Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek is een onmisbaar standaardwerk voor de opleidingen ergotherapie en voor ergotherapeuten in de praktijk in Nederland en Vlaanderen. De opzet van deze herziene vijfde druk is grotendeels hetzelfde gebleven. Inhoudelijk zijn echter alle hoofdstukken geactualiseerd. Daarnaast zijn er een aantal nieuwe hoofdstukken toegevoegd, onder andere over ergotherapie in sociaal-maatschappelijk perspectief, technologie in de zorg en het Person-Environment-Occupational-Performance (PEOP) model.
Het boek is opgebouwd uit vier delen. Deel I beschrijft de historische ontwikkeling, de juridi-sche en sociaal- maatschappelijke positie van het beroep in Nederland en Vlaanderen, de internationale context en het kennisdomein van de ergotherapie. Deel II gaat in op de kernelementen van de ergotherapie en de professie van ergotherapeut. Deel III bespreekt veelgebruikte inhouds- en procesmodellen. Deel IV gaat in op de praktische toepassing van ergotherapie.
De redactie bestaat uit Mieke le Granse MSc (senior docent ergotherapie Zuyd Hogeschool), dr. Margo van Hartingsveldt (opleidingsmanager en lector ergotherapie bij de Hogeschool van Amsterdam) en drs. Astrid Kinébanian (oud-directeur European Master of Science in Occupational Therapy).
Aan deze vijfde druk werkten 46 auteurs, uit Nederland en Vlaanderen, mee. Zij zijn werkzaam in verschillende praktijkcontexten, onderzoeksnetwerken en/of hogescholen. Grondslagen van de ergotherapiebiedt hierdoor een rijke afspiegeling van de opvattingen en ideeën over ergotherapie in het Nederlands taalgebied en geeft zo het discours over de inhoud van het beroep weer een nieuwe impuls.
Prof. Jan De Maeseneer zegt in zijn voorwoord van dit boek: “In deze veranderende samenleving is de ergotherapie meer dan ooit aan zet. Om dit te realiseren brengt het boek 'Grondslagen van de Ergotherapie' een brede waaier van kennis, inzicht en inspiratie.”

Inhoudsopgave

Voorwerk

Plaatsbepaling van de ergotherapie

Voorwerk

1. De beroepsvorming van de ergotherapie

Samenvatting
In de afgelopen eeuw hebben er grote veranderingen plaatsgevonden in de ergotherapie. Aan het begin van de twintigste eeuw ging de ergotherapie uit van een holistische mensvisie, gebaseerd op de moral treatment, die zich in de psychiatrie ontwikkeld had en die dagelijks handelen en betekenisvolle activiteiten centraal stelde. In de jaren dertig kwam ergotherapie onder de invloed van het medische denken en werd deze ‘gezondverstandbenadering’ niet meer geaccepteerd: de ergotherapie ‘moest’ natuurwetenschappelijk onderbouwd worden. Gedurende de jaren 1940–1960 accepteerde de ergotherapie dit reductionistische denken, wat resulteerde in een uitgebreid scala van oefeningen en trainingsschema’s gericht op verbetering van sensomotorische functies. Het gevolg was wel dat het beroep zijn meer fenomenologische oriëntatie kwijtraakte, en daardoor raakte de ergotherapie rond 1970 in een crisis. Men begon de beperkingen van het reductionisme in te zien, dat met name voor de chronisch zieke weinig aangrijpingspunten biedt, en geen antwoord heeft op vragen zoals hoe de mens zich kan aanpassen aan totaal nieuwe levensomstandigheden. Men begon opnieuw na te denken over de waarden en normen van het beroep, en dat proces zet zich nog steeds voort. Men kan zeggen dat er een soort golfbeweging heeft plaatsgehad in het denken over ergotherapie, van de visie op de mens als biopsychosociale eenheid naar een reductionistische denkwijze en weer terug naar een visie waarin het dagelijks handelen altijd in relatie staat tot de omgeving en tot de eisen die de mens daar zelf aan stelt. Op dit moment kan met recht gesteld worden dat het beroep vele fasen van professionalisering heeft doorlopen. Om die professionele standaard te behouden zal het noodzakelijk blijven voortdurend alert te reageren op ontwikkelingen in de maatschappij. In ogenschouw nemend wat er in de afgelopen zestig jaar in Nederland en België tot stand gebracht is, kan de toekomst met vertrouwen tegemoet gezien worden.
Astrid Kinébanian, Hugo Nierstrasz, Dominique Van de Velde

2. Kerndomein van de ergotherapie

Samenvatting
Het dagelijks handelen is het uitvoeren van activiteiten en taken die contextgebonden, betekenisvol en ervaringsvol zijn. Tijdens het uitvoeren van activiteiten is sprake van een bepaalde aandacht en betrokkenheid en doet men ervaringen op. De persoon, de context en het handelen zijn de elementen van het domein van de ergotherapie en het mogelijk maken van het dagelijks handelen is het primaire doel van de ergotherapie. Hierbij is de cliënt van de ergotherapie niet meer alleen de persoon en zijn systeem, maar kunnen ook groepen mensen, een gemeenschap of een populatie bedoeld worden. Uitgangspunten over het ‘veranderen door handelen ’ worden door ergotherapeuten toegepast tijdens het aanbieden van ergotherapeutische interventies waarbij cliënten en/of de context kunnen veranderen. Door het uitvoeren van activiteiten is onder meer een ontwikkeling van het dagelijks handelen merkbaar, kan men beter leren handelen, effectiever, efficiënter en veiliger handelen en wordt het dagelijks handelen onderhouden. Dagelijks handelen leidt tot participatie. Participatie is een persoonlijke ervaring van betrokkenheid in een levenssituatie door actief activiteiten uit te voeren en/of deel uit te maken van de context.
Ton Satink, Dominique Van de Velde

