, kreeg summier aandacht in het eerste TSG-nummer van 1942: Welke invloed dit zal hebben op de ontwikkeling der sociale geneeskunde (…) is op dit ogenblik nog niet na te gaan.’ Geen woord over de opheffing van de NMG, de maand daarvoor. Beherend redacteur C.J. Brenkman besteedde in zijn gebruikelijke openingsartikel (‘Kroniek van de Maand’) wel positief aandacht aan twee nieuwe regelingen: ‘Misschien is het goed te wijzen op de ondersteuning van groote gezinnen door middel van kinderbijslag en op het ziekenfondsenbesluit, hetgeen van verstrekkende invloed is’ [13]. Later in 1942, in het nummer van augustus, werd het ook al aangehaalde Schoolartsenbesluit van mei daarvoor eveneens in positieve bewoordingen becommentarieerd [14].

Artsenkamer

In december 1941 was de NMG opgeheven en de – door de meerderheid van de Nederlandse artsen gehate en ook geboycotte – Artsenkamer ingesteld. Daags na de afkondiging van de ‘Artsenverordening’ kwam in Utrecht de Sectie voor Sociale Verzekering en Geneeskundige Controle van de ANVSG bijeen. Voorzitter van de vergadering was S. Taconis, die ook een inleiding voor zijn rekening nam. Andere inleiders waren de Philips-bedrijfsarts Burger, emeritus-hoogleraar Baart de la Faille en voormalig hoofdinspecteur Eijkel. Op dat moment was algemeen bekend dat Taconis de rol van plaatsvervangend president van de Artsenkamer had ingenomen. Het verslag van deze bijeenkomst werd afgedrukt in het TSG-nummer van maart 1942, zonder enige vermelding van de controversiële Artsenkamer [15].
De organisatorische infrastructuur voor de Nederlandse artsen viel na december 1941 uiteen in een aantal – elkaar deels bestrijdende – brokstukken. Na de opheffing van de NMG kon de individueel-curatieve medicus kiezen tussen de Duits-vriendelijke Artsenkamer of de verzetsorganisatie Medisch Contact, terwijl de ANVSG voor de artsen met een collectieve (‘public health’) taak en/of belangstelling ogenschijnlijk onveranderd door functioneerde. De Duitse bezetter greep sterk in op de machtspositie en autonomie van de huisartsen en medisch-specialisten, in het bijzonder door het onder curatele stellen van de NMG en de ontmanteling van de Maatschappij(zieken)fondsen, wat als reactie de uitstroom van leden uit de NMG en de oprichting van Medisch Contact uitlokte. Een vergelijkbare clash bleef uit tussen de Duitse autoriteiten en de artsen in het collectieve, sociaal-geneeskundige deel van de gezondheidszorg of volksgezondheid. De status quo werd voortgezet, met de ANVSG als ongewijzigd boegbeeld [16].

Mededeelingenblad

Toch werden de negatieve kanten van de bezetting ook binnen de kringen van de ANVSG voelbaar. De papierschaarste leidde vanaf november 1942 tot een drastische beperking van de omvang van TSG, en in tweede instantie tot een tijdelijk einde aan de publicatie van het tijdschrift in juni 1943. Na een zomerstilte van enige maanden liet de ANVSG weer van zich horen. Niet meer via TSG, maar in de vorm van een ‘Mededeelingenblad’: ‘Wegens de zeer catastrophale papierschaarste kan de uitgifte van het wetenschappelijk maandblad van de ANVSG niet langer worden voortgezet’ [17].
Het Mededeelingenblad bleef tot november 1944 verschijnen, in een omvang van telkens vier pagina’s. Wat daarin opvalt is dat de frequentie van de algemene vergaderingen van de ANVSG toenam. Was het voor 1943 de gewoonte om per jaar twee vergaderingen te houden (in het voor- en najaar), vanaf medio 1943 werden dat er aanmerkelijk meer. Na een vergadering in september 1943 volgden er bijeenkomsten in februari, maart, april en juli (twee keer: 1 én 29 juli) 1944. De aankondiging van de vergadering van 1 april, net als de overige in het Amsterdamse Krasnapolsky, bevatte een zinsnede die de omstandigheden van die tijd typeert: ‘Tot het houden van deze vergadering is de benoodigde verklaring van geen bezwaar aangevraagd bij den Gewestelijken Politiepresident. Er wordt aan herinnerd, dat ter vergadering geen onderwerpen van politieken aard mogen worden behandeld, noch direct noch indirect.’
De al genoemde Sectie voor Sociale Verzekering en Geneeskundige Controle kwam op 3 juni 1944 weer bijeen [18]. Onderwerp van bespreking: het ‘Plan Beveridge’ [19]. Het is opmerkelijk dat dit rapport – de basis voor het Britse naoorlogse stelsel van sociale zekerheid – van de overkant van de Noordzee, dus van de vijand van de Duitse bezetter, op dat moment in relatieve openbaarheid in Nederland kon worden besproken. Jammer genoeg is er geen verslag van die bijeenkomst bewaard gebleven, zodat onzeker zal blijven welke de uitgewisselde standpunten zijn geweest.
Nummer 11 van het Mededeelingenblad, november 1944, was het laatste formele teken van leven van de ANVSG tijdens de bezetting. Ook aan de geïntensiveerde stroom van bijeenkomsten kwam een einde.

