Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

In zijn columns in Huisarts & Wetenschap snijdt de auteur (Hans van der Voort) allerlei facetten van de gezondheidszorg op een prikkelende en luchtige manier aan. Als inleiding op een actueel onderwerp gaat hij vaak uit van gebeurtenissen uit zijn eigen jeugd. De laatste jaren is hij door problemen met zijn gezondheid steeds meer een ervaringsdeskundige, die de medische wereld als patiënt, van binnenuit, meemaakt.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Hé, de premies stijgen…!?

Dit stukje schrijf ik in het holst van de nacht in een erg warm land. De slapeloosheid van thuis reisde natuurlijk gewoon mee in de koffer. Lekker tussen de stapeltjes kleren die ik altijd weer meeneem en die ik na afloop van de vakantie niet gebruikt maar wel gekreukeld in de kast terugleg. Nou vind ik slapeloosheid thuis geen, maar in den vreemde wel een probleem. Dat ik – nu eenmaal toch wakker - met een koel glaasje wijn op het terras naar de uilen wil luisteren, blijkt inmiddels een miljard muggen te weten. De tv braakt alleen onverstaanbare of, erger nog, Duitse programma's uit. Het boek over de vreselijke situatie van vrouwen in Afghanistan is weliswaar prachtig, maar geen optie voor zo'n nacht alleen. En de dingen die je nu mooi even zou kunnen afmaken, heb je nou net weer níet ingepakt.

Mag het een inchje meer zijn?

Omdat het mijzelf almaar niet goed lukte, heb ik mijn computer thuis ‘hermetisch voor Spam laten afsluiten’ door een deskundoloog. Van zo'n man kan ik stapelgek worden. Om te laten zien hoe dubbel en dwars hij zijn dikke voorrij- en uurtarief waard is, laat hij in een moordend tempo getallen en formules over het scherm schieten. Ik heb die types nu vaak genoeg meegemaakt om honderd procent zeker te weten dat zij minstens driekwart van hun tijd (en mijn geld!) bezig zijn met het weer ongedaan maken van wat zij zo schielijk en onvoorzichtig allemaal aan fouten hebben veroorzaakt. Als er nog iets is, hoef ik maar te bellen…

Medische missers…

Tot grote ergernis van mijn huisgenoten ben ik een zap-fan. Dat betekent dat ik zowel de intriges van de detective, het scoreverloop van Ajax-Feyenoord als de highlights van een paar informatieve programma's tegelijk probeer te volgen. Nadeel is natuurlijk wel dat in de detective regelmatig figuren opduiken die ik niet eerder heb gezien en van wie ik dus niet weet of achterdocht jegens hen geboden is. Evenmin kan ik meepraten over het luchtje van buitenspel dat kennelijk hing aan het doelpunt van Feyenoord dat ik net wél meepikte. En het betekent ook dat ik van de informatieve programma's slechts hapsnap iets meekrijg. Meestal is dat genoeg omdat het toch allemaal meer-van-hetzelfde is.

Meten is weten…?

Helaas moet aan mijn lijf regelmatig onderhoud worden verricht, noodzakelijk om mij op de been en aan het schrijven van dit soort stukjes te houden. Nu ga je als mondige patiënt natuurlijk niet over één nacht ijs. Nee, je oriënteert je via internet, bekijkt de ziekenhuis-tophonderd van het AD en informeert bij mensen die het weten kunnen. Artikelen over de betreffende aandoening en de bijwerkingen van in het vooruitzicht gestelde medicijnen zorgen voor een hoop slapeloze nachten. Niet zelden denk ik: als het zó moet, ben ik net zo lief niet ziek…!

Lief zijn voor elkaar…

Dit stukje schrijf ik op Valentijnsdag, dus ik moet eigenlijk heel lief zijn. Bovendien heb ik net het boek “Eindeloos bewustzijn” van de cardioloog Lommers gelezen over mensen die er in de dubbele zin van het woord ‘bijna geweest’ waren. Wat je er ook van kan vinden, alle terugkomers melden dat er in het leven maar één ding echt belangrijk is: onvoorwaardelijke liefde. Maar dat wist u natuurlijk al lang.

Een luisterend oor…!

Al vanaf mijn zesde wist ik met grote zekerheid dat ik onderwijzer wilde worden. De boekjes van Theo Thijssen vrát ik als puber. Ik kon niet wachten tot ik in ‘mijn’ klas de gordijnen op vrijdagmiddag halfdicht zou doen en uit een immens spannend boek ging voorlezen. Tranen in mijn ogen kreeg ik als ik ze geboeid en genietend zag zitten luisteren en ik meende hun zuchten bij het dichtslaan van het boek al te horen. In zo'n ‘Gelukkige klas’ hadden u en ik ook wel willen zitten!

