Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

De gynaecologie beslaat een domein dat grote technische vaardigheid vereist om adequate diagnostiek en behandeling te kunnen bieden. Gynaecologie is verder bij uitstek een discipline waarin zowel de arts-patientrelatie als de anamnese en het onderzoek vervlochten zijn met de intimiteit en het eigen functioneren van de arts als persoon. In Gynaecologie wordt uitvoerig op deze aspecten ingegaan.Gynaecologie is opgebouwd uit vijf delen. Het eerste deel geeft in drie hoofdstukken een overzicht van anatomie en fysiologie, anamnese en lichamelijk onderzoek, en epidemiologische gegevens. De auteurs beperken zich tot die aspecten die voor het consult in het gynaecologisch domein relevant zijn. Het tweede deel behandelt in verschillende hoofdstukken klachten die door de patiënte direct in de gynaecologische sfeer worden gebracht: acute en chronische buikpijn, dyspareunie, abnormale genitale afscheiding, vulvaire jeuk en verzakkingsgevoel. Daarna volgt een deel over cyclusgerelateerde klachten: premenstruele klachten, uitblijven van de menstruatie,abnormaal vaginaal bloedverlies en overgangsklachten. Het vroegtijdig opsporen van oncologische problemen is onderwerp van het volgende deel: optimale cervixscreening en borstonderzoek. Beide hoofdstukken beperken zich tot de opsporing, aangezien verdere behandeling door een gynaecologisch of chirurgisch-oncologisch team zal plaatsvinden. Relationele aspecten in het gynaecologisch domein vormen het onderwerp van het laatste deel: anticonceptie, tijdelijk of definitief, ongewenste infertiliteit en seksueel overdraagbare aandoeningen.In dit boek worden klachten en vragen die in het gynaecologisch domein frequent voorkomen, casuïstisch gepresenteerd. Het vertrekpunt bij de behandeling van de onderwerpen is steeds de klacht van de patiënte zoals deze zich in de huisartsenpraktijk voordoet. Het resultaat staat daarom ver af van het klassieke leerboek en is praktijkgericht. Gynaecologie kan bijdragen aan de kwaliteitsverbetering en toetsing van het eigen beleid.Gynaecologie verschijnt in de reeks Praktische huisartsgeneeskunde. In deze reeks verschijnen uitgaven met praktische en klachtgerichte informatie over de verschillende deelgebieden van de huisartsgeneeskunde.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Algemene beschouwingen

Voorwerk

1. Anatomie en fysiologie van de voortplantingsorganen

De tekst van dit hoofdstuk dient als basis voor de hoofdstukken waarin op specifieke klachten wordt ingegaan. Het hoofdstuk kan basisinformatie bieden wanneer dit voor een beter begrip bij de behandeling van een gynaecologische klacht noodzakelijk is. Bij het bespreken van de klachten wordt ook zo veel mogelijk op de relevante anatomie en fysiologie ingegaan.
P.X.J.M. Bouckaert, G.G.M. Essed

2. Anamnese en lichamelijk onderzoek

De anamnese vormt ook bij gynaecologische klachten het begin van het consult. De anamnese is bij de huisarts beperkt van omvang, wordt gericht en systematisch afgenomen en begint met het nader omschrijven van de klacht. In de anamnese probeert de huisarts door middel van gerichte, gesloten vragen voldoende informatie te verkrijgen.
G.G.M. Essed, J. Van Damme

3. Epidemiologische gegevens

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de epidemiologie van urogenitale klachten in de eerste lijn, verkregen vanuit huisartsenregistratie. Deze gegevens zijn verzameld binnen het ‘INTEGO-project’ (Vlaanderen) en de ‘Tweede Nationale studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk’ (Nederland). Voor de classificatie van deze gegevens werd gebruikgemaakt van de International Classification of Primary Care (ICPC), met name ‘Urologie’ (U), ‘Zwangerschap’ (W), ‘Gynaecologie’ (X) en ‘Andrologie’ (Y).
S. Bartholomeeusen, J. Van Damme