Naoorlogse groei

In mei 1945 toonden ANVSG en TSG weer een teken van leven. Kort na de bevrijding stuurde het bestuur van de ANVSG aan alle leden een circulaire met daarin de aankondiging dat TSG ‘zoo spoedig mogelijk’ weer zou verschijnen. En zo geschiedde. Een maand later, juni 1945, verscheen nummer 1 van jaargang 23 [20]. Titel: ‘Bevrijdingsnummer’. Inhoud: aanhankelijkheidsbetuigingen aan ‘Ons Vorstenhuis’ en ‘Ons Vaderland’ – in die volgorde – en verder onder meer een afdruk van het ‘verzoekschrift’ van het bestuur van de ANVSG en de redactie van TSG aan Hare Majesteit de Koningin, inhoudende een pleidooi voor een afzonderlijk Ministerie van Volksgezondheid [21]. In dat pleidooi stonden de sociaal-geneeskundigen niet alleen, want ook de (heropgerichte) NMG was hier voorstander van, zij het dat deze zich wat later uitsprak, en toen niet richting Hare Majesteit, maar naar de politiek verantwoordelijken.
De eerste decennia na 1945 waren de bloeitijd van de academische sociale geneeskunde. Was er voor de oorlog nog maar één hoogleraar (Baart de La Faille, opgevolgd door Remijnse), daarna volgden de benoemingen elkaar in redelijk hoog tempo op: Tuntler (Groningen, 1947), Hornstra (Utrecht, 1950), Querido (Amsterdam, 1952) en Muntendam (Leiden, 1953). Deze ontwikkeling kan worden verklaard door een aantal factoren. Ten eerste de epidemiologische transitie, ofwel het verschuiven van het aandeel van ziekte en dood van besmettelijke ziekten naar chronische, degeneratieve en man-made diseases [22]. Hierdoor kwam er (opnieuw) meer aandacht voor maatschappelijke oorzaken van ziekte. De opkomst van het nieuwe wetenschapsgebied sociologie zal daarbij behulpzaam zijn geweest. Een tweede verklaring is de enorme groei van de naoorlogse sociale wetgeving, met zijn uitwerking op de activiteiten van de diverse takken binnen de sociale geneeskunde.
Het Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde profiteerde van deze ontwikkeling. Dat blijkt uit de omvang van de uitgave: jaargang 1946 telde 384 pagina’s, ruim 50% meer dan de laatste vooroorlogse editie (244 pagina’s). De opgebloeide belangstelling voor de sociale geneeskunde en het sterk gegroeide elan blijken ook uit het groots opgezette Nationaal Congres ‘Volksgezondheid 1946’, dat door NMG, ANVSG, Groene Kruis, Wit-Gele Kruis en NCOG gezamenlijk werd georganiseerd. Het congres duurde een volle werkweek, van 16 september tot en met 20 september, met openingstoespraken van de toenmalig kroonprinses Juliana en de Minister van Sociale Zaken Willem Drees. TSG wijdde het gehele nummer van 1 september 1946 aan dit bijzondere congres, omvang 106 pagina’s!
Een volgende belangrijke stap was de verdubbeling van de verschijningsfrequentie. Met ingang van jaargang 1947 (de 25e jaargang) werd TSG in plaats van een maandelijkse een veertiendaagse uitgave. Het blad groeide en bloeide, mede omdat steeds meer organisaties en instellingen het tijdschrift als officieel orgaan omarmden. De lijst van uitgevende instanties op de voorpagina van TSG werd met de jaren steeds langer. TSG was onmiskenbaar het blad voor geheel sociaal-geneeskundig Nederland geworden.