Bij de voordeur ruik je het al…

Tijdens de weken voor Pasen staat er in de etalage van onze banketbakker altijd een kingsize uit chocolade opgetrokken paashaas. Elk jaar is er een prijsvraag: wie het gewicht van deze langoor het dichtst benadert, mag zich de trotse eigenaar ervan noemen. Je krijgt natuurlijk alleen een wedstrijdformulier als je de nodige koekjes of bonbons aanschaft, want ook in lekker ruikende winkels moet de schoorsteen roken.

De schone verleidster

Wij wonen thuis één hoog en werken beneden. Als de bel gaat, kunnen wij kiezen tussen naar beneden lopen of via de intercom vragen wie er aan de voordeur staat. Mijn vrouw vindt dat laatste te onpersoonlijk en draaft daarom wat af. Ik heb mij echter na een schokkende ervaring aangewend die intercom te gebruiken. Meestal is het immers een meneer die vraagt of wij stoelen te matten hebben, of iemand van het Leger des Heils die mij een laatste kans op redding in het vooruitzicht stelt.

Mannen!

Lang geleden bestonden mijn vakanties nog uit camping-, klim- en andere ontberingen. Nu ik ouder ben, is het comfort niet snel goed genoeg. Het minste is al dat alles werkt en schoon is en het bedienend personeel mij behandelt alsof ik van koninklijke bloede ben.

Het leven is soms moeilijk…

Tijdens mijn aangename betrekking bij het Nederlands Huisartsen Genootschap heb ik een aantal keren het genoegen gehad Nederlandse standpunten over de huisartsgeneeskunde uit te dragen in het buitenland. Wie mij enigszins kent, weet dat ik regelmatig een grap inlas uit angst dat mensen tijdens mijn voordracht demonstratief ongeïnteresseerd in slaap vallen. De ingedommelden schrikken wakker van gelach om hen heen en denken: ik moet bij de les blijven, want ik schijn iets te missen. Op die manier krijg je de mensen steeds weer zo ver dat ze in elk geval voor een periode van enige minuten opletten.

Verwijzing…

Terwijl ik dit stukje zit te typen is het lekker warm, met een koel briesje. Uitstekend weer om een ritje op een van mijn stokpaardjes te maken.

Alleen wijzen weten niets zeker

Voor het eerst sinds jaren zat ik weer eens in de trein. Tegenover mij zat een oude heer die zich duidelijk zat af te vragen of het tegen de regels van de stiltecoupé was om het woord tot mij te richten. De drang om te spreken, won het al snel van de regels-kwestie. ‘Tja, ja, we worden oud’, zei hij, mij door zijn ‘we’ in het complot betrekkend. ‘Als ik die jongelui zie, denk ik: was ik nog maar zestien.’ Gelukkig was hij in het geheel niet uit op een reactie mijnerzijds. Hij wilde gewoon wat kwijt en omdat hij geen telefoontje had, deed hij het nog gewoon ouderwets: door hardop voor zich uit te praten.

Hallo, is daar iemand?

Het vliegtuigje dat mij, student, naar een Mexicaans dorpje zou brengen, had slechts plaats voor tien passagiers. Die stonden in het glazen vertrekhalletje hyperventilerend van angst naar buiten te kijken. De subtropische regen had de startbaan onder zeker twintig centimeter water gezet. Bij het vliegtuigje gebaarde onze piloot tegen de baas van het vliegveld dat hij onder geen beding het luchtruim zou kiezen. Deze was daarvan in het geheel niet onder de indruk en mimede terug dat er gevlogen werd… en wel nu! Een breed armgebaar, dat wij interpreteerden als ‘anders is daar het gat van de deur’, maakte duidelijk indruk. Vooral toen de potentaat direct daarop een hand omhoog stak, de vingers gespreid. Of dat betekende dat de aangesprokene dan met zijn gezin met vijf kinderen op straat zou komen te staan, óf dat hij nog vijf minuten kreeg om te vertrekken, konden wij niet beoordelen. Feit is dat de piloot een gebaar van ‘jij je zin’ maakte en in zijn toestel klom. Wij wilden vluchten, maar onze bagage was al aan boord en de chef waadde naar ons toe, dwingend iets onverstaanbaars roepend, dat kennelijk zoiets betekende als het tegenwoordige ‘boarding now’ op de digitale borden.