3. Ergotherapie in sociaal-maatschappelijk perspectief

Samenvatting
Dit hoofdstuk beschrijft de plaats van ergotherapie in de huidige sociaal-maatschappelijke omgeving. Dagelijks handelen is het kerndomein van ergotherapie en beïnvloedt de gezondheid en het welzijn. Het regenboogmodel laat zien dat naast individuele factoren (persoonlijke leefstijlfactoren en sociale netwerken) ook de samenleving (toegankelijkheid van voorzieningen, sociaal-economische en culturele factoren) van invloed is op gezondheid van de burgers. Naast individuele factoren spelen sociaal-maatschappelijke determinanten op het niveau van de samenleving een grote rol bij gezondheid en welzijn van de bevolking in een land. Daarbij gaat het van rechten van mensen (met een beperking) tot politiek bewustzijn van ergotherapeuten.Het dagelijks handelen heeft zowel een individueel als een sociaal-maatschappelijk perspectief. In de praktijkcontexten van de ergotherapie spelen beide perspectieven een rol. Ergotherapeuten werken steeds meer vanuit het sociaal-maatschappelijk perspectief in en met een organisatie en in en met de burgers in de wijk.De grote lijnen van de maatschappelijke trends zijn op dit moment helder. Veranderingen blijven in snel tempo doorgaan, niet alles is te voorzien. Bij de doorlopende transities in gezondheidszorg, welzijn, onderwijs en arbeid komt een steeds grotere nadruk te liggen op wat mensen zelf met en in hun omgeving kunnen doen. Dit vraagt om ergotherapeuten die opkomen voor kwetsbare mensen die in de knoop raken, van wie de gezondheid hen in de steek laat of die niet voldoende zelf- of samenredzaam zijn. Daarbij is er de noodzaak van samenwerken, zowel vanuit het unieke domein van de ergotherapie als vanuit de professie zelf.
Margo van Hartingsveldt, Marion Ammeraal

4. Ondersteunen en versterken

Op weg naar herstel, zelfmanagement, eigen kracht en inclusie
Samenvatting
Dit hoofdstuk biedt een basis voor ergotherapeuten en studenten Ergotherapie die (kwetsbare) mensen willen ondersteunen en versterken in zelfmanagement, empowerment en herstel ten behoeve van inclusie en participatie. Aansluiten bij de ervaringsdeskundigheid van de mensen zelf en herstelondersteunend werken is hierbij van belang.Vanuit de zorg voor kwetsbare burgers groeit de belangstelling voor herstelondersteuning en voor rehabilitatie als visie en als methodiek. Rehabilitatie helpt mensen bij het herwinnen of vervullen van sociale rollen, zowel in de beperkte kring van lotgenoten, familie en vrienden als in de bredere context van werk, onderzoek en vrijetijdsbesteding. Stigmabestrijding, vermaatschappelijking, maatschappelijke steunsystemen en kwartiermaken zijn manieren om het maatschappelijk klimaat te beïnvloeden.
Inka Logister-Proost, Marion Ammeraal

5. Internationale context

Samenvatting
Uit dit hoofdstuk wordt duidelijk dat processen van globalisering en internationalisering vele voordelen kunnen hebben voor de menselijke gezondheid in het algemeen en voor de ergotherapie in het bijzonder, zoals het delen van onderzoek en het gebruikmaken van Europese fondsen om gezamenlijk ergotherapie te ontwikkelen in Centraal- en Oost-Europa. Ze herbergen echter ook enorme risico’s, bijvoorbeeld wanneer men uit een soort idealisme vrijwillig als ergotherapeut gaat ‘helpen’ in een Oost-Europees land, zonder kennis van het sociale en gezondheidsbeleid, terwijl men denkt dat daar geen ergotherapie is. Dit kan voor de ergotherapeuten ter plekke werkloosheid creëren en een lage status aan het beroep geven. Het zal uiteindelijk meer kwaad dan goed doen.Ook valt uit dit hoofdstuk op te maken dat het VN- en het EU-beleid met betrekking tot de rechten van de mens met een beperking invloed hebben gehad op de paradigmaverschuiving in de ergotherapie van patiënt naar cliënt naar burger (met rechten en verplichtingen). Verder valt te concluderen dat verbetering van de gezondheid in de wereld van vandaag een breed en complex scala van factoren en invloeden op de gezondheid, en multisectorale beleidsmaatregelen en interventies weerspiegelt. Health 2020 geeft deze realiteit weer door in de eerste plaats te investeren in de sociale determinanten van gezondheid, gezondheidsbevordering en ziektepreventie. Een doel van de ‘globale’ ergotherapeutische strategie is de kansen van globalisering en internationalisering te identificeren en optimaal te benutten, en de risico’s zo veel mogelijk te beperken.
Hanneke van Bruggen, Mieke le Granse