Erkend geneeskundig specialisme

Een volgende belangwekkende gebeurtenis was de erkenning van de sociale geneeskunde als geneeskundig specialisme naast de klinische specialismen [23]. Klinisch specialismen kenden al sinds 1932 een systeem van registratie, de sociaal-geneeskundigen kregen nu hun eigen erkennings- en registratiecolleges, met als resultaat in 1960 de eerste formeel geregistreerde sociaal-geneeskundige [24]. In de daarop volgende jaren werden vier takken als deelspecialisme erkend: arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (1961), jeugdgezondheidszorg (1962), verzekeringsgeneeskunde (1964) en algemene gezondheidszorg (1965). Daarmee was het bouwwerk van de sociale geneeskunde voltooid. Midden jaren zestig stond het geheel ferm overeind: een flink aantal leerstoelen, een bloeiende vereniging, een steeds omvangrijker tijdschrift en erkenning als geneeskundig specialisme.
In een sfeer van optimisme vierde de ANVSG in mei 1970 zijn veertigjarig bestaan. Het achtste lustrum werd gevierd met een vierdaags congres, waarvan het congresverslag werd afgedrukt als supplement van het tweede nummer van 1971 [25]. De tijdgeest weerspiegelt zich in het congresthema: ‘De mens in zijn milieu’. Bijna twee jaar later werd de vijftigste jaargang van TSG even feestelijk gemarkeerd met een speciaal jubileumnummer, geopend door de toenmalige voorzitter, C.F. Brenkman, hoogleraar sociale geneeskunde en zoon van de eerder genoemde C.J. Brenkman. De historische verhandeling over de eerste vijftig jaar van het blad telde vijftien pagina’s [26]. Weer acht jaar later vierde de ANVSG zijn halve eeuwfeest, opnieuw opgeluisterd met een speciaal congres. Dit keer was het thema ‘Ongelijkheid in gezondheid en gezondheidszorg’, een herleving van het onderwerp dat Baart de La Faille in het eerste artikel van TSG al had aangestipt en een voorbode van het thema dat nu nog steeds actueel is onder de paraplu van ‘sociaaleconomische gezondheidsverschillen’. Het congresverslag werd gepubliceerd in de vorm van een 183 pagina’s dik supplement bij het nummer van 28 oktober 1980 [27]. Gaspard de Jong, de trekker van TSG in die dagen, was de eindredacteur van de omvangrijke bijlage.

Begripsverwarring en definitiestrijd

Voor de waarnemer van buiten de wereld van de sociale geneeskunde leek alles koek en ei. Alle aspecten van de sociale geneeskunde schenen bij aanvang van de jaren tachtig springlevend. Maar onder de oppervlakte borrelde het ongenoegen en kwamen er scheurtjes in het juist voltooide bouwwerk.
De eerste aanzet daartoe werd gegeven op het moment dat de sociale geneeskunde zich stevig op de universiteiten vestigde. De Utrechtse hoogleraar Gezondheidsleer H.W. Julius betwijfelde in 1949 of de sociale geneeskunde wel een afzonderlijk wetenschapsgebied was: ‘De sociale geneeskunde heeft haar positie opgeëist op grond van haar noodzaak en haar belang. Maar … zij heeft verzuimd aan te tonen dat zij een eigen ziel heeft’ [28]. Deze aanval van een relatieve buitenstaander (met concurrerende belangen) – gezondheidsleer en sociale geneeskunde hadden overlappende gebieden – kon niet onbeantwoord blijven. Buma en Doeleman reageerden in de daarop volgende jaren, maar daarna bleef het tamelijk stil [29]. Een symptoom van de (begrips)verwarring rond ‘sociale geneeskunde’ was (en is) het grote aantal definities dat in de loop der jaren is geformuleerd. Muntendam meldde in zijn eerder aangehaalde artikel uit 1957 dat hem 52 verschillende definities bekend waren [23]. Baart de La Faille had de sociale geneeskunde in 1918 nog tussen de geneeskunde en de sociale wetenschappen gepositioneerd, Brenkman en Muntendam zagen het als een van de onderdelen van de geneeskunde zelf. De al eerder genoemde Doeleman, op dat moment secretaris van de ANVSG en later opvolger van Muntendam als hoogleraar in Leiden, voelde in 1963 de noodzaak om het begrip opnieuw te omschrijven. Hij deed dat in een zevendelige beschouwing, afgedrukt in vijf opeenvolgende edities van TSG [30]. Doeleman onderscheidde drie betekenissen van sociale geneeskunde: 1) als werkterrein – maatschappelijke gezondheidszorg of public health –, 2) als vak – met de afzonderlijke takken –, en 3) als wetenschap. Op basis van het eerste punt bepleitte de schrijver de oprichting van een Nederlandse School of Public Health en verbreding van de ANVSG en TSG tot multidisciplinaire instituties. Anders gezegd: ook niet-artsen zouden lid moeten kunnen worden van de ANVSG. De inspanningen van Doeleman maakten geen einde aan de begripsverwarring. In 1966 zette Muntendam – op dat moment hoogleraar sociale geneeskunde in Leiden – zich opnieuw aan de definitiearbeid. Op verzoek van de Sociaal-wetenschappelijke Raad van de KNAW schreef hij een uitvoerige beschouwing over de afbakening van de sociale geneeskunde [31]. Ditmaal moest de sociale geneeskunde worden afgegrensd van de medische sociologie. Ofwel: 48 jaar na de eerste poging van Baart de La Faille, en tientallen pogingen tot definiëring later, was er nog steeds geen duidelijkheid over de kern – of ziel – van de sociale geneeskunde.

