Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek geeft fysiotherapeuten een actueel overzicht van kennis en vaardigheden om (kwetsbare)ouderen adequaat te onderzoeken en behandelen. Uitgaande van gezond ouder worden en de daarbij beïnvloedende factoren zal de transfer worden gemaakt naar de oudere bij wie het allemaal wat moeizamer en gecompliceerder verloopt.

Wat zijn de gevolgen van ouder worden voor spieren en spierfunctie, mobiliteit, posturale controle en uithoudingsvermogen? Hoe bepaal je (klinimetrisch) hierbij welke behandelinhoud en –modaliteiten het meest geschikt zijn? Naast het fysieke aspect bij veroudering wordt ook aandacht geschonken aan voeding, psychische en sociale factoren.

De specifieke aandoeningen die frequent bij de oudere patiënt voorkomen worden in casuïstiek vorm besproken. Zo wordt er stilgestaan bij zowel cardiovasculaire, respiratoire, orthopedische als neurologische en oncologische aandoeningen en de gevolgen van deze aandoeningen voor het onderzoek en de behandeling van de fysiotherapeut/kinesitherapeut. Uiteraard wordt in dit belangrijke naslagwerk ook aandacht geschonken aan het klinisch redeneren en prioriteren bij multi-pathologie.

Geriatriefysiotherapeuten worden geregeld geconfronteerd met een aantal specifieke aandachtsgebieden, zoals valpreventie, depressie en de (bij)werkingen van medicatie. Dit boek bespreekt deze specifieke, maar veel voorkomende situaties en de betekenis daarvan voor het fysiotherapeutisch proces.

Deze uitgave is bestemd voor (geriatrie)-fysiotherapeuten/kinesitherapeuten, oefentherapeuten, ergotherapeuten en alle andere zorgprofessionals die betrokken zijn bij de behandeling van de ouder wordende mens.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Verouderen

Voorwerk

1. Inleiding

Veroudering van de wereldbevolking is een van de grootste menselijke verwezenlijkingen van de laatste eeuwen, maar tegelijkertijd een grote zorg. De demografische transitie die we nu en in de komende decennia ondergaan is gigantisch, maar gaat jammer genoeg gepaard met een tweede transitie, de epidemiologische overgang naar niet-overdraagbare chronische aandoeningen. Hierin gaat nog een derde transitie schuil, de klinische overgang met de presentatie van meerdere aandoeningen in één persoon en andere manifestaties van aandoeningen op latere leeftijd. In dit inleidend hoofdstuk laten we diverse feiten en reflecties over deze ontwikkeling de revue passeren.
D. Cambier

2. Kwetsbaarheid

Veel ouderen hebben te maken met (chronische) aandoeningen, functionele beperkingen en/of multimorbiditeit. De term kwetsbaarheid wordt in dit kader vaak gebruikt. Toch bestaat er geen eenduidigheid over wat men precies onder deze term verstaat. In dit hoofdstuk worden de verschillende definities van kwetsbaarheid besproken en de verschillende manieren om dit in de dagelijkse praktijk te meten.
N. M. de Vries

Gezond ouder worden

Voorwerk

3. Fysieke activiteit en oefenen: definities, voordelen, risico’s en normen

Het is essentieel dat zorgverleners grondige kennis en inzichten hebben van de interactie tussen fysieke activiteit en gezondheid. In deze is de rol van fysieke fitheid cruciaal. Dit vermogen valt of staat ongeacht leeftijd met de status of prestaties van de lichamelijke (grond)motorische (basis)eigenschappen. Deze eigenschappen staan in onze doelgroep echter bloot aan heel wat (deteriorerende) veranderingen en juist het aanpakken van deze wijzigingen kan als hoeksteen worden beschouwd van de fysiotherapie of kinesitherapie in de geriatrie. Dit moet het namelijk mogelijk maken de (on)mogelijkheden van het verouderend individu beter in te schatten en te ondervangen, evenals de rationale van verschillende oefenmodaliteiten en -doseringen beter te begrijpen. Alvorens de interactie activiteit-gezondheid te duiden en de veroudering van de grondmotorische eigenschappen grondig te bespreken, lijkt het a priori zinnig enige eenvormigheid na te streven in het lexicon dat wordt gehanteerd.
D. Cambier

