Skip to main content
main-content

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. De allergische mars

Dit hoofdstuk begint met een overzicht van de prevalentie van allergie. Deze is de laatste decennia sterk gestegen, ook in Nederland. Vervolgens komt de basale immunologie aan bod: hoe ontstaat een allergische reactie en welke mechanismen bestaan er om tolerantie te ontwikkelen? Ten slotte worden de termen ‘atopie’ en ‘allergische mars’ toegelicht en kort beschreven. De uitwerking van al deze allergische ziekten volgt in de verdere hoofdstukken van dit kinderallergie formularium.

L.N. van Veen, H. de Groot

2. Preventie van allergie en astma

Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor een primair preventief effect van het geven van borstvoeding op het ontwikkelen van atopie gedurende de eerste 4-6 maanden van het leven. Echter de veronderstelde en deels bewezen voordelen van borstvoeding voor de algehele gezondheid van het kind maken dit toch een aanbeveling voor de praktijk. Er zijn daarentegen meer dan voldoende redenen voor het vermijden van contact met (sigaretten)rook voor alle zuigelingen, zeker voor die met een hoog risico op ontwikkeling van allergische aandoeningen. Deze interventies kunnen dan ook aan alle zwangere vrouwen partners en hun pasgeborene geadviseerd worden.

D.M.W. Gorissen, A.E.J. Dubois

3. Voedselallergie

De prevalentie van voedselovergevoeligheid (

voedselallergie

voedselallergie

en

voedselintolerantie

voedselintolerantie

) in de algemene populatie wordt geschat tussen de 1% en 3%; bij kinderen liggen de schattingen hoger: 4-6%. Het percentage ouders dat ervan overtuigd is dat hun kind een voedselallergie heeft, ligt aanmerkelijk hoger (12-25%).

Definiëring van klachten speelt hierbij een rol; er zijn verschillende termen in omloop. De

European Academy of Allergy and Clinical Immunology (EAACI)

European Academy of Allergy and Clinical Immunology (EAACI)

heeft een indeling voorgesteld op basis van pathofysiologisch mechanisme: voedselallergie dient te worden onderscheiden van voedselintolerantie. Bij voedselallergie is er sprake van ongewenste reacties op voeding, waarbij het immuunsysteem een rol speelt. De reacties kunnen IgE-gemedieerd of niet-IgE-gemedieerd zijn. Bij een voedselintolerantie of voedselovergevoeligheid is er geen immunologische oorzaak voor de reacties op voeding aantoonbaar, bijvoorbeeld lactose-intolerantie (deficiëntie van lactase in de borstelzoom van de darm).

Y. Meijer, M.A. Stadermann

4. Constitutioneel eczeem

Constitutioneel eczeem (CE) is een chronische, recidiverende, jeukende huidaandoening die vooral wordt bepaald door genetische factoren. Het is onderdeel van het atopiesyndroom. Eczeem bij kinderen moet zodanig behandeld worden dat het niet meer zichtbaar aanwezig is en er geen jeuk meer is (ondanks het feit dat het een recidiverende aandoening is). Van de kinderen heeft 80% een mild eczeem dat goed te behandelen is. Bij 20% is er sprake van matig tot ernstig eczeem en is het belangrijk om gestructureerd te behandelen en ouders en patiënt in eerste instantie regelmatig te begeleiden.

Er zijn 4 pijlers onder een goede behandeling van CE:

1.

goede voorlichting;

2.

bestrijden van droge huid en vermijden van prikkels;

3.

behandeling van de ontsteking;

4.

begeleiding van het kind en zijn ouders en het bevorderen van de zelfredzaamheid.

In dit hoofdstuk vindt u handvatten voor een goede behandeling van eczeem bij kinderen.

T. Hendriks, S.G.M.A. Pasmans

5. Astma en beperken van astmaexacerbaties

Astma is een van de meest voorkomende chronische ziekten op de kinderleeftijd. Wereldwijd is de prevalentie bij kinderen in de leeftijd van 6-7 jaar 11-12% en bij kinderen van 13-14 jaar 13-14%. Hoewel er de laatste decennia van de vorige eeuw in de westerse wereld een toename in de prevalentie van astma en andere allergische aandoeningen werd gezien, lijkt deze de laatste jaren te stabiliseren of zelfs af te nemen. In Nederland was de prevalentie bij kinderen van 8-9 jaar 13,4% in 1981 en 9,1% in 2001. Een duidelijke oorzaak voor deze afname is er niet, maar het blijft nog steeds de meest voorkomende chronische ziekte bij kinderen. Kinderen van Turkse en Marokkaanse oorsprong lijken minder vaak astma te hebben dan kinderen van Nederlandse, Surinaamse en Antilliaanse herkomst.