Van geneeskunde naar gezondheidszorg

Ondertussen leken ANVSG en TSG te floreren. De al gememoreerde jubilea van beide instituties (1970 en 1972) werden in stijl gevierd en vastgelegd in speciale edities van TSG. Maar tegelijkertijd groeide het onbehagen. Op verzoek van het bestuur stelde een breed samengestelde commissie een discussienota op die in februari 1977 in TSG werd gepubliceerd [32]. De probleemanalyse was divers: een gebrek aan gezamenlijke identiteit, te veel organisatorische versnippering, de onduidelijke plek van de ANVSG naast die van de KNMG, te weinig invloed op het maatschappelijk debat. De nota sloot af met zes mogelijke keuzen voor de toekomst van de ANVSG, uiteenlopend van doorgaan op de huidige voet tot opsplitsing van de vereniging. Na veel discussie en overleg werd gekozen voor het omvormen van de ANVSG tot een multidisciplinaire vereniging. En zo geschiedde: in 1981 werd de ‘G’ in ANVSG veranderd in ‘gezondheidszorg’ en twee jaar later volgde TSG. Dat heette vanaf 1 januari 1983: Tijdschrift voor Sociale Gezondheidszorg [33] – een tijdschrift dat aan de behoefte voldeed. De gemiddelde jaaromvang was verder gestegen tot 900 pagina’s, gevuld met een scala aan wetenschappelijke artikelen, steeds meer uit de pen van anderen dan sociaal-geneeskundigen.
Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig van de vorige eeuw begonnen artsen hun prominente plek in de volksgezondheid (public health) te verliezen. Het was niet langer vanzelfsprekend dat de leiding van een GG(&G)D in handen van een arts lag, en de wettelijke bepaling dat de directeur van de Provinciale Raad voor de Volksgezondheid een geneeskundige moest zijn, werd geschrapt. Steeds meer andere disciplines veroverden terrein: van (medisch-)sociologen en psychologen tot de nieuwe discipline van gezondheidswetenschappers.
In dat tijdsgewricht slaagde de ANVSG er niet in zich te handhaven als overkoepelende vereniging van het inmiddels nog diffusere veld van de sociale gezondheidszorg. Het tweede nummer van TSG van 1985 opende met de omineuze titel: ‘Wordt de ANVSG opgeheven?’ De basis van deze vraag kon worden gevonden in een rapport over de toekomst van de vereniging, integraal afgedrukt in datzelfde nummer [34]. De conclusies waren helder: het multidisciplinaire karakter van de ANVSG was niet van de grond gekomen en de participerende verenigingen – de afzonderlijke takken van de sociale geneeskunde – zagen hun eigen identiteit en positie als belangrijker dan het gezamenlijke platform. De volgende stappen waren onvermijdelijk. Op 7 juni 1985 besloot de ledenvergadering tot opheffing van de ANVSG en tot verdeling van het kapitaal onder de participerende verenigingen. Een deel van het vermogen ging naar een nieuwe multidisciplinaire vereniging, die als eerste taak kreeg zorg te dragen voor continuering van TSG. Dit werd de Vereniging voor Volksgezondheid en Wetenschap (V&W), opgericht in de tweede helft van 1985. Het voortbestaan van TSG was verzekerd.

