Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dat tandheelkunde veelzijdig is, wordt in dit boek opnieuw duidelijk. Het tandheelkundig jaar 2010 biedt een overzicht van de meest recente ontwikkelingen in de tandheelkunde. Een breed scala aan onderwerpen komt aan bod, beschreven door een keur van gezaghebbende Vlaamse en Nederlandse auteurs.Een greep uit de onderwerpen: - Boormallen in de dentale implantaatchirurgie- Iedereen een supersmile, mogelijkheden en bedenkingen- Opbouw van de avitale tand: overzicht van de behandelalternatieven- Radiotherapie in het hoofd-halsgebied op behandeling met orale implantaten- Tandartsen en ergonomie- Stand van zaken rond digitale beeldvorming- Cervicale wortelresorptie en endodontische relevantie- Cuspidaatimpacties en implicaties- Voorspelbaarheid van esthetiek bij implantaatgedragen kronen in het bovenfront- De rol van CAD/CAM in de restauratieve tandheelkunde

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Een refl ectie over het gebruik van boormallen in de dentale implantaatchirurgie

Abstract
Het wordt als een axioma beschouwd dat een prothetische planning voorafgaand aan de implantaatplaatsing resulteert in een betere selectie van de implantatieplaatsen en bijgevolg een meer voorspelbaar resultaat zal opleveren van het te vervaardigen prothetisch werk. Meestal worden de volgende voordelen aangehaald om het gebruik van boormallen te verantwoorden: vermijden van kritisch anatomische structuren, een esthetisch meer voorspelbaar resultaat en een functioneel beter resultaat door een prothetisch gestuurde implantaatplaatsing. Om de planning over te brengen naar de chirurgische fase, wordt er vanouds gedacht aan chirurgische boormallen. Naast de boormallen kan er gebruikgemaakt worden van navigatietechnieken om de chirurg te helpen bij de selectie van de boorplaatsen (bijvoorbeeld Rupin et al., 2008). Deze techniek wordt in dit hoofdstuk buiten beschouwing gelaten. Gedurende de afgelopen tien jaar (1989-1999) zien we een sterke toename in de belangstelling voor implantaatbehandeling. Een mogelijke oorzaak is een grotere bewustwording bij patiënten die in aanmerking zouden komen voor een implantaatbehandeling, maar kan ook een gevolg zijn van een toename in het aantal gekwalificeerde zorgverleners (Narby et al., 2008). Gezien de toename van het aantal implantaatbehandelingen, kan het gebruik van een effectieve techniek die het aantal suboptimaal of niet goed geplaatste implantaten vermindert wel degelijk een zinvolle ontwikkeling zijn. Anderzijds moet worden overwogen of de bijkomende straling bij het maken van een röntgenfoto van de patiënt, het werk dat noodzakelijk is om een nauwkeurige boormal te verkrijgen en de kostprijs van dit alles, opwegen tegen de klinische nadelen die een suboptimaal geplaatst implantaat veroorzaakt (Widmann en Bale, 2006). Bovendien zou de implantaatbehandeling gestuurd door boormallen dezelfde succesratio’s met betrekking tot osseo-integratie moeten opleveren als de klassieke implantaatchirurgie. Sommige auteurs wijzen erop dat hier de nodige voorzichtigheid moet worden betracht en rapporteren een mislukkingspercentage van 9 (Yong en Moy, 2008). Op dit ogenblik is er nog geen enkele langetermijn klinische studie die deze aspecten heeft geanalyseerd.
L. Vrielinck

2. Iedereen een supersmile, mogelijkheden en bedenkingen

Abstract
Steeds meer mensen stellen steeds hogere eisen aan tandartsen – het is niet zo heel gewaagd te voorspellen dat we niet ver van het tijdperk zijn dat iedereen een supersmile wil.
J. C. S. Beekmans

3. Opbouw van de avitale tand: overzicht van de behandelalternatieven

Abstract
Na de endodontische behandeling van een gebitselement doet de vraag zich voor welk opbouwsysteem in welke situatie is aangewezen en welk systeem de hoogste overlevingskans biedt. Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw wordt de gegoten stiftopbouw als ‘de gouden standaard’ beschouwd (afb. 3.1). Maar de afgelopen jaren is men op zoek gegaan naar alternatieve behandelmethoden waarbij gebruik wordt gemaakt van minder invasieve technieken en meer op het tandweefsel gelijkende materialen.
E. Debels

