Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Deze vijfde, grondig herziene druk van het Handboek ontwikkelingspsychologie geeft een volledig, geactualiseerd en geïntegreerd overzicht van de belangrijkste theorieën op het gebied van de ontwikkelingspsychologie. Alhoewel het boek is uitgebreid met de meest recente ontwikkelingen op dit vakgebied, blijven de klassieke modellen en onderzoeksgegevens een belangrijke plek innemen. Uitgebreide praktijkvoorbeelden geven het nut weer van de besproken theorieën voor opvoeding, onderwijs, klinisch–therapeutische situaties en interpretatie van dagelijks gedrag.Allereerst worden de uitgangspunten van de ontwikkelingspsychologie als wetenschap besproken. Vervolgens komen de voornaamste actuele stromingen aan bod, met bijzondere aandacht voor hun bijdragen aan de ontwikkelingspsychologie. Doordat deze theorieën vanuit verschillende gezichtspunten besproken worden, wordt duidelijk dat zij elkaar meer aanvullen dan tegenspreken. Het boek wordt afgesloten met een overzichtelijk syntheseschema, waarin de behandelde theorieën kritisch vergelijkend worden samengevat.Het Handboek ontwikkelingspsychologie is niet alleen geschreven voor psychologen en pedagogen in opleiding, maar is ook zeer geschikt als naslagwerk voor afgestudeerden. Om deze reden werd ook een uitgebreid register van kernbegrippen opgenomen. Het boek is geschreven in een stijl die geen expliciete voorkennis van de psychologie vereist, en is daarom ook zeer geschikt voor studenten van andere studierichtingen en de geïnteresseerde leek.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Uitgangspunten

Voorwerk

1 Terrein en doelstelling van de ontwikkelingspsychologie

Samenvatting
Aanvankelijk waren ontwikkelingspsychologische ideeën sterk ingebed in de discipline van de wijsbegeerte. Geschriften van ontwikkelingspsychologische aard steunden volledig op de persoonlijke overtuiging van de onderscheiden filosofen. Zo stonden in de achttiende eeuw de filosofische stellingnamen van Locke in Engeland en Rousseau in Frankrijk scherp tegenover elkaar.
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

2 Het grondprobleem van de ontwikkelingsinvloeden

Samenvatting
Alhoewel mensen onderling grote overeenkomsten vertonen, kan niet ontkend worden dat zij zowel fysiek als psychisch zeer sterk van elkaar verschillen. Zijn de verschillen toe te schrijven aan een verschil in genetische basis of aan een verschil in milieu? Het geheel van vragen over het respectieve belang van erfelijkheid en milieu wordt dikwijls het ‘nature-nurture’-probleem genoemd of het probleem van aanleg versus ervaring, van rijping versus leren. De genetische bepaaldheid van intelligentie is steeds een onderwerp van discussie geweest in dit perspectief (zie box 2.1).
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