6. Internationale classificaties in de gezondheidszorg

Samenvatting
De International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) is een internationaal veelgebruikte classificatie voor het beschrijven van gezondheidscomponenten. De ICF biedt een begrippenkader voor communicatie tussen beroepsgroepen en werkvelden, en voor internationale vergelijking van gegevens. De ICF heeft vele toepassingen en het is belangrijk dat professionals zich bewust zijn van de redenen om een classificatie te gebruiken en van de manier waarop ze deze gebruiken. Er zijn overeenkomsten en verschillen tussen de begrippen in de ICF, de begrippen uit de ergotherapiemodellen en de begrippen uit het nieuwe concept ‘positieve gezondheid’. De vele kritiekpunten, de maatschappelijke ontwikkelingen en het nieuwe concept van positieve gezondheid hebben inmiddels geleid tot voorstellen om de ICF aan te passen.
Edith Cup, Astrid Kinébanian, Yvonne Heerkens

De cliënt, het handelen, de context en de ergotherapeut

Voorwerk

7. Cliënt

Samenvatting
In een dialooggestuurde zorg ligt de nadruk op een filosofie van respect voor en partner zijn met de cliënt die gebruik maakt van de diensten van de ergotherapeut. Cliëntgecentreerd werken benadrukt de autonomie van het individu, de organisatie en de populatie, de behoefte van de cliënt om zijn eigen keuzes te maken met betrekking tot zijn handelen en rekening te houden met de (on)mogelijkheden tijdens de interventie. Ergotherapeut en cliënt profiteren van een open cliënt-ergotherapeutrelatie en zorgen ervoor dat de diensten voor de cliënt toegankelijk zijn en passen binnen zijn context. Dit hoofdstuk over de cliënt wordt gevolgd door een hoofdstuk over de ergotherapeut, waar bij de zorg in dialoog verder expliciet gemaakt wordt vanuit het perspectief van de ergotherapeut, die zich samen met de cliënt (de persoon en zijn systeem, organisatie of populatie) richt op het mogelijk maken van het dagelijks handelen (enabling occupation).
Mieke le Granse, Chris Kuiper

8. Ergotherapeut

Samenvatting
Ergotherapie is gericht op het mogelijk maken van het dagelijks handelen. Dat doen ergotherapeuten cliëntgecentreerd, occupation-based, context-based, evidence-based, technology-based en population-based. De relatie met de cliënt is een belangrijk onderdeel van de interventie, waarbij het gebruik van jezelf (use of self) en creativiteit belangrijke elementen zijn. Bij het mogelijk maken van het handelen maakt de ergotherapeut gebruik van de verschillende enablement skills, deze zijn onderdeel van de cliëntgerichte beroepscompetenties die gericht zijn op de interventie. Door Directe Toegankelijkheid Ergotherapie (DTE) kunnen ergotherapeuten zonder verwijzing van de huisarts na een positieve DTE-screening de interventie direct starten. Het ethisch redeneren van de ergotherapeut wordt in de Beroepscode en Gedragsregels Ergotherapeut beschreven. Het is belangrijk dat alle ergotherapeuten de beroepscode onderschrijven en zich houden aan de gedragsregels. Leadership in Enabling Occupation (LEO) is een belangrijk model voor alle ergotherapeuten. Voor het beroep is het belangrijk dat elke ergotherapeut persoonlijk leiderschap laat zien en de meerwaarde van dagelijks handelen voor gezondheid en welzijn en ergotherapie uitdraagt, zodat deze toegankelijk is voor alle burgers in Vlaanderen en Nederland. Ergotherapeuten zijn gericht op het wegnemen van belemmeringen in wonen, zorgen, leren, werken, spelen en vrije tijd zodat iedereen kan participeren in de samenleving.
Edith Cup, Margo van Hartingsveldt, Anita de Vries-Uiterweerd, Stephanie Saenger

9. Vraaggericht werken en diversiteit

Samenvatting
Dit hoofdstuk gaat in op de begrippen ‘diversiteit’ en ‘cultuur’. Besproken worden aspecten die tot diversiteit gerekend worden en de invloed van die aspecten op de onderlinge omgang en de ergotherapeutische hulpverlening. Ook besproken worden de recente aanbevelingen van de WFOT over omgaan met diversiteit om aansluiting bij een groter aantal cliëntengroepen te garanderen. Tot slot worden aanbevelingen gegeven voor het verbeteren van de zorg en het onderzoek.
Marjan Stomph, Soemitro Poerbodipoero

10. Context

Samenvatting
Dit hoofdstuk biedt een oriëntatie op het brede en complexe begrip ‘context’ in relatie tot het dagelijks handelen van mensen en ergotherapie. Er wordt uitgegaan van een dynamische transactie tussen persoon, context en activiteiten. De context biedt diverse aangrijpingspunten voor ergotherapeuten om het dagelijks handelen van een persoon, systeem, organisatie of populatie te optimaliseren. De ergotherapeut kan de context doelgericht gebruiken of aanpassen om het dagelijks handelen te bevorderen of handelingsbeperkingen te voorkomen. Om bewuste, doelgerichte en contextgerichte ergotherapeutische interventies te ontwerpen wordt het veelomvattende begrip ‘context’ beschreven aan de hand van verschillende aspecten: fysieke omgeving; sociale omgeving; culturele context; temporele context; virtuele context. Diverse toepassingsgebieden binnen de ergotherapie worden aan de hand van voorbeelden toegelicht.
Rieke Hengelaar, Annick Van Gils

