Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Het tandheelkundig jaar 2012 biedt een overzicht van de meest recente ontwikkelingen in de tandheelkunde. Een breed scala aan onderwerpen komt aan bod, beschreven door een keur van gezaghebbende Vlaamse en Nederlandse auteurs. Een greep uit de onderwerpen: - Pre-implantaire chirurgie - Implantaten: een psychosociale benadering - Mondklachten en gebitsproblemen bij systemische lupus erythematosus (SLE) - Laserbleken - Antostolling en tandheelkundige ingrepen - Autotransplantaties: stand van zaken - Kaasmolaren/molar incisor hypomineralisation:we doen we ermee?

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Ontwikkelingen in de parodontologie na de Tweede Wereldoorlog: van empirie tot wetenschap

Abstract
Zoals velen eerder beschreven, zijn de meeste aspecten van de moderne parodontologie al terug te vinden in eeuwenoude bronnen. In 1683 beschreef Antonie van Leeuwenhoek de bacteriën in de plaque. Hij vermeldde dat bij hem het verwijderen van de plaque geresulteerd had in tandvlees dat niet ging bloeden, hoe hard hij ook zijn tanden schoonmaakte met zout. Pierre Fauchard, de Franse tandarts die beschouwd wordt als de grondlegger van de huidige tandheelkunde, schreef al in 1746 dat voor de preventie van tandvleesaandoeningen een goede mondhygiëne, goede voeding en regelmatige tandsteenverwijdering uiterst belangrijk is (Gold, 1985). Gedachten over de etiologie van parodontale aandoeningen aan het begin van de twintigste eeuw worden goed beschreven door Sachs (1911). Hij onderscheidde drie groepen tandartsen: degenen die geloofden in lokale factoren (plaque en tandsteen), zij die geloofden in constitutionele factoren (botziekte) en zij die geloofden in functiestoornissen (traumatische occlusie) als oorzaak van parodontale aandoeningen. Deze gedachten over de etiologie waren afkomstig van enkele personen op basis van eigen waarnemingen en gedachten. Ze hebben gedurende vrijwel de gehele twintigste eeuw standgehouden. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de parodontologie zich tot een moderne wetenschap met hypothesevorming en experimentele bewijsvoering.
U. van der Velden

2. Parodontitis en hart- en vaatziekten

Abstract
In dit hoofdstuk komt de relatie tussen parodontitis en hart- en vaatziekten aan de orde. Neem een 54-jarige patiënt met onbehandelde, gegeneraliseerd ernstige parodontitis in gedachten. De vraag is of deze chronische aandoening, hoogstwaarschijnlijk reeds jaren aanwezig, systemische effecten heeft en een risico vormt voor de conditie van hart en bloedvaten. Hart- en vaatziekten zijn een breed begrip; de meest voorkomende hart- en vaatziekten berusten op atherosclerose. Atherosclerose kan vervolgens leiden tot de meest bekende en meest voorkomende complicaties, een myocard infarct (MI) of een herseninfarct (beroerte). Deze twee cardiovasculaire aandoeningen zijn bestudeerd in relatie tot parodontitis.
B. G. Loos, S. Bizzarro, V. E. A. Gerdes, W. J. Teeuw

3. Mechanische plaquebeheersing

De huidige stand van zaken
Abstract
Persoonlijke mondhygiëne heeft de afgelopen decennia steeds meer aandacht gekregen. Mensen reinigen hun tanden om een aantal redenen: voor een fris gevoel, hun zelfvertrouwen, een mooie lach, en/of om ziekte en een slechte adem te voorkomen. De meest gebruikte methode om plaque mechanisch te verwijderen is tandenpoetsen. Het verwijderen van microbiële plaque is de basis voor de preventie en behandeling van parodontitis (Choo et al., 2001). Er is voldoende bewijs dat tandenpoetsen en aanvullende mechanische reiniging een gewenste plaquecontrole bewerkstelligen. Voorwaarde is dat het op de juiste wijze en met de goede frequentie wordt uitgevoerd (Van der Weijden en Hioe, 2005).
D. E. Slot, G. A. van der Weijden

4. Accuraatheid implantaat planningssystemen

Abstract
Bij het plaatsen van implantaten krijgt een chirurg te maken met een aantal beperkingen, zoals beperkt zicht in de mondholte, lokale anesthesie en de ingreeptijd. Ook moet de chirurg tweedimensionale röntgenfoto’s mentaal omzetten naar een driedimensionale chirurgische omgeving. Verder dient de chirurg de implantaatplaatsing af te stemmen op de esthetische, biomechanische en functionele eisen van de prothetische reconstructie.
M. Vercruyssen

