Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Schematherapie mag zich in een groeiende populariteit verheugen. Deze integratieve therapie combineert methoden en technieken uit vele scholen in een model dat zowel aansluit bij wetenschappelijk onderzoek als herkenbaar is voor patiënten en therapeuten.Het Handboek klinische schematherapie maakt een vertaalslag van het oorspronkelijke individuele ambulante behandelmodel naar (dag)klinische schematherapie. De auteurs tonen op heldere wijze hoe een (dag)klinisch schematherapieprogramma opgezet kan worden, waarbij niet alleen de inhoud maar ook de organisatie en de context van zo'n programma aan bod komen. In het handboek wordt voor de integratie van het gehele programma, milieu en context in het schematherapiemodel gekozen. Hierdoor worden gemeenschappelijke taal, onderlinge afstemming en synergie bewerkstelligd.Het bijbehorende Werkboek klinische schematherapie is bedoeld voor de patiënt en biedt een essentiële ondersteuning van de behandeling.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Inleiding

Abstract
Nu er steeds meer GGZ-instellingen zijn die een afgebakende therapievorm/ behandelmodel willen implementeren in hun, vaak al lang, bestaande therapeutische milieu, is er een nieuwe fase aangebroken in de ontwikkeling van de klinische psychotherapie. Daar waar het eerder een meer ideologische insteek betrof, lijkt de ontwikkeling anno 2009 in de richting van de gewenste marktwerking te gaan: we bieden de patiënt een product aan dat zo snel en zo effectief mogelijk tot klachtenverlichting moet leiden. Vaak zijn de behandelmodellen onderzocht en werkzaam gebleken bij individuele patiënten. De transitie van het individuele behandelmodel (met de bijbehorende effectiviteit) naar een klinische setting waar meer behandelingredie ¨nten (groep, milieu en samenhang) van invloed zijn, is dan ook een zoektocht.
Eelco Muste, Anoek Weertman, Anne-Marie Claassen

1. Achtergronden bij de ontwikkeling van klinische schematherapie

Abstract
In de meeste literatuur over de ontstaansgeschiedenis van klinische psychotherapie wordt de Franse psychiater Pinel (1745-1826) genoemd als de grondlegger (zie o.a. Janzing, Van den Berg & Kruisdijk, 2000 en Janzing & Kerstens, 1984, 2004) voor een compleet historisch overzicht). In die tijd werden psychiatrische patiënten vastgeketend, mishandeld en opgesloten. Pinel maakte een einde aan deze praktijk en introduceerde de zogenaamde morele behandeling. Hij beschouwde de patiënten niet als misdadigers, maar als zieke mensen die zorg nodig hadden. Pinel ontwikkelde behandelmilieus waar de patiënt zinnig werk te doen kreeg, waar ontspanning was en waar de patiënt respectvol werd benaderd. Zoals elke stroming was ook deze onderhevig aan maatschappelijke invloeden zoals oorlog, schaarste en wetenschappelijke ontwikkeling. De industriële revolutie, het sociaal Darwinisme en de toenemende invloed van de neuropathologie keerden het tij en er kwam meer nadruk op het zoeken naar een wetenschappelijke verklaring van de geestesziektes. In plaats van actief met de patiënten bezig te zijn, ontstond er meer een houding van wachten op wetenschappelijke antwoorden. In de ziekenhuizen werden veel patiënten opgenomen, maar nauwelijks meer ontslagen. Patiënten werden tewerkgesteld of aan het bed geketend, omdat de psychiatrische ziekenhuizen door de toestroom van patiënten geen andere mogelijkheden leken te hebben en gebrek hadden aan goed geschoold personeel. Deze trend was zowel in Amerika als in Europa te zien.
E.H. Muste, A.M.T.S. Claassen