4. Spieren en spierfunctie

Aanvakelijk werd sarcopenie gedefinieerd als leeftijdsgebonden afname in spiermassa. Operationele definities voor sarcopenie omvatten functieverlies in aanwezigheid van spierzwakte en/of spieratrofie. De pathofysiologie is multifactorieel en een nauwe samenhang met inflammatoire processen werd aangetoond. Sarcopenie verergert door een complexe interactie tussen veroudering, ondergebruik, immobilisatie, ziekte en ondervoeding. Een uitgebreid geriatrisch assessment moet het mogelijk maken de relatieve bijdrage van deze factoren te bepalen en een adequate behandelstrategie te ontwikkelen. Intensieve krachttraining is thans de meest efficiënte behandeling voor sarcopenie, zelfs bij zeer oude geriatrische patiënten. Significante verbeteringen (tot >50 % krachtswinst) kunnen verwacht worden na zes weken training bij twee tot drie sessies per week. Vanuit preventief oogpunt zou alle oudere patiënten geadviseerd moeten worden een dergelijk oefenprogramma te starten en vol te houden. Naast effecten in de spier zelf, worden systemische reacties uitgelokt door spierkrachttraining, waaronder een betere cellulaire bescherming en een verlaging van het inflammatoir profiel.
I. Bautmans

5. Balanscontrole bij veroudering

Om tijdens alledaagse bewegingen onze balans te bewaren en niet te vallen, moet de positie van het lichaamszwaartepunt ten opzichte van het steunvlak worden gecontroleerd. Een goede balanscontrole vergt een adequaat samenspel van de sensorische subsystemen, de bijbehorende afferente zenuwen, delen van het brein en het motorische systeem. Fysiologische veroudering van deze systemen beperkt het vermogen om balans te controleren tijdens staan en lopen. Om dit vermogen tot balanscontrole bij ouderen te testen kan gebruikgemaakt worden van vragenlijsten, functionele testen van houding en beweging of geavanceerde methoden om de kwaliteit van subsystemen te bepalen en van het vermogen om een verstoorde balans te herstellen. Bij een verstoorde balans is verbetering mogelijk door training; de meest effectieve vorm van training voor balansverbetering en valreductie is functionele balanstraining, waarbij combinatie met krachttraining, het uitdagen van specifieke sensorische processen en het gebruik van cognitieve dubbeltaken het meest zinvol lijkt.
J. H. van Dieën, M. Pijnappels

6. Uithoudingsvermogen

Het uithoudingsvermogen zorgt ervoor dat een lichamelijke inspanning een bepaalde tijd kan worden volgehouden. Als gevolg van veroudering treden er allerlei anatomische en fysiologische veranderingen op. Zowel het aerobe als het anaerobe uithoudingsvermogen vertoont een afname in functionaliteit. Om de functie van het uithoudingsvermogen te classificeren alsmede voor het opstellen van een trainingsplan en de effecten van een interventie te beoordelen, zijn klinimetrische tests en gegevens noodzakelijk. Afhankelijk van de hulpvraag, het functionele niveau van de patiënt en de fysieke belastbaarheid kan een beargumenteerde keuze gemaakt worden uit de verschillende klinimetrische tests. Bij de training van het uithoudingsvermogen zijn de algemene trainingsprincipes leidend. Indien het (nog) niet mogelijk is om te trainen op basis van deze principes, ligt het accent eerst op meer bewegen in het algemeen.
B. W. M. Pierik

7. Mobiliteit

De oudere volwassene wordt beschouwd als een biologisch volwassen individu met structurele en functionele gewrichtsveranderingen ten gevolge van de leeftijd. Bindweefselveranderingen spelen een essentiële rol in het ontstaan van deze functiestoornissen. Naast het normale verouderingsproces zullen de voordien gedane arbeid en sport, eerder doorgemaakte letsels en houdingsgewoonten een rol spelen in het ontstaan van functiestoornissen bij ouderen. Omdat de combinatie van deze factoren voor elke oudere verschilt, is de verscheidenheid in het klinisch beeld waarmee een oudere zich presenteert ook groot. Comorbiditeiten zoals osteoartrose en diabetes mellitus zullen een bijkomende invloed hebben. Oefenprogramma’s zijn meestal multifactoriële interventies en blijken veelbelovend te zijn met betrekking tot de algemene mobiliteit. Het includeren van elementen van stappen/lopen, krachttraining en flexibiliteit binnen één en dezelfde interventie blijkt een gunstige invloed te hebben op de algemene mobiliteit. Grote methodologische verschillen maken het onmogelijk conclusies te trekken over welke component het beste resultaat heeft.
P. A. R. Roosen

Pathologie

Voorwerk

8. Klinisch redeneren

Het proces waarmee de fysiotherapeut tot een fysiotherapeutische diagnose komt, heet klinisch redeneren of in het Engels ‘clinical reasoning’ of ‘diagnostic reasoning’. Elke afzonderlijke pathologie heeft een eigen impact, waarbij klassieke patronen gemaskeerd kunnen worden door verouderingssymptomen, door de aanwezigheid van een andere pathologie of zelfs door het effect van medicatie die gebruikt wordt voor een andere pathologie. Dit vergt in het diagnostisch proces meer kennis en kunde van de fysiotherapeut, maar ook meer inzicht in dat proces zelf om kritisch te kunnen blijven reflecteren op het eigen handelen. Dit hoofdstuk gaat dieper in op de verschillende methoden van klinisch redeneren.
J. S. M. Hobbelen

