Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Het Cardiocasculair Formularium is een praktische leidraad in zakformaat voor de huisartsen, cardiologen i.o. en apothekers waarin het diagnostisch en therapeutisch handelen m.b.t. cardiologie overzichtelijk worden beschreven.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Deel 1 Cardiovasculaire aandoeningen

Voorwerk

1. Cardiovasculair risicomanagement

In Nederland zijn hart- en vaatziekten de belangrijkste oorzaak van sterfte bij vrouwen en de tweede oorzaak bij mannen. In 2007 stierven er ruim 41.000 Nederlanders aan hart- en vaatziekten. Dit is bijna een derde van alle sterfte. Het ontstaan van hart- en vaatziekten is sterk gerelateerd aan beïnvloedbare leefstijlfactoren en biologische risicofactoren, zoals lichamelijke inactiviteit, roken, overgewicht, ongezonde voeding, stress, hypercholesterolemie, hypertensie en diabetes. Deze risicofactoren voor hart- en vaatziekten komen veelvuldig voor. Van de volwassen Nederlandse bevolking heeft ongeveer een kwart een verhoogd cholesterolgehalte (≥ 6,5 mmol/l) en de helft een verhoogde bloeddruk (≥ 140/90 mmHg). Eén op de vier volwassen Nederlanders rookt, 45% heeft overgewicht, slechts ongeveer de helft voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (d.w.z. op minimaal vijf dagen per week een half uur matig intensieve activiteit), het merendeel eet te weinig fruit en groenten en te veel verzadigd vet, ook overmatige stress komt veelvuldig voor (25-30%). Door in te grijpen op deze risicofactoren kan een belangrijk deel van de ziekte en sterfte aan hart- en vaatziekten worden voorkomen of uitgesteld.
R.A. Kraaijenhagen

2. Diagnostiek in de cardiologie

Hoewel de anamnese en het lichamelijk onderzoek onontbeerlijk zijn in de cardiale diagnostiek, is er bij bijna elke patiënt aanvullend onderzoek nodig. Bij een patiënt met de verdenking op angina pectoris bijvoorbeeld is de anamnese essentieel; ten eerste met betrekking tot de symptomen en ten tweede voor een risico-inschatting op coronairlijden. Indien de verdenking bestaat op coronairlijden wordt in de cardiologische praktijk bijna altijd aanvullend ischemie-onderzoek uitgevoerd. Wat het lichamelijk onderzoek betreft, is een compleet normale auscultatie van het hart bijvoorbeeld geruststellend, maar het is moeilijk om auscultatoir de exacte oorzaak en ernst van het onderliggende hartlijden vast te stellen. Ook is er geen onderlinge consensus over.
F.P.L. Lamers, P.R.M. van Dijkman

3. Dyslipoproteïnemie

De lipiden, cholesterol en triglyceriden (TG), worden in de bloedbaan vervoerd samen met eiwitten (de zgn. apoproteïnen) als lipoproteïnen (figuur 3.1 en figuur 3.2). Deze lipoproteïnen kunnen worden verdeeld in:
J. de Graaf

4. Hypertensie

Hypertensie is als zodanig moeilijk te definiëren. In de populatie is de bloeddruk unimodaal verdeeld en is er geen scherpe grens te trekken tussen normale en verhoogde bloeddruk. Om praktische redenen wordt daarom veelal uitgegaan van de definities van de European Society of Hypertension (tabel 4.1). Van belang voor de diagnose hypertensie is dat de bloeddruk bij herhaling verhoogd moet zijn. Verder is van belang dat deze waarden alleen gelden voor metingen op het spreekuur.
J. Deinum

5. Acuut coronairsyndroom

De diagnose acuut coronairsyndroom (ACS) wordt gesteld aan de hand van klinische, elektrocardiografische (ECG) en biochemische kenmerken. Is de cardiale biomarker troponine verhoogd, dan wordt gesproken van een acuut myocardinfarct (MI). Een acuut MI met op het ECG ST-segmentelevaties van minimaal enkele millimeters in afleidingen van een bepaald deel van het myocard wordt ST-elevatie-myocardinfarct (STEMI) genoemd. Zijn de ECG afwijkingen beperkt, dan is er sprake van een non-ST-elevatie-myocardinfarct (non-STEMI). Bij instabiele angina pectoris ontbreken specifieke biochemische en ECG-kenmerken.
I.C.C. van der Horst, W. Nieuwland