11. Technologie in de zorg

Samenvatting
In de toekomst kan, door de groeiende zorgvraag de zorg niet meer op de huidige manier georganiseerd worden. Technologie is een geschikt middel om de zorg toekomstbestendig te maken. Het doelgericht inzetten van technologische toepassingen verruimt mogelijkheden voor cliënten en zorgprofessionals en heeft direct invloed op het dagelijks handelen. De rol van de ergotherapeut verandert bij het zo optimaal mogelijk tot oplossingen komen in het overwegen van technologische toepassingen in dit proces. Daarnaast maken ergotherapeuten zelf meer gebruik van technologie in hun werk en werken zij steeds meer samen met andere professionals. Ook zal de ergotherapeut steeds meer deel uitmaken van het proces bij het ontwikkelen van nieuwe producten of het implementeren van bestaande technologie in de zorg, waarbij er een belangrijke rol ligt in het bewaken van de gebruiksvriendelijkheid en het matchen van het product met de mogelijkheden van de cliënt in zijn/haar omgeving. De oude rol van ‘hulpmiddelenexpert’ komt hierbij weer van pas. Technologie in de zorg is een containerbegrip, waarin vele indelingen en benamingen gehanteerd worden. Een mogelijke indeling is gebaseerd op de toepassing: als ondersteunende technologie of als zorg op afstand.
Edith Hagedoren- Meuwissen, Jeanne Heijkers, Uta Roentgen

12. Ontwikkeling van het dagelijks handelen

Samenvatting
De ontwikkeling van het menselijk handelen wordt in dit hoofdstuk beschreven vanuit het ergotherapeutische perspectief op dagelijks handelen en ontwikkeling, gebaseerd op recente inzichten uit de occupational science. In dit perspectief staat de dynamische interactie tussen de persoon, de context en de activiteiten centraal (interactieperspectief). Mensen blijven zich door te ‘doen’ gedurende hun hele leven ontwikkelen, passen hun dagelijks handelen aan en leren er steeds weer nieuwe activiteiten bij. Drie uitgangspunten zijn voor ergotherapeuten van belang om de ontwikkeling van het dagelijks handelen te kunnen analyseren: de continuïteit in de ontwikkeling, de meervoudige determinanten van persoon en omgeving, en de meervoudige patronen in de niet-lineaire ontwikkeling en de beheersing van handelingen.
Margo van Hartingsveldt, Jolien van den Houten

13. Handelingsgebieden

Samenvatting
Mensen zijn handelende wezens en het leven is niet voor te stellen zonder dan we bezig zijn. In het dagelijks leven zijn mensen voortdurend, alleen en vaak met anderen, betrokken in activiteiten, ook als men ‘vrij’ is en eigenlijk niets hoeft te doen (Wilcock en Hocking 2015). Elke minuut, elk uur en elke dag zijn mensen bezig met dingen te doen. Het dagelijks handelen van mensen bestaat uit wat men vandaag doet, wat men gisteren heeft gedaan en wat men morgen gaat doen. En wat een mens allemaal doet hangt af van het tijdstip van de dag, van waar hij is, met wie hij is en nog veel andere factoren.
Margo van Hartingsveldt

14. Handelingsgebieden: wonen en zorgen

Samenvatting
De eigen woning is de plek bij uitstek voor het handelingsgebied zorgen: het slapen, het huishouden, de zorg voor jezelf en voor andere familieleden. Het beleid in de participatiesamenleving is dat iedereen de kans krijgt om aan de maatschappij deel te nemen, alleen de dagelijkse praktijk is vaak anders. Er komen steeds meer mogelijkheden voor mensen om hun specifieke woonwensen te realiseren, het aantal verschillende woonvormen neemt toe. De komende decennia ontstaat door de dubbele vergrijzing een toename van de vraag naar wonen en zorg. De steeds snellere technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van ICT binnen de woning (domotica) en de zorg (zorg-op-afstand), zorgen voor een revolutionaire verandering in het handelen van de cliënt en zijn systeem, de zorgverlener, de zorgorganisaties. Zorgen bestaat uit een complexe interactie tussen de uitvoering van zelfzorgactiviteiten, activiteiten die noodzakelijk zijn voor het zich handhaven van het individu in het dagelijks en maatschappelijk leven, en activiteiten nodig om zorg te dragen voor anderen in de (directe) omgeving. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen de basisactiviteiten van het dagelijks leven (BADL) en de complexere instrumentele activiteiten van het dagelijks leven (IADL). Het is daarbij essentieel om te weten wie iemand is (identiteit en onafhankelijkheid), wat zijn waarden en normen zijn (effectiviteit, motivatie, keuzes en betekenis) en in wat voor omgeving iemand leeft. De betrokkenheid van een persoon in het zorgen voor zichzelf en anderen staat centraal in de ergotherapie-interventie. Hoe deze factoren zich ontwikkelen kan men terugzien in de levensloop. Hierbij valt op dat het eerste deel van iemands leven in het teken staat van een groeiende zelfstandigheid, die dan lange tijd stabiel blijft en op latere leeftijd weer afneemt. Om de uitvoering van deze activiteiten in kaart te brengen zijn verschillende assessments beschikbaar. Het beschrijven van het dagelijks handelen kan helpen voor het bepalen van prioriteiten binnen dit handelingsgebied. Bij de ergotherapie-interventie kan er gewerkt worden op het niveau van de persoon en zijn systeem, de organisatie of populatie.
Robbert Kruijne, Margriet Pol

