Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek helpt behandelaren in de geestelijke en somatische gezondheidszorg om volwaardige en volledige patiëntenzorg te bieden, met aandacht voor de hele mens, als bezield én belichaamd wezen. Met geïntegreerde kennis over de rol van het lichaam bij psychische problemen, biedt het handgrepen voor het handelen in de klinische praktijk.

Het lichaam en psychisch functioneren gaat uit van een breed perspectief op de relatie tussen lichaam en geest in de psychiatrie en de psychologie. Er komt dan ook een grote variëteit aan onderwerpen aan de orde. Allereerst worden verschillende psycho-biologische modellen beschreven. Dan volgt een drieluik over de rol van lichamelijkheid in de verschillende levensfasen. Ook wordt de rol van het lichaam bij een aantal specifieke psychiatrische beelden beschreven. Uiteraard is er aandacht voor de rol van het lichaam bij behandeling en voor leefstijlfactoren. Tot slot biedt het boek naast een somatisch en psychologisch perspectief op de verwevenheid van lichaam en psyche, ook een filosofische en theologische visie.

Liesbeth Eurelings-Bontekoe is klinisch psycholoog/psychotherapeut en emeritus bijzonder hoogleraar Beroepsopleidingen tot psycholoog in de individuele gezondheidszorg. Kees Kooiman is psychiater en psychoanalytisch psychotherapeut, werkzaam bij GGZ de Viersprong, specialist in persoonlijkheid, gedrag en gezin. Marike Lub-Moss is klinisch psycholoog en zij was werkzaam als hoofd van de afdeling Medische Psychologie van het Haaglanden Medisch Centrum in Den Haag. Samen vormen zij de redactie van dit boek.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Theoretisch en conceptueel kader

Voorwerk

1. Temperaments- en persoonlijkheidsmodellen en de Affective Neuroscience van Jaak Panksepp

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt de Affective Neuroscience (AN) van Jaak Panksepp gerelateerd aan de bekende temperaments- en persoonlijkheidsmodellen. Daarbij gaan we in het bijzonder in op het Vijf Factoren Model, ook wel Big 5-model genoemd, en een neurobiologische uitwerking daarvan, genaamd de Cybernetics Big 5 Theory (CB5T). Het AN-model blijkt een goede neurobiologische onderbouwing te geven aan het Vijf Factoren Model en toont een opvallende compatibiliteit met het CB5T.
M. G. J. Schmeets, A. C. van Reekum

2. Wederkerige interacties tussen chronische stress en het neuro-endocriene en immuunsysteem

Samenvatting
Binnen het interdisciplinaire onderzoeksveld van de psycho-neuro-endocriene-immunologie (PNEI) worden het zenuwstelsel, het neuro-endocriene systeem en het immuunsysteem beschouwd als belangrijke adaptieve systemen die nauw met elkaar in verbinding staan, en die voortdurend actief zijn om het organisme in staat te stellen zich zo goed mogelijk aan te passen aan veranderende omstandigheden. Het optimaal functioneren van deze systemen is cruciaal voor overleving en voor de psychische en lichamelijke gezondheid. Door recente kennis van de samenhang en wisselwerking tussen deze adaptieve systemen, gecombineerd met inzicht in de evolutionaire ontwikkeling ervan, is duidelijk geworden hoe chronische stress bij mensen kan leiden tot veranderingen in reactiviteit en sensitiviteit van deze systemen en dat veranderingen in de systemen door genetische of omgevingsfactoren het brein en het stresssysteem zodanig kunnen veranderen dat excessieve of abnormale reacties op stress ontstaan en zo een vicieuze cirkel in gang kan worden gezet. Het geheel van deze veranderingen blijkt uiteindelijk de kwetsbaarheid voor zowel psychische als somatische aandoeningen te vergroten, of al bestaande pathologie verder negatief te beïnvloeden. In dit hoofdstuk wordt een aantal van de belangrijkste bevindingen over de interacties tussen het zenuwstelsel, het neuro-endocriene stelsel en het immuunsysteem beschreven, en hoe deze interacties aanknopingspunten bieden om het ontstaan van met name stressgerelateerde psychopathologie te begrijpen.
S. C. Moss, H. A. Drexhage, S. Rutten