N.W.P. Rutjes, AB. Sprikkelman, E.G. Haarman, W.M.C. van Aalderen

6. Allergische rinitis en conjunctivitis

Allergische rinitis is van alle allergische aandoeningen op de kinderleeftijd de meest prevalente. De prevalentie van geboorte tot 4 jaar zou 4% bedragen. Volgens de internationale ISAAC-studie varieert de prevalentie van allergische rinitis bij 6-7-jarigen van 0,8% tot 14,9%, terwijl bij 13-14-jarigen de prevalentie tussen de 1,4% en 39,7% zou bewegen. De grote variatie tussen landen is voor een belangrijk gedeelte te wijten aan verschillen in omgevingsfactoren. Het algemene patroon is dat allergische rinitis voornamelijk voorkomt tussen de 5 en 45 jaar, met een piek tussen 15 en 24 jaar.

N.J.T. Arends, R. Gerth van Wijk

7. Anafylaxie

Anafylaxie is een acute systemische, potentieel levensbedreigende, allergische reactie. De eerste symptomen treden vaak snel op na contact met het betreffende allergeen. Het is meestal een IgE-gemedieerde reactie op een lichaamsvreemd eiwit. Onmiddellijke toediening van adrenaline is de juiste behandeling. Vlotte herkenning en adequate behandeling zijn essentieel wegens het veelal snelle beloop en potentieel irreversibele karakter van een anafylaxie.

De diagnose anafylaxie wordt gesteld aan de hand van klinische symptomen in combinatie met recente blootstelling aan een bepaald allergeen. Naast de snelle behandeling met adrenaline is het erg belangrijk om een volgende anafylactische reactie te voorkomen. Risicopatiënten dienen een adrenaline auto-injector bij zich te dragen en goed te weten hoe die te gebruiken.

De prevalentie van anafylactische reacties in Europa word geschat op 0,3%. In de afgelopen decennia is de incidentie sterk toegenomen. Een verklaring daarvoor zou de toename van voedselallergieën kunnen zijn.

G.N. van der Meulen, A.E.J. Dubois

8. Urticaria en angio-oedeem

Urticaria (ook wel galbulten of netelroos genoemd) zijn hemisferische of plateauvormige, jeukende, erythemateuze oedeempapels die komen en gaan, wisselen in vorm en grootte, scherp begrensd zijn en centraal een bleke kleur tonen. Het oedeem is gelokaliseerd in de dermis. Men spreekt van angio-oedeem wanneer er sprake is van matig begrensde, diffuse, erythemateuze zwellingen van de huid, waarbij het oedeem gelokaliseerd is in de diepe dermis en subcutis of in de slijmvliezen. Urticaria en angio-oedeem kunnen tegelijk voorkomen.

J.N.G. Oude Elberink, H. de Groot

9. Latexallergie

Er zijn twee typen latexallergie: de type-I-allergie voor latexeiwitten en de type-IV-allergie voor aan het latex toegevoegde chemische stoffen. Deze chemische stoffen worden aan het uit de rubberboom gewonnen sap toegevoegd om het rubber zijn gewenste eigenschappen te verlenen. De allergie voor deze chemische stoffen is een type-IV-contactallergie, die zich uit in eczeem op de contactplaats. De latexeiwitten die in het sap van de boom zitten, kunnen leiden tot een type-I-allergie, met een heel spectrum van verschijnselen, uiteenlopend van milde contacturticaria, conjunctivitis, rinitis tot een anafylactische shock. De type-IV-allergie wordt bevestigd met behulp van epicutane huidtests (plakproeven), de type–I-allergie middels priktests of serologisch onderzoek (voorheen RAST genoemd). Voor de verschillende typen allergie zijn ook verschillende voorzorgsmaatregelen nodig bij toekomstige ingrepen of werk met latexproducten.

H. de Groot, M.M.H.M. Meinardi

10. Insectenallergie

Er zijn meer dan 6 miljoen soorten insecten. Van de meeste daarvan hebben mensen totaal geen (lichamelijke) last. Slechts enkele insectensoorten kunnen mensen bijten of steken. Soms is dat een doelgerichte actie De steekmug bijvoorbeeld heeft menselijk bloed nodig voor de voortplanting. Doorgaans onschuldige insecten kunnen ook bijten of steken als ze zich belaagd voelen. Een reactie op een beet of steek van een insect kan lokaal zijn, maar ook systemisch. Bij een allergische systemische reactie dient de patient een adrenaline auto-injector te krijgen en eventueel immunotherapie te ontvangen.

J.N.G. Oude Elberink

11. Geneesmiddelenallergie

Geneesmiddelen worden voorgeschreven om een specifiek gewenst effect tot stand te brengen. De inname van geneesmiddelen kan echter ook gepaard gaan met bijwerkingen en overgevoeligheidsreacties.