Sterft, gij oude vormen en gedachten

De liquidatie van de ANVSG ging trager dan voorzien en was pas eind 1987 afgerond. Ingaande 1988 werd TSG uitgegeven door een samenwerkingsverband van V&W en het Nederlands Instituut voor Preventieve Geneeskunde (NIPG-TNO). Weer vijf jaar later kon het stokje worden overgegeven aan een professionele uitgever.
In de jaren na opheffing van de ANVSG trachtte V&W de fakkel brandende te houden. Dat lukte in eerste instantie goed, met TSG dat zichzelf kon bedruipen, regelmatige congressen en met standpuntbepalingen op actuele volksgezondheidsthema’s. In die jaren rond de millenniumwisseling was sprake van een heropleving van de public health [35], getuige de vele nieuwe initiatieven. Er kwam (eindelijk) een Nederlandse School of Public Health, een Nederlandse Public Health Federatie (nu Federatie voor Gezondheid) en een succesvolle bundeling van congressen in het Nederlands Congres Volksgezondheid (NCVGZ). Het NCVGZ verdrong het NCOG als centraal gezondheidscongres. Dat nieuwe elan resoneerde in de TSG-rubriek Spectrum, met discussies over actuele onderwerpen, aangezwengeld door prominenten als Paul Schnabel, Hans van Oers en Maria Jansen. Gezondheidsbevordering, met de Nederlandse Vereniging voor Gezondheidsbevordering (Hans Saan, Willy de Haes) en het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ) als voortrekkers, kreeg (kortstondig) de wind mee, met bijdragen in de rubriek Praktijk. Vanuit V&W kwam het initiatief tot oprichting van de European Public Health Association (EUPHA), met Louise Gunning-Schepers als boegbeeld. Een logische volgende stap was de oprichting van een European Journal of Public Health (EJPH), waaraan de naam van Johan Mackenbach verbonden is. In Europees public health-verband speelden en spelen Nederlanders een prominente rol.
Maar na verloop van tijd doofde de nationale vlam. V&W hief zich in 2017 op, het NCVGZ bezweek dit jaar onder de coronaleegte. TSG, inmiddels uitgegeven door Bohn Stafleu van Loghum en omgedoopt tot Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, ging het ook minder voor de wind. Het werd min of meer weggedrukt als Nederlandstalig tijdschrift op een wetenschappelijk veld dat als voertaal Engels hanteert. Ironisch genoeg was het juist V&W dat (mede) het zetje hiertoe gaf door de oprichting van het EJPH. In december 2018 verscheen TSG voor het laatst in druk, de uitgave werd online en open-acces voortgezet [36]. En zo bereiken we na honderd jaar van groei, verval en transitie het heden van dit tijdschrift.
In de afgelopen decennia sloten de verenigingen van arbeids- en bedrijfsartsen, verzekeringsgeneeskundigen en de overige vakgebieden zich een voor een aan bij de KNMG, met als laatste op 1 januari 2011 de Koepel Artsen Maatschappij + Gezondheid (KAMG). Daarmee werd de KNMG, na een onderbreking van tachtig jaar (sinds de oprichting van de ANVSG in 1930), weer de representant van álle Nederlandse artsen. De pleisterplek van professionals in het inmiddels zeer multidisciplinaire werkveld van de public health is sinds de opheffing van V&W de vereniging PHned, Podium voor Public Health Professionals. Tussen deze vereniging en het huidige TSG bestaan geen formele banden.