2. Centrale begrippen binnen klinische schematherapie

Abstract
Schematherapie is oorspronkelijk ontwikkeld als een individuele Integratieve Cognitieve Gedragstherapie door Jeffrey Young en zijn collega’s (Young et al., 1990, 1999). Elementen uit cognitieve, gedragstherapeutische en psychodynamische modellen, hechtings- en Gestaltmodellen worden binnen de schematherapie met elkaar gecombineerd. Van groot belang is de therapeutische relatie: in en door de therapeutische relatie kunnen vroege schema’s geı¨dentificeerd en veranderd worden. De resultaten van individuele ambulante schematherapie zijn veelbelovend (Giesen-Bloo et al., 2006; Svartsberg, Stiles & Steltzer, 2004). Het argument dat het in deze studies zou gaan om relatief milde persoonlijkheidsproblematiek gaat niet op. Een groot deel van de patiënten, waaronder ook patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis waarbij er sprake is van een hoge mate van crisisgevoeligheid, zelfbeschadigend gedrag en gebrek aan basisstructuur, zijn goed te behandelen met een tweewekelijkse individuele ambulante schematherapie. Een deel van deze patiënten stopt echter voortijdig met de behandeling of verbetert niet ondanks langdurige intensieve ambulante behandeling met schematherapie. Er blijft een groep patiënten bestaan die om verschillende redenen niet voldoende kan profiteren van een ambulante schematherapie of andere vorm van ambulante psychotherapie.
E.H. Muste, A. Weertman

3. Doelgroepomschrijving en indicatiestelling

Abstract
Alhoewel indicatiestelling voor deeltijdbehandeling en klinische varianten van schematherapie in diverse instellingen in Nederland al jaren plaatsvindt, is er nog nauwelijks literatuur beschikbaar waarin beschreven staat hoe de keuze voor deze vorm van schematherapie in de praktijk tot stand komt. Hierbij gaat het niet alleen om de keuze van de setting maar ook om de keuze voor een specifiek referentiekader. In dit hoofdstuk zal de doelgroep omschreven worden waarvoor deeltijd- en klinische varianten van schematherapie zijn ontwikkeld. Daarnaast zullen zowel algemene indicatoren voor schematherapie als specifieke indicatoren voor klinische schematherapie worden besproken.
A. Weertman

4. Diagnostische fase

Abstract
De diagnostiek bij de doelgroep voor klinische schematherapie vindt voor een groot deel plaats tijdens het proces van indicatiestelling. Voor dit proces verwijs ik naar hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk gaat over diagnostiek die plaatsvindt wanneer de indicatie voor klinische schematherapie is gesteld. Een deel van deze diagnostiek vindt al plaats tijdens de wachttijd, voor aanvang van opname. Hier zal eerst kort aandacht aan besteed worden. De rest van dit hoofdstuk handelt over de diagnostische fase tijdens de behandeling.
E. Beijer

5. Het milieutherapeutische arrangement voor klinische schematherapie

Abstract
Klinische schematherapie dient een samenhangend en consistent geheel te vormen waarbinnen iedere deelnemer een specifieke rol heeft. De doelgroep die gekozen wordt, bepaalt – binnen de kaders van klinische schematherapie – voor een groot deel hoe het behandelarrangement vorm en inhoud moet krijgen. Voor het bereiken van de doelstelling – optimale behandeling en behandelresultaten van patiënten met behulp van klinische schematherapie – is een bepaalde organisatie van de behandeling nodig om de onderdelen zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.
W. Edens, J.A. Kerstens

6. Psychotherapie binnen klinische schematherapie

Abstract
Schematherapie is oorspronkelijk ontwikkeld voor een individuele ambulante setting. In het in 2003 verschenen handboek wordt alleen deze therapiesetting beschreven (Young, Klosko & Weishaar, 2003; Muste, 2006). Sindsdien wordt er echter veel geëxperimenteerd met het werken met schematherapie in groepen, in verschillende settings, in partnerrelatietherapie en bij specifieke doelgroepen, zoals het forensische veld en bij adolescenten. In het Handboek Schematherapie (Van Vreeswijk, Broersen & Nadort, 2008) worden in vogelvlucht enkele van deze specifieke toepassingen beschreven.
S.M.C. Vinken, M.M. Westenbroek