5. Pre-implantaire chirurgie

Abstract
Reeds enkele decennia bestaat voor de dentale rehabilitatie van gedeeltelijk of volledig edentate kaken de mogelijkheid enossale implantaten toe te passen. Om deze implantaten te kunnen plaatsen moet er gezond en voldoende botvolume voorhanden zijn. De term ‘enossaal’ verwijst vooral naar de manier waarop dit tandwortelimplantaat in het lichaam is verankerd. Het gaat hier om een directe verbinding tussen het kaakbot en het implantaat. Dit principe heeft grote consequenties voor de bestaande of gewenste anatomie van het implantatiegebied. Mocht de aanwezige vorm van de kaak afwijkend zijn of de hoeveelheid bot – in driedimensionaal opzicht – onvoldoende en er zijn geen andere contra-indicaties voor implantatiebehandeling, dan zal eerst een aanpassing of opbouw (augmentatie) van het alveolaire bot moeten plaatsvinden. Deze botaugmentatie is overigens niet de enige vorm van pre-implantaire chirurgie. Ook de kwaliteit en kwantiteit van de weke delen rondom het implantaat zijn van belang voor een goede functie, optimale cosmetiek en lange levensduur van het implantaat. Indien er geen of onvoldoende gekeratini-seerde mucosa aanwezig is of de aanwezige mucosa te dun is voor een goed cosmetisch resultaat, kan het noodzakelijk zijn dat er gekeratiniseerde mucosa of bindweefsel of een combinatie van deze twee weefsels wordt getransplanteerd.
E. A. J. M. Schulten, C. M. ten Bruggenkate, R. J. Goené

6. Implantaten: een psychosociale benadering

Abstract
Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft de ontwikkeling van de prothe- tiek een spectaculaire vlucht gekend, voornamelijk door de introductie van het implantaat. Dit bood nieuwe perspectieven voor zowel de vaste als de uitneembare prothetiek.
L. T. H. C. Matthys, S. Lievens, G. Theuniers, L. Van Zeghbroeck, L. Crevits

7. De digitale afdrukname

Abstract
Nu de digitalisatie van de orale radiografische beeldvorming reeds enige tijd zijn vaste plaats verworven heeft in de moderne tandheelkundige praktijk, doet de digitale afdruk ook zijn intrede in de digitale workflow van de tandarts. Hoewel intraorale optische scanners reeds meer dan twintig jaar op de markt zijn, zijn de technologie en de accuraatheid de afgelopen jaren enorm verbeterd en komen er steeds weer nieuwe indicaties bij, dit om te streven naar het concept van ‘impression-free dentistry’. Het tandtechnisch laboratorium gebruikt al geruime tijd extraorale optische scansystemen om gipsen werkmodellen te digitaliseren voor een geautomatiseerde vervaardiging van restauratieve voorzieningen, om zo meer efficiënt en gecontroleerd te kunnen werken. Nu kan de tandarts deze keten volledig digitaliseren. De geautomatiseerde of computergestuurde productie van tandheelkundige restauraties kreeg de afgelopen jaren enorm veel aandacht, gezien de vele voordelen voor zowel patiënt, tandarts als laboratorium. De conventionele manier van het maken van een afdruk en de vervaardiging van gipsmodellen blijven echter tijdrovende en kritische fases in de gehele keten van werkzaamheden. Hier biedt het digitaliseren van de afdrukname een zeer efficiënte oplossing en bovendien is deze niet alleen gebonden aan computer-aided design (CAD) en computer-aided manufacturing (CAM) van de gewenste restauraties. Men kan er dus bijvoorbeeld ook voor kiezen om via de computer geproduceerde werkmodellen de verlorenwastechniek te gaan gebruiken voor de vervaardiging van een metaal-porseleinen kroon.
B. Vandenberghe