9. Dementie

Dementie behelst stoornissen op verschillende cognitieve functiedomeinen, waardoor uiteindelijk de zelfredzaamheid verstoord raakt. De prevalentie van dementie neemt op hogere leeftijd aanzienlijk toe. De meest voorkomende oorzaken van dementie zijn: dementie door de ziekte van Alzheimer, frontotemporale dementie, dementie met lewylichaampjes, vasculaire dementie en dementie door de ziekte van Parkinson. Op oudere leeftijd is er meestal sprake van een combinatie van verschillende oorzaken. De diagnose wordt gesteld op basis van het klinische beeld, de anamnese en de heteroanamnese. Een verbeterd preventief cardiovasculair risicomanagement en betere leefstijl (waaronder voeding) hebben ertoe geleid dat dementie nu ongeveer 25 % minder voorkomt dan 25 jaar geleden op grond van demografische samenstelling van de bevolking werd gedacht. Naast medicamenteuze symptomatische behandeling vormt ondersteuning van mantelzorgers de pijler in het behandelbeleid. Oefentherapie is de meest effectieve fysiotherapeutische interventie. Oefentherapie heeft een positief effect bij mensen met dementie op het verbeteren van ADL en cognitie.
F. R. J. Verhey, J. S. M. Hobbelen

10. CVA

Een cerebrovasculair accident heeft een zeer hoge prevalentie in de groep ouderen (65+) en kan een grote impact hebben op het dagelijks functioneren en kwaliteit van leven van de getroffene en de mantelzorger. Een CVA kenmerkt zich meestal door neurologische uitval, die zich onder andere kan uiten als de volgende symptomen: verlamming in het gezicht, halfzijdige verlamming van het lichaam, verstoorde spraak, verlies van gezichtsvermogen, tintelingen, evenwichtsstoornissen en duizeligheid. De enorme mate van invaliditeit en gerelateerde afname in kwaliteit van leven die de ziekte veroorzaakt, zorgen ervoor dat mensen met een CVA relatief vrij intensief gebruikmaken van het zorgstelsel, bijvoorbeeld van de fysiotherapeut/kinesitherapeut. Fysiotherapeuten/ kinesitherapeuten spelen een heel belangrijke rol in het multidisciplinaire revalidatietraject en de nazorg van deze patiënten. Hun behandeling bestaat uit functionele training ten behoeve van het functieherstel van de aangedane lichaamsgebieden, ADL-gerelateerde vaardigheidstraining en zelfmanagement om het activiteiten-/ en participatieniveau te optimaliseren.
T. P. M. M. Vluggen

11. Ziekte van Parkinson

De ziekte van Parkinson is het meest voorkomende hypokinetisch-rigide syndroom. Daarnaast zijn er atypische parkinsonismen die zich onderscheiden door vooral een progressiever beloop, een slechtere respons op antiparkinsonmedicatie en het sneller optreden van balans- en cognitieve stoornissen. Naast de kenmerkende motorische stoornissen, zoals bradykinesie, rigiditeit en tremor, zijn er veel niet-motorische stoornissen. Het geleidelijk beloop en de vele stoornissen maken dat mensen met de ziekte van Parkinson langdurig multidisciplinaire zorg behoeven. Vanwege het heterogene beeld, heeft zorg van deskundige zorgverleners die veel patiënten zien de voorkeur. Fysiotherapeuten spelen een belangrijke rol in deze multidisciplinaire behandeling. Zij geven voorlichting aan patiënten, functietraining in de vorm van zelfstandige beweegprogramma’s of participatie aan sport en geven vaardigheids- of compensatietraining.
M. J. Nijkrake, S. Keus

12. COPD

De in dit hoofdstuk besproken casus betreft een patiënt (dhr. VA) met chronisch obstructief longlijden (COPD) met comorbiditeit. De patiënt heeft naast een obstructieve longfunctie een gedaalde inspanningscapaciteit, een afgenomen respiratoire en perifere spierkracht. Hij lijdt aan obesitas en ervaart in het dagelijks leven kortademigheid bij dagelijkse activiteiten. Om een revalidatieprogramma op te stellen wordt de fysieke fitheid van de patiënt gemeten. Daarnaast wordt gekeken of er aangrijpingspunten zijn voor een multidisciplinaire behandeling. Wat de fysio- of kinesitherapeutische behandeling betreft, ligt in het algemeen de focus op mucusproblematiek (maar niet bij deze patiënt), verbeteren van de inspanningscapaciteit en de fysieke activiteit. Daarnaast wordt het valrisico in kaart gebracht. Bij de behandeling wordt ingegaan op het uitwerken van een oefenprogramma: welke oefeningen worden gebruikt, met welke intensiteit en welke trainingsmodaliteit. Ook wordt het nazorgprogramma besproken. Tot slot wordt ingegaan op enkele belangrijke aandachtspunten voor het multidisciplinair revalidatieprogramma van de patiënt.
T. Troosters, V. Barbier, W. Janssens