3. Het lichaam als (gedempte) klankkast voor emotie

Hoe alexithymie steeds meer ‘body’ krijgt
Samenvatting
In dit hoofdstuk richten wij ons op de rol van het lichaam bij alexithymie, een transdiagnostisch fenomeen met een fundamenteel belang voor de klinische praktijk. Alexithymie kent zijn oorsprong in de praktijk, waar het werd geïntroduceerd als een klinische beschrijving bij patiënten met een beperkt vermogen tot het identificeren en onder woorden brengen van emoties, een concrete denkstijl evenals een arm fantasieleven. Alexithymie vindt steeds meer zijn plek binnen het domein van de cognitieve en affectieve neurowetenschappen, waarbij het wordt gezien als een neurocognitieve verstoring van verschillende processen die onder invloed staan van aanleg en omgeving. Verstoorde emotionele gewaarwording en de gewaarwording van interne lichamelijke sensaties (interoceptie) staan daarbij centraal. Wij beschrijven drie ‘levensfases’ van het begrip alexithymie, waarbij veel aandacht is voor de nieuwste ontwikkelingen en inzichten. De gangbaarste diagnostische instrumenten worden besproken, en we geven enkele aanwijzingen voor de psychotherapeutische behandeling van alexithymie. Ten slotte benadrukken we de noodzakelijke verdere ontwikkeling van de kennis omtrent neurale processen die ten grondslag liggen aan alexithymie.
J. A. Koelen, Y. P. M. J. Derks

4. Hechtingsstijl, lichamelijk functioneren en ziektegedrag

Samenvatting
Relatief recent heeft de hechtingstheorie, en de uitwerking daarvan in de theorie over mentaliseren en het epistemisch vertrouwen, de belangstelling gewekt van zowel onderzoekers als clinici dankzij de grote verklaringskracht van het model en de toepasbaarheid in de klinische praktijk (Fonagy et al. 2019). In dit hoofdstuk wordt verduidelijkt dat de hechtingstheorie niet alleen relevant is voor de praktijk van psychologen en psychiaters, maar – zowel theoretisch als praktisch – ook voor de praktijk van ’somatici’. Eerst bespreken we in dit hoofdstuk beknopt de hechtingstheorie. Vervolgens komen de associatie van de verschillende hechtingsstijlen met het risico op krijgen van somatische ziekten en de associatie van de verschillende hechtingsstijlen met ziekte- en gezondheidsgedrag aan de orde. Tot slot wordt besproken hoe de hechtingsstijl meebepalend is voor de interactie en de werkrelatie met de (para-)medisch hulpverlener.
C. G. Kooiman, M. H. Lub

Ontwikkelingskader: De veranderende relatie tussen lichaam en psychisch functioneren gedurende de levensloop

Voorwerk

5. De veranderende relatie tussen lichaam en geest gedurende de levensloop: het jonge kind

Samenvatting
Met zijn uitspraak ‘The ego is first and foremost a bodily ego; it is not merely a surface entity, but is itself the projection of a surface’ (1923) geeft Freud aan dat het zelfgevoel over het lichaam gevormd wordt gedurende de vroegste kindertijd. Dit lichaamsbesef is gebaseerd op vroege sensorische ervaringen in de relatie tussen kind en ouder: ‘van lichaam tot lichaam, van brein tot brein, van mind tot mind’. Jaren later doet Winnicott zijn vaak geciteerde uitspraak: ‘there is no such thing as a baby; there is a baby and someone … there is a nursing couple’ (1964, pag. 88). Onderzoek naar de inter-sensorische capaciteiten van jonge kinderen laat een opmerkelijke vroege sensitiviteit zien voor aan het lichaam gerelateerde visuele en tactiele synchroniciteit (Filippetti et al. 2013). Recente theorieën die inzicht geven in deze interactie tussen soma en psyche (vanaf de conceptie) worden besproken en de klinische implicaties worden aangegeven.
M. J. Rexwinkel

6. De veranderende relatie tussen lichaam en geest gedurende de levensloop: adolescenten

Samenvatting
De adolescentie is de periode tussen de kinderjaren en de volwassenheid. In deze ontwikkelingsfase vinden veel veranderingen plaats, zowel op ontwikkelingspsychologisch en systemisch als op biologisch en neuropsychologisch vlak. Hoewel de adolescentie voor velen relatief soepel verloopt, staat deze periode ook bekend als een heftige fase. De adolescentie is een pivotale fase in de ontwikkeling van psychopathologie. In dit hoofdstuk bespreken we de verschillende veranderingen in deze levensfase, met een focus op het lichaam en de rol van ‘embodiment’ (de notie dat psychische processen hun oorsprong vinden in lichamelijkheid) meer in het algemeen. Lichamelijkheid, seksualiteit en agressie zijn, juist in deze tijd waarin sociale media een centrale rol spelen, belangrijke thema’s in de vorming van de identiteit en de lichaamsbeleving van adolescenten. In dit hoofdstuk geven we een overzicht hiervan en we illustreren dit aan de hand van een casus.
D. J. Feenstra, L. Nijssens, P. Luyten

