Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Het boek begint met aan aantal algemene hoofdstukken over gezonde voeding, overvoeding, ondervoeding en voeding en geneesmiddelen. Vervolgens worden bij 23 voedingsgerelateerde aandoeningen voedingsadviezen en de achtergronden hiervan uiteengezet.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Inleiding

Aan het voedings- en leefpatroon van de mens in de moderne samenleving schort nog wel het een en ander. De bevolking leeft in een milieu met ongezonde vetten en te veel zout, waarin bovendien veel gerookt en te weinig aan lichaamsbeweging wordt gedaan. Ernstige infectieziekten als ziekte- en sterfteoorzaak maken plaats voor aan leefstijl gebonden pathologie. Veel ziekten worden immers mede veroorzaakt door een ongezonde leefstijl. Dikwijls gaat het om een onevenwichtig voedingspatroon en een disbalans in energie en nutriënten. Overgewicht, hypertensie, hart- en vaatziekten, diabetes type 2, COPD, emfyseem, maag-darmklachten maar ook bepaalde vormen van kanker zijn enkele voorbeelden van ziekten waarbij genoemde leefwijzen bij het ontstaan een rol van betekenis spelen. Zo langzamerhand is het de vraag of het voedingspatroon nog wel aansluit op de fysiologische behoeften van de mens.
J.J. van Binsbergen, J.A. van Dommelen, J.M. Geleijnse, J.R. van der Laan

1. Gezonde voeding

Voeding blijkt, naast andere leefstijlfactoren zoals roken en lichamelijke activiteit, een belangrijke modificeerbare determinant van gezondheid, groei en ontwikkeling van de mens. Het eetpatroon, dat is de combinatie en hoeveelheid van de diverse soorten voedingsmiddelen, bepaalt de richting en de grootte van deze invloed. Deficiëntieziekten als gevolg van een chronisch tekort aan een essentiële voedingsstof zijn in de eerste helft van de vorige eeuw al ontdekt en in de meeste gevallen goed gekarakteriseerd. Van meer recente datum zijn de aanwijzingen over het effect van voeding op het risico van chronische ziekten, zoals hart- en vaatziekten (HVZ), overgewicht/obesitas, diabetes type 2, kanker, tandcariës en osteoporose. De belangrijkste voedingsfactoren die hierbij een rol spelen en de onderliggende evidentie, zijn in 2003 in kaart gebracht door een FAO/WHO Expert Group. Geschat wordt dat wereldwijd chronische ziekten circa 60% van de sterfte en circa 46% van de totale ziektelast kunnen verklaren. Primaire preventie door aanpassing van de voeding, als onderdeel van de leefstijl, is volgens de FAO/WHO de enige kosteneffectieve en haalbare actie om deze ‘epidemie’ het hoofd te bieden.
H. van den Berg

2. Ondervoeding: oorzaken, gevolgen en mogelijkheden

Overgewicht is het grootste voedingsprobleem in Nederland. Ondervoeding komt evenwel steeds hoger op de zorgagenda te staan. In de westerse wereld is ondervoeding vaak gerelateerd aan een onderliggende ziekte die dikwijls is gelieerd aan ouderdom. Hier dient ondervoeding als ‘aparte’ diagnose te worden beschouwd. Deze vorm van ondervoeding wordt gekenmerkt door een acuut of chronisch eiwit- en energietekort, dat zich respectievelijk uit in onbedoeld gewichtsverlies of een te lage body-mass index (BMI). Zo is er al sprake van acute ondervoeding bij een onbedoeld gewichtsverlies van 5% of meer in een maand tot 10% of meer in een halfjaar. Vroege interventie is van belang om de talloze complicaties, ook op het beloop van de onderliggende ziekte, te voorkómen. Dit hoofdstuk behandelt de oorzaken, gevolgen en mogelijkheden van ondervoeding bij volwassenen.
C.A.M. van Wayenburg, H.M. Kruizenga

3. Overvoeding

Alles wat te veel is, geraakt in strijd met de natuur, Hippocrates van Kos (460-377 v. Chr.)
J.C. Seidell, E. de Vet

4. Voeding en geneesmiddelen

Voeding en geneesmiddelen kunnen elkaar op diverse manieren beïnvloeden. Bij effecten van voeding op de werking van geneesmiddelen blijkt het meestal te gaan om chemische of farmacokinetische interacties. In het eerste geval is er vaak sprake van een directe reactie tussen de werkzame stof uit het geneesmiddel en één of meerdere bestanddelen van de voeding.
R.F. Witkamp