15. Handelingsgebieden: leren/werken

Samenvatting
Het hoofdstuk begint met een schets van de ingrijpende transities die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden in Nederland op het gebied van zorg en onderwijs voor jongeren en sociale zekerheid. Deze (context)veranderingen hebben gevolgen voor ergotherapeuten: nieuwe samenwerkingspartners, andere werkgebieden en interventies. Leren/werken wordt gezien als resultante van de dynamische interactie tussen de persoon, de leer- en werkactiviteiten en de context waarin dit leren/werken plaatsvindt. Uitgangspunt hierbij is dat dagelijks handelen (in dit geval) leren/werken de gezondheid positief beïnvloedt vanwege de uitdaging, de structuur, het ‘erbij horen en mee kunnen doen’ en de financiële en betekenisvolle opbrengsten. Maar aan leren/werken gerelateerde gezondheidsklachten, de andere kant van dezelfde medaille, kunnen aanleiding vormen tot ergotherapeutische ondersteuning. De transitie van de ene (levens)fase naar de volgende, zoals van basisonderwijs naar vervolgonderwijs, van leerfase naar werkfase en van werkfase naar pensionering, geeft telkens aanleiding tot verandering in en aanpassing van rollen, routines en structuur. Deze veranderingen kunnen handelingsvragen opleveren.
Chris Kuiper, Jolien van den Houten

16. Handelingsgebieden: spelen en vrije tijd

Samenvatting
Spelen is de puurste vorm van expressie die kinderen laten zien. Ergotherapeuten zijn bij uitstek geschikt om deze betekenisvolle activiteit voor kinderen verder te exploreren om meer inzicht in de betekenis en de waarde van spel te krijgen. In dit hoofdstuk wordt spel belicht vanuit ‘doen’, ‘zijn’, ‘worden’ en ‘erbij horen’. Playfulness en flow zijn belangrijk voor de spelparticipatie. Klinimetrisch onderzoek naar het effect van interventies op het gebied van spel is nodig ten behoeve van betrouwbare en valide instrumenten. Het zoeken van samenwerkingspartners en het bundelen van krachten is van belang om spel stevig op de kaart te zetten. Patiëntenverenigingen en organisaties ter bevordering van spelparticipatie zijn belangrijke partners. Daarnaast is een het van de kerntaken van de ergotherapeut mensen met een beperking begeleiding te bieden naar vrijetijdsbesteding. Toch worden doelen op het gebied van vrijetijdsbesteding vaak te weinig uitgediept. Hoe beleeft een cliënt vrijetijdsbesteding? Waar loopt iemand tegenaan? En vooral: waarom heeft een cliënt zoveel belemmeringen of weerstand? Door als ergotherapeut de maatschappelijke participatie centraal te stellen en letterlijk in de maatschappij te functioneren (door bijvoorbeeld mee te gaan naar activiteiten van de cliënt), krijgt de ergotherapeut een realistisch beeld hoe vrijetijdsbesteding voor mensen met een gezondheidsbeperking geregeld is en beleefd wordt.
Els Spaargaren, Sander Taam

Theoretische onderbouwing: modellen en frameworks

Voorwerk

17. Begrippen begrijpen: de onderbouwing van ergotherapiemodellen

Samenvatting
Dit hoofdstuk bevat een omschrijving van de termen visie, missie en paradigma, kennis en theorie, referentiekaders, methodiek, methodisch handelen en methode, inhouds- en procesmodellen. Hierbij wordt ingegaan op de theoretische perspectieven van waaruit ergotherapeutische inhouds- en procesmodellen ontwikkeld zijn. De kenmerken van procesmodellen worden besproken en er wordt een beknopt overzicht gegeven van ergotherapeutische inhouds- en procesmodellen.
Astrid Kinébanian, Inka Logister-Proost

18. Het Canadian Model of Occupational Performance and Engagement (CMOP-E) en het Canadian Practice Process Framework (CPPF)

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het CMOP-E zich in de laatste decennia heeft ontwikkeld tot een inhoudsmodel dat gericht is op de uitvoering en/of betrokkenheid in het dagelijks handelen van personen, organisatie en populaties in een omgeving. Het bijbehorende CPPF, beschreven als procesmodel/raamwerk, geeft de cliëntgecentreerde, op dagelijks handelen gerichte, evidence-based ergotherapie-interventie vorm. In het CPPF staat in acht actiepunten de samenwerking met de cliënt centraal binnen de directe praktijkcontext en de grotere maatschappelijke context. Beschreven wordt ook de Fit Chart waarin de fit tussen de persoon, het handelen en de omgeving gevisualiseerd wordt.
Margo van Hartingsveldt, Barbara Piškur

19. Model Of Human Occupation (MOHO)

Samenvatting
Dit hoofdstuk beschrijft het MOHO, een ergotherapeutisch inhouds- en praktijkmodel dat toepasbaar is voor elk individu dat een handelingsprobleem ervaart. Het model beschrijft hoe handelen gemotiveerd, (in patronen) georganiseerd en uitgevoerd wordt. Het MOHO is gebaseerd op de systeemtheorie. Het beschouwt de mens als samengesteld uit drie met elkaar samenhangende componenten: wil (volition), gewenning (habituation) en uitvoeringsvermogen (performance capacity). Deze componenten vormen in wisselwerking met de omgeving het handelen. In het handelen worden drie niveaus onderscheiden: participatie (occupational participation), uitvoering (occupational performance) en vaardigheid (occupational skills). Vaardigheid is ingebed in uitvoering en die uitvoering is weer ingebed in participatie. Participatie leidt tot (handelings)identiteit en competentie. Gezamenlijk resulteren de identiteit en de competentie in het aanpassen van het handelen. Verandering in therapie is een dynamisch proces en heeft betrekking op gelijktijdige en op elkaar inwerkende veranderingen in (de componenten van) de persoon, zijn omgeving en de relatie tussen de persoon en de omgeving.
Joan Verhoef, Annerie Zalmstra