7. De veranderende relatie tussen lichaam en geest gedurende de levensloop: de ouder wordende mens

Samenvatting
Veroudering en lichamelijke veranderingen gaan hand in hand. Veroudering kent behalve biologische aspecten, zoals multimorbiditeit en polyfarmacie, ook belangrijke psychosociale aspecten, zoals veranderende kwetsbaarheid en veranderende veerkracht. De verhouding tot het verouderende lichaam en het levenseinde is een belangrijke uitdaging voor de ouder wordende mens en kan bijdragen aan psychopathologie. Het lichaam en de eindigheid zijn derhalve ook steeds aanwezig in de psychotherapeutische en psychiatrische behandeling van ouderen.
A. C. Videler

Het lichaam in de context van psychopathologie en psychisch functioneren: klinische toepassing

Voorwerk

8. Dissociatie

Samenvatting
Al ruim tweehonderd jaar proberen we het concept dissociatie te begrijpen, waarbij het met name wordt geassocieerd met psychotrauma en in het bijzonder seksueel misbruik. Dissociatie is echter een bekend fysiologisch mechanisme als reactie op stressvolle of traumatische ervaringen. In dit hoofdstuk bespreken we het brede spectrum van dissociatieve klachten en hoe deze zich kunnen presenteren in de praktijk, variërend van coping en habituatie tot uiteindelijk pathologische dissociatie. Tevens wordt het concept dissociatie vanuit verschillende modellen beschreven en wordt aan de hand van een casusbeschrijving de complexiteit van diagnostiek en behandeling geïllustreerd. Het voornaamste doel van dit hoofdstuk is inzicht te geven in het onderliggende mechanisme van dissociatie en hoe het lichaam kan spreken waar taal tekortschiet. Een pleidooi om de kennis vanuit het theoretische kader van dissociatie te vertalen naar de weerbarstige klinische praktijk, waarbij het desensitiseren van het stresssysteem en het ontkoppelen van een prikkel-responsreactie met dissociatieve verschijnselen centraal staat.
R. Verdouw, A. F. T. Bloemendaal

9. Zelfbeschadiging: Over oorzaken, gevolgen en de omgang daarmee

Samenvatting
Wat maakt dat iemand zichzelf beschadigt? Hoe komt het dat dit gedrag kan ontstaan? Vaak zijn een verhoogde arousal en een overspoelend affect – of juist een dissociatieve staat – de aanleiding het eigen lichaam te beschadigen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op biologische en psychologische factoren die een rol hebben bij het ontstaan van het zelfbeschadigende gedrag, het overspoelende affect en dissociatie. Daarbij is er aandacht voor de ontwikkelingsfactoren en luxerende momenten. Zelfbeschadiging vindt het meest plaats in de adolescentie. Naasten en omstanders zullen op de zelfbeschadiging reageren; soms is dat (onbewust) de bedoeling, soms ook juist niet. Vanuit de hypothesen over het ontstaan van zelfbeschadigend gedrag worden de daarop aansluitende behandelinterventies beschreven.
L. J. A. Schalk

10. Voedings- en eetstoornissen

Samenvatting
Voedings- en eetstoornissen zijn ernstige psychische stoornissen die tot de meest chronische ziektebeelden van jongeren behoren en gepaard gaan met grote persoonlijke, familiaire en maatschappelijke kosten. Kenmerkend voor eetstoornissen is abnormaal eetgedrag gekoppeld aan een overmatige preoccupatie met het eigen gewicht of fysieke voorkomen. De voedingsstoornissen onderscheiden zich hiervan doordat er sprake is van een abnormale voedselopname, zonder deze preoccupatie met gewicht of lichaamsvorm. In dit hoofdstuk worden de verschillende voedings- en eetstoornissen en hun somatische consequenties besproken tegen de achtergrond van de normale levensloop. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf over het toepassen van dwang in de behandeling van een eetstoornis en een paragraaf over de biologie van honger en verzadiging en de epigenetica.
A. A. van Elburg