Epiloog

Kort na de opheffing van de ANVSG publiceerde Toon Kerkhoff een boeiend artikel onder de stellige titel ‘Sociale geneeskunde is geen vak’ [37]. De schrijver beschreef de opkomst van het gebied, vanaf de eerste stappen als verzekeringsgeneeskunde en later als verzamelwoord voor een veelheid aan uitvoeringsdisciplines. Maar een af te bakenen wetenschappelijk veld is ‘sociale geneeskunde’ niet, zo concludeerde Kerkhoff. De geschiedenis heeft hem gelijk gegeven. Binnen de Nederlandse volksgezondheid heeft het vakgebied sociale geneeskunde als herkenbare entiteit zich gevestigd en kunnen handhaven in de betrekkelijk korte periode tussen 1923 (start van het Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde) en 1985, het jaar van de opheffing van de ANVSG. Vóór 1923 waren de gehanteerde termen ‘sociale hygiëne’, ‘gezondheidsleer’ en ‘openbare gezondheidsregeling’, en tooide het enige specifieke tijdschrift in dat werkveld zich met de titel Tijdschrift voor Sociale Hygiëne. De uitgevende vereniging, het NCOG, was destijds uitgesproken multidisciplinair.
Inmiddels hebben de verschillende takken van voorheen het vakgebied sociale geneeskunde zich aangesloten bij de KNMG en is het bredere veld van de public health verenigd in PHned. Het NCOG leeft als deelactiviteit binnen deze vereniging voort. Daarmee is de cirkel rond. Van een multidisciplinair werkveld, via een vakgebied gedomineerd door artsen met een sociaal-geneeskundige snit, weer terug naar uitgesproken multidisciplinair werkveld.
TSG heeft al deze woelingen en transformaties overleefd. De naamwisselingen in de afgelopen honderd jaar weerspiegelen de verschoven panelen in de tijd. Van Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde via Tijdschrift voor Sociale Gezondheidszorg tot het huidige Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen. De gangbare afkorting TSG bestaat per 1 januari 2023 honderd jaar. Een reden voor een feestje, een gedenknummer en felicitaties. Moge de krasse honderdjarige nog vele jaren in voorspoed functioneren, in dienst van het bruisende, multidisciplinaire werkveld van de volksgezondheid.
Open Access This article is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License, which permits use, sharing, adaptation, distribution and reproduction in any medium or format, as long as you give appropriate credit to the original author(s) and the source, provide a link to the Creative Commons licence, and indicate if changes were made. The images or other third party material in this article are included in the article’s Creative Commons licence, unless indicated otherwise in a credit line to the material. If material is not included in the article’s Creative Commons licence and your intended use is not permitted by statutory regulation or exceeds the permitted use, you will need to obtain permission directly from the copyright holder. To view a copy of this licence, visit http://​creativecommons.​org/​licenses/​by/​4.​0/​.
Literatuur
1.
go back to reference Houwaart ES. De hygiënisten. Artsen, staat & volksgezondheid in Nederland 1840–1890. Groningen: Historische Uitgeverij; 1991. CrossRef Houwaart ES. De hygiënisten. Artsen, staat & volksgezondheid in Nederland 1840–1890. Groningen: Historische Uitgeverij; 1991. CrossRef
2.
go back to reference Rigter RBM, Kerkhoff AHM. ‘In het Huis van Hygieia’. Het Nederlands Congres voor Openbare Gezondheidsregeling honderd jaar (1896–1996). Utrecht: NCOG; 1997. Rigter RBM, Kerkhoff AHM. ‘In het Huis van Hygieia’. Het Nederlands Congres voor Openbare Gezondheidsregeling honderd jaar (1896–1996). Utrecht: NCOG; 1997.
3.
go back to reference De redactie. Ter Inleiding. Sociaal-Medisch Tijdschrift 1921;1:2. De redactie. Ter Inleiding. Sociaal-Medisch Tijdschrift 1921;1:2.
4.
go back to reference Baart Faille JM de La. Het doel der sociale geneeskunde. Tijdschr Soc Geneeskd. 1923;1:3. Baart Faille JM de La. Het doel der sociale geneeskunde. Tijdschr Soc Geneeskd. 1923;1:3.
5.
go back to reference Bestuur ANVSG. Redactioneel. Tijdschr Soc Geneeskd. 1930;8:141. Bestuur ANVSG. Redactioneel. Tijdschr Soc Geneeskd. 1930;8:141.
6.
go back to reference Kerkhoff AHM. Opvattingen over sociale geneeskunde. Een genealogische verkenning. Maastricht: Shaker; 2009. Kerkhoff AHM. Opvattingen over sociale geneeskunde. Een genealogische verkenning. Maastricht: Shaker; 2009.