5. Voeding en acne

Acne vulgaris, of jeugdpuistjes, is een chronische ontsteking van de talgklieren en het gebied eromheen. Klinisch uit het ziektebeeld zich in comedonen, papels, pustels, nodi en soms cysten, hoofdzakelijk in het gezicht en soms ook op de borst en op de rug. Acne komt vaak voor en vrijwel iedereen krijgt in de puberteit in meer of mindere mate last van acne. Hoewel acne hoofdzakelijk een probleem is dat zich voordoet rondom de puberteit en dat na enige tijd overgaat, heeft een substantieel deel (3-6%) van de mensen ouder dan 40 jaar nog steeds last van acne.
V. Sigurdsson

6. Voeding en alcoholgebruik

Alcoholgebruik is vrijwel algemeen onder Nederlandse volwassenen; het is een vorm van sociaal geïntegreerd gedrag. Slechts een minderheid zegt nooit alcoholhoudende drank te nuttigen of te hebben genuttigd. Gelet op de situaties waarin drank aanwezig is en vaak een rol van sociale katalysator vervult, is onthouding van alcohol evenzeer als sociaal deviant gedrag te beschouwen als het misbruik ervan. Door het CBS wordt geschat dat minder dan 10% van de volwassen mannen en minder dan 20% van de vrouwen zich onthoudt van alcohol in het jaar van onderzoek. Levenslange onthouding is nog zeldzamer, met respectieve percentages onder de 5% en 10%. Hoewel deviant in sociale zin, leidt onthouding van drank evenwel niet tot serieuze sociale of gezondheidsproblemen en wordt het niet als ongewenst gedrag gezien.
P.H.H.M. Lemmens

7. Voeding en anemie

Anemie wordt gekenmerkt door een te laag hemoglobinegehalte in het bloed, waardoor er minder transport van zuurstof naar spierweefsel plaatsvindt. Klachten zijn dan ook vooral: moeheid, lusteloosheid, bleekheid, gebrek aan energie, snelle uitputting en soms slikklachten, pijnlijke tong of nagelafwijkingen. Bij een geleidelijk ontstane anemie ontbreken vaak klachten. Anemie kan veel oorzaken hebben, die te onderscheiden zijn in voedingsgerelateerde en niet-voedingsgerelateerde oorzaken. Nietvoedingsgerelateerde oorzaken zijn bijvoorbeeld ernstig bloedverlies door trauma (verwonding, brandletsel), aderlating, chronische ziekten of intensieve sportbeoefening. In dit hoofdstuk is informatie te vinden over de rol die voeding kan spelen in het voorkomen en herstellen van anemie.
S. Meijboom, A. Melse-Boonstra

8. Voeding en astma bij volwassenen

De diagnose astma wordt gesteld bij patiënten die periodiek klachten hebben van dyspneu, piepen op de borst en/of (productief ) hoesten. Reversibiliteit na bronchusverwijding ondersteunt de diagnose en is obligaat voor de diagnose bij patiënten met periodiek hoesten zonder dyspneu of piepen op de borst. Men onderscheidt twee soorten astma: intermitterend astma waarbij symptomen minder dan twee keer per week voorkomen en persisterend astma wanneer de patiënt vaker dan twee keer per week symptomen heeft.
E.P.A. Rutten, A.M.W.J. Schols

9. Voeding en constitutioneel eczeem

Constitutioneel eczeem (CE) is samen met voedselallergie, astma en allergische rinitis onderdeel van het atopisch syndroom. De prevalentie bedraagt in Nederland 400.000. CE is de meest voorkomende chronische huidziekte: 5-15% van de kinderen en 1-2% van de volwassen. CE staat op de vierde plaats in de top tien van chronische ziekten. Bij kinderen zijn CE en astma de meest voorkomende chronische ziekten. De diagnose CE wordt gesteld op de aanwezigheid van de volgende hoofdkenmerken: de aanwezigheid van jeuk, de typische morfologie en leeftijdsafhankelijke lokalisatie, het chronische recidiverende beloop en een persoonlijke en/of familieanamnese met atopie. CE is een multifactoriële aandoening waarbij genetische factoren en in mindere mate omgevingsfactoren een belangrijke rol spelen.
S.G.M.A. Pasmans