20. Het Kawa-model

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt het Kawa-model nader toegelicht. Het Kawa-model is ontwikkeld vanuit de praktijk, beoogt cultureel relevant te zijn en de levensstroom van cliënten in kaart te brengen zonder dat hieraan bepaalde waarden worden gekoppeld. De metafoor van de rivier staat centraal waarbij het water dat stroomt in die rivier de levensstroom weerspiegelt. De rivierbedding, de aanwezige rotsen en het drijfhout bepalen hoe de stroming is in de rivier, oftewel hoeveel ruimte er is voor het water om te stromen. De rol van ergotherapie is het mogelijk maken en/of optimaliseren van die levensstroom.
Liesbeth de Vries, Mieke le Granse

21. Occupational Therapy Practice Framework (OTPF)

Samenvatting
Het Occupational Therapy Practice Framework (OTPF) is een raamwerk: een samenvatting van definities van begrippen in de ergotherapie en het ergotherapieproces en hoe dit alles in verband staat met elkaar. Het raamwerk is ontwikkeld om te verduidelijken wat de bijdrage van ergotherapie is aan gezondheid, welzijn en participatie van individuele personen en groepen en populaties, door hen te betrekken in het dagelijks handelen. Het OTPF maakt het ergotherapieparadigma concreet (Cole en Tufano (2008). Applied theories in occupational therapy: A practical approach. Thorofare, NJ: Slack; zie H. 17). Het OTPF is geen ergotherapeutische taxonomie, theorie of model. Het raamwerk biedt wel een overzicht van begrippen en concrete voorbeelden. Door de ordening in tabellen brengt het structuur in de veelheid van ergotherapeutische begrippen. Het OTPF wordt gebruikt in combinatie met kennis en evidence die relevant is op het gebied van het dagelijks handelen en ergotherapie.
Inka Logister-Proost

22. Het Person-Environment-Occupation-Performance (PEOP)-Model en het PEOP Occupational Therapy Process

Samenvatting
In dit hoofdstuk worden het PEOP-model en het bijbehorende PEOP OT-procesmodel beschreven. Het PEOP benadrukt de noodzaak van het competent zijn in het dagelijks handelen om participatie in het dagelijks en maatschappelijk leven mogelijk te maken, gericht op het ervaren van welzijn. In het PEOP-model zijn zowel de persoonlijke als de omgevingsfactoren belangrijk in het ergotherapeutisch proces van assessment en interventie. Beide worden in het PEOP-model gezien als ondersteunend of belemmerend in het mogelijk maken van het dagelijks handelen. Door het gebruik van het PEOP OT-procesmodel wordt duidelijk hoe de capaciteiten van de persoon en de facilitatoren van de omgeving het dagelijks handelen bevorderen en hoe de beperkingen van de persoon en de barrières van de omgeving het dagelijks handelen belemmeren. Het PEOP OT-procesmodel start met een narratief en maakt daarmee duidelijk dat betekenis in de ergotherapeutische interventie met de persoon en zijn systeem, organisatie of populatie het uitgangspunt is.
Margo van Hartingsveldt, Sanne Pellegrom

23. Overige occupation-based ergotherapie modellen

Samenvatting
In dit hoofdstuk passeert een aantal ergotherapiemodellen de revue. We kijken naar de achtergrond, oorsprong en ontwikkeling van de betreffende modellen en hun theoretische onderbouwing. Per paragraaf wordt ook de structuur van het model beschreven zodat men zich een beeld kan vormen van hoe het model te gebruiken in de praktijk. Verder beschrijven we de visie achter het model, gericht op handelen en participatie en waar mogelijk op interventie. Ten slotte worden eventuele assessments en meetinstrumenten benoemd en is bij elk model beknopte achtergrondliteratuur te vinden, zodat de lezer zelf verder op onderzoek uit kan gaan wanneer hij meer over het model te weten wil komen.
Mieke le Granse, Inka Logister-Proost, Bie Op de Beeck

Ergotherapie in de praktijk

Voorwerk

24. Methodisch handelen

Samenvatting
Een ergotherapeut werkt methodisch met een persoon (en zijn systeem), een organisatie of een populatie. Het methodisch handelen van een ergotherapeut kan omschreven worden als doelgericht professioneel handelen, volgens bepaalde stappen in een cyclisch proces. Methodisch handelen is systematisch, procesmatig, bewust, doelgericht en dynamisch. Dit proces van systematische besluitvorming wordt onderbouwd vanuit een ergotherapeutisch referentiekader. Dit betekent dat een vraag die gesteld wordt aan een ergotherapeut, zal leiden tot cliëntgecentreerde interventies (client-centered) die focussen op het dagelijks handelen (occupation-based) in de omgeving (context-based) en bewezen effectief zijn (evidence-based) (Hartingsveldt et al. 2010). In het proces gaan de cliënt en de ergotherapeut een therapeutische relatie aan, waarbij de dialoog tussen beiden centraal staat, zodat zij samen de vragen over het dagelijks handelen/de participatie bespreken, begrijpen en oplossen of voorkomen. Om een vraag te inventariseren, te interpreteren en op te lossen maakt een ergotherapeut met de cliënt tijdens het methodisch handelen door middel van gezamenlijke besluitvorming een bewuste afweging tussen de verschillende mogelijkheden op grond van evidence, referentiekaders en ervaringen (zie fig. 24.1).
Inka Logister-Proost, Mark Steensels