7.
go back to reference Sluiter E. Personalia. Ned Tijdschr Geneesk. 1937;81:2384. Sluiter E. Personalia. Ned Tijdschr Geneesk. 1937;81:2384.
8.
go back to reference Newsholme A. Chapter 1. The Netherlands. In: International studies on the relation between the private and official practice of medicine with special reference to the prevention of disease. band 1. London: George Allen and Unwin; 1931. Newsholme A. Chapter 1. The Netherlands. In: International studies on the relation between the private and official practice of medicine with special reference to the prevention of disease. band 1. London: George Allen and Unwin; 1931.
9.
go back to reference Rapport van de Commissie ter bestudeering van de Organisatie der gezondheidszorg. T Soc Geneesk. 1940;18:I–XXIV. Rapport van de Commissie ter bestudeering van de Organisatie der gezondheidszorg. T Soc Geneesk. 1940;18:I–XXIV.
10.
go back to reference Brenkman CJ. De oorlog en de gevolgen. Tijdschr Soc Geneeskd. 1940;18:95. Brenkman CJ. De oorlog en de gevolgen. Tijdschr Soc Geneeskd. 1940;18:95.
11.
go back to reference Niet te verwarren met naamgenoot F.A. Schalij, de toenmalige voorzitter van de NMG. Niet te verwarren met naamgenoot F.A. Schalij, de toenmalige voorzitter van de NMG.
12.
go back to reference Schuurmans Stekhoven W. Het ziekenfondsbesluit sociaal-geneeskundig bezien. Tijdschr Soc Geneeskd. 1941;19:189–91. Schuurmans Stekhoven W. Het ziekenfondsbesluit sociaal-geneeskundig bezien. Tijdschr Soc Geneeskd. 1941;19:189–91.
13.
go back to reference Brenkman CJ. Artsenkamer en Vereniging van Ziekenfondsartsen. Tijdschr Soc Geneeskd. 1942;20:1. Brenkman CJ. Artsenkamer en Vereniging van Ziekenfondsartsen. Tijdschr Soc Geneeskd. 1942;20:1.
14.
go back to reference Kleijn A. De ontwikkeling van het schoolartsenwezen in ons land. Tijdschr Soc Geneeskd. 1942;20:107–15. Kleijn A. De ontwikkeling van het schoolartsenwezen in ons land. Tijdschr Soc Geneeskd. 1942;20:107–15.
15.
go back to reference Neurdenburg en Rappard. Vergaderingsverslag Sectie voor Sociale Verzekering en Geneeskundige Controle op 20 december 1941. Tijdschr Soc Geneeskd. 1942;20:27–32. Neurdenburg en Rappard. Vergaderingsverslag Sectie voor Sociale Verzekering en Geneeskundige Controle op 20 december 1941. Tijdschr Soc Geneeskd. 1942;20:27–32.
16.
go back to reference De hier geschetste tegenstelling was op individueel niveau minder strikt. Zo was de schoolarts Brutel de la Rivière één van de oprichters van ‘Medisch Contact’ en dienden ook sociaal-geneeskundigen een keus te maken om al dan niet lid te worden van de Artsenkamer. De hier geschetste tegenstelling was op individueel niveau minder strikt. Zo was de schoolarts Brutel de la Rivière één van de oprichters van ‘Medisch Contact’ en dienden ook sociaal-geneeskundigen een keus te maken om al dan niet lid te worden van de Artsenkamer.
17.
go back to reference Mededeelingenblad van de ANVSG. 1943;1 (september 1943). Mededeelingenblad van de ANVSG. 1943;1 (september 1943).
18.
go back to reference Mededeelingenblad van de ANVSG. 1944; 8 (mei 1944). Mededeelingenblad van de ANVSG. 1944; 8 (mei 1944).
19.
go back to reference Beveridge W. Social insurance and allied services. London: H.M. Stationary Office; 1942. Beveridge W. Social insurance and allied services. London: H.M. Stationary Office; 1942.
20.
go back to reference Ondanks de onderbreking van twee jaar (juni 1943 – juni 1945) ging de telling van jaargangen door alsof TSG in die jaren was blijven verschijnen. Ondanks de onderbreking van twee jaar (juni 1943 – juni 1945) ging de telling van jaargangen door alsof TSG in die jaren was blijven verschijnen.
21.
go back to reference Penris PWL, et al. Verzoekschrift aan Hare Majesteit de Koningin. Tijdschr Soc Geneeskd. 1945;23:5. Penris PWL, et al. Verzoekschrift aan Hare Majesteit de Koningin. Tijdschr Soc Geneeskd. 1945;23:5.
22.
go back to reference Mackenbach JP. De veren van Icarus. Over de achtergronden van twee eeuwen epidemiologische transities in Nederland. Utrecht: Bunge; 1992. Mackenbach JP. De veren van Icarus. Over de achtergronden van twee eeuwen epidemiologische transities in Nederland. Utrecht: Bunge; 1992.