Gynaecologische klachten

Voorwerk

4. Ineens ondraaglijke buikpijn

Bij patiënten die zich presenteren met hevige buikpijn is het meestal mogelijk om aan de hand van symptomen en bevindingen op vrij eenvoudige wijze een diagnose te stellen. Immers, bij onderzoek van een patiënte met acute buikpijn verschaft het traditionele klinische onderzoek het grootste deel van de informatie die nodig is om tot een correcte diagnose te komen. Eigenlijk dient aanvullend onderzoek slechts om meer zekerheid te krijgen over de eerder gestelde diagnose.
A.A.W. Peters, S.R.C. Driessen

5. Chronische buikpijn bij vrouwen

In dit hoofdstuk wordt besproken wat bekend is over chronische buikpijnklachten bij vrouwen. De etiologie, diagnostiek en behandeling van deze problematiek zal op zo’n manier gepresenteerd worden dat de huisarts praktische handvatten krijgt aangereikt die toepasbaar zijn in de dagelijkse praktijk.
P.T.M. Weijenborg

6. Pijn bij het vrijen

Dyspareunie, ofwel ‘pijn bij het vrijen’, is ongetwijfeld een van de meest complexe functioneringsproblemen van de mens. Een eerste belangrijk kenmerk van dyspareunie is dat er meerdere factoren aan ten grondslag liggen. En al die factoren leggen dan ook nog eens in wisselende verhoudingen een wisselend gewicht in de schaal. Zo spelen er (meerdere!) fysische factoren een rol, allerhande (ook meerdere en soms zeer tegenstrijdige!) belevingen en verschillende psychische oorzaken (eveneens meerdere!).
R.H.W van Lunsen

7. Abnormale genitale afscheiding

Het begrip witverlies, afscheiding of fluor is eigenlijk heel dubbelzinnig: waarover heeft men het precies? Waaruit is de fluor samengesteld, welke hoeveelheid is normaal, en wat is de kleur en geur van normale genitale afscheiding? Bestaat er wel iets als ‘normaal’ witverlies, normale afscheiding, of normale (fysiologische) fluor? Blijkbaar alleen in tegenstelling tot ‘abnormale’ fluor, te veel afscheiding, of niet-gebruikelijke afscheiding.
D. Dewilde, W.I. van der Meijden

8. Vulvaire jeuk

De klacht ‘jeuk van onderen’, pruritus vulvae, komt veel voor in de huisartspraktijk.
D. Dewilde, W.I. van der Meijden

9. Urine-incontinentie en prolaps

Urine-incontinentie is een klacht waarmee patiënten niet gemakkelijk naar de dokter gaan. Uit onderzoek blijkt dat slechts de helft van alle mensen voor deze klacht hulp vraagt. Meestal gaat men hiervoor ook niet apart naar de dokter. Het vormt vaak een tweede klacht of wordt terloops vermeld bij het weggaan: het zogenoemde deurknopfenomeen. De belangrijkste reden om geen hulp te zoeken is dat de klacht slechts als een licht ongemak wordt ervaren, niet ernstig genoeg om behandeling te vragen. De meeste vrouwen maken zich er weinig zorgen over en voelen zich nauwelijks gehandicapt. Verder zien sommige vrouwen het niet als iets abnormaals, maar meer als een onvermijdelijke vrouwenkwaal. Ook schaamte weerhoudt vrouwen om deze klacht met hun dokter te bespreken. Tegelijkertijd weten we dat sommige vrouwen psychisch ernstig onder deze klacht gebukt gaan. Hierbij spelen schaamte en de angst dat anderen iets ruiken een belangrijke rol.
A.L.M. Lagro-Janssen, M.E. Vierhout

Cyclusgerelateerde klachten

Voorwerk

10. Pijnlijke menstruatie

Voor pijnlijke menstruaties gebruikt men in de geneeskunde de term dysmenorroe. Pijn is echter een subjectief begrip. Het moment waarop de vrouw besluit een arts te raadplegen voor pijnlijke menses zal uiteraard voor elke patiënte verschillend zijn. Dit wordt bepaald door onder andere haar eigen pijndrempel, haar beleving van de menstruatie en ook het voorbeeldgedrag van haar omgeving.
S. Van Baelen, C.J.C.M. Hamilton

