Dit hoofdstuk bespreekt de ontwikkelingsfasen van kinderen: zuigeling, peuter, kleuter, schoolkind en puber en adolescent (par.
1.2 tot en met
1.6). Het gezin speelt een belangrijke rol bij deze ontwikkeling en bij de mogelijkheden die het kind meekrijgt voor het verdere leven. In par.
1.7 worden drie invalhoeken beschreven waarmee naar het gezin gekeken kan worden om de sterke en zwakke kanten daarvan te kunnen inschatten.