8. Mondklachten en gebitsproblemen bij systemische lupus erythematosus (SLE)

Abstract
Lupus erythematosus (LE) is een chronische inflammatoire ziekte die vooral bij jonge vrouwen voorkomt. De aandoening kan worden onderscheiden in een systemische (gedissemineerde) en een tot de huid beperkte vorm. Deze laatste vorm kent verschillende uitingsvormen, waaronder chronische discoïde lupus erythematosus (CDLE). Systemische lupus erythematosus (SLE) is evenals chronisch discoïde lupus erythematosus een auto-immuun aandoening. Ook bij systemische lupus erythematosus ontstaan vaak huidafwijkingen zoals vlindervormige rode vlekken in het gelaat (afb. 8.1), maar er kunnen ook aandoeningen van de orale mucosa (afb. 8.2), de gingiva en de gebitselementen ontstaan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de klachten en verschijnselen die bij systemische lupus erythematosus kunnen optreden, de gevolgen die deze klachten en verschijnselen voor de mond kunnen hebben, en waarmee de tandarts bij de behandeling van een patiënt met deze aandoening rekening moet houden.
A. Vissink, F. K. L. Spijkervet, H. Bootsma, C. G. M. Kallenberg

9. Het primaire syndroom van Sjögren: huidige stand van zaken en ontwikkelingen

Abstract
Het syndroom van Sjögren (SS) is een auto-immuunziekte die aangrijpt op de exocriene klieren, in het bijzonder op de speeksel- en traanklieren. Het syndroom wordt onder meer gekenmerkt door een droge mond en droge ogen, die het directe gevolg zijn van een progressief verlies aan secretoir actief weefsel in de verschillende exocriene klieren (Kalk et al., 2002a; Fox, 2005). Als gevolg hiervan kunnen wisselende zwellingen van met name de glandulae parotideae optreden (in geval van een persisterende zwelling moet men bedacht zijn op een zogeheten mucosa associated lymfoid tissue (MALT-) of non-hodgkinlymfoom). Daarnaast klagen patiënten met het syndroom van Sjögren vaak over algehele malaise en chronische vermoeidheid (Meijer et al., 2009). Ook komen regelmatig extraglandulaire verschijnselen voor, zoals purpura, polyneuropathie en artritis (tabel 9.1) (Fox, 2005). Het syndroom van Sjögren wordt vooral bij vrouwen gezien, de vrouw-man ratio is 9 : 1. Sjögren kan zich op elke leeftijd openbaren, de mediane leeftijd ligt rond het vijftigste levensjaar. Hoewel Sjögren op elke leeftijd kan ontstaan, bestaat de indruk dat het syndroom tegenwoordig op een jongere leeftijd wordt gediagnosticeerd dan voorheen.
A. Vissink, F. K. L. Spijkervet, H. Bootsma, C. G. M. Kallenberg

10. Diagnostiek en behandeling van speekselverlies bij kinderen

Abstract
Speekselverlies kan leiden tot functionele, sociale en klinische consequenties voor de kinderen zelf, hun families en hun verzorgers. Natte kleren, meubels, tafels, speelgoed en werkmateriaal en beschadigde (spraak)computers zorgen ervoor dat ouders het kind een sjaaltje omdoen en dit regelmatig, soms wel vijftien keer per dag, verwisselen. De huid kan chronisch geïrriteerd raken en hygiënische problemen, zoals constant natte kleren, onaangenaam ruiken en een altijd natte mond, kunnen invloed hebben op relaties en omgang met de omgeving. Deze problemen kunnen leiden tot sociaal isolement. Bovendien werkt kwijlen stigmatiserend en heeft kwijlen negatieve gevolgen voor het spreken en eten (Reddihough et al., 2010).
F. V. Schepers, K. van Hulst, A. Vissink, C. G. B. Maathuis