10. Voeding en COPD

COPD (chronic obstructive pulmonary disease) is een verzamelnaam voor de ziektebeelden chronische bronchitis en longemfyseem. Bij chronische bronchitis staan klachten als hoesten en opgeven van slijm op de voorgrond. Longemfyseem wordt veroorzaakt door destructie van longblaasjes waardoor de zuurstofdiffusie vermindert. Vaak treedt een combinatie van beide ziektebeelden op. De belangrijkste risicofactoren voor het ontstaan van COPD zijn roken en luchtverontreiniging. Recent is aangetoond dat het ontstaan van COPD ook afhankelijk is van genetische gevoeligheid. De ziekte komt voornamelijk voor bij oudere mannen, hoewel de prevalentie sterk toeneemt bij vrouwen en de ziekte zich juist bij hen over het algemeen eerder manifesteert.
E.P.A. Rutten, A.M.W.J. Schols

11. Voeding en decubitus

Ziektegerelateerde ondervoeding is een groot probleem in de gezondheidszorg. Uit prevalentiemetingen blijkt dat zeker één op de vijf patiënten in de gezondheidszorg lijdt aan ondervoeding. Uit prevalentiemetingen blijkt voorts dat 20% van de patiënten in de thuiszorg en 20-30% van de patiënten die in een ziekenhuis, verpleeghuis of verzorgingshuis verblijven, lijden aan ondervoeding en decubitus.
R.H. Houwing, J.M.G.A. Schols, G.H. van den Berg

12. Voeding en dementie, depressie en delier

Uit onderzoek binnen de algemene populatie blijkt dat veel ouderen geheugenklachten hebben. Deze geheugenklachten kunnen, met name wanneer ze ontstaan op basis van een dementie, maar ook bij een depressie en delier, grote gevolgen hebben voor de zelfredzaamheid en dus ook voor het voedingspatroon.
M.G.M. Olde Rikkert

13. Voeding en diabetes

Op dit moment heeft circa 90% van alle behandelde diabetespatiënten in Nederland type-2-diabetes. Type-2-diabetes ontstaat veelal pas op latere leeftijd. Hierbij is sprake van een combinatie van een verminderde insulinegevoeligheid van de weefsels (bijvoorbeeld van de spieren, maar ook van de lever); hierdoor stijgt de plasmaglucoseconcentratie en worden de bètacellen verder gestimuleerd insuline uit te scheiden, wat weer leidt tot een verdere afname in insulinegevoeligheid. Op den duur ontstaat hyperglykemie door een (relatief) insulinetekort.
E.J.M. Feskens

14. Voeding en fertiliteit, zwangerschap en lactatie

De voeding vóór en tijdens de zwangerschap en gedurende de lactatieperiode kan belangrijke korte- en langetermijneffecten hebben op de gezondheid van moeders en hun kinderen. De potentiële impact van de voeding is groter dan in welke andere levensfase dan ook.
J.M.A. van Raaij

15. Voeding en hart- en vaatziekten

Voeding beïnvloedt het risico op hart- en vaatziekten via meerdere factoren, zoals door beïnvloeding van de hoogte van de verschillende lipidenfracties in het bloed, door overgewicht, insulineresistentie, de oxidatie van het LDL-cholesterol, de bloeddruk en trombogenese. Evenals bij het uitgangspunt van de Richtlijnen Goede voeding van de Gezondheidsraad gaat het ook bij de adviezen ten aanzien van hart- en vaatziekten niet om geïsoleerde voedingsadviezen, maar om het voedings- en beweegpatroon als geheel. Voedingsadviezen voor patiënten met hart- en vaatziekten zijn in beginsel dan ook identiek aan de Richtlijnen Goede voeding. Deze adviezen betreffen onder andere het vermijden van overbodige calorieën en zoutbelasting, en beperking van de consumptie van verzadigde en transvetzuren. Voedingsvoorschriften komen vooral neer op het benadrukken van een gezonde voedingsgewoonte. Deze adviezen gelden in het algemeen voor personen met manifestaties van atherosclerose (hart- en vaatziekten) en type-2-diabetes mellitus. Steeds geldt hierbij het algemene advies: voldoende lichaamsbeweging, matig alcoholgebruik en stoppen met roken. In dit hoofdstuk plaatsen we eerst de voedingsadviezen in het algemene kader van cardiovasculair risicomanagement, en gaan we daarna in op specifieke aspecten van voeding bij onder meer hartfalen en hypertensie.
J.D. Banga, I.A. Brouwer

16. Voeding en kanker

In 2006 werden in Nederland 83.300 nieuwe gevallen van kanker vastgesteld, 43.100 bij mannen en 40.200 bij vrouwen (IKC-Net). Het aantal nieuwe gevallen van kanker in Nederland neemt enigszins toe. Deze stijging van de incidentie is vooral te verklaren door de bevolkingsgroei, met name door de toename van het aantal ouderen. De rest van de toename is een gevolg van een kleine stijging van het risico om kanker te krijgen.
E. Kampman, S. Beijer