Knopje

Toen ik een kleine jongen was, legde mijn vader niet bepaald zijn oor aan mijn zieltje te luisteren. Een hengst voor je hersens…? Nee, voor m'n kop heeft ie me nooit geslagen. Wij hadden in mijn geboortehuis namelijk luiken voor de ramen die je uit de muur moest trekken en die over een railtje over de vensterbank liepen. Als de luiken teruggeschoven waren, bleef er een hinderlijke gleuf achter die werd opgevuld door een dikke lat. Deze kon je er aan een knopje uitnemen. Steeds als mijn vader kwaad op mij was, greep hij het latje uit de vensterbank, gelastte mij voorover te gaan staan of liggen, waarna hij het op een hengsten zette. Als hij doldriftig was, vergat hij soms het latje op de juiste manier vast te houden zodat hij met het knopje op mijn billen sloeg. ‘Het knopje!!!’, gilde ik dan, want dat was onbedaarlijk pijnlijk. Dan pakte hij óf de lat andersom vast, óf hij zag - héél soms - van verdere aframmeling af, als goedmakertje voor het overtreden van de spelregels. Het wonderlijke is dat ik mij niet herinner als kind echt onder dat alles geleden te hebben.

Niet verder vertellen…

Rond mijn achtste was ik de trotse oprichter van een geheim genootschap met de raadselachtige naam ‘De wakende leeuw’. Zes mededorpelingetjes had ik zover gekregen toe te treden. Onze doelstellingen staan mij niet helder meer voor de geest. Ik weet nog wel dat wij ooit eens een zwakzinnige jongen in de koeienstront hebben gegooid, maar ik dacht niet dat dat direct voortvloeide uit ons mission statement. We hadden ook een heus clublied, waarvan ik mij vooral nog herinner dat het rijm extreem kreupel was. We zongen het uitsluitend als niemand ons kon horen, want je bent een geheim genootschap of je bent het niet. Natuurlijk was er een ledenregister: een smoezelig schriftje waarin ieder van ons zijn eigen naam alsmede een bijnaam had ingevuld. Ook die bijnamen betroffen een groot geheim. Daarnaast werden al onze operaties in steekwoorden en met volstrekt overbodige codes in het schriftje genoteerd.

Je weet niet wat je zegt…

In ons dorp liep de Lagere School - zoals die toen nog gewoon heette - van 1 juli tot 1 april. De lokale MULO had9hetzelfde schema. Maar als je ging doorleren, waarvoor je naar de stad moest, dan zat je met een gat van vijf maanden. De paters van het Lyceum in Leiden deden de poorten namelijk pas op 1 september open. Geen nood, want men had voor mij en mijn soortgenoten een zogenoemde voorbereidingsklas in het leven geroepen. Dat was niet alleen nodig ter overbrugging van het gat in de tijd, maar vooral van de gapende kloof in kennis tussen de dorpsschool en het stadsonderwijs. Mijn vriendjes bleven gewoon in het dorp op school; de avonden die ik besteedde aan huiswerk vulden zij met kikkervisjes vangen, illegaal schapen melken, slootje springen of voetballen.

Klein, kleiner, kleinst…

Als de dag van gisteren herinner ik het mij nog. Het was om 6 uur 's avonds al stikdonker, de kerk in ons dorp stond er druilerig en somber bij in de novemberregen en wij, jongetjes van rond de 12 jaar, slopen naar binnen omdat wij daartoe waren opgeroepen. De grote kerk bleek geheel duister op één lamp na, die de plaatsen voor de preekstoel in enig licht zette. In die lichtkring werden wij geacht plaats te nemen, liet de kromgebogen koster - ook al donker gekleed - ons weten.

Inleven…

Mijn opa had een tuinderij en ik hielp hem als kleine jongen in de zomermaanden steevast met bonen plukken. Aan één mandje bonen, waar je een halve dag over deed, hield je een kwartje over en een niet te verdragen rugpijn. Als je even rechtop ging staan om de boel weer enigszins in de juiste stand te krijgen, reageerde opa misprijzend. ‘Wat heb je? Pijn in je rug? Je héb nog geeneens 'n rug, alleen maar het plekkie waar die later moet komen.’

Graaien…

Veel bijzondere vaardigheden had ik als kleine jongen niet. Ik kon een heleboel dingen wel aardig, maar uitblinken in het een of ander was er niet bij. Daarin kwam plotseling verandering toen ik mij in een knikkerpartijtje tussen twee jongetjes mengde. Ik pakte – ondanks luidkeels protest - de stuiter van een van hen op en mikte die met grote precisie drie meter verder op de stuiter van de tegenpartij. En dat kon ik herhalen! Stomverbaasd snelde ik naar huis waar ik nog een kwartje in mijn spaarvarken wist. Voor dit bedrag kocht ik een zakje kleien knikkers, waarvan bij thuiskomst de helft al kapot was, een netje met glazen stuiters en een mooie stalen knikker voor het mikken. Oefenend in de tuin bleek ik een klein mikwondertje. Dat moest ik uitbuiten!

