Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Het tandheelkundig jaar 2015 biedt een overzicht van de meest recente ontwikkelingen in de tandheelkunde. Een breed scala aan onderwerpen komt aan bod, beschreven door een keur van gezaghebbende Vlaamse en Nederlandse auteurs.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Effectiviteit van speekselsubstituten ter verlichting van monddroogte

In Nederland zijn verschillende mondgels, -sprays en -spoelmiddelen beschikbaar ter verlichting van monddroogte. In een literatuuronderzoek werd gezocht naar wetenschappelijke onderzoeken naar de effectiviteit van deze middelen. Vervolgens werd het gebruik van speekselsubstituten door sjögrenpatiënten onderzocht.
Speekselsubstituten zouden bij patiënten verlichting van monddroogteklachten moeten geven. Op grond van de tot nu toe gepubliceerde onderzoeken lijkt de wetenschappelijke onderbouwing voor de werkzaamheid van speekselsubstituten beperkt. Enkele middelen lijken een, relatief beperkt, positief effect te hebben op de monddroogte. Patiënten stoppen vaak met het gebruik van speekselsubstituten, omdat zij het effect als te gering ervaren en de smaak van de producten tekortschiet.
Geconcludeerd mag worden dat er behoefte is aan de ontwikkeling van meer effectieve speekselsubstituten, waarbij de verschillende doelgroepen met monddroogte nauw betrokken dienen te worden.
C.P. Bots, R. Ouzzine, H.S. Brand

2. Interferentie van tandheelkundige apparatuur met pacemakers en implanteerbare cardiale defibrillatoren

Tandartsen worden steeds vaker geconfronteerd met patiënten met een pacemaker of implanteerbare cardiale pacemaker. Deze apparaten zijn gevoelig voor elektromagnetische interferentie, die de werking van de pacemaker kan verstoren. Allerlei tandheelkundige apparatuur kan als bron fungeren van lichte of matige elektromagnetische velden. Terughoudendheid bij patiënten met een pacemaker lijkt geboden met het gebruik van magnetostrictieve scalers en ultrasone trilbaden in de nabijheid. Het gebruik van een elektrotoom wordt afgeraden. Andere tandheelkundige elektrische apparatuur lijkt bij moderne pacemakers geen risico op storing te vormen, indien men zich houdt aan het algemene advies om deze alleen te gebruiken op meer dan 15 cm afstand van de pacemaker en de elektroden. Als een tandarts twijfelt of bepaalde apparatuur bij een patiënt gebruikt mag worden, dient voorafgaand overleg met de behandelend cardioloog plaats te vinden.
K. Idzahi, H.S. Brand

3. Ultrasonografie in de tandheelkunde

Ultrasonografie is al vele jaren een veelgebruikte manier van beeldvorming in de geneeskunde. In de tandheelkunde is deze techniek echter verre van ingeburgerd. Toch zijn er ook hier heel wat toepassingen voor deze stralingsvrije manier van beeldvorming en verdient deze langzamerhand zijn plaats naast de alom gebruikte röntgenstralen. In dit hoofdstuk worden de verschillende regio’s in het hoofd-halsgebied besproken waarin binnen het vakgebied van de tandarts aan diagnostiek en behandeling kan worden gedaan met behulp van ultrasonografie. De speekselklieren en het temporomandibulair gewricht zijn regio’s waar momenteel al regelmatig gebruik wordt gemaakt van ultrasonografie. De huidige ontwikkelingen maken echter ook diagnostiek mogelijk in het parodontium en zelfs in de gebitselementen. Verder onderzoek is nog wel nodig om een ergonomisch gemakkelijk te hanteren apparaat te ontwikkelen voor deze vaak moeilijk te bereiken plaatsen.
S. Liebaut, J. Aps