4. Het dementiesyndroom

Abstract
Het dementiesyndroom wordt gekenmerkt door het verloren gaan van de cognitieve functies. De letterlijke betekenis van het uit het Latijn afkomstige woord dementie is: geest verliezen. Beter is het om in algemene zin te spreken van het dementiesyndroom, omdat het niet gaat om één ziekte, maar om meerdere ziekten met verschillende oorzaken waarvan de uitwerking steeds hetzelfde is, namelijk ‘het verliezen van de geest’.
S. T. Wiranto-Go, R. I. Wiranto, J. M. G. A. Schols, C. de Baat

5. De invloed van radiotherapie in het hoofd-halsgebied op behandelingen met orale implantaten

Abstract
Het plaatsen van orale implantaten bij patiënten die vanwege een maligne tumor in het hoofd-halsgebied radiotherapie hebben ondergaan, houdt een zeker risico in. Het risico bestaat uit het verhoogde algemene risico van implantaatverlies ten gevolge van het falen van de osseo-integratie en uit het optreden van osteoradionecrose. Radiotherapie heeft invloed op zowel de zachte weefsels als het bot. De schadelijke gevolgen zijn een verminderd aantal capillaire bloedvaten, een verminderd aantal osteocyten en een verminderde osteoblastenactiviteit. Capillaire bloedvaten blijken het meest kwetsbaar, vooral in het bot.
H. W. D. Verdonck, C. de Baat

6. Tandartsen en ergonomie? Pijn is toch fijn!

Abstract
Regelmatig verschijnen er berichten over arbeidsongeschiktheid en klachten die tandartsen en mondhygiënisten oplopen als resultante (lees: een negatief cadeau) van het werk (Yamalik, 2007). Beide beroepen worden vrijwel de gehele dag vanuit een statisch belaste positie uitgevoerd. Dat laat sporen na en diverse studies geven een hoog percentage aan klachten en beperkingen.
M. A. A. De Bruyne, J. A. J. Wouters

7. Genetica van craniofaciale afwijkingen

Abstract
De craniofaciale ontwikkeling is een van de meest complexe gebeurtenissen gedurende de embryogenese. Craniofaciale afwijkingen zijn verantwoordelijk voor een derde van alle congenitale afwijkingen bij de mens. Door de snelle ontwikkeling van de moleculaire genetica is voor sommige craniofaciale afwijkingen de genetische basis duidelijk geworden.
I. Witters, J. P. Fryns

8. Mondzorg voor, tijdens en na chemotherapie

Abstract
Bij de behandeling van oncologische aandoeningen wordt frequent gebruikgemaakt van chemotherapie, al dan niet in combinatie met chirurgische interventies of bestraling. De toepassing van chemotherapie heeft de overlevingsduur van patiënten met tumoren aanzienlijk doen toenemen. Het gebruik ervan gaat gepaard met een aantal bijwerkingen en eventuele complicaties, ook in de mondholte. Voor het tandheelkundige team is het belangrijk om deze bijwerkingen te kennen en complicaties te voorkomen. In deze bijdrage worden de implicaties van een behandeling met chemotherapie geschetst, met bijzondere aandacht voor de mondholte, en wordt een samenvatting gegeven van aandachtspunten voor de tandheelkundige begeleiding van deze patiënten.
D. Declerck

9. Vraaginductie in de tandheelkunde in België

Abstract
Gezondheidszorg is in de huidige welvaartsstaten onlosmakelijk verweven met economie. De middelen zijn en blijven nu eenmaal schaarser dan de mogelijkheden en de betrachtingen. Dit hoofdstuk kijkt vanuit een gezondheidseconomisch perspectief naar de tandheelkundige zorgverstrekking in België, in het bijzonder naar het fenomeen ‘vraaginductie’.
F. Decaluwe, A. Renckens