6. Stabiele angina pectoris

Angina pectoris is een frequent voorkomend klinisch syndroom dat tot ernstige fysieke beperkingen kan leiden. De diagnose wordt uitsluitend op grond van de anamnese gesteld. In de huisartsenpraktijk is de prevalentie van angina pectoris voor mannen 50,1/1000/jaar met een incidentie van 2,4/1000/jaar. Voor vrouwen is de prevalentie 29,4/1000/jaar en de incidentie 2,1/1000/jaar. Er is niet alleen een verschil in prevalentie tussen mannen en vrouwen, ook de klachten verschillen.
H.F. Verwey

7. Hartfalen

Hartfalen kan worden gedefinieerd als een complex van klachten en verschijnselen bij een structurele of functionele afwijking van het hart, waarbij het hart niet in staat is voldoende bloed naar de weefsels in het lichaam te pompen om aan de metabole behoeften te voldoen. Dit wordt gekenmerkt door:
F.H. Rutten

8. Hartritmestoornissen

Hartritmestoornissen zijn aandoeningen die berusten op niet-fysiologische afwijkingen in de frequentie of regelmaat van het sinusritme. De oorzaak is gelegen in ofwel een stoornis in impulsformatie, in impulsgeleiding, ofwel een combinatie van beide. De meest voorkomende hartritmestoornis is atriumfibrilleren (AF) . Plotselinge hartdood wordt veelal veroorzaakt door ventrikeltachycardie (VT) of -fibrilleren (VF).
C.B. de Vos, H.J.G.M. Crijns

9. Perifere vaatziekten

Claudicatio intermittens (prevalentie in de Nederlandse huisartsenpraktijk bedraagt 7,5 per 1.000) is een pijnlijk, krampachtig, vermoeid gevoel, vooral optredend in de kuit. Afhankelijk van de lokalisatie van de obstructie kan ook pijn in de billen, eventueel in combinatie met impotentie, of in de bovenbenen optreden. Bij milde vormen van claudicatio wordt de pijn uitgelokt door een bepaalde, vrij constante, inspanning en verdwijnt deze weer na één tot twee minuten rust. Bij ernstigere vormen blijft de pijn langer bestaan. Complicaties zijn rustpijn (vooral ’s nachts optredend, met verlichting door het buiten het bed laten afhangen van het been), weefselverlies in de vorm van ulceraties en ten slotte gangreen.
S.J.H. Bredie, T. de Nijs

10. Cerebrovasculaire ziekten

Het is van belang verschillende vormen van beroerten te onderscheiden in verband met de behandeling en de prognose. Het belangrijkste onderscheid is dat tussen een infarct en een bloeding.
L.J. Kappelle

11. Diepe veneuze trombose en longembolie

Diepe veneuze trombose (DVT) kan voorkomen in de diepe kuitvenen, de knievenen (v. poplitea) en de meer proximaal gelegen venen (v. femoralis, v. iliaca en v. cava inferior).
M.V. Huisman

Deel 2 Cardiovasculaire geneesmiddelen

Voorwerk

12. Antiaritmica

Antiaritmische medicamenteuze therapie is de hoeksteen van de behandeling van ritmestoornissen. Alle antiaritmica beïnvloeden een of meer ionkanalen of receptoren in het hart. Het gevolg is vertraging van de geleidingssnelheid, verlenging van de effectieve refractaire periode (ERP, de tijd waarin na activatie een cel tijdelijk niet prikkelbaar is), of vermindering van normale of abnormale prikkelvorming. Deze effecten zijn de basis van de antiaritmische werking van deze medicijnen, maar ook van hun proaritmische werking.
C.B. de Vos, H.J.G.M. Crijns