11. Kaasmolaren/molar incisor hypomineralisation: wat doen we ermee?

Abstract
In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd in onderzoeken uit Zweden een toename beschreven in de prevalentie van hypomineralisatie van eerste definitieve molaren, met of zonder aantasting van de incisieven. Later werd deze glazuurafwijking ook gezien in andere Europese landen. De afwijking was in de literatuur terug te vinden onder verschillende benamingen zoals ‘hypomineralised first permanent molars’, ‘idiopathic enamel hypomineralisation in first permanent molars’, ‘non-fluoride hypomineralization in first permanent molars’ en ‘kaasmolaren’ (Weerheijm, 2003). Om de onderzoeken beter met elkaar te kunnen vergelijken werd in 2001 de naam ‘molar incisor hypomineralisation’ (hypomineralisatie van eerste definitieve molaren) geïntroduceerd voor deze aandoening (Weerheijm, 2001). De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat hypomineralisatie van eerste definitieve molaren een wereldwijd bekend probleem is. Tot op de dag van vandaag wordt heel wat onderzoek verricht naar de oorzaak van deze glazuurafwijking, maar tot nu toe is er nog steeds geen pasklaar antwoord voorhanden. Restauratief herstel van de aangetaste molaren is vooral geïndiceerd bij afbrokkelen van het glazuur in combinatie met de ontwikkeling van cariës. Vaak zijn deze gebitselementen met uitgebreide aantasting zeer gevoelig voor temperatuurverschillen. Het restauratief herstel van deze kaasmolaren heeft een hoge moeilijkheidsgraad en vormt een grote uitdaging voor de tandarts. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de huidige stand van zaken met betrekking tot hypomineralisatie van eerste definitieve molaren. Allereerst wordt ingegaan op de diagnose en het klinisch voorkomen van deze aandoening, zodat de practicus het probleem zo vroeg mogelijk kan herkennen. Vervolgens komen de epidemiologie etiologie en klinische implicaties van hypomineralisatie van eerste definitieve molaren aan bod. Ten slotte wordt een behandelstrategie voorgesteld, waarmee de algemeen practicus in staat moet zijn deze problematiek op een gestructureerde wijze aan te pakken.
M. Peumans

12. Tanderosie

Abstract
Slijtage wordt omschreven als het niet-carieuze verlies van glazuur en dentine (Imfeld, 1996a). Bij het ontwikkelen van slijtage spelen vaak meerdere processen een rol, zoals attritie, abrasie, abfractie en tanderosie. Attritie (het slijten van glazuur of dentine door frictie), abrasie (het slijten van tandmateriaal door interactie van gebitselementen en andere materialen) en erosie (het verlies van tandmateriaal door inwerking van zuren die niet afkomstig zijn van bacteriën) kunnen tegelijkertijd optreden en elkaar versterken (The Academy of Prosthodontics, 2005; Imfeld, 1996a; Nunn, 1996). Deze processen kunnen als zowel pathologisch als fysiologisch worden beschouwd, afhankelijk van de hoeveelheid slijtage die is opgetreden in relatie tot de leeftijd van de patiënt.
D. H. J. Jager, A. Vissink

13. Het voorkomen van dentale agenesie

Abstract
Dentale agenesie – congenitaal afwezig zijn van gebitselementen – is een van de meest voorkomende ontwikkelingsstoornissen bij de mens. Voornamelijk de gebitselementen die zich het laatst in elke gebitselementenklasse (laterale incisief, tweede premolaar, derde molaar) ontwikkelen, worden erdoor getroffen.
B. L. Kreps, P. J. De Coster, L. A. M. Marks

14. Laserbleken

Abstract
Glanzend witte gebitselementen zijn meer dan ooit een visitekaartje. Met een mooie glimlach is het zoveel gemakkelijker je zelfverzekerd te voelen. Amerikaanse ‘celebs’ en ‘wannabees’ weten het al langer. Zij spenderen fortuinen aan de ‘Hollywood smile’. Bij ons loopt het zo’n vaart nog niet, hoewel steeds meer tandartsen de vraag krijgen om gebitselementen witter te maken. Ook reclames hebben een sturende invloed op de wensen van de patiënt. Het lijkt er daarom op dat we bij de vraag om te bleken meer met consumenten dan met patiënten te maken hebben. ‘Tandarts, kunt u mijn tanden bleken?’ is voor de patiënt een eenvoudige vraag. Voor de tandarts gaat het om een ethische vraag. Het principe ‘primum non nocere’ of ‘geen schade aanrichten’ dient vooropgesteld te worden. Feit is dat als bleken geen kwaad doet, het witter maken van de gebitselementen dan onder het principe ‘weldoen’ valt en dus ethisch geoorloofd is. Als tandarts moet men zich autonoom opstellen en over de nodige kennis beschikken om een correcte diagnose te stellen en het meest ideale behandelplan voor te leggen. Men dient zich te realiseren dat als psychische problemen ten grondslag liggen aan het verzoek om te bleken, deze niet worden opgelost door het bleken. Soms voelt men in het eerste consult al aan dat het om een waanachtig idee gaat, een obsessie, een verouderingsproces dat als traumatisch wordt ervaren. Volgens de patiënt is er iets mis, maar volgens anderen niet. Men spreekt van een gestoorde lichaamsbeleving of ‘body dismorphic disorder’. Toch lijkt het erop dat men zijn patiënt tekortdoet door al te rigoureus te weigeren zijn gebitselementen witter te maken. Een weigering om het probleem van de patiënt te behandelen drijft deze mensen naar bleekklinieken, bemand door niet-tandartsen of naar al dan niet effectieve en soms zelfs schadelijke middelen en methoden die via internet te verkrijgen zijn. Het is de taak van de tandarts de patiënt te begeleiden op zijn zoektocht naar een middel om zijn dentitie te bleken en ervoor te pleiten dat alleen een tandarts zou mogen bleken.
K. Vanderstricht