4. Zygomafracturen

Epidemiologie en behandeling
Het os zygomaticum, of jukbeen, en de arcus zygomaticus, of jukboog, zijn prominente structuren van het middengezicht. De os zygoma fractuur is de meest voorkomende breuk van het maxillofaciale skelet, gevolgd door een fractuur van de arcus. Zygomafracturen kunnen naast functionele problemen, zoals dubbelbeelden, gevoelsstoornissen of een beperkte mondopening leiden tot een asymmetrie van het middengezicht en daarmee tot cosmetische bezwaren. Symptomen samengaand met een zygomafractuur zijn vaak karakteristiek en bestaan uit onder andere een periorbitaal oftewel monocle hematoom, een afvlakking van de wangkoon en een sensibiliteitsstoornis van de nervus infraorbitalis. Zygoma- en solitaire arcusfracturen, kunnen op verschillende manieren worden behandeld: door middel van een gesloten of open repositie. Behandeling is mede afhankelijk van de mate van dislocatie van de fractuur en de leeftijd, of conditie van de patiënt.
S.E.M.J. van de Loo, T. Forouzanfar

5. Neuropathische pijn na ingrepen in de mond-, kaak- en aangezichtsregio

De mond-, kaak- en aangezichtsregio is een sterk bezenuwd gebied. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zenuwschade kan voorkomen bij diverse ingrepen in de mond; chirurgische schade, of chemische schade. Het geven van een plaatselijke verdoving, een wortelkanaalbehandeling, de verwijdering van een verstandskies of het plaatsen van een implantaat en vanzelfsprekend alle grotere ingrepen waarbij een zenuw wordt gemanipuleerd of zichtbaar wordt gemaakt in het operatieveld, kunnen bij wijze van uitzondering aanleiding geven tot tijdelijke of blijvende zenuwuitval. Op zichzelf kan de patiënt met gevoelsuitval van een zenuwgebied wel overweg. Problematisch wordt het wanneer naast gevoelsuitval een blijvende, vaak onhoudbare, pijn ontstaat in het betreffende gebied: neuropathische pijn. De behandeling hiervan is medicamenteus en vaak onvoldoende doeltreffend. Preventie van het ontstaan van zenuwschade is de voornaamste boodschap en áls zenuwschade vastgesteld wordt, dient de zenuw eerst indien mogelijk hersteld te worden. Gebeurt dat niet, dan zal de prognose van het herstel wat de pijn betreft maar matig zijn.
C. Politis

6. Invasie van de mandibula door plaveiselcelcarcinoom – onderzoeksmethoden en reconstructie van de mandibula

Een mondholtecarcinoom kan de mandibula aantasten. Dan dient ook het aangedane stuk bot verwijderd te worden. Een mandibularesectie heeft gevolgen voor de functie en de esthetiek. Verschillende soorten mandibularesecties worden besproken, evenals manieren om de continuïteit van de mandibula te herstellen (o.a. reconstructieplaat, vrije lap). Of, en hoeveel bot is aangedaan, is vaak onduidelijk, omdat mandibula-invasie soms moeilijk zichtbaar te maken is met beeldvorming. De waarde van verschillende soorten preoperatief onderzoek naar botinvasie wordt besproken: die van klinisch onderzoek, conventionele radiografie, CT, MRI, bot SPECT; alsook de voor- en nadelen van deze onderzoeken.
Omdat de verschillende onderzoeken complementaire waarde hebben, werd vervolgens een algoritme gemaakt waarmee mandibula-invasie het best te voorspellen is, met het minste aantal onderzoeken bij patiënten met plaveiselcelcarcinoom tegen of vast aan de mandibula. Dat diagnostische algoritme bleek te starten met CT of MRI, gevolgd door bot SPECT in het geval de eerste scan negatief is.
E.M. van Cann

7. Orale leukoplakie: kliniek, consequenties en behandeling

Een orale leukoplakie is een ‘overwegend witte verandering van het mondslijmvlies, die klinisch en histopathologisch niet als een andere witte afwijking kan worden gediagnosticeerd’. De incidentie van orale leukoplakie wereldwijd is ongeveer 2%. Hiervan ontaardt zo’n 1%-2% per jaar in een plaveiselcelcarcinoom. Er is een aantal factoren bekend die mogelijk een hoger risico geven op maligne ontaarding. Het betreft hogere leeftijd, vrouwelijk geslacht, niet-roken, niet-homogene orale leukoplakie, een orale leukoplakie ≥ 4 cm, locatie op de laterale tongrand of de mondbodem en een hoge graad van epitheeldysplasie.
Een belangrijk onderdeel van de periodieke controle bij de tandarts is de inspectie van de slijmvliezen. Bij een witte slijmvliesafwijking in de mondholte moet de tandarts altijd nagaan of er mogelijk een oorzaak aanwezig is en of deze kan worden weggenomen. Mocht er geen mogelijke oorzaak aanwezig zijn, dan dient de patiënt meteen verwezen te worden naar de MKA-chirurg. De MKA-chirurg zal dan een biopt nemen van de witte slijmvliesafwijking en de laesie definiëren. Aan de hand van de soort afwijking zal het verdere beleid worden bepaald.
E.R.E.A. Brouns, I. van der Waal