25. Professioneel redeneren

Samenvatting
Professioneel redeneren is het proces van systematische besluitvorming, gebaseerd op een aanwijsbaar professioneel referentiekader, waarbij gebruik gemaakt wordt van zowel subjectieve als objectieve gegevens en dat dient om het therapieproces te plannen, uit te voeren en te evalueren; zowel vooraf, tijdens als na afloop van dit proces. Ergotherapie is een two-body practice: het professioneel redeneren van de ergotherapie baseert zich op het redeneren vanuit een empirisch-analytisch referentiekader en het redeneren vanuit een interpretatief referentiekader. Binnen deze perspectieven worden verschillende vormen van redeneren onderscheiden. In dit hoofdstuk komen narratief redeneren, interactief redeneren, procedureel redeneren, pragmatisch redeneren, conditioneel redeneren, ethisch en wetenschappelijk redeneren aan bod. Dat professioneel redeneren ook vanuit een kritisch emancipatorisch perspectief mogelijk is, laat de paragraaf over politiek redeneren zien. Professionaliteit veronderstelt een professioneel oordeel en beargumenteerde besluitvorming. Professionele besluitvorming kan gezien worden als het eindresultaat van professioneel redeneren. Bij besluitvorming worden het perspectief van de cliënt, het perspectief van de therapeut en het perspectief van bewijs afgewogen en met elkaar geïntegreerd. Professioneel redeneren en reflecteren worden in de literatuur vaak gekoppeld. Een ergotherapeut die goed kan reflecteren is in staat om alledaagse praktijksituaties in leermomenten om te zetten. Dat gebeurt door afstand te nemen van de eigen acties tijdens de situatie (reflection in action) of na de situatie (reflection on action) en zichzelf vragen te stellen over wat er gebeurde en wat de eigen overwegingen daarbij waren.
Ramon Daniëls, Joan Verhoef

26. Gezondheidsbevordering en veranderen van handelen

Samenvatting
Dit hoofdstuk gaat over gezondheidsbevordering en over de rol van gedragsverandering daarbij. De begrippen gezondheid, preventie en gezondheidsbevordering worden gedefinieerd, met aandacht voor de nieuwe definitie van gezondheid. Van primaire preventie is sprake wanneer de interventie zich richt op gezonde individuen en gericht is op het voorkomen van gezondheidsproblemen. Secundaire preventie richt zich op (vroege) opsporing van symptomen zodat tijdige en adequate interventie verdere ontwikkeling van de ziekte kan voorkomen. Tertiaire preventie vindt plaats bij individuen die al een diagnose hebben, en is gericht op het voorkomen van verdere invalidering. Quarternaire preventie, tot slot, is gericht op terminaal zieken en is gericht op zo veel mogelijk behoud van kwaliteit van leven wanneer het gezondheidsprobleem niet verholpen kan worden. In de literatuur zijn voorbeelden te vinden van effectieve ergotherapeutische interventies op alle niveaus van preventie. De laatste jaren zijn ergotherapeuten in toenemende mate bezig met primaire preventie, onder andere doordat er wereldwijd steeds meer oog is voor het belang van de factor dagelijks handelen in relatie tot gezondheid en welzijn en door veranderingen in de Nederlandse gezondheidszorg. Relevante begrippen in de context van preventie zijn zelfmanagement en – met name ook bij primaire preventie – empowerment. In het kader van ergotherapeutische gezondheidsbevordering worden de begrippen occupation-focused preventie en occupation-focused gezondheidsbevordering behandeld. Gezondheidsbevorderende interventies gaan gepaard met verandering. Daarom is kennis van determinanten van gedrag en processen van gedragsverandering ook voor de ergotherapeut van belang. Verschillende gedragsdeterminanten en modellen voor gedragsverklaring en gedragsverandering worden beschreven. Tot slot wordt Intervention Mapping beschreven, een protocol dat ergotherapeuten helpt bij het uitvoeren van gezondheidsbevordering in de dagelijkse praktijk.
Marieke Werrij, Marluuke Jakobs

27. Analyse van het handelen

Samenvatting
‘Handelen’ is een complex en multidimensionaal begrip, dat vanuit verschillende invalshoeken belicht kan worden. Een analyse van het handelen is dan ook niet eenvoudig maar het is wel mogelijk het handelen ‘uit elkaar te trekken’ of ‘in stukjes te hakken’ om het goed te begrijpen. Analyse van het handelen is één van de ‘gereedschappen’ die ergotherapeuten hebben om samen met de cliënt vragen, toekomstige uitdagingen maar ook knelpunten in het handelen proberen te begrijpen. Analyse van het handelen is dan ook een onderdeel van het methodisch denken en handelen. Het draagt er aan bij om het handelen therapeutisch, of effectief in te kunnen zetten. De analyse van het handelen kan gezien worden als een proces met vijf stappen: (1) bespreken en selecteren van één betekenisvolle activiteit binnen het dagelijkse handelen; (2) inzicht krijgen door alle dimensies van het handelen binnen de geselecteerde betekenisvolle activiteit te bespreken en te beredeneren; (3) observeren van alle dimensies van het handelen bij het daadwerkelijk uitvoeren van de betekenisvolle activiteit; (4) analyseren van bevorderende en belemmerende aspecten in het handelen; (5) Verder gaan met het methodisch handelen en kijken naar de vervolgstappen. Dit stapsgewijze proces is bedoeld als hulpmiddel om handelen systematisch, zo veel mogelijk in samenwerking met de cliënt, te analyseren. Naarmate de ervaring in de praktijk groeit, wordt de ‘analyse van het handelen’ steeds sneller en vaak ook implicieter.
Erica Baarends, Inge Speth-Lemmens