23.
go back to reference Muntendam P. Sociale geneeskunde. Ned Tijdschr Geneeskd. 1957;101:363–5. PubMed Muntendam P. Sociale geneeskunde. Ned Tijdschr Geneeskd. 1957;101:363–5. PubMed
24.
go back to reference Kooij LR. Achter de artsentitel. 75 jaar opleiding en registratie van specialisten. Med Contact. 2007;62:1536–9. Kooij LR. Achter de artsentitel. 75 jaar opleiding en registratie van specialisten. Med Contact. 2007;62:1536–9.
25.
go back to reference ‘De mens en zijn milieu’. Congresverslag ANVSG. Suppl. T Soc Geneesk. 1971;49:3–63. ‘De mens en zijn milieu’. Congresverslag ANVSG. Suppl. T Soc Geneesk. 1971;49:3–63.
26.
go back to reference Bergink AH. Verleden, heden en toekomst van het Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde. Tijdschr Soc Geneeskd. 1972;50:861–75. Bergink AH. Verleden, heden en toekomst van het Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde. Tijdschr Soc Geneeskd. 1972;50:861–75.
27.
go back to reference redactie JGA de. Ongelijkheid in gezondheid en gezondheidszorg. Tijdschr Soc Geneeskd. 1980;58:1–1983. Congresverslag 24 en 25 april 1980. Suppl. redactie JGA de. Ongelijkheid in gezondheid en gezondheidszorg. Tijdschr Soc Geneeskd. 1980;58:1–1983. Congresverslag 24 en 25 april 1980. Suppl.
28.
go back to reference Julius HW. De sociale geneeskunde als vak en als wetenschap. Tijdschr Soc Geneeskd. 1949;27:247–54. Julius HW. De sociale geneeskunde als vak en als wetenschap. Tijdschr Soc Geneeskd. 1949;27:247–54.
29.
go back to reference Buma JT. De ziel der sociale geneeskunde. T Soc Geneesk. 1950;28:39–41. En: Doeleman F. Nogmaals: De ziel der sociale geneeskunde. T Soc Geneesk. 1951;29:159–61. Buma JT. De ziel der sociale geneeskunde. T Soc Geneesk. 1950;28:39–41. En: Doeleman F. Nogmaals: De ziel der sociale geneeskunde. T Soc Geneesk. 1951;29:159–61.
30.
go back to reference Doeleman F. Persoonlijke beschouwingen over sociale geneeskunde. Tijdschr Soc Geneeskd. 1963;41:557–61. S. 591–6, 619–24, 661–70, 679–85. PubMed Doeleman F. Persoonlijke beschouwingen over sociale geneeskunde. Tijdschr Soc Geneeskd. 1963;41:557–61. S. 591–6, 619–24, 661–70, 679–85. PubMed
31.
go back to reference Muntendam P. Plaatsbepaling van de sociale geneeskunde. Nota voor de Sociaal-wetenschappelijke raad van de KNAW. Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgeversmaatschappij; 1966. Muntendam P. Plaatsbepaling van de sociale geneeskunde. Nota voor de Sociaal-wetenschappelijke raad van de KNAW. Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgeversmaatschappij; 1966.
32.
go back to reference De Toekomst van de ANVSG. Discussienota ANVSG symposium op 10 en 11 maart 1977. Tijdschr Soc Geneeskd. 1977;55:90–4. De Toekomst van de ANVSG. Discussienota ANVSG symposium op 10 en 11 maart 1977. Tijdschr Soc Geneeskd. 1977;55:90–4.
33.
go back to reference Redactie. De evolutie van een tijdschrift. T Soc Gezondheidszorg. 1983;61:1–2. Redactie. De evolutie van een tijdschrift. T Soc Gezondheidszorg. 1983;61:1–2.
34.
go back to reference Water HPA van de. Toekomst ANVSG. Tijdschr Soc Gezondheidszorg. 1985;63:55–63. Water HPA van de. Toekomst ANVSG. Tijdschr Soc Gezondheidszorg. 1985;63:55–63.
36.
go back to reference Nieuwendijk L. TSG vanaf 2019: online only en open acces. Tijdschr Gezondheidswet. 2018;96:301. CrossRef Nieuwendijk L. TSG vanaf 2019: online only en open acces. Tijdschr Gezondheidswet. 2018;96:301. CrossRef
37.
go back to reference Kerkhoff AHM. Sociale geneeskunde is geen vak. Tijdschr Gezondheid Polit. 1987;5:45–7. Kerkhoff AHM. Sociale geneeskunde is geen vak. Tijdschr Gezondheid Polit. 1987;5:45–7.
Metagegevens
Titel
Honderd jaar TSG – Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen
Van geneeskunde via gezondheidszorg naar gezondheidswetenschappen: maar het bleef TSG
Auteur
Jan G. J. Huurman
Publicatiedatum
01-12-2022
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
Gepubliceerd in
TSG - Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen / Uitgave bijlage 3/2022
Print ISSN: 1388-7491
Elektronisch ISSN: 1876-8776
DOI
https://doi.org/10.1007/s12508-022-00361-y

Andere artikelen bijlage 3/2022

TSG - Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen 3/2022 Naar de uitgave