8. Evolutie van het tandheelkunde budget van de Belgische ziektekostenverzekering

In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de recente ontwikkelingen van het tandheelkundig budget in de Belgische ziektekostenverzekering. Er wordt toelichting gegeven op de begrotingsprocedure, en vervolgens wordt beschreven welke tandheelkundige zorg vergoed wordt en welke niet. Ook komen vergelijkingen met andere landen aan bod; dit moet de tandheelkundige overheidsinvestering in België verder verduidelijken. Dat de ziektekostenverzekering meer is dan alleen een globaal pakket aan vergoedingen, wordt in het tweede deel van de bijdrage geïllustreerd aan de hand van specifieke maatregelen die werden uitgewerkt voor drie doelgroepen: de kinderen, de sociaaleconomische zwakkeren en de groep van kwetsbare ouderen en personen met beperkingen. Voor elke groep, die in termen van tandheelkundige zorgbehoefte een aparte aanpak vereist, worden de uitdagingen en verwezenlijkingen beschreven.
P. Van Meenen, K. Van de Velde

9. Geen zorgvraag, niet behandelen?

De inschatting van de mondgezondheid en tandheelkundige behandelnoodzaak van verpleeghuisbewoners door hun eerst verantwoordelijke verplegenden
Bij opname in een verpleeghuis hebben ouderen behalve een slechte algemene conditie vaak een slechte mondgezondheid en een tandheelkundige behandelachterstand. De tandarts die hen intraoraal onderzoekt stelt zijn diagnose en stelt een behandelplan op. Of en wanneer het geïndiceerd is om dit plan uit te voeren, wordt overlegd met de bewoner (of diens gemachtigde), de medische staf en de verplegende staf. Dat vaak door de tandarts voorgestelde behandelingen niet worden uitgevoerd, komt vooral door contra-indicaties in de algemene of psychische conditie en de wens van de bewoner om niet behandeld te worden.
Op basis van intraoraal onderzoek bepaalden tandartsen dat 72% van de 432 onderzochte verpleeghuisbewoners een tandheelkundige behandelbehoefte had. De 36 geïnterviewde eerst verantwoordelijk verplegenden gaven hen echter gemiddeld een 8,3 (op een schaal van 1-10) voor hun mondgezondheid in functioneel opzicht en oordeelde dat slechts 9% behandelbehoefte had.
C. de Putter, P.F.M. Gerritsen

10. Onderzoek naar de mondgezondheid van volwassenen met een beperking in België – resultaten en uitdagingen

In België zijn er tot nu toe geen specifieke voorzieningen voor de mondzorg voor personen met een beperking. Als er mondzorg voor deze patiëntengroep wordt aangeboden, gebeurt dat meestal ad hoc. Uit de internationale literatuur, maar evenzeer uit de dagelijkse praktijk, weten we dat de mondgezondheid van volwassenen met een beperking minder goed is dan die van de ‘algemene bevolking’. Hoe groot de behandelachterstand precies is, is voor de meeste landen onbekend, omdat er bij deze doelgroep weinig epidemiologische gegevens verzameld worden. Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering had het voornemen beleid op te stellen om de organisatie van mondzorg voor personen met een beperking te verbeteren. In dat kader werd in 2009 de opdracht gegeven om de objectieve en subjectieve behandelbehoefte in deze bevolkingsgroep in kaart te brengen. In dit hoofdstuk wordt niet alleen situatieschets gegeven van de toestand in België, we staan eveneens stil bij de problemen en uitdagingen die we ervoeren bij het uitvoeren van dergelijk onderzoek.
R. Leroy, D. Declerck