15. Lage energie laser en de behandeling van orale mucositis

Abstract
Orale mucositis is een ernstige en gevreesde bijwerking van chemo- en/of radiotherapie met significante klinische gevolgen. Bij deze aantasting van de mucosa kan het gehele gastro-intestinale stelsel betrokken raken. De prevalentie van orale mucositis ten gevolge van chemotherapie schommelt bij kinderen tussen 52 en 80% (Kühn et al., 2009). Sonis et al. (2001) toonden aan dat toename van de ernst van orale mucositis gepaard gaat met toenemende koorts, verhoogd risico op infectie, volledige afhankelijkheid van parenterale voeding en noodzaak van intraveneuze narcotische pijnstilling met verhoogde kans op mortaliteit binnen de eerste honderd dagen. Het is ook niet onbelangrijk te vermelden dat de ernst van orale mucositis eveneens aan de basis kan liggen van een dosislimiterend effect en zelfs kan leiden tot een onderbreking van de oncologische behandeling (Schubert et al., 2007). Orale mucositis manifesteert zich in de vorm van ulceraties op niet-gekeratiniseerde mucosa, bij voorkeur aan de tongrand, de mondbodem en de wangmucosa. Klinische symptomen volgen in een periode van vijf tot zeven dagen na het starten van chemotherapie. Spontane genezing treedt op tussen negen en veertien dagen na het optreden van de eerste klinische klachten. Eerst verschijnt er erytheem dat zich progressief omvormt tot ulceraties bedekt met een pseudomembraan (Sonis, 2007). Belangrijke factoren die een rol spelen bij het ontwikkelen van orale mucositis zijn het type chemotherapie, het soort maligniteit, de leeftijd van de patiënt, het aantal neutrofiele granulocyten, maar ook de basismondzorg (Kühn et al., 2009). Men heeft aangetoond dat een goede orale hygiëne veel invloed heeft, vooral op het verloop van deze pathologie (Chen et al., 2004; McGuire et al., 2006). Een scala aan preventieve en/of therapeutische middelen voor de aanpak van orale mucositis, zoals lokale anesthetica, cryotherapie, antibiotica, ontstekingsremmers, groeifactoren en mucosabeschermende gels, blijken tot op heden willekeurig gebruikt. Recent werd palifermine ontwikkeld, op basis van een humane keratinocyt groeifactor KGF-1, met bevredigend resultaat. Er is een significante daling te zien van de ernst en duur van orale mucositis. Ondanks deze positieve resultaten signaleerden Schubert et al. (2007) dat 63% van de patiënten een ernstige vorm van orale mucositis ontwikkelde, ondanks de ondersteuning met palifermin. Meer recent werd de low level laser therapie (LLLT), of lage energie laser, nuttig bevonden in de bestrijding en behandeling van orale mucositis. Deze behandeling wordt zeer aangeprezen en is in de richtlijnen van de Multinational Associaton of Supportive Care in Cancer/International Society for Oral Oncology (MASCC/ISOO) opgenomen als een waardevolle behandelingsoptie (Keefe et al., 2007).
R. G. E. C. Cauwels

16. Mond open voor totale kwaliteitszorg

Abstract
Kwaliteitszorg in de tandheelkundige praktijk is meer dan garant staan voor kwalitatief hoogstaande tandheelkundige zorg. Het impliceert ook de kwaliteit waarmee de praktijk gerund wordt en hoe de praktijk zich verhoudt tot het bredere maatschappelijk kader. Kwaliteitsnormen en -modellen evolueren in de tijd en kwaliteitszorg is dan ook een dynamisch concept.
E. De Schepper