Biologisch gefundeerde modellen

Voorwerk

3 De ethologische hechtingstheorie van Bowlby

Samenvatting
Alhoewel de hechtingstheorie van John Bowlby de meest besproken en kenmerkende ethologische theorie is in de ontwikkelingspsychologie, is de ethologische theorievorming eerder een school binnen de gedragsstudie te noemen, een denk- en onderzoekstraditie waar een aantal auteurs zich in situeren. Bowlby’s hechtingstheorie spitst zich toe op sociaal-emotionele gedragscomponenten, maar de ethologie heeft het totale gamma aan gedragsdomeinen tot studieobject. Ethologie is de discipline die het gedrag van mens en dier bestudeert in zijn evolutionaire context. Men spreekt daarom volledigheidshalve van een ethologischevolutionaire visie. Gezien deze focus bevindt de stroming zich op de intersectie van psychologie en biologie, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ontwikkelingspsychologische auteurs binnen deze stroming veelal een biologische opleiding hebben genoten. De stamvader van de ethologische school is Charles Darwin (1809-1882) met zijn grondleggend boek The origin of species (1859), waarin de theorie over de natuurlijke selectie haar beslag heeft gekregen. Volgens deze theorie is er een aanzienlijke (genetische) variatie binnen een bepaalde (dier)soort over een grote tijdspanne, en diegenen met de best aangepaste kenmerken voor de omgeving waarin ze leven, zullen de meeste kansen hebben om te overleven en de genetische kenmerken door te geven aan de nakomelingen. Op deze wijze worden de best aangepaste organismen over generaties heen uitgeselecteerd. Deze theorie was van toepassing op allerlei morfologische kenmerken van diersoorten, van de lange giraffenhals als aanpassing voor voedselvoorziening uit de bomen in de hete savanne, tot de boomschorskleuring van bepaalde vlindersoorten als bescherming tegen vogels. Darwin zag zijn theorie echter evenzeer van toepassing op gedragspatronen, en uiteraard ook op de evolutie van de mens, zoals uiteengezet in zijn boek The descent of man (1871). De hominiden die sterk gericht waren op groepsleven en samenwerking in de jacht, hadden in deze visie een grotere overlevingskans. De relatieve fysieke zwakte van de mens in vergelijking met dieren maakte ook de intelligentie en het werktuiggebruik tot cruciale factoren in de overlevingsstrijd, aldus Darwin (1871, p. 444). Darwin was ook de eerste die de opmerkelijke overeenkomst signaleerde tussen embryo’s van verschillende diersoorten; alsof ze van eenzelfde gezamenlijke voorouder afkomstig moeten zijn geweest. Dit werd nog verder doorgetrokken door Haeckel (1874) in zijn recapitulatietheorie over de embryonale ontwikkeling, waarin hij poneerde dat de ontogenetische ontwikkeling de fylogenetische vormontwikkeling in versneld tempo doorloopt. Voordat embryo’s van zoogdieren hun specifieke kenmerken gaan vertonen, lijken ze inderdaad eerst op embryo’s van vissen, vervolgens op amfibie- en dan op vogelembryo’s - de volgorde die ook in de fylogenese plaatsvond (zie ook Waddington, 1962).
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

4 Chomsky en de theorie van de aangeboren kennis

Samenvatting
‘Hij heeft het karakter van zijn moeder, maar die drankzucht heeft ’ie van zijn oom. In het leger is dat drinken van hem overigens flink de pan uit gerezen. Maar ja, als je weet hoe zijn moeder was...’ In de volkspsychologie komt men dergelijke uitspraken over mensen vaak genoeg tegen. Ze getuigen van de opvatting dat karakter, persoonlijkheid, temperament of gedragsneigingen aangeboren kunnen zijn maar door ervaringen en leren kunnen veranderen. Over het algemeen vinden we dat kennis niet aangeboren is, maar het vermogen kennis op te doen misschien wel: ‘Ze heeft de talenknobbel van haar vader, maar haar perfecte Frans heeft ze geleerd toen ze als au pair werkte in Parijs.’ Wat kennis betreft stellen we ons op het ‘tabula rasa’-standpunt van Locke (zie hfst. 1).
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

5 De dynamische systeemtheorie van ontwikkeling

Samenvatting
De theorie van dynamische systemen van ontwikkeling is een van de jongste loten aan de bloeiende boom van de ontwikkelingspsychologie. Het gaat bij nadere beschouwing overigens om meerdere loten die uit dezelfde knop - de dynamische systeemgedachte - ontspruiten. De eerste beschouwt de dynamische systeemtheorie meer als een benadering van ontwikkeling (een bepaalde, globale manier van kijken naar ontwikkeling) dan als een aparte theorie (een systematisch geheel van specifieke begrippen en relaties). Ze stelt bijvoorbeeld dat deze systeembenadering goed verenigbaar is met de theorieën van Piaget en Vygotsky (zie Van Geert, 1991, 1994, 1998). Volgens de andere ‘loot’ is de dynamische systeemtheorie een nieuwe theorie van de organisatie van het gedrag en automatisch ook van de ontwikkeling van gedrag (Thelen & Smith, 1994; Clark, 1998).
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

Mentalistisch-cognitieve structuurmodellen

Voorwerk

6 De cognitieve ontwikkelingspsychologie van Piaget

Samenvatting
Jean Piaget behaalde zijn doctoraat in de biologische wetenschappen in 1918 op de leeftijd van 21 jaar. Al snel was hij geïnteresseerd in de ontwikkelingspsychologie (hij ging colleges filosofie en psychologie volgen aan de Parijse Sorbonne) en publiceerde in 1925 zijn eerste inzichten op dit terrein. Tijdens zijn studie in Parijs kwam hij in contact met Theodore Simon, die hem een onderzoeksmandaat voorstelde bij het intelligentieonderzoek van Binet. Vanaf die tijd was hij ook wetenschappelijk actief in het Institut J.J. Rousseau in Genève. Het daaropvolgende decennium vormde een uiterst productieve periode voor Piaget.
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