11. Interprofessionele samenwerking tussen tandarts en mondhygiënist in de mondzorgpraktijk

De internationale belangstelling voor interprofessionele samenwerking is groot. Vanuit wetenschappelijk onderzoek zijn er aanwijzingen dat interprofessionele samenwerking te verkiezen is boven de meer conventionele multiprofessionele manier van samenwerken. Interprofessionele samenwerking tussen tandartsen en mondhygiënisten sluit aan op het beleid met betrekking tot taakherschikking tussen deze beroepsgroepen. In het geval van taakherschikking worden taken c.q. diagnostiek en/of behandelingen over verschillende beroepsgroepen verdeeld. Interprofessionele samenwerking is echter een van de stijlen van samenwerken. Alvorens het onderscheid tussen verschillende stijlen van samenwerken te kunnen maken, is het van belang na te gaan wat samenwerking nu eigenlijk is.
J.J. Reinders

12. De relatie tussen tandheelkunde en logopedie

Dit hoofdstuk gaat in op de raakvlakken tussen logopedie en tandheelkunde. We bekijken hoe de spraak tot stand komt. Hoe en welke spraakproblemen die het vaakst voorkomen kunnen ontstaan door een malocclusie in de tandenbogen of door een afwijking in de gebitselementen. Verder wordt een mogelijke oplossing geboden aan patiënten die spraakproblemen ervaren na een rehabilitatie van de maxilla met een vaste structuur op implantaten. Deze therapie bestaat onder meer uit het creëren van meer ruimte voor de tong tijdens de spraak. Er wordt ook een voorbeeld gegeven hoe spraakproblemen opgelost kunnen worden bij een overkappingsprothese in de maxilla op implantaten. Tandartsen en logopedisten zouden vaker moeten samen te werken, zodat tandheelkundig geïnduceerde spraakproblemen voorkomen en opgelost kunnen worden.
X. Ni, A. Vanderlinden, B. Collaert, I. Zink, A. Alqerban, R. Jacobs

13. Orthodontische behandeling bij schisispatiënten

De geboorte van een kind met een duidelijk zichtbare spleet (schisis) in lip, kaak en/of gehemelte is vaak een grote schok voor de ouders. Het is belangrijk dat zij goed opgevangen worden en nuttige informatie krijgen in de eerste periode na de geboorte. De juiste begeleiding tijdens de verdere groei en ontwikkeling van het gelaat en gebit kan het best door een schisisteam worden gegeven. Het is immers moeilijk vooraf te voorspellen hoe het kind zich zal ontwikkelen en wat het precieze resultaat van de behandelingen zal zijn.
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op een aantal aspecten die van belang zijn bij de groei en ontwikkeling van het gelaat van de schisispatiëntjes. Er wordt gefocust op de verschillende interventies die door de orthodontist worden uitgevoerd of begeleid.
In het bijzonder gaat het om het vergemakkelijken van de voeding door middel van voedingsplaatjes in de eerste levensfase, vroege orthodontische/orthopedische ingrepen en spraakplaatjes, de voorbereiding op een bottransplantaat en ten slotte de definitieve orthodontische behandeling al dan niet gecombineerd met orthognatische chirurgie.
V. Thienpont, L. Thierens, G. De Pauw

14. Preventie in de kindertandheelkunde; de functie van de ruimtehouder tijdens de gebitsontwikkeling

De gebitsontwikkeling bij het kind wordt beïnvloed door erfelijke en omgevingsfactoren. Preventief streeft men naar het behoud en de integriteit van een normale occlusie, terwijl men interceptief, zowel in de melk- als in de wisseldentitie, probeert een zich ontwikkelende malocclusie op te heffen of te reduceren. Prematuur verlies van een melkelement, agenesie en ectostematische doorbraak van een definitief gebitselement kunnen leiden tot ongewenste verplaatsingen van de buurelementen. Deze tandverplaatsingen zijn afhankelijk van de dentale leeftijd, de ruimtelijke ordening, het eruptiepatroon en de intercuspidatie. In dit hoofdstuk beperken we ons tot ‘preventie van ruimteverlies’ met behulp van ruimtehouders. Dit vraagt om een gerichte aanpak met als doel de gebitsontwikkeling in goede banen te leiden en bij te sturen. Via een overzicht van de meest gebruikte vaste en uitneembare ruimtehouders wordt verduidelijkt dat elke casus individueel moet benaderd worden, waarbij de keuze van ruimtehouder afhankelijk is van meerdere klinische factoren.
R. Cauwels