10. Tandplaque als een biofilm: leven in ‘slime city’

Abstract
In de uterus is de menselijke foetus steriel, maar na passage door het geboortekanaal gaan er zich vaginale en fecale micro-organismen nestelen. Ook de kolonisatie van de mondholte start kort na de geboorte. Slechts enkele uren nadien wordt de steriele mondholte gekoloniseerd door lage aantallen van vooral facultatieve en aerobe bacteriën (Socransky en Manganiello, 1971). Vanaf de tweede dag kunnen er reeds anaerobe bacteriën worden gedetecteerd in de tandeloze mond van de zuigeling (Rotimi en Duerden, 1981). Binnen twee weken heeft zich een bijna mature microbiota gevestigd in de darm van de pasgeborene. Na het spenen (> 2 jaar), is de hele menselijke microbiële flora gevormd. Deze flora is een zeer complexe verzameling van ongeveer 1014 microorganismen. Vanaf dat moment bevat ons lichaam tien keer meer bacteriën dan cellen. In het algemeen leven deze bacteriën in harmonie met de gastheer, maar onder bijzondere omstandigheden (verhoogde massa en/of pathogeni- citeit, en/of verminderde gastheerrespons) kan ziekte optreden. Vaak hebben bacteriën en gastheercellen een commensale relatie, die voordelig is voor beide partijen.
G. Loozen, M. Quirynen, M. van Essche, W. Teughels

11. Stand van zaken rond digitale beeldvorming

Abstract
Sinds de komst van de computer was er ook in de tandheelkunde - parallel aan de digitalisering van onze maatschappij - sprake van een snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën. De moderne praktijk is een geïntegreerde digitale werkomgeving waar de computer met gegevensnetwerk centraal staan. Met het digitale patiëntendossier is het mogelijk digitale beelden - zowel radiografische als fotografische - efficiënt op te slaan, te bewerken en te presenteren aan de geïnteresseerde patiënt. De intraorale camera met beeldscherm aan de stoel, de digitale röntgensensoren die via USB-aansluiting of draadloos op het gegevensnetwerk aansluiten, de optische scanning van kroonpreparaties voor CAD/CAM-restauraties of digitale occlusiemodellen wijzen op een stroomversnelling in de orale beeldvorming, waar diagnostiek, optimale visualisatie en lage stralingsdosis centraal staan. Bij aanschouwing van het elektromagnetisch spectrum valt te zien dat niet alleen het gebruik van ioniserende straling maar ook van niet-ioniserende straling centraal staat in de technologische vooruitgang van de orale beeldvorming (afb. 11.1).
B. Vandenberghe

12. Cervicale wortelresorptie en endodontische relevantie

Abstract
‘Cervicale wortelresorptie’ is een term die wordt gebruikt voor een relatief zeldzame, maar agressieve vorm van externe resorptie. Het optreden ervan wordt gekenmerkt door een cervicale lokalisatie en een invasieve aard. Cervicale wortelresorptie is een proces dat vaak leidt tot irreversibel verlies van harde tandweefsels zoals cement, dentine en glazuur, al dan niet in combinatie met afbraak van het aangrenzende bot (Gunraj, 1999; Heithersay, 2004) (afb. 2.1).
V. Gunst, B. Huybrechts, G. Loozen, S. Moors, G. Van Gorp, E. Mortelmans, A. De Almeida Neves Coutinho, L. Bergmans, P. Lambrechts

13. Cuspidaatimpacties en implicaties

H. Lambrechts, A. Alqerban, R. Jacobs, G. Willems

14. Rol van cytokinen bij de orthodontische verplaatsing van gebitselementen

Abstract
Tijdens orthodontische verplaatsing van gebitselementen treden veranderingen op in de samenstelling van de gingivale creviculaire vloeistof (GCF). Analyse van GCF kan leiden tot het vinden van biochemische indicatoren die kenmerkend zijn voor veranderingen in het lokale cellulaire metabolisme. Deze veranderingen in het cellulaire metabolisme kunnen zowel gerelateerd zijn aan de parodontale status van de patiënt als aan veranderingen op botniveau ten gevolge van de orthodontische verplaatsing van gebitselementen (Delima en Van Dyke, 2003) (afb. 14.1). Het verkrijgen van inzicht in deze indicatoren wordt van belang geacht, omdat aan de hand van deze indicatoren zowel het verloop als de uiteindelijke uitkomst van een orthodontische behandeling kan worden voorspeld (Waddington en Embery, 2001; Kavadia-Tsatala et al., 2002; Ren en Vissink 2008).
Y. Ren, A. Vissink