11. Premenstruele klachten

De diagnose premenstrueel syndroom (PMS) stelt de behandelend arts gewoonlijk voor meer problemen dan de vrouw zelf. Op basis van informatie in de media of van zelfhulpgroepen komen vrouwen vaak op het spreekuur met een zelfgestelde diagnose en vooral een zelfgekozen behandeling. Over weinige aandoeningen bestaat immers zo veel controverse als over het premenstruele syndroom. De term ‘premenstruele spanning’ werd voor het eerst gebruikt door Frank in 1931 om de fysieke en psychische klachten aan te duiden die optreden in de periode vóór de menstruatie. Dalton gaf in 1953 aan het geheel van lichamelijke en emotionele veranderingen die vóór de menstruatie optreden, de naam premenstrueel syndroom. Het is haar verdienste dat dit syndroom, door een aantal boeken en artikelen, in de publieke en medische belangstelling is gebracht. De progesterontherapie, waarvan ze een fervent voorstander was, bleef tot op heden controversieel.
B. Leysen, F.J.M.E. Roumen

12. Het uitblijven van de menstruatie

Amenorroe is het niet-optreden van periodiek vaginaal bloedverlies. Men spreekt over primaire amenorroe wanneer de menarche nog niet is opgetreden bij een meisje van zestien jaar of ouder en van secundaire amenorroe wanneer aanvankelijk aanwezige menstruaties uitblijven gedurende een aaneengesloten periode van meer dan zes maanden. Wanneer de perioden tussen de menstruaties korter zijn dan zes maanden, wordt gesproken over oligomenorroe. Amenorroe gaat bijna altijd gepaard met anovulatie.
M. Brems, J.A. Land

13. Vaginaal bloedverlies

In tabel 13.1 is de incidentie vermeld van overvloedig vaginaal bloedverlies, tussentijds bloedverlies en postmenopauzaal bloedverlies. Vaginaal bloedverlies is een tamelijk frequent voorkomende klacht op het spreekuur bij de huisarts. Door een grondige anamnese af te nemen, een goed uitgevoerd klinisch onderzoek en door in een aantal gevallen enkele gerichte aanvullende onderzoeken te laten verrichten, kan de huisarts de meeste vaginale bloedingen zelf behandelen en de indicatie stellen voor een gerichte verwijzing in de andere gevallen.
J. Denekens, W. Aertsens

14. De overgangsjaren

De overgang is de levensfase waarin de vrouw lichamelijke en psychische verschijnselen ervaart die medisch gezien toegedicht zouden kunnen worden aan de veranderingen in de ovariële hormoonproductie tijdens de biologische (en soms helaas iatrogene) transitiefase van de vruchtbare naar de definitief non-reproductieve levensfase. Een verschijnsel of symptoom is niet meteen ook een klacht. De beleving van de overgang wordt niet alleen gekleurd door het optreden van (al dan niet hinderlijke) overgangsverschijnselen, maar ook door op dat moment relevante maatschappelijke factoren, zoals werkkring, sociale en financiële (on)zekerheid, door de relatie met haar partner, ouders en kinderen, door haar visie op het leven tot dan toe en de verwachtingen die zij voor de toekomst koestert en ook door de mate waarin zij in staat is om zelf problemen op te lossen.
P.H.M. van de Weijer

Oncologische screening

Voorwerk

15. Optimale afname van cellen van de baarmoederhals voor cervixscreening

Het resultaat van een baarmoederhals-screeningsprogramma is afhankelijk van veel factoren. Het is als een ketting waarvan de sterkte bepaald wordt door de zwakste schakel. De belangrijkste schakels daarbij zijn: een goede selectie van de te screenen vrouwen, een effectief systeem om deze vrouwen te bereiken, een optimale afnamekwaliteit, een screeningsonderzoek met optimale testeigenschappen, maximale reproduceerbaarheid van de screeningstest en ten slotte een adequate opvolging van vrouwen met een positieve screeningstest en een nauwgezette monitoring van het programma.
F. Buntinx, H.W.H.M. van der Putten, M. Arbyn

16. Mogelijkheden en beperkingen van vroegtijdige diagnostiek van borstkanker

Gezien de frequentie en de mogelijke ernst van de knobbel in de borst is er waarschijnlijk geen treffender voorbeeld van een aandoening waarvoor screeningsprogramma’s meer op hun plaats zijn. De arts krijgt in zijn praktijk regelmatig te maken met klachten over spanning of knobbels in de borst. In dit hoofdstuk worden eerst veelvoorkomende klachten beschreven. Vervolgens wordt ruim aandacht besteed aan screeningsprogramma’s voor borstkanker.
J. Weyler, M. van der Burg, A. Van Steen