15. Anterieure open beet en tonginterpositie

Een anterieure open beet wordt in de orthodontie vaak een moeilijk te behandelen malocclusie gevonden. Regelmatig ziet men dat een anterieure open beet, die aanvankelijk door een orthodontische behandeling werd gesloten, na enige tijd deels recidiveert. Een ongunstig groeipatroon en disfunctie van de weke weefsels worden meestal aangeduid als complicerende factoren bij het sluiten van de open beet evenals de stabiliteit van het behaalde resultaat op lange termijn.
Op basis van de beschikbare literatuur wordt een overzicht gegeven van de etiologie van een anterieure open beet en zullen de verschillende slikpatronen worden toegelicht. Verder wordt ingegaan op de rol van tonginterpositie of tongpersen bij het ontstaan en/of onderhouden van een anterieure open beet. Vervolgens worden enkele behandelmethoden beschreven, waarbij het concept van orofaciale myofunctionele therapie meer in detail wordt toegelicht.
C. Van Dyck, G. Willems

16. Een vrijgelegde cuspidaat die niet wil bewegen, wat nu?

Impactie van cuspidaten in de maxilla komt voor bij 1% tot 3% van de populatie en wordt twee- tot driemaal vaker gezien bij vrouwen dan bij mannen, zonder aanwijsbare oorzaak voor dit verschil. Bij ongeveer 85% is er sprake van palatinale impactie, bij 15% van buccale impactie. Bilaterale impacties zijn zeldzamer en worden aangetroffen bij ongeveer één op de tien patiënten met geïmpacteerde cuspidaten in de maxilla. Er bestaat geen oorzakelijk verband met een bepaalde angle-malocclusie. Er zijn meerdere behandelopties, die variëren van het in situ laten van de geïmpacteerde cuspidaat tot extractie van deze laatste. Ondanks de vele behandelstrategieën, is er geen gevalideerd algoritme met een voorkeur voor een bepaald behandelingstraject.
In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de problemen die kunnen ontstaan wanneer gepoogd wordt de geïmpacteerde cuspidaat in de tandenboog te plaatsen.
C. Politis, G. Willems, R. Jacobs

17. Moderne keramische materialen voor het indirect restaureren van natuurlijke gebitselementen

Keramiek voor het gebruik in tandheelkundige restauraties heeft een lange weg afgelegd van een eenvoudig mengsel van gemalen natuurlijke gesteenten tot high-tech hybride materialen met een waaier van klinische toepassingen. De grote verscheidenheid aan soorten tandheelkundig keramiek maakt het tegenwoordig niet gemakkelijk de juiste keuze te maken voor toepassing in specifieke typen restauraties. Met behulp van fysisch-chemische parameters, zoals de belangrijkste matrixfase, verwerkingsmethode, baktemperatuur en breuksterkte, is het mogelijk elk keramiek nauwkeurig te karakteriseren en de indicaties en contra-indicaties voor klinische toepassing duidelijk te bepalen. Aan de hand van een beknopt overzicht van de historische ontwikkeling en het uitdiepen van materiaalkarakteristieken wordt in dit hoofdstuk getracht een praktisch bruikbare handleiding te geven voor een correcte klinische toepassing van de verschillende soorten tandheelkundig keramiek.
P.J. De Coster, F. Keulemans

18. Irrigatie en reiniging van het wortelkanaal: de noodzaak om irrigantia te activeren

Het mislukken van een wortelkanaalbehandeling is in het merendeel van de gevallen te wijten aan onvoldoende reiniging en desinfectie van het wortelkanaal. Enerzijds is er de keuze van het spoelmiddel, anderzijds moet driemensionale verspreiding plaatsvinden van het irringans (zeker in de zones die niet door instrumenten bereikt kunnen worden). Eén enkele spoelvloeistof blijkt niet voldoende te zijn. De gouden standaard blijft natriumhypochloriet (oplossen van weefsels en desinfectie). Een tweede standaard is tegenwoordig ethyleendiaminotretra-azijnzuur (oplossen van smeerlaag en débris, openzetten van dentinetubuli en de verbindingen tussen kanalen zoals de ishtmus). De technologische vooruitgang van het afgelopen decennium heeft geleid tot de ontwikkeling van nieuwe activatie-/agitatieapparatuur en de introductie van activatie-/agitatietechnieken, die een betere driedimensionale verspreiding van het irrigans mogelijk maken dan met handirrigatie. Men maakt onderscheid tussen manueel en machinaal aangestuurde agitatiesystemen. Deze blijken uiteindelijk te resulteren in een betere reiniging van het wortelkanaal. Het is de vraag wat nu het best is.
R.J.G. De Moor