7. Vaktherapie binnen klinische schematherapie

Abstract
Dit hoofdstuk1 gaat over de vertaalslag van schematherapie naar vaktherapie, aan de hand van cognitieve, experiëntiële, gedragsmatige en interpersoonlijke interventiegebieden. Vervolgens wordt uitgewerkt hoe vaktherapie insteekt op de drie niveaus van individu, groep en milieu; met een beknopte verzameling van vaktherapeutische werkvormen wordt dit per schema concreet gemaakt. Ook beschrijven de auteurs het werken met de modi binnen de vaktherapie. Dit wordt geı¨llustreerd met een casus uit de beeldende therapie.
G. Günther, J. Blokland-Vos, C. van Mook, J.P. Molenaar

8. Sociotherapie en klinische schematherapie

Abstract
Tijdens de Tweede Wereldoorlog deed de overtuiging dat de omgeving van invloed is op het gedrag van mensen, opnieuw zijn intrede, zowel in Europa (Engeland) alsook in de Verenigde Staten. Dankzij de psychoanalyse van Freud en innoverende ideeën van Jones en Bion zijn therapeutische gemeenschappen ontstaan en werden er theorieën ontwikkeld over het belang van de sociale structuur van een behandelafdeling en milieutherapie. Het begrip sociotherapie lijkt zijn oorsprong te hebben in Frankrijk; Sivadon en Daume´zon formuleerden hun opvattingen over milieutherapie en benadrukten het belang van een behandelomgeving die groei en zelfontplooiing stimuleert, eventueel met behulp van de behandelgroep. Janzing en Kerstens (2005) beschrijven uitgebreid de historie van de opkomst van therapeutische gemeenschappen en welke belangrijke namen en theoretische stromingen daarmee gemoeid zijn.
D. de Weerd, M. Oudmaijer

9. Systeemtherapie en klinische schematherapie

Samenwerkende en appreciërende systeempsychotherapie en klinische schematherapie: een nieuw samengesteld gezin
Abstract
Problemen in de gezinssituatie kunnen een van de indicaties zijn om patiënten klinisch te gaan behandelen. De behandeling wordt dan gezien als een corrigerende ervaring. In een klinische setting is het milieu van de kliniek en de daarbij horende behandeling essentieel. Systeemtherapie kan de veranderingen in de klinische setting consolideren in de omgeving van de cliënt en ervoor zorgen dat de resultaten van het klinisch milieu hun weg vinden in het dagelijkse leven van de cliënt met zijn omgeving tijdens de opname en na de opname.
P. Lenaerts

10. De rol van het team

Abstract
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de samenhang van de behandeling en de rol van het team daarin (enige overlap met andere hoofdstukken, met name hoofdstuk 5 en 6 over milieutherapie en psychotherapie is daarmee onvermijdelijk). Deze twee disciplines zijn het meest sturend als het gaat om samenhang tussen team en patiënten. Dat wil niet zeggen dat de andere disciplines zich niets aantrekken van de gewenste onderlinge samenhang; een interventie in een therapieblok mist alle kracht als deze niet verder wordt gedragen door de andere disciplines of wanneer er niet in andere therapieblokken op wordt voortgeborduurd. Een patiënt voelt zich het meest gezien en de behandeling is het meest effectief als hij ervaart dat er over hem is gesproken in het team en het behandelbeleid onderling is afgestemd.
A.M.T.S. Claassen

11. Beschouwingen

Abstract
(Dag)klinische schematherapie is een relatief nieuwe therapievorm die nog volop in ontwikkeling is en zodoende ruimte biedt voor discussie. In dit hoofdstuk komt een aantal van deze onderwerpen en discussiepunten aan bod.
E.H. Muste

Nawerk

Meer informatie