11. Genderdysforie

Samenvatting
Genderincongruentie is een gelaagd begrip en bevindt zich op een uniek raakvlak tussen lichaam en geest. Sommige personen die genderincongruentie ervaren, lijden daar zo sterk onder dat zij een medische behandeling wensen zodat hun lichaam past bij de ervaren genderidentiteit. Het begrip genderincongruentie en de daarbij aansluitende transgenderzorg zijn voortdurend in ontwikkeling. Niet alleen de veronderstelde etiologische factoren en de verschillende ontwikkelingspaden en uitingsvormen van genderincongruentie zijn zeer divers, de mate waarin men last heeft van deze incongruentie en men psychologische en lichamelijke problematiek ervaart varieert ook sterk. Daarnaast lopen behandelwensen en de wijze waarop behandeling wordt vormgegeven sterk uiteen. Transgenderzorg kent verschillende onderdelen, welke verschillen per leeftijd van de zorgvrager. Resultaten van follow-uponderzoek naar de effecten van somatische transgenderzorg op het psychologisch functioneren en lichaamsbeeld zijn veelbelovend. Transgenderzorg is zorg op maat, en onderzoek naar transgenderzorg vraagt om langetermijnevaluatie, waarbij de integratie van lichaam en geest in de specifieke context van genderincongruentie centraal staat.
S. A. Wensing-Kruger, L. van Nes, T. D. Steensma

12. Het lichaam in rouw

Samenvatting
Dit hoofdstuk start met een overzicht over normale rouw en modellen die rouwprocessen beschrijven. Vervolgens worden de lichamelijke beleving van rouw en de interactie tussen mentale en fysieke processen nader belicht. De slaap speelt bij rouw eveneens een belangrijk rol en wordt in een aparte paragraaf besproken. In het tweede deel van dit hoofdstuk staat de (behandeling van) complexe rouw centraal. Wat zijn de criteria voor complexe rouw? En wat is de invloed van de lichamelijk beleving op complexe rouw? De behandeling van complexe rouw wordt met behulp van het belemmerende-factorenmodel beschreven. De aandacht voor het lichaam komt ook terug in de behandeling. Veel rouwende patiënten beleven hun verdriet lichamelijk, en veel therapeuten gebruiken de lichamelijke rouwbeleving in de behandeling. Dit wordt geïllustreerd met twee casussen waarin lichaamsgerichte technieken gebruikt worden in de behandeling van een vastgelopen rouwproces. In het laatste gedeelte worden de klinische implicaties op een rij gezet.
J. de Keijser

Het lichaam in behandeling

Voorwerk

13. Leefstijl – relevant voor lichaam én psyche

Samenvatting
In lijn met bredere ontwikkelingen binnen de zorg is ook in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) steeds meer aandacht voor de invloed van leefstijlfactoren, zoals beweging, voeding, middelengebruik en slaapgewoonten. Leefstijlfactoren spelen een belangrijke rol bij de somatische gezondheid en de kortere levensduur van mensen met een psychiatrische stoornis ten opzichte van de algemene bevolking. Het betrekken van leefstijlfactoren in de behandeling in de ggz is tevens van belang omdat deze factoren ook sterk samenhangen met de psychische gezondheid. Er is inmiddels overtuigend bewijs voor de rol die leefstijlfactoren spelen in het ontstaan, persisteren en verergeren van psychische gezondheidsproblemen. In dit hoofdstuk bespreken we de achtergrond en rol van deze leefstijlfactoren bij mensen met een psychiatrische aandoening. Vervolgens gaan we in op mogelijke interventies op het gebied van deze factoren, de effecten daarvan en de klinische implicaties die dit met zich meebrengt. Tot slot werpen we een blik op de benodigde richting in toekomstig onderzoek op dit gebied.
J. Deenik, C. G. Kooiman