Wolkenvelden…

In mijn jonge jaren had ik twee vriendjes met een moeder ‘waar iets mee was’. De eerste was een lieve, bijna altijd wat verdrietige vrouw die met een enorm lichaam in een stoel achteroverlag. Alles wat ze deed en zei, ging even langzaam. Haar toestand - ze had ‘lamme benen’ - was ontstaan toen zij in de keuken bezig was en haar baby van het aanrecht in een teil met heet water viel. Honderden keren vertelde ze dat ze het kind had kunnen redden als… als haar benen het maar niet begeven hadden. Mijn vriendje Gerrit en zijn talrijke broertjes en zusjes gingen met hun moeder om als met een geliefd huisdier: ze aaiden haar in het voorbijgaan en vonden het gek dat ik niet hetzelfde deed. Maar ik wist me geen houding te geven en probeerde pijnlijke momenten zoveel mogelijk te vermijden door vooral in de deuropening te blijven staan en te veinzen dat ik het wenkende gebaar van de moeder niet zag.

Broeders hoeder?

In mijn jeugd sliep ons hele gezin op zolder, want dat was de enige verdieping die bovenop onze nietige begane grond was gezet. De zeven kinderen sliepen, verdeeld over een vijftal bedden, in de diverse hoeken. Die hoeken waren door gordijnen van elkaar afgeschermd, een beetje zoals in ziekenhuizen de gordijnen om het bed worden gesloten als je op de steek moet of als professor in aantocht is. Bij mijn ouders waren de gordijnen vervangen door houten wandjes en een heuse deur, zodat ongestoord naar het aantal van zeven kinderen kon worden toegewerkt.

Een sterke man… (1)

Ik ben opgevoed zoals vrijwel al mijn leeftijdgenoten: onze ouders moesten na de oorlog het land opbouwen en wilden daarbij door hun kinderen niet te veel gestoord worden. Dat zou ik, toen onze kinderen kwamen, anders doen. Waarom weet ik eigenlijk niet, want ik ben van mijn opvoeding bepaald niet slechter geworden. Ik had me ook voorgenomen mijn kinderen realistisch op te voeden. “Als een boef nou in ons huis komt? Wat doe jij dan?”, vroeg mijn oudste zoon na het voorlezen. In zijn kleine pyjamaatje keek hij mij met z'n blauwe ogen vol verwachting aan. “Als hij niet heel sterk is, stuur ik hem gelijk de deur weer uit”, antwoordde ik naar waarheid. Mijn antwoord stelde hem duidelijk teleur, maar ik wou hem geen fabeltjes vertellen. De tijd daarna sliep hij slecht en stelde de vraag steeds opnieuw. Ik sprak erover met een vriend: je moet gewoon overdrijven, kreeg ik te horen, je moet hem geruststellen of dat nou realistisch is of niet. Die avond kwam weer dezelfde angstige vraag: “Als er nou een boef in huis komt?” Ik liet mijn bedenkingen varen en antwoordde dat ik hem dan regelrecht het huis uit zou schoppen. Daarmee had ik de geest al te veel uit zijn flesje laten komen, want hij ging door: “Maar als hij nou heel sterk is?” “Dan schop ik hem nog veel harder het huis uit.” Hij werd al iets enthousiaster maar was nog niet geheel overtuigd: “Maar als het nou een héél, héél erg sterke boef is, een reus of zo?” wilde hij voor alle veiligheid nog weten. Ik was intussen door het dolle heen en zei volkomen belachelijk: “Dan pak ik hem bij zijn voet en slinger ik hem drie keer boven mijn hoofd en dan laat ik hem zo dwars door het raam naar buiten vliegen, zodat hij beneden in de bosjes terecht komt.” Ik weet het, dit was buiten alle proporties, maar het effect was geweldig. Hij stond opgewonden te springen, imiteerde mijn zwaaiende gebaar en mijn nakijken van de vliegende reus richting bosjes beneden. Daarna zuchtte hij diep, ging onder zijn Mickey Mouse dekbed liggen en sloot tevreden zijn ogen. Van slaapproblemen was geen sprake meer.

Een sterke man… (2)