De patiënt en zijn omgeving denken bij het optreden van ongewenste reacties vaak aan ‘allergie’, maar daarvan is in hoogstens 10% van de gevallen sprake. Het is bekend dat op de kinderleeftijd een aspecifieke para-infectieuze/virale rash vaak kan optreden. Bij gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen (vaak antibiotica) kan dit als geneesmiddelenreactie worden geïnterpreteerd. De verdenking van een geneesmiddelenreactie leidt vaak tot ongecontroleerd en onnodig vermijden van geneesmiddelen, met het gevolg van minder optimale behandeling en lagere kosteneffectiviteit. Over- en onderdiagnose van geneesmiddelenovergevoeligheid zijn belangrijke fenomenen. Om recidief van een geneesmiddelenreactie en onnodig vermijden van geneesmiddelen te voorkomen, is een correcte diagnose van groot belang.

Dit hoofdstuk beschrijft een systematische aanpak bij verdenking op een geneesmiddelenreactie. Pathofysiologie, diagnostische tests en relevante voorbeelden worden daarbij besproken.

H. Röckmann, A.C. Knulst, S.G.M.A. Pasmans

12. Immunotherapie

Bij kinderen met een inhalatie-allergie en een levensbedreigende insectenallergie behoort immunotherapie te worden overwogen als behandeling. Mits protocollair toegediend en met inachtneming van de indicaties en contra-indicaties, is deze behandeling zeer effectief en veilig.

Effectieve immunotherapie, zowel op korte als lange termijn, bestaat voor boompollen, graspollen, huisstofmijt, kat en insecten, in de vorm van subcutane injecties; voor de graspollen is een patiëntvriendelijke smelttablet in de handel met gelijkwaardige effectiviteit als de injectievorm. Er is geen bewijs voor effectiviteit van sublinguale immunotherapie in druppelvorm bij kinderen.

Specifieke immunotherapie met allergeenextracten is een vorm van therapie waarbij atopische patiënten in oplopende hoeveelheden allergeen krijgen toegediend. Doel van de behandeling is de patiënt minder gevoelig te maken voor het desbetreffende allergeen (hyposensibilisatie). In tegenstelling tot medicamenteuze therapie zijn effecten van immunotherapie blijvend, ook na het staken van de behandeling.

E.H.G. van Leer, Y.C.M. Duijvestijn, H. de Groot

13. Interpretatie van laboratoriumonderzoek

Als onderdeel voor de diagnostiek van allergische ziekten kan gebruikt worden gemaakt van het meten van de concentratie allergeenspecifiek IgE en totaal IgE in bloed. De klinische waarde van de totaal-IgE-bepaling in bloed is echter zeer beperkt. Bij verdenking op een allergische ziekte is het verstandig om op basis van de anamnese bloedonderzoek te laten verrichten naar allergeenspecifiek IgE. Voor het bepalen van allergeenspecifiek IgE zijn combinatietests (meerdere allergenen) en enkelvoudige tests (één allergeen) beschikbaar. Daarnaast komen er steeds meer specifiek-IgE-tests tegen (relevante) allergeencomponenten beschikbaar.

Uit onderzoek is gebleken dat hogere concentraties specifiek IgE een hoger risico geven op allergische ziekten. Sensibilisatie voor meerdere allergenen verhoogt het risico op klinische verschijnselen. Andersom is aangetoond dat een in de tijd dalende allergeenspecifiek-IgE-concentratie kan wijzen op het optreden van tolerantie voor het betreffende allergeen, iets wat echter definitief bevestigd moet worden middels een provocatietest.

M. Terwijn, E.A. Roelandse-Koop, A.J. van Houte

14. Eosinofiele gastro-intestinale ziekten

In de beginjaren negentig van de vorige eeuw werden de eerste gevallen van eosinofiele gastro-intestinale ziekten als aparte ziekte beschreven en ze worden de afgelopen jaren in toenemende frequentie herkend. Eosinofiele oesofagitis komt het meeste voor. Eosinofiele (gastro-)enteritis en colitis zijn zeldzaam, met uitzondering van door koemelk geïnduceerde allergische (procto)colitis bij jonge zuigelingen.

Eosinofiele infiltratie van de gastro-intestinale mucosa kan op de kinderleeftijd ontstaan bij ontsteking geassocieerd met hypersensitiviteit (IgE-gemedieerde allergie), gastro-oesofageale refluxziekte, infecties (parasitair), coeliakie, inflammatoire darmziekten (morbus Crohn, colitis ulcerosa), hypereosinofiel syndroom, als reactie op geneesmiddelen, graft-versus-hostziekte en auto-immuuncolitis. Indien voornoemde ziekten uitgesloten zijn en het ontstekingsinfiltraat in de lamina propria gedomineerd wordt door eosinofiele granulocyten, spreekt men van

eosinofiele gastro-intestinale ziekten (EGIZ)

eosinofiele gastro-intestinale ziekten (EGIZ)

. In deze groep onderscheidt men eosinofiele oesofagitis (EoE), eosinofiele gastro-enteritis (EGE) en eosinofiele colitis (EC).

J.H. Oudshoorn, D.M. Hendriks

Nawerk

Meer informatie