14. Werken met het lichaam in psychotherapie

Samenvatting
In handleidingen van psychotherapeutische methoden moet je vaak met een vergrootglas op zoek naar passages over de rol van lichamelijkheid. In tegenstelling tot het lichaam zoals dat talig wordt ervaren en het biologische lichaam uit de geneeskunde en neurowetenschappen, heeft het geleefde en beleefde lichaam zeker geen centrale plaats in de psychologie en psychotherapie. Dat is merkwaardig, omdat de patiënt met zijn of haar lichaam voortdurend voor ons zit en mee-spreekt. In dit hoofdstuk ga ik eerst dieper in op rol van subjectief beleefde lichamelijkheid bij psychologische aandoeningen. Vervolgens focus ik op het belang van belichaamd of embodied mentaliseren, de capaciteit om te kunnen stilstaan bij en reflecteren over lichamelijke ervaringen en hun rol in ons psychisch functioneren. Ik ga ook in detail in op basisprincipes en -technieken die men kan inzetten om het belichaamde mentaliseren bij patiënten te vergroten en illustreer deze aan de hand van voorbeelden uit klinische praktijk.
P. Luyten

15. Geïntegreerd lichaamswerk vanuit ontwikkelingsdynamisch perspectief

Samenvatting
In lichaamsgerichte psychotherapie (LPT) staat het lichaam niet enkel van nature centraal, er wordt ook expliciet vanuit het lichaam gedacht en gewerkt. We duiden dit hier aan met de term ‘het gelaagde lichaam’ en zoomen in op zowel theoretische achtergronden als praktische implicaties van wat ‘ontwikkelingsdynamisch denken’ en ‘geïntegreerd lichaamswerk’ genoemd wordt. Eerst staan we kort stil bij kenmerkende therapeutische processen van LPT. Vervolgens belichten we de relatie tussen lichaamsbeleving, een van de kernbegrippen in LPT, en interoceptie. Het centrale thema van het gelaagde lichaam onderzoeken we vanuit een drietal invalshoeken: de neurowetenschappelijke visie van Antonio Damasio, de fenomenologische analyse van Giuseppe Riva en het integratieve model van Ken Wilber. Dit leidt tot een ontwikkelingsdynamische kapstok om de hulpvraag en het verhaal van de patiënt anders te benaderen, namelijk door lichaam en lijf te bekijken, beluisteren en voelen, en dit als een volwaardige sub-symbolische taal én als weefsel-in-proces.
J. Calsius

Filosofische en theologische opvattingen over de relatie tussen lichaam en geest

Voorwerk

16. Opvattingen over het lichaam in verschillende religieuze tradities

Samenvatting
Achtereenvolgens wordt besproken hoe er in het christendom, het jodendom, de islam, het boeddhisme, het humanisme en nieuwere spirituele tradities wordt gedacht over de menselijke lichamelijkheid. Vaak wordt gedacht dat het christendom verantwoordelijk is voor afwijzing van lichamelijkheid en voor onderdrukking van seksualiteit en het gevoelsleven. Die gedachte klopt historisch niet. Afwijzing van het lichamelijke, als het lagere, berust vooral op de invloed van het (neo)platonisme. In onze tijd lijkt het lichaam wel bevrijd, maar die bevrijding staat onder druk door de behoefte aan controle en heerschappij over de eigen lichamelijkheid (dieet, sport, gebruik van middelen, cosmetische chirurgie). Het overzicht van de verschillende religieuze en levensbeschouwelijke tradities levert een uiterst divers beeld op van hoe onze lichamelijkheid verweven is met gewoonten, praktijken, verhoudingen en inzichten met een religieuze en/of spirituele achtergrond.
G. Glas

17. Relatie lichaam – geest

Prototype van dualisme
Samenvatting
Van de Griekse oudheid tot vandaag werd in het Westen het mensbeeld sterk getekend door vormen van antropologisch dualisme. In dit hoofdstuk besteden wij aandacht aan Plato en Descartes, toonaangevende denkers die het antropologisch dualisme gestalte gaven. Met Plato vertoonde het antropologisch dualisme een eerder archeologische dimensie, met Descartes een eerder typologische. Vervolgens wordt getoond hoe antropologisch dualisme in bepaalde contexten waarbinnen psychiaters, klinisch psychologen en psychotherapeuten vandaag werken op grenzen stoot. Dit geldt niet alleen inzake wetenschappelijk onderzoek, maar tevens in de concrete klinische praktijk. Hedendaagse neurowetenschappers trachten het antropologisch dualisme te overstijgen ofwel door te opteren voor fysicalistische opvattingen, ofwel door het emergentisme te beklemtonen. De auteurs spreken een voorkeur uit voor een mensbeeld dat voldoende breed is en rekening houdt met één klinische werkelijkheid waarin iedere patiënt als unieke persoon centraal staat.
L. A. L. Braeckmans, B. G. C. Sabbe

Nawerk

Meer informatie