Mijn studietijd viel in de woelige jaren zestig. Het was een vrijgevochten bende, ik geef het met veel napret toe. ‘Jullie leefden als beesten!’, zegt mijn oudste zoon minachtend als op tv tipjes van de jaren-zestig-sluier worden opgelicht. Ja, het viel niet mee. Om met Fokke en Sukke te spreken: ‘Vrije seks? Niks vrije seks, je móést!!’ In plaats van frisse T-shirtjes droegen meisjes niet zelden een Perzisch tapijtje en de douchecultuur van deze dagen was nog niet uitgevonden. Het was dan ook niet verwonderlijk dat je zo nu en dan tijdens het tandenpoetsen een uitheems soort uitslag op je torso waarnam. Op een avond zag het eruit of ik de Bolletjestrui had gewonnen. Hypochonder als ik ben, zat ik de dag daarop al in de wachtkamer van de huisarts, die in de volksbuurt waar ik woonde goed bekend stond. Hoewel van Indonesische afkomst was hij een enorm grote man. Ik toonde hem mijn torso. Hij kwam het eens van nabij bekijken, vroeg mij een paar keer helemaal rond te draaien en ging daarna weer rustig zitten. ‘Daar gaan we het grote boek bijpakken’, zei hij en hij haalde uit de royale boekenkast achter zich een soort huidatlas. Hij bladerde, hield het boek van tijd tot tijd vanuit de verte naast mijn lijf om een foto te vergelijken met mijn omstreden vlekken en bladerde dan weer verder. Opeens lichtte zijn gezicht op: ‘Dit begint erop te lijken!’ Hij stond op en pakte een grote spiegel die hij rechtop op zijn bureau vasthield. Met zijn andere hand hield hij de zojuist gevonden plaat overeind en vroeg: ‘Als je het zo bekijkt: vind je dan niet dat het er erg op lijkt?’ Ik moest hem gelijk geven. Hij nam het boek weer ter hand en zei: ‘Nou, dan gaan we eens kijken hoe het heet en vooral wat je eraan kunt doen.’ De naam van de aandoening weet ik niet meer. Maar met één vinger van zijn linkerhand in de tekst de woorden volgend, schreef hij een recept uit dat later wonderen bleek te verrichten. Ik was diep onder de indruk van deze dokter!

Wat had u gehad willen hebben?

Mijn moeder zou binnenkort 100 zijn geworden, ware het niet dat zij het, bij het aanbreken van deze eeuw, wel genoeg vond. ‘Ik houd ermee op, het is mooi geweest’, zei ze tijdens mijn tweewekelijkse bezoek. Een week later was ze dood. Altijd een kordate dame geweest. Een actieve ook, want ze dreef vanaf haar twintigste een grote kapsalon en creëerde en passant een gezin van zeven kinderen. ‘De eerste twee waren van je vader, de overige vijf van Onze Lieve Heer’, placht ze te zeggen, daarmee refererend aan de promotionele bezoekjes van de pastoor zodra hem de tijdspanne na een geboorte wat te royaal begon voor te komen. Ik denk met veel liefde en bewondering aan haar terug, maar haar neringdoen bracht wel een paar lastige zijverschijnselen met zich mee. Zo hing er een lijst in onze keuken van slagers, bakkers en andere middenstanders, compleet met de dag waarop zij aan de beurt waren. De ene week moesten wij de boodschappen doen bij de protestantse winkeliers, de andere bij de katholieke. Als het stortregende moest je tóch naar de verre winkel – en niet naar de buren – als de lijst in de keuken aldus aangaf. Zo hield mijn moeder iedereen te vriend, want zij kapte nu eenmaal hoofden van meerdere confessies. Maar een groter bezwaar was wat ik mijn moeders ‘klantenlach’ noemde. Regelmatig hoorde ik haar lach vanuit de kapsalon komen. ‘Leuk, zo'n vrolijke moeder’, hoor ik u denken. Ja, dat was het ook. Maar regelmatig kon je duidelijk horen dat haar lach niet het gevolg was van vrolijkheid maar van haar zakeninstinct. Ze lachte mee om iets dat ze niet leuk of misschien zelfs verwerpelijk vond. Ze wilde coûte que coûte alle dames te vriend houden.

Doordacht handelen…

Een parabel… Het kostte mij wel enige overredingskracht, maar ten slotte had ik ze toch zover gekregen dat ze met mij op pad gingen: mijn twee jaar jongere broertje Dick van 9 en mijn vriendje Siem van 11. We gingen lopend ‘naar zee’. Op het benauwde ‘is het ver?’ van mijn broertje had ik geantwoord dat het ‘wel een heel eindje’ was, maar dat we dat er wel voor overhadden omdat de zee tenslotte niet niks was. Jaren later begreep ik dat het ruim vijftien kilometer was. Op onze door het voetballen afgetrapte schoenen en zonder enig proviand hadden we in een modern tv-programma over survival niet misstaan. De eerste kilometers gingen nog zo gek niet. Dat werd echter anders naarmate wij ons dorp verder achter ons lieten. Details kon ik niet meer verstrekken, omdat we opa's landje al voorbij waren.

Prijsbeheersing?

Vijf jaar vóór de laatste wereldoorlog leerden mijn ouders elkaar kennen. Mijn vader was een mooie, intelligente man die – arm geboren – niet meer dan zes keer een half jaar lagere school had genoten. Hij was aardappelteler. Mijn moeder was bij hem vergeleken een dame, die zich professioneel bezig hield met het kappen van andere dames. De prins op het witte paard van wie ze altijd had gedroomd, had wel het uiterlijk, maar niet het beroep van mijn vader. Dus (!) liet ze pal naast de kapsalon de voorkamer van ons toch al nietige huisje ombouwen tot een sigarenzaak waarover mijn vader, na het aardappelimperium veel te goedkoop te hebben verkocht, de scepter zwaaide. Ik heb haar eerder een kordate vrouw genoemd…

Later…?!