7 De neopiagetiaanse ontwikkelingstheorieën

Samenvatting
Piagets werkzame leven in de wetenschap strekt zich uit over een periode van bijna zestig jaar. In die periode heeft hij vele honderden artikelen en boeken geschreven. Het is niet verwonderlijk dat zijn opvattingen over ontwikkeling in die lange tijd zich wijzigden. Er is zelfs sprake van ‘stadia’ in Piagets theorievorming (Vonèche, 1994). Veel onderzoekers zijn door Piagets werk beïnvloed. Eind jaren zeventig tekenden zich twee tendensen af (Case, 1992). Eén groep onderzoekers ging uit van de klassieke piagetiaanse thema’s, zoals de ontwikkeling van objectpermanentie of van hypothetisch-deductief denken, en probeerde aan te tonen dat Piagets verklaring hiervoor fout was. Hun werk heeft meestal de bedoeling ondersteuning te geven aan theoretische invalshoeken die strijdig zijn met die van Piaget. Voorbeelden zijn de theorie van aangeboren kennis of de informatieverwerkingstheorie (zie hfst. 4). Deze richting van onderzoek is ‘neopiagetiaans’ in de zin dat piagetiaanse thema’s en vraagstellingen op onpiagetiaanse wijze worden uitgewerkt. Reeds eerder hadden onderzoekers zich kritisch uitgelaten over Piagets uitgangspunten en geprobeerd aan de hand van Piagets onderwerpen zijn ongelijk aan te tonen. Voorbeelden hiervan zijn de onderzoekers die de nadruk legden op de rol van cultuur in de ontwikkeling, op de betekenis van taal en communicatie of op de rol van sociale interactie en overdracht. Vaak wordt hun werk besproken in de context van de theorieën waarin ze thuishoren, bijvoorbeeld het nativisme of de cultuurhistorische theorie van Vygotsky (zie hfst. 4). In dit boek hebben we gekozen voor een alternatieve aanpak. Aangezien we deze kritieken beschouwen als nuttige aanvullingen op Piagets theorie kunnen we ze beter in samenhang met elkaar presenteren (zie par. 2).
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

8 De cognitieve moraaltheorie van Kohlberg

Samenvatting
Lawrence Kohlberg (1927-1987) werd tijdens zijn studie in de psychologie aan de universiteit van Chicago gefascineerd door de ontwikkelingstheorie van Jean Piaget. Hij nam zich voor deze theorie als uitgangspunt te nemen voor zijn visie op de moraalontwikkeling. Dit resulteerde in een dissertatie (1958a) waarin hij reeds de grondlijnen formuleerde van zijn cognitieve moraaltheorie die naderhand wereldberoemd zou worden. Kohlberg doceerde aan de prestigieuze Harvard University, van 1968 tot aan zijn dood in 1987. De ideeën van Kohlberg hebben een vrij grote draagkracht doordat ze berusten op grondig denkwerk en ruim cross-cultureel empirisch onderzoek. Hierdoor krijgen ze een universele accentuering met een brede praktische toepasbaarheid, onder meer in opvoeding, onderwijs en klinische praktijk. Er zijn uiteraard ook kritische bedenkingen mogelijk (zie par. 4). Sommige van deze bedenkingen zijn terecht, en Kohlberg zou er zeker rekening mee hebben gehouden indien hij hiervoor de moed en de tijd had gehad. Kohlberg leed namelijk aan een pijnlijke ongeneeslijke ziekte die op den duur ondraaglijk werd. In 1987 maakte hij een einde aan zijn leven, hij was 59 jaar.
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

9 De informatieverwerkingsbenadering van ontwikkeling

Samenvatting
Tot ver in de twintigste eeuw was een machine een apparaat dat een bepaalde materiële grondstof innam (bijv. zand, kalk en soda) en daar een bepaald materieel product uit schiep (bijv. glas). Tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog werden technici geconfronteerd met het probleem hoe machines te maken die informatie als ‘grondstof’ opnamen. Kon er een projectiel worden vervaardigd dat zijn doel - het vernietigen van een vijandelijk vliegtuig - bereikte door gebruik te maken van informatie over de positie van dat vliegtuig?
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