15. Odontogene sinusitis

Abstract
Sinusitis is een inflammatie van de paranasale sinussen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen rinogene en odontogene sinusitis. Bij rinogene sinusitis is er een verband met een (eerdere) rhinitis. Het is een van de meest frequent voorkomende chronische aandoeningen, waarvan de incidentie blijft toenemen. Odontogene sinusitis is daarentegen typisch geassocieerd met tanden parodontaal gerelateerde infecties. De schatting is dat het bij 10% om een sinusitis van odontogene oorsprong gaat (Mehra en Jeong 2009). Interessant is dat uit antropologisch onderzoek blijkt dat tand- en parodontaal gerelateerde problematiek de dominante oorzaak was van chronische sinusitis in de middeleeuwen (Panhuysen et al., 1997). In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de problematiek van odontogene sinusitis, waarbij vooral aandacht wordt besteed aan de vaak niet onderkende diagnose en de nieuwe mogelijkheden voor diagnosevorming.
R. Jacobs

16. Voorspelbaarheid van esthetiek bij implantaatgedragen kronen in het bovenfront

Abstract
Bij de introductie van implantaten op de tandheelkundige markt was men voornamelijk gefocust op de osseo-integratie van de implantaten. Bovendien werden de implantaten in eerste instantie vooral toegepast bij edentate patiënten. Door de jaren heen werd veel veranderd aan het implantaatontwerp en de oppervlaktebewerking. Daarbij was men in het beginstadium van de implantologie vooral geïnteresseerd in hogere overlevingspercentages van de implantaten. Deze ontwikkelingen boden tevens de mogelijkheid om het indicatiegebied van implantaten te verbreden en om implantaten te plaatsen bij partieel dentate patiënten. Door de uitbreiding van het toepassingsgebied is het belang van de esthetiek in de afgelopen decennia steeds groter geworden. Daarmee is de nadruk binnen de implantologie verschoven van ‘overleven’ naar ‘kwaliteit van overleven’, waarbij esthetiek een zeer belangrijke factor is gebleken.
N. Tymstra, L. H. den Hartog, H. J. A. Meijer, G. M. Raghoebar, A. Vissink

17. Tandheelkundige adhesieven om te hechten aan tand- en restauratiemateriaal

Abstract
Vroeger bleven zowel directe als indirecte restauraties voornamelijk op hun plaats door macromechanische retentie en de specifieke weerstandsvorm van de tandpreparatie (retentievorm). Adhesieve technieken hebben echter een grote omkeer gebracht in de restauratieve tandheelkunde. Tegenwoordig is er voor elk soort substraat een geschikt adhesief, waarbij een materiaal aan tandweefsel of aan een bepaald restauratiemateriaal (bijv. een oude vulling of kroon) ‘gehecht’ kan worden. De letterlijke vertaling van een adhesief is dan eigenlijk ook ‘lijm’. Zo zijn er adhesieven om aan glazuur, dentine, composiet, metaal en porselein te hechten. Een adhesief geeft niet alleen retentie, maar moet ook zorgen voor een goede verzegeling tegen het indringen van mondvloeistoffen.
K. L. Van Landuyt, J. De Munck, B. Van Meerbeek, M. Peumans

18. Antilichaamtherapie bij het syndroom van Sjögren

Abstract
Het syndroom van Sjögren (SS) komt wereldwijd voor. De prevalentie van SS wordt geschat op 0,5-1% van de bevolking. Deze hoge prevalentie maakt SS, op reumatoïde artritis (RA) na, tot de meest voorkomende reumatologische aandoening. SS kan primair en secundair voorkomen. Primair SS wordt gekenmerkt door de combinatie van droge ogen, droge mond en vaak ook een zwelling van de speekselklieren. Bij secundair SS is naast deze trias sprake van een tweede auto-immuun gerelateerde aandoening, zoals RA of systemische lupus erythematodes (SLE). In iets meer dan de helft van de gevallen is er sprake van secundair SS. De ziekte komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen, in de verhouding 9 : 1 en openbaart zich over het algemeen tussen het 20ste en 40ste levensjaar (Fox, 2005).
J. M. Meijer, P. M. Meiners, H. Bootsma, A. Vissink