Als kleine jongen was ik een erg bezig baasje. Ik was misdienaar, zat op de padvinderij, spaarde postzegels en luciferdoosjes en zat op voetbal, waarvoor twee avonden in de week getraind moest worden. Ook had ik een groot duivenhok, waarin je kon staan, compleet met raampjes en een ingenieus systeem, waardoor de duiven wel naar binnen maar niet meer naar buiten konden. Ik had het eigenhandig in elkaar gezet, zoals ik ook het belendende tuintje zelf aanlegde, waaruit mijn moeder de door mij als trotse tuinier geplukte royale ruikers kreeg wanneer zij op visite ging. Ook liep ik vrijwel elke dag zo'n vijf kilometer hard en was ik een fanatiek vissertje. Uiteraard begon iedere dag met de verplichte kerkgang. En er moest ook dagelijks een uur piano gestudeerd worden. Vanuit de kapsalon werd dat minutieus door mijn moeder gemonitord en van tijd tot tijd met een haastige lel verstoord wanneer zij vond dat ik ‘maar weer wat zat te knoeien’. Met dat alles ben je – zelfs in een tijd waarin er nog geen tv en computer is – wel van de straat, zou je zo zeggen.

Eenheidsworst….??

Van dokters had ik als kleine jongen geen hoge pet op. De huisarts die de puisten op mijn oorlogsknieën behandelde met trekzalf, werd zelfs door mijn ouders “een hufter” genoemd. En de KNO-arts die mijn amandelen verwijderde, kwam er met “paardenslager” niet veel beter van af. Toch heb ik maar kort geaarzeld toen ik, net een jaar afgestudeerd als sociaal psycholoog, door huisarts Van Aalderen werd gevraagd met hem het nieuwe Huisartsen Instituut van de VU in Amsterdam op te zetten. Het was het begin van een veertig jaar lange relatie met huisartsen die me tot op de dag van vandaag heel goed is bevallen. Verwonderlijk was het ook! Wanneer wij in de opleidingsgroepen een klacht van een patiënt behandelde en ik de groepsleden vroeg ieder voor zich de diagnose en behandeling op te schrijven, was het niet ongebruikelijk dat de twaalf huisartsen in opleiding vier verschillende diagnoses en zeven verschillende behandelingen leverden. “Dan gaan we nu eens kijken wie er meer gelijk heeft dan de ander.” Smalend gelach was mijn deel: “Je kunt wel zien dat jij geen huisarts bent: we hebben namelijk allemaal gelijk, het is maar net hoe het je geleerd is.” Nou konden ze mij veel wijs maken, maar niet dat er geen oordeel te vellen was over het handelen van die huisartsen in de dop. Maar veel huisartsopleiders hadden vaak dezelfde opvatting: “Tja, of de een het meer bij het rechte eind heeft dan de ander kan je eigenlijk niet zeggen.” Het zat me niet lekker en heb met een groepje huisarts/stafleden van de VU geprobeerd van een aantal aandoeningen vast te stellen of de ene behandeling niet wel degelijk beter was dan de andere. Dat bleek moeilijk, maar vooral weinig bemoedigend, toen de andere vakgroepen huisartsgeneeskunde in Nederland lieten weten bij voorbaat niets in onze bevindingen te zien. Toen werd ik door de voorzitter van het Nederlands Huisartsen Genootschap attent gemaakt op de vacature van directeur. Daar had ik op gewacht! “Graag, dus! Maar dan moeten we wel aan landelijke richtlijnen gaan werken.”

Het is klein en gevaarlijk…

Als klein kind had ik een boek waarin op elke rechterpagina een engel was afgebeeld. Het zou een blij makend werkje zijn geweest, ware het niet dat op elke linkerpagina een duivel figureerde. Engel en duivel waren als achtergrond aanwezig, de teksten waren er overheen gedrukt. Wanneer het hoofdpersoontje een oude vrouw overeind hielp of een gepikt kwartje weer braaf in moeders beurs terugstopte, had de engel een gelukzalig gezicht en had de duivel duidelijk de pest in. Wanneer hetzelfde figuurtje echter een appel van de kar stal of een kreupel kindje ruw in een plas wierp, was de duivel zichtbaar in zijn nopjes en was het de beurt aan de engel om een van smart vertrokken gelaat te tonen.

Opvoeden

Erwtensoep was in ons ouderlijk huis tijdens de meestal strenge winters vaste prik. Nou at ik alles, maar uitgerekend deze winterse kost vond ik niet te verteren. Toen mijn eigen kinderen klein waren, kookte mijn vrouw soms drie verschillende maaltijden, teneinde het eenieder naar de zin te maken.