17. Antistolling en tandheelkundige ingrepen

Abstract
Sinds 2006 is er een overeenkomst met de overkoepelende Federatie Nederlandse Trombosediensten, dat bij bloedige tandheelkundige ingrepen, bij patiënten die antistolling gebruiken met cumarinederivaten, de regionale diensten in overleg met de betrokken tandarts en patiënt de antistolling regelen. De controle van de International Normalized Ratio (INR) en de herstart van cumarinederivaten blijven volgens deze afspraak in handen van de trombosediensten (Abraham, 2004; Levi en Frank, 2006). Een brief in 2008 van de regionale trombosedienst Leiden aan de tandartsen in de regio over het continueren van antistolling, maakte niet alleen een discussie los, maar veroorzaakte ook veel onzekerheid met betrekking tot het handelen in de praktijk (afb. 17.1). Om bestaande adviezen terzijde te kunnen schuiven en nieuwe aanbevelingen en behandelinstructies uit te vaardigen, dient men zich te baseren op ‘evidence-based medicine’, berustend op prospectief, zo mogelijk dubbelblind gerandomiseerd onderzoek. Dit type onderzoek ontbreekt. De literatuur over dit onderwerp berust voornamelijk op ‘me too’-producties of op samenvattingen van onderzoek van anderen (Todd, 2003; Beirne, 2005; Van Diermen et al., 2008; Jiménez et al., 2008; Khamashta-Ledezma, 2008). Door het ontbreken van goed onderzoek en omdat men zich in de literatuur zonder onderbouwing baseert op ‘de mening van deskundigen’, moet kritisch worden gekeken naar alles wat als vaststaand wordt aangenomen. In het buitenland wordt veelal warfarine (Coumadin®) voorgeschreven. In Nederland en België wordt echter meestal gewerkt met acenocoumarol (Sintrom[Mitis]®) en fenprocoumon (Marcoumar®). De werking van deze drie producten komt weliswaar overeen, maar de werkingstijd verschilt (tabel 17.1). De beschikbare literatuur is voor het merendeel op warfarine geënt en is daarmee niet direct te transformeren naar de Nederlandse situatie. In dit hoofdstuk wordt getracht op grond van de beschikbare literatuur een leidraad voor de dagelijkse praktijk te ontwikkelen.
L. Abraham-Inpijn

18. De tandheelkundige aspecten van obstructieve slaapapneu

Abstract
Het obstructieve slaapapneusyndroom (OSAS) wordt gekenmerkt door het herhaald optreden van volledige of partiële obstructies van de hogere luchtweg (American Academy of Sleep Medicine Task Force 1999). Deze obstructies leiden tot een verminderde luchtstroom of volledige onderbreking ervan in de hogere luchtweg, ondanks de aanwezige ademhalingsinspanningen van de borst- en buikspieren. Het opheffen van deze obstructies gaat vaak gepaard met een luid snurkgeluid en ontwakingen. De verstoorde ventilatie tijdens de obstructies leidt vaak ook tot zuurstofdesaturatie.
G. Aarab, M. Naeije, F. Lobbezoo

19. Autotransplantaties: stand van zaken

Abstract
Autotransplantatie van gebitselementen kent een zeer rijke geschiedenis. Het wordt gedefinieerd als de beweging van een gebitselement van de ene regio in de mond naar een andere bij hetzelfde individu. Het (niet-)geërupteerde donorgebitselement wordt overgebracht naar een extractieplaats of chirurgisch geprepareerde alveole. Autotransplantatie is een biologische benadering, aangezien de alveolaire groei niet wordt gecompromitteerd en het gebitselement over een normaal parodontaal ligament beschikt.
D. Denys, R. Jacobs, M. Shahbazian, G. Willems

20. (Chirurgische) behandeling van antrumperforaties

Abstract
Bij het extraheren van een gebitselement in de maxilla kan een open verbinding tussen de mondholte en de sinus maxillaris ontstaan. Per definitie wordt van een antrumperforatie gesproken als deze opening korter dan 24 uur aanwezig is. Bij een bestaansduur van meer dan 24 uur is er al epithelialisatie van de verbinding opgetreden en wordt gesproken van een oroantrale fistel. Met andere woorden, een antrumperforatie dient binnen 24 uur primair te worden gesloten om de kans op sinusitis en het ontstaan van een oroantrale fistel te minimaliseren.
S. H. Visscher, B. van Minnen

21. Mandibulafracturen

Abstract
De menselijke benige schedel speelt een belangrijke rol bij het uiterlijk voorkomen van de mens en zijn normale functioneren. Fracturen van de schedel kunnen leiden tot ademhalingsproblemen, uitval van de kauwfunctie en het spreken, wat een duidelijk negatieve weerslag heeft op het psychosociaal welzijn van de mens. Stoornissen in gezichts-, gehoor- en reukfunctie gaan relatief vaak samen met sensorische uitvalsverschijnselen.
H. Browaeys

Nawerk

Meer informatie