19. Snoep als risicofactor voor erosieve gebitsslijtage

Het is al tientallen jaren bekend dat snoepgedrag bijdraagt aan de ontwikkeling van cariës. Het nuttigen van frisdrank en vruchtensappen wordt beschouwd als een van de belangrijkste oorzaken voor het ontstaan van erosieve gebitsslijtage, maar ook de consumptie van andere zure voedingsmiddelen zoals snoep kan demineralisatie van tandglazuur tot gevolg hebben. De afgelopen decennia heeft het aanbod aan snoepgoed een enorme ontwikkeling doorgemaakt, waarbij nieuwe soorten en (extreem) zure varianten werden ontwikkeld. De meeste risicovolle varianten met fruitsmaak bevatten één of meer organische zuren en zijn ontwikkeld om lang in de mond te blijven. Ook is er vloeibaar zuur snoep ontwikkeld, waarvan de smaak binnen enkele minuten verdwijnt. Dit leidt tot frequente consumptie met een hoge cumulatieve contacttijd van zuur met de gebitselementen. Naast risicovol snoep zijn er gelukkig ook tandvriendelijke producten beschikbaar die geen risico vormen voor het ontstaan van caries en/of erosie.
D.L. Gambon, H.S. Brand

20. De mondbeschermer

Gezien de hoge prevalentie van gebitstrauma’s, staat het gebruik van de mondbeschermer steeds meer in de belangstelling. Tot op de dag van vandaag worden nog steeds de verschillende facetten van de mondbeschermer onderzocht, om tot de ‘meest ideale’ mondbeschermer ter preventie van orofaciale verwondingen en/of hersenschudding te komen. In het kader hiervan wordt gezocht naar het materiaal met de beste fysische eigenschappen, de meest accurate vervaardigingsmethoden en een optimaal ontwerp. Dit alles om de werking ervan en het comfort voor de drager, aangepast aan individuele behoeften, te optimaliseren.
T. Verduyn

21. Botvervangers: wat gebruik ik waar?

In de tandheelkundige en MKA-chirurgische praktijk wordt er veelvuldig gebruikgemaakt van botvervangers om botdefecten te reconstrueren. Het biologisch gedrag en de fysisch-chemische eigenschappen van diverse veelgebruikte botvervangers worden in dit artikel besproken. Niet alleen de eigenschappen van de botvervanger zijn echter van belang voor het reconstrueren van een botdefect. Ook dient de clinicus rekening te houden met de kwalitatieve eigenschappen van het te reconstrueren botdefect en op basis hiervan de juiste botvervanger te kiezen. Dehalve wordt er eveneens stilgestaan bij de diverse eigenschappen van de acceptorregio.
N.G. Janssen

22. Gingivarecessies en hun behandeling

De definitie van een gingivarecessie luidt: ‘de verplaatsing van de marginale gingivarand in apicale richting ten opzichte van de glazuur-cementgrens, waarbij het worteloppervlak bloot komt te liggen’.
Voor een antwoord op de vraag of een gingivarecessie bedekt kan worden, is het belangrijk inzicht te hebben in enkele aspecten, zoals het ontstaan van een gingivarecessie en de indicaties voor een behandeling ervan. Voorts is het van belang te kunnen beoordelen om wat voor type gingivarecessie het gaat.
Gingivarecessies kunnen worden veroorzaakt door trauma, bacteriële plaque of een combinatie van deze twee factoren. Predisponerende factoren zijn: malpositie, wortelprominentie en dunne gingiva fenotype.
Per gingivarecessie zal beoordeeld moeten worden of er een indicatie voor behandeling aanwezig is.
Er zijn meerdere chirurgische technieken beschreven om gingivarecessies te behandelen.
Als conclusie kan men stellen dat gingivarecessies bij een juiste indicatie goed behandelbaar zijn. Innovatieve, minimaal invasieve chirurgische technieken treden steeds meer op de voorgrond.
H. Kuit

Nawerk

Meer informatie