Onomkeerbaar…

Mijn moeders jongste broer Toon zou het niet best hebben gehad als galg en rad in het strafrecht nog operationeel waren. Het was een bangelijke man, maar een royale inname van alcohol gaf hem soms de moed om wilde dingen te doen. Zo heeft hij eens een optreden van Wim Kan verstoord. Toen die verontwaardigd speelde dat hij iets niet langer accepteerde, stond mijn oom op om even verontwaardigd te roepen: ‘Nee, dacht je soms dat IK dit pik?’ Een gevatte repliek van Kan mocht niet meer baten. Mijn oom was niet meer te stuiten en is door bezoekers en theaterpersoneel naar buiten gewerkt.

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet!

Zoals u mogelijk zult weten, had ik in mijn jeugd drie broertjes en drie zusjes. De aansporende bezoekjes van meneer pastoor hebben aan dat grote aantal zeker bijgedragen. Nu allerlei schandalen vanuit de katholieke kerk naar buiten komen, zou het in theorie niet al te boud zijn om de pastoor van een actievere rol dan alleen aansporen te verdenken. Want waarom zouden de aberraties van de geestelijkheid zich tot het misbruiken van kinderen beperken? Maar in ons geval was dit echt alleen theorie: de man was een onsmakelijke, dikke dienaar Gods, die ontzettend onaangenaam rook, onder meer naar sigaren en jenever. Aan vooral dat laatste had mijn moeder een gruwelijke hekel.

Alleen als het bewezen is!

U had mij eens moeten horen als ik aan de rand van de dorpsvijver aan mijn vriendjes uitlegde wat daar in het water allemaal woelde en krioelde. Het water was nog glashelder. Je kon overal de bodem moeiteloos zien, zodat ik van alles kon aanwijzen. Ik wist er wel íets van, maar waar mij dat interessant leek – of noodzakelijk, omdat ze anders wegliepen – fantaseerde ik er lustig op los. Aan mijn broertjes kon ik mijn lesjes niet kwijt. ‘Donder toch op met je rotbeestjes!’, kreeg ik steevast te horen. Dan trok ik mij terug in de ivoren toren van de miskende wetenschapper. Maar de vriendjes hadden wél interesse. Ze luisterden niet alleen heel goed, ze gingen ook als discipelen het dorp in en vertelden aan andere kinderen of aan hun ouders de wetenswaardige verhalen over de fauna in die mysterieuze dorpsvijver. Als ik er eens bij stond wanneer een van mijn ‘leerlingen’ zijn verhaal deed, steeg het schaamrood mij soms naar de wangen. Niet om wat dat jongetje er zelf weer bij verzon, maar om wat hij wel degelijk rechtstreeks vanuit mijn eigen duim vernomen had. Dat móést een keer fout gaan en dat deed het ook…

Lijfwacht

Mijn grootouders waren hardwerkende mensen die weinig weet hadden van emoties. De beide oma's stierven al jong aan kanker, de opa's werkten hard en met hun handen. Het loon dat ze geacht werden mee naar huis te nemen, werd in de plaatselijke tapperij meestal meer dan gedecimeerd. De rol van steun en toeverlaat voor hun kinderen hadden mijn ouders dus niet bepaald van huis uit meegekregen. Ik kan me dan ook geen enkel moment uit mijn jeugd herinneren dat ik bij een van hen, hoe aardig zij ook waren, met iets persoonlijks heb aangeklopt. Daarvoor hadden wij andere functionarissen, zoals de pastoor en de hopman van de padvinderij. Bij de eerste ging ik neurotisch vaak ‘te biecht’, zonder dat ik daar overigens ooit iets mee opschoot. ‘Ho, ho!’, hoor ik u zeggen, ‘je zonden werden je toch maar mooi vergeven…’ Dat is waar(?), maar daar had ik pas wat aan in het hiernamaals, terwijl ik in het hiernúmaals nogal wat vragen en problemen had die mij urgenter voorkwamen. De pastoor hoorde mijn vragen trouwens toch niet. Afhankelijk van de lengte van mijn lijstje ‘zonden’ gaf hij mij twee tot zes keer het Onze-Vader-bidden als strafwerk. Het zou mij niets verbazen als hij tijdens dat biechten een romannetje of de krant zat te lezen. De hopman pakte het anders aan. Hij sloeg altijd vertrouwelijk een arm om je schouders en nodigde je uit vooral wel alles te zeggen. Ik heb dat nooit aangedurfd, als voorvoelde ik de dag waarop hij door de politie werd opgepakt. Een gebeurtenis die met veel dorpsgefluister werd omgeven; gefluister dat stopte als er kinderen in de buurt kwamen.