17. Voeding en koorts bij kinderen

Elke huisarts heeft regelmatig te maken met ongeruste ouders die melding maken van een ziek kind met koorts (lichaamstemperatuur > 38 8C). Ouders zijn bezorgd over de mogelijk ernstige gevolgen en zijn daarbij vaak gericht op de hoogte van de koorts. Een daling van de lichaamstemperatuur betekent voor hen een minder ziek kind. De huisarts daarentegen is niet zo zeer gespitst op de hoogte van de koorts, maar meer op het totale klinische beeld: een verschil in beleving ten opzichte van de ouders.
E. Rasmussen, A. van den Berg

18. Voeding en maag-, darm- en leverziekten

Het vakgebied van de maag-, darm- en leverziekten wordt gekenmerkt door zowel acute als chronische aandoeningen. Omdat het aandoeningen van het spijsverteringskanaal betreffen, dringt al snel de vraag op of er ook voedingsaanpassingen nodig zijn. Doorgaans volstaan adviezen over algemene goede voeding conform de landelijke Richtlijnen Goede voeding. Daarnaast worden regelmatig voedings- en leefstijladviezen gegeven die wetenschappelijk bezien twijfelachtig zijn en vooralsnog naar het land der fabelen verwezen kunnen worden. Bij het wetenschappelijk onderzoek naar de rol van voedingsinterventies speelt regelmatig het placebo-effect een grote rol.
C.S. Horjus, J.M. Kersten, B.W.M. Spanier

19. Voeding en migraine

Migraine kan volgens de NHG-Standaard Hoofdpijn worden gedefinieerd als herhaalde aanvallen van matige tot heftige, meestal eenzijdige, bonzende hoofdpijn die gepaard gaat met misselijkheid en/of braken en soms ook met een aura. Migraine verergert bij lichamelijke activiteit, en er is sprake van overgevoeligheid voor licht en geluid. De aanvalsduur bedraagt tussen de 4 en 72 uur. Daarnaast kunnen paresthesieën voorkomen, treedt soms een halfzijdige parese op en kan er sprake zijn van kortdurende dysfasie.
J. de Vries, N. Duif

20. Voeding en obesitas

Van drie keer per dag een maaltijd plus een koekje bij de koffie of thee is al decennia lang geen sprake meer. Nederlanders worden te dik. De afgelopen 20-30 jaar is onze sociale en fysieke omgeving in sneltreinvaart veranderd in een obesogene leefomgeving. De medische en psychologische consequenties daarvan worden zichtbaar in de spreekkamer van de huisarts. Gezien complexiteit, omvang en maatschappelijke context van dit volksgezondheidsprobleem kunnen de huisarts en de eerstelijnsgezondheidszorg in Nederland niet alleen de verantwoordelijkheid dragen voor de aanpak daarvan. Diverse partners in het veld zullen ook hun bijdrage moeten leveren: overheid, voedingsindustrie, onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, het maatschappelijk veld en als laatste niet te vergeten de patiënt zelf.
A.L.M. Dapper

21. Voeding en osteoporose

Osteoporose is een multifactoriële, systemische aandoening van het skelet, die gekarakteriseerd wordt door een lage botmassa en een verslechtering van de microarchitectuur. De hoeveelheid botweefsel en ook de structuur zijn dusdanig verloren gegaan dat reeds bij een geringe aanleiding inzakkingen (fracturen) van wervellichamen of breuken elders in het skelet kunnen optreden. De botsterkte is afhankelijk van de trabeculaire microstructuur. Door deze lage botmassa en een lage botdichtheid is het risico op een breuk hoog. Een fractuur is geassocieerd met een verhoogd risico op ziekte en sterfte. Ook gaat de kwaliteit van leven veelal sterk achteruit, met name bij wervel-, pols- en heupfracturen, vanwege een vermindering van lichamelijke functies. In Nederland worden jaarlijks 15.000 ouderen ouder dan 55 jaar in het ziekenhuis opgenomen vanwege een heupfractuur. De behandelkosten zijn bovendien erg hoog.
R.A.M. Dhonukshe-Rutten, W.A. van Staveren, C.P.G.M. de Groot