Sociaal gefundeerde modellen

Voorwerk

10 De cultuurhistorische theorie van Vygotsky

Samenvatting
In de westerse wereld is men geneigd de sovjetpsychologie gelijk te stellen aan het werk van Pavlov en de theorieën over de geconditioneerde reflex (Van Parreren & Carpay, 1972). Zeker is Pavlov een van de onderzoekers die belangrijke bijdragen heeft geleverd aan de psychologie, maar hij is beslist niet de meest typerende vertegenwoordiger. Die rol is voorbehouden aan Lev Semenovich Vygotsky (1896-1934). Hij was van joodse afkomst en kreeg als kind les van een privé-leraar; hij stond bekend als een intellectueel vroegrijp kind, met een grote belangstelling voor literatuur en toneel. In het tsaristische Rusland was het leven van een Russische jood moeilijk en door allerlei officiële oekazes ingeperkt. Aan de prestigieuze universiteiten van Moskou en Sint Petersburg werd slechts 3 procent joodse studenten toegelaten, en dan nog in die vakken die niet voor een officieel ambtelijk beroep opleidden. Lev Semenovich werd ingeloot voor de Universiteit van Moskou, waar hij medicijnen en vervolgens rechten studeerde. Aan de officieuze Shanyavskii Volksuniversiteit, geleid door hoogleraren die na een antitsaristische actie waren ontslagen, studeerde hij psychologie, filosofie en literatuur. Hij studeerde af in 1917, het jaar van de revolutie, en werd leraar aan een pedagogische academie in Gomel. Hoewel Vygotsky’s tuberculose, de ziekte waaraan hij zou overlijden, verergerde, was hij zeer actief met lesgeven, publiceren en het ontwikkelen van ideeën over opvoeding, ontwikkeling en taal.
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

11 De psychoanalytische theorie van Erikson

Samenvatting
De meest bekende postfreudiaanse psychodynamische uitwerking, belangrijk voor de ontwikkelingspsychologie, is die van Erik Erikson. Erik Homburger Erikson werd in 1902 geboren te Frankfurt uit Deens-joodse ouders. Hij volgde een artistieke scholing en gaf een tijd les aan kinderen van Amerikaanse psychoanalytici die bij freudianen in opleiding waren. Op deze haast toevallige manier kwam hij terecht in de Weense psychoanalytische kring. Erikson verkreeg zijn psychoanalytische training van Anna Freud en Aichhor, die beiden vooral een pedagogische benadering hanteerden. In 1936 schreef Erikson zijn eerste artikelen waarin hij psychoanalytische inzichten toepaste op opvoedkundige problemen. Ondertussen was hij reeds naar de Verenigde Staten geëmigreerd, waar hij meewerkte aan verschillende antropologische onderzoekingen (vooral onder indianenstammen) met de bedoeling zijn klinische inzichten te toetsen aan de ervaringen van individuen in hun socioculturele groep. Het betrof hier een onderzoek, onder leiding van de antropoloog Scudder Mekeel, bij de Oglada’s, een achtduizend leden tellende stam van de Sioux-indianen in South-Dakota. Hij maakte nog studiereizen met talrijke andere antropologen, zoals Bateson, Benedict, Loeb, Mead en Kroeber. Erikson bestudeerde ook identiteitsen gedragsproblemen bij adolescenten en het bestaan van generatieconflicten, verbonden met maatschappelijke veranderingen zoals de industriële revoluties in de Verenigde Staten, Duitsland en Rusland, en de democratiseringsgolf van de jaren zestig.
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

12 De leertheorieën en ontwikkelingstheorie van sociaal leren

Samenvatting
De leertheorieën vallen in het kader van een denkrichting die traditioneel met de term behaviorisme (ofwel behaviourisme) wordt aangeduid. De twee pioniers van de leertheorie zijn Watson en Skinner. Vooral Watson wordt de vader van het behaviorisme genoemd, met zijn Declaration of behaviorismin 1913. Hij moest het hebben van radicale stellingnamen. Hij begon zijn studies met kinderen, waaronder zijn beroemdste experiment met ‘kleine Albert’ in 1918. Tien jaar later publiceerde hij een boek over opvoedingsprincipes, Psychological care of infant and child dat zeer populair werd in de jaren dertig. Het basisidee in dit werk was dat ouders de conditioneringmechanismen in het opvoedingsproces efficiënt dienen te gebruiken. Skinner is ongetwijfeld de meest bekende behaviorist met zijn ontdekking van operante-conditioneringmechanismen. De leerprincipes van belonen en bestraffen werden toegepast op opvoeding, onderwijs en therapie.
L. Verhofstadt-Denève, P. Van Geert, A. Vyt

Nawerk

Meer informatie