Schot in eigen voet…

In onze tuin vingen wij, kleine jongens, regelmatig een mus. Het was heel eenvoudig: je zette de kolenzeef schuin op een stokje, waaraan een touwtje was gebonden. Stukjes brood waren niet eens nodig; de mussen badderden in die tijd nog in dermate grote getale in het warme zand, dat het een kwestie was van wachten tot er eentje vanzelf intrippelde. Touwtje weg, zeef naar beneden, mus gevangen. Het slachtoffertje ging vervolgens in een ouwe kanariekooi, waarin hij gemiddeld anderhalve dag in leven bleef…

Dubbele bodem

We moesten collectief nablijven met onze zesde klas. Waarom weet ik niet meer precies, maar het zal wel zijn geweest omdat wij ons verbeeld hadden heel wat te zijn. Meester Klomp had namelijk een erge hekel aan kinderen die dachten heel wat te zijn. Hij maakte het deze keer wel erg bont, want het was al tegen zessen. Zijn tergende zwijgen, het buiten almaar donkerder worden en de totale onzekerheid over hoe lang het nog ging duren, maakten de sfeer bepaald onheilspellend. Bij de meesten van ons gingen ze om deze tijd thuis al eten…

Schaamrood

Wij lezen thuis drie kranten en omdat ik tijdens het lezen ervan steeds vaker een licht cholerische reactie vertoon, hakt dat er elke dag weer aardig in. Nee, het gaat niet over mijn pensioen, want mijn pensioenfonds heeft (nog) een redelijke dekkingsgraad. Maar het zijn wél centen, zeg maar rustig euri, die mij steeds opnieuw in staat van opwinding brengen. Laat ik een voorbeeld geven. Een meneer, nee geen patser-van-huis-uit, maar een predikant (58), past niet langer in het bestuur van een zorginstelling. Ik laat even in het midden of dat hele bestuur mesjogge was op onze predikant na of dat de laatste disfunctioneerde en echt niet meer te handhaven was. Feit is dat hij zich (al dan niet vrijwillig) terugtrok. “Fijn Jaap, heel fideel van je. Dan mag jij van ons tot je 65ste je inkomen behouden.” Nou ja, denk je dan, dat moet dan maar. Het is geklungel natuurlijk, en het is makkelijk toezeggen als het je eigen geld niet is, maar zo gaat het nou eenmaal op veel plaatsen. Maar dan komt dat jaarinkomen van de man in de krant: royaal meer dan een half miljoen guldens… (Als ik me erger omdat iets te duur is, reken ik liever in guldens om mijn punt te maken….) De rollater wordt straks niet meer vergoed, voor (het koekje bij) de koffie moet je extra betalen, een warm washandje is alleen na bijbetaling nog te krijgen en hulp bij het wassen van de rug is nog slechts voor mensen weggelegd wier pensioen niet alleen nooit wordt gekort, maar wel steeds ruimhartig is geïndexeerd, enzovoort. Het lijkt mij voor elke bestuurder in de gezondheidszorg (of waarin dan ook overigens) sowieso al heel moeilijk uit te leggen waarom hij of zij vele tonnen moet verdienen.

Hansje in Gezonderland

Hansje kon zijn ogen niet geloven. Wat stonden hier toch een prachtige apparaten allemaal! Het ene toestel glom nog mooier dan het andere of het zag er zó ingewikkeld uit dat het belang er aan alle kanten vanaf spatte. Dat was hem eerder nooit zo opgevallen…

Foutmelding..!

Dit stukje, dat u – naar ik hoop – leest onder zomerse omstandigheden, schrijf ik in de maand van de herinneringen aan de oorlog. Ik heb Der Untergang en Schindler's List weer tot mij genomen en ben dus helemaal in de stemming om uit de kast te komen… Ik was fout in de oorlog!

Taai ongerief…

Als kleine jongens werden wij in een teil gewassen; een badkamer of douche was er niet. Op zaterdag werd in een grote ketel in de keuken het water heet gestookt. Achtereenvolgens moesten er dan vijf kinderen ‘in bad’. Dat betekende dat het water voor het eerste kind gloeiend heet moest zijn, wilde er voor het laatste nog enigszins warm water overblijven. Omdat ik naar pianoles moest, was ik als eerste aan de beurt. Ik had dus altijd schoon, maar gloeiendheet water. Ik kan mij niet herinneren ooit zonder dreigementen in de teil te zijn gestapt. Na tien seconden had ik dan door eerstegraads verbrandingen vuurrode kousen aan. Na tien minuten stond ik, inmiddels van top tot teen vuurrood, weer naast de teil. Het ergste moest dan echter nog komen. Zowel mijn ondergoed als matrozenpak waren door mijn moeder eigenhandig gebreid van een naar soort schapenwol. Zestig jaar later bezorgt het typen van deze regels mij nog altijd kippenvel!
Meer informatie