13. Antitrombotica

Acetylsalicylzuur (ASA) remt het enzym cyclo-oxygenase van de trombocyt binnen enkele minuten irreversibel en daarmee de aanmaak van tromboxaan-A2, een belangrijke activator van de trombocyt. Hiermee remt ASA de aggregatie van trombocyten en zo arteriële trombose. ASA heeft een aantal indicaties.
J. ten Berg, M.V. Huisman

14. Bètablokkers

Bètablokkers zijn per definitie middelen die de bètareceptoren kunnen bezetten en daarmee de werking blokkeren van stoffen die deze receptoren stimuleren, zoals adrenaline en noradrenaline. Zij blokkeren hierdoor de activiteit van het sympathisch zenuwstelsel. De farmacologisch correcte benaming is bèta-adrenoceptorblokkeerder. Omdat ‘bètablokker’ echter veelvuldig gehanteerd wordt, is hier voor deze term gekozen. In tabel 14.1 worden de belangrijkste farmacologische eigenschappen weergegeven van de in Nederland beschikbare bètablokkers.
B.D. Westenbrink

15. Diuretica

De bij cardiovasculaire aandoeningen gebruikte diuretica zijn onder te verdelen in drie groepen: thiazidediuretica, lisdiuretica en kaliumsparende diuretica. Figuur 15.1 geeft een overzicht van de plaats van werking in de niertubulus van de verschillende groepen diuretica.
J. Deinum

16. Calciumantagonisten

De in het kader van dit formularium relevante calciumantagonisten (tabel 16.6) zijn onder te verdelen in vier klassen (tabel 16.1).
B.D. Westenbrink

17. ACE-remmers

Het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS) is een complex hormonaal-enzymatisch systeem met het angiotensineconverterend enzym (ACE) als een van de componenten (figuur 17.1). Angiotensine II (AII) , een peptide van acht aminozuren, is het belangrijkste biologisch actieve product van het RAAS. De laatste stap bij de vorming van AII is de afsplitsing van twee C-terminale aminozuren van het decapeptide angiotensine I (AI) , en het is deze reactie die door ACE wordt gekatalyseerd.
A.H. van den Meiracker

18. Angiotensine-II-receptorantagonisten en directe renineremmers

Gezien de centrale rol die angiotensine II speelt bij de regulatie van de bloeddruk en bij andere cardiovasculaire pathologie, is er veel onderzoek gedaan naar andere manieren om het renine-angiotensinesysteem te blokkeren dan via de remming van het ACE figuur 18.1). Hiervoor zijn de volgende redenen aan te voeren:
A.H. van den Meiracker

19. Nitraten

Nitraten worden vanouds gebruikt voor de behandeling van angina pectoris en de laatste jaren steeds meer voor de behandeling van hartfalen (voor een overzicht zie tabel 19.2). Lagere doseringen veroorzaken veneuze vaatverwijding, terwijl hogere doseringen de systemische, alsook de coronaire arteriën dilateren. De klinische werking berust vooral op verlaging van de preload via verwijding van veneuze bloedvaten. Ook vermindering van de afterload via arteriële vaatverwijding speelt een rol. De bijdrage van coronaire vaatverwijding aan het antiangineuze effect is nog onderwerp van discussie. De vaatverwijding door nitraten komt tot stand via stimulatie van de aanmaak van de second messenger cGMP door het eindproduct stikstofoxide (NO). Dit NO bleek dezelfde stof als Endothelium Derived Relaxing Factor (EDRF). Voor de uiteindelijke vorming van NO zijn SH-groepen belangrijk.
F.A.M. Jonkman

20. Lipideverlagende geneesmiddelen

De volgende groepen lipideverlagende middelen zijn beschikbaar: statinen, cholesterolabsorptieremmers, galzuurbindende harsen, fibraten en nicotinezuur (zie ook tabel 20.2). De effecten van deze middelen op de serumlipiden en de lipoproteïnen zijn schematisch weergegeven in tabel 20.1.
J. de Graaf

Nawerk

Meer informatie