19. Overspecialisatie in de tandheelkunde

Abstract
Bij de titel Overspecialisatie in de tandheelkunde dringt zich allereerst de vraag op of er aan het einde een vraagteken dan wel een uitroepteken zou moeten staan. Bij dit onderwerp bestaat immers al snel het gevaar dat er een ‘politieke’ of een ‘economische’ component insluipt en daarom is het belangrijk hier direct vast te stellen dat alleen een persoonlijke mening van de auteur wordt weergegeven. Zoals dat met veel vakgebieden gaat, heeft ook de tandheelkunde zich in de afgelopen decennia verder ontwikkeld door de toepassing van nieuw verworven inzichten, technieken en materialen. Vanuit deze ontwikkeling en de complexiteit ervan is het niet meer dan normaal dat bepaalde onderdelen van het vakgebied voor een tandarts-algemeen practicus steeds moeilijker toegankelijk zijn geworden. Inmiddels zijn er van de 8000 tandartsen in Nederland ongeveer 1300 specialist of gedifferentieerd tandarts. Een aantal van hen heeft zelfs meerdere extra kwalificaties; bijvoorbeeld de kaakchirurgen die door de Nederlandse Vereniging voor Orale Implantologie zijn erkend als implantoloog.
W. van Welsenes

20. De rol van CAD/CAM in de restauratieve tandheelkunde

Abstract
Iedere tandarts heeft wellicht al eens kennisgemaakt met CAD/CAM-technologie. De productie van dentale restauraties met computerassistentie is sterk in opkomst. De CAD/CAM-systemen hebben in het tandheelkundige domein een zeer moeilijke start gekend. Op dit moment komen er steeds meer systemen op de markt, waardoor het moeilijk is het overzicht te houden. De grote competitie tussen de bedrijven onderling maakt dat de systemen zich snel ontwikkelen. Tandartsen, die steeds vaker geconfronteerd worden met de verschillende CAD/CAM-technieken, hebben een zekere basiskennis nodig in deze nieuwe wereld, als ze van de voordelen van deze systemen willen profiteren. De bedoeling van dit hoofdstuk is duidelijkheid te scheppen in wat CAD/CAM precies inhoudt, welke systemen beschikbaar zijn en wat het nut en de betrouwbaarheid zijn van deze systemen.
A. Muller, J. Duyck

21. Denticien: de nieuwe tandtechnicus

Abstract
Het tandtechnisch laboratorium beleeft door de CAD/CAM-technologie een digitale revolutie: van standaardrestauraties tot staaf-hulsconstructies op universele, geïndividualiseerde implantaatopbouwen en mesostructuren laat praktisch alles zich inmiddels op het beeldscherm construeren. Zelfs digitale implantaatplanning en omzetting naar het plaatsen met boorsjablonen is nu mogelijk met een grotere precisie en een beter esthetisch behandelresultaat dan vroeger. De met de kronenbibliotheek en occlusie- en articulatiesoftware ontworpen kronen en noodrestauraties zijn keer op keer van een hoge kwaliteit. Er zijn vanaf 1990 tien CAD/CAM-systemen op de markt verschenen die ofwel in de tandartspraktijk of in het tandtechnisch laboratorium toepassing hebben gevonden. Vooral in hun indicatiebereik en mogelijkheden vertonen zij verschillen (Van der Zel, 2000). De digitalisering in de tandtechniek is echter pas in 2004 echt doorgebroken door de introductie van zirkoonoxide als materiaal voor de basisstructuur (Van der Zel, 2007). Daarbij is het gunstiger het vervaardigen van de structuren (die niet de kernactiviteit van het tandtechnisch laboratorium zijn) uit te besteden aan een leverancier; net zoals de glazen van de bril bij de opticien en de ‘in-ear’ hoortoestellen bij de audicien al lang centraal geproduceerd worden op basis van een ontwerp of scan. De tandtechnicus van de toekomst zal zich net als de opticien en audicien, die hem zijn voorgegaan, als ‘denticien’ profileren.
W. B. van Limburgh, J. M. van der Zel

Nawerk

Meer informatie