Relationele aspecten

Voorwerk

17. Reversibele mechanische anticonceptie

In dit hoofdstuk en de beide volgende komen contraceptieve middelen en methoden aan de orde die advies of tussenkomst van de huisarts behoeven. Om tot een gedegen advies te kunnen komen, zijn vraagverheldering en een gerichte anamnese essentieel. De hulpvraag kan definitieve anticonceptie betreffen of tijdelijke anticonceptie voor onbepaalde tijd of slechts voor een korte periode. Andere variabelen die de keuze kunnen beïnvloeden, zijn pariteit, de mate waarin zwangerschap per se moet worden voorkomen, de verwachte patiëntcompliance en de wenselijkheid tot additionele bescherming tegen seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA’s). Vaak spelen ook gewenste neveneffecten zoals cyclusregulatie of behandeling van menorragie een rol bij de keuze, alsmede de eigen ervaring van de patiënte of haar omgeving met bepaalde middelen of methoden.
G.G.M. Essed

18. Orale anticonceptiva

Bij het voorschrijven en de keuze van orale anticonceptiva spelen vele aspecten een rol. Ook hier is een uitgebreide anamnese altijd op zijn plaats. Er zijn een aantal soorten orale anticonceptiva. De keuze bestaat uit de eerstegeneratiepillen, die kunnen worden onderverdeeld in een- en tweefasenpreparaten) en sub-50 pillen, waarvan een- en driefasenpreparaten bestaan.
A. Schuurmans, J. Schierbeek

19. Definitieve anticonceptie

De keuze voor een definitieve vorm van anticonceptie is een complexe aangelegenheid. Het onomkeerbare karakter van een sterilisatie stelt hoge eisen aan counseling en indicatiestelling. De keus voor sterilisatie heeft te maken met de perceptie van de patiënte over de betrouwbaarheid, het gebruiksgemak, de verwachting van het ontbreken van bijwerkingen, het niet-medische karakter van de anticonceptie na de ingreep, het altijd beschikbaar zijn van de methode en veelal het willen stoppen met hormoongebruik. Het probleem van de sterilisatie is dat het een invasieve ingreep is en het in principe definitieve karakter van de ingreep. Refertilisatie is niet altijd mogelijk: alleen door middel van een relatief ingewikkelde operatieve ingreep. Bovendien is er na een hersteloperatie meestal sprake van een verminderde vruchtbaarheid.
M. Weemhoff, D. Dewilde, J.V.T.H. Hamerlynck

20. Seksueel overdraagbare aandoeningen

Een seksueel overdraagbare aandoening (SOA) is een ziekte die kan worden overgedragen door middel van seksueel contact. Heeft men eenmaal een SOA, dan is de kans op het verkrijgen van andere SOA vergroot, omdat de SOA de weerstand van de geslachtsorganen heeft aangetast.
C.L. van der Wijden, C.J. Bakx

21. Ongewenste subfertiliteit

Zwanger worden, en ook het niet zwanger worden, worden tegenwoordig niet meer aan het toeval overgelaten. Steeds meer paren proberen het tijdstip waarop een zwangerschap zou moeten ontstaan nauwkeurig te plannen en voor te bereiden. Huisartsen worden daarom steeds vaker geconsulteerd voor preconceptieadvies, en voor hulp als de zwangerschap op het geplande moment uitblijft. Er zijn nog meer tijdverschijnselen waarmee artsen geconfronteerd worden. Zo is de leeftijd waarop vrouwen beginnen met proberen zwanger te worden toegenomen tot een leeftijd waarop de zwangerschapskansen zijn afgenomen. Er resteert dan nog maar weinig (vruchtbare) tijd. Bovendien is de hedendaagse leek doorgaans zeer goed geïnformeerd over technische mogelijkheden die fertiliteitsbehandelaars ter beschikking staan, en verwacht de patiënte dat al het mogelijke zal worden gedaan om de geplande zwangerschap binnen afzienbare tijd te laten ontstaan.
J.A. Land, J.L.H. Evers

Nawerk

Meer informatie