28. Assessments in de ergotherapie

Samenvatting
Het gebruik van assessments in het ergotherapeutisch proces kan veel meerwaarde hebben: het geeft inzicht aan de cliënt en de therapeut, zorgverleners krijgen meer inzicht in het effect van interventies, collega’s en verwijzers verbeteren en standaardiseren hun communicatie en zorgverzekeraars krijgen inzichten in de resultaten. Bij het gebruik van assessments is het van belang om de keuze voor het assessment bewust te maken. Drie vragen staan hierbij centraal: bij wie wil ik informatie verzamelen, wat wil ik aan informatie verzamelen, en met welk doel wil ik informatie verzamelen? Met het PEOP Occupational Therapy (PEOP OT)-procesmodel wordt duidelijk in welke fasen van de ergotherapeutische interventie assessments gebruikt worden. Assessments worden voornamelijk gebruikt in de inventarisatiefase en in de evaluatiefase, maar informatie verzamelen met behulp van assessments is een proces dat gedurende de gehele ergotherapeutische interventie doorloopt. Het is makkelijker een goede keuze te maken als er meer informatie beschikbaar is over het assessment. Daarom zijn in dit hoofdstuk tabellen opgenomen met assessments voor alle cliëntperspectieven binnen de ergotherapie. De tabellen voor het cliëntperspectief ‘de persoon en zijn systeem’ bestaan uit assessments voor kinderen, volwassenen en kinderen/volwassenen. De tabel voor de cliëntperspectieven ‘organisatie’ en ‘populatie’ is onder andere gericht op wijkgericht werken. De klinimetrische eigenschappen van de opgenomen meetinstrumenten zijn te vinden op www.​meetinstrumenten​zorg.​nl, een website van Zuyd Hogeschool.
Margo van Hartingsveldt, Renate Meijers, Sanne Ras, Roos Stal, Marjon ten Velden

29. Kwaliteitszorg

Samenvatting
Het systematisch werken aan kwaliteit is een voortdurende uitdaging voor alle partijen op micro-, meso- en macroniveau. De overheid heeft door wetgeving de kaders aangegeven en bepaalt in overleg met de zorgverzekeraars en zorginstellingen de financiële speelruimte. Naast economische motieven, objectieve gegevens uit onderzoek, staan de mening en de ervaring van de cliënt centraal, verwoord door cliëntenorganisaties, als het gaat om het beoordelen van de kwaliteit van de zorgverlening. Er ligt een levenslange uitdaging voor de ergotherapeut om door onder andere scholing, intervisie en supervisie te werken aan professionele deskundigheid en zo zijn kwaliteit optimaal te houden. Door opname in het kwaliteitsregister kunnen ergotherapeuten deze deskundigheid ook aan derden aantonen. Werken aan kwaliteit is een uitdaging voor afdelingen en teams. Zij kunnen hiervoor gebruik maken van diverse methodieken. Op instellingsniveau wordt steeds meer door kwaliteitsmedewerkers gewerkt met integrale kwaliteitssystemen om alle facetten van de zorgverlening goed aan te sturen. Door externe toetsing en certificering kunnen instellingen ook aantonen dat bij hen de kwaliteit van zorg op orde is. Het is tevens een uitdaging voor een beroepsvereniging als Ergotherapie Nederland en het Vlaams Ergotherapieverbond en de opleidingen Ergotherapie om onderzoek te stimuleren en uit te voeren, beroepsbeoefenaars te stimuleren, evidence-based te werken, internationale kennis- en ervaringsuitwisseling te stimuleren, scholing te geven en samen te werken met cliëntenorganisaties.
Paul van der Hulst, Aline Ollevier, Pieter Wouda

30. Ergotherapie en wetenschappelijk onderzoek

Samenvatting
Dit hoofdstuk laat zien dat ergotherapie en wetenschap sterk met elkaar verbonden zijn en dat er veel verschillende invalshoeken zijn. Zowel het wetenschappelijke domein als de ergotherapie en occupational science kennen grote variatie in onderwerpen en methodieken. Omdat ergotherapie gaat over het veranderen van handelen in de werkelijke wereld en daarmee een zeer complexe interventie is, maakt zij ook gebruik van die grote wetenschappelijke variatie. Met het toenemende aantal wetenschappelijk geschoolde ergotherapeuten en het aantal gepromoveerde ergotherapieonderzoekers zal de wetenschappelijke onderbouwing van ergotherapie en het ergotherapieonderzoek zich verder ontwikkelen. Het blijft een uitdaging die kennis ook toe te passen in de dagelijkse praktijk zodat cliënten de behandeling krijgen die past bij hun wensen en behoeften.
Maud Graff, Ton Satink, Esther Steultjens

Nawerk

Meer informatie