22. Voeding tijdens en na de overgang

In de overgangsperiode is er sprake van een verlaagde en onregelmatige secretie van het hormoon oestrogeen en een stijging van follikelstimulerend hormoon en luteïniserend hormoon wat vaak gepaard gaat met vasomotore en andere klachten, onder andere als gevolg van urogenitale atrofie. Er bestaat grote variatie in ernst en hoeveelheid van de klachten. Voor vasomotore klachten (opvliegers en nachtelijk transpireren) lopen de schattingen van de prevalentie uiteen van 40-80%. Een klein deel van de vrouwen, ongeveer 10%, vraagt medisch advies om de symptomen te bestrijden. Hormoonvervangende therapie is de meest effectieve manier om vasomotore symptomen te bestrijden, maar kent ook nadelen, zoals een licht verhoogd risico op borstkanker en mogelijk op cardiovasculaire aandoeningen bij langer durend gebruik. Daarnaast bestaat er een breed scala aan alternatieve methoden zoals voedingsmiddelen en/of supplementen met hormoonachtige stoffen (bijvoorbeeld isoflavonen) en algemene leefstijladviezen. Veel vrouwen maken gebruik van deze alternatieven en vaak is de arts hiervan niet op de hoogte. De werking en effectiviteit van deze methoden zijn echter niet altijd goed aangetoond. In dit hoofdstuk zal een overzicht worden gegeven van de meest gebruikte alternatieven.
T. Hoekstra, Y.T. van der Schouw

23. Voeding en reumatische ziekten

Reumatische ziekten worden gekenmerkt door klachten en verschijnselen van het bewegingsapparaat die niet zijn veroorzaakt door ongevallen. Het spectrum van reumatische ziekten is erg breed. De bekendste ziekte is waarschijnlijk reumatoïde artritis (RA) met een prevalentie van 1% van de populatie. De meest voorkomende ziekte is waarschijnlijk artrose waarvan de prevalentie sterk toeneemt met de leeftijd. Ook stofwisselingsziekten kunnen reumatische verschijnselen geven. Jicht is hiervan het belangrijkste voorbeeld. In het kader van dit hoofdstuk is het onmogelijk elke reumatische aandoening te bespreken; alleen reumatoïde artritis en artrose komen aan de orde.
M.A.F.J. van de Laar

24. Voeding en functiestoornissen van de schildklier

De schildklier heeft invloed op bijna alle processen in het lichaam (stofwisseling) (figuur 24.1). Hij beïnvloedt bijvoorbeeld de hartfrequentie, de stoelgang, het gewicht, de menstruatie en de stemming. De schildklier produceert de schildklierhormonen thyroxine (T4) en triiodothyronine (T3), respectievelijk ongeveer 100 en 6 microg per dag. T4 wordt volledig in de schildklier gesynthetiseerd. T3 wordt voor een klein deel in de schildklier geproduceerd, slechts voor 15-20%; het ontstaat voornamelijk in de weefsels (onder andere in de spier en de lever) via de zogenaamde perifere conversie uit T4 (figuur 24.2).
J.W.F. Elte, S.A. Eskes

25. Voeding en slaap

Slaapproblemen komen veel voor en hebben een grote invloed op het welbevinden van hen die eraan lijden. Daarnaast kunnen er negatieve gevolgen zijn voor arbeidsdeelname, de economie en gerelateerde kosten.
J. de Vries, N. Duif

26. Voeding en stoppen met roken

Met jaarlijks meer dan 20.000 vroegtijdige doden door tabaksgebruik, is roken in Nederland een volksgezondheidsprobleem van de eerste orde. Bijna 30% van de bevolking rookt nog. De schade die door roken wordt aangericht, is gerelateerd aan zowel het aantal sigaretten dat wordt gerookt als het aantal jaren dat men rookt; maar van deze twee factoren heeft de duur van het roken de meeste invloed. Echter de schade is ook afhankelijk van het onderliggend lijden of onderliggende risicofactoren zoals hart- en vaatziekten, longziekten (COPD), hypercholesterolemie, diabetes mellitus en hypertensie. Roken is causaal geassocieerd met wiegendood, hoewel het niet zeker is wat hierbij een grotere rol speelt: blootstelling vóór of na de geboorte. Tabaksrook bevat meer dan honderd kankerverwekkende en mutagene stoffen, waarvan er veel als kankerverwekkend worden geclassificeerd. De winst van stoppen met roken is voor elke individuele roker aanzienlijk.
A.L.M. Dapper

27. Voeding en voedselallergie

Voedselallergie komt wereldwijd voor. Daarbij zijn pinda en noten verantwoordelijk voor de meeste ernstige reacties op voedsel. Fatale reacties zijn zeldzaam, maar komen wel voor. De prevalentie van voedselallergie in de westerse wereld wordt geschat op ongeveer 1-2% bij volwassenen en 2-3% bij kinderen. Overigens denkt een veel groter percentage van de bevolking, namelijk wel 12-25% een voedselallergie te hebben.
A.C. Knulst

Nawerk

Meer informatie