13. Metabool

Diabetes mellitus (DM) type 2 oftewel suikerziekte komt zeer frequent voor in de verouderende populatie. Wereldwijd worden ongeveer 350 miljoen mensen getroffen door diabetes en dit aantal stijgt alleen maar. Dit heeft grote impact op het functioneren en de levenskwaliteit van de oudere. De besproken casus betreft een patiënte met diabetes mellitus type 2 met cardiale comorbiditeit. Op zowel uithouding, kracht als functioneel vlak scoort de vrouw laag en een reconditioneringsprogramma is essentieel. Om een programma op te stellen, moeten eerst ijkpunten worden bepaald. Voor uithouding zal dit gebeuren aan de hand van een maximale inspanningstest met bepaling van de VO2max en de ventilatoire drempel. Voor kracht zal gebruik worden gemaakt van de indirecte 1 RM-meting op fitnesstoestellen. Tevens zal een aantal functionele testen als de 6-minutenwandeltest, de handknijpkracht (maximale kracht en krachtuithouding) en sit-to-stand (functionele kracht) worden uitgevoerd. Bij behandeling wordt ingegaan op het uitwerken van een oefenprogramma.
P. Calders

14. Artrose van de heup; etiologie, diagnostiek en behandeling

Artrose is een progressief pathologisch proces waarbij de hoeveelheid en kwaliteit van het gewrichtskraakbeen afnemen. Artrose komt vooral in het heup- en kniegewricht voor. Klinisch kenmerkt artrose zich door pijn, gewrichtsstijfheid en functio laesa, de diagnose wordt door middel van een anamnese en röntgenfoto’s gesteld. De behandeling is conservatief (adviezen voor het veranderen leefstijl gericht op de balans tussen belasting en belastbaarheid, fysiotherapie en pijnstilling) en in ernstigere gevallen operatief. De fysiotherapeutische behandeling is gericht op het minimaliseren van fysieke beperkingen en verbeteren van de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven. Doelstellingen zijn educatie van de patiënt over het managen van het ziekteproces, onderhouden van gewrichts- en spierfunctie en van het uithoudingsvermogen. Bij ernstige artrose is een gewrichtsvervangende prothese een effectieve interventie. Bij de revalidatie hiervan speelt fysiotherapie een belangrijke rol in het verminderen van postoperatieve pijn en zwelling, het verbeteren van spierkracht en beweeglijkheid en in het opheffen van functionele beperkingen.
W. van der Weegen

15. Cardiovasculaire pathologie in de geriatrische revalidatie

Cardiovasculaire aandoeningen komen vaak voor bij oudere personen en zijn in deze populatie de belangrijkste doodsoorzaak. Kransslagaderlijden en hartfalen zijn hierin de belangrijkste en meest courante aandoeningen die de fysiotherapeut/kinesitherapeut in de klinische praktijk tegenkomt en waarbij de behoefte aan revalidatie zeer hoog is. Hoewel verhoging van fysieke activiteit en revalidatie aanleiding geeft tot een hogere levensverwachting, lagere morbiditeit en/of lagere hospitalisatiefrequentie bij patiënten met kransslagaderlijden en/of hartfalen, dient er voldoende aandacht te worden besteed aan specifieke behoeften en kenmerken van oudere personen met dergelijke aandoeningen. Deze doelpopulatie heeft namelijk regelmatig te maken met een scala van comorbiditeiten en hun belastbaarheid is vaak verminderd. In dit hoofdstuk wordt uitvoerig belicht hoe revalidatie bij oudere personen met kransslagaderlijden en/of hartfalen dient te worden benaderd. Aan de hand een casus van een man van 87 jaar met hartfalen en pacemaker en voorgeschiedenis van kransslagaderlijden, wordt de praktische implementatie van revalidatie toegelicht.
D. R. M. J. Hansen, I. Frederix

Speciale aandachtsgebieden

Voorwerk

16. Oncologiefysiotherapie in de geriatrie

In dit hoofdstuk worden de diagnostiek en de medische behandeling van kanker besproken. Aan de hand van de bijwerkingen van kanker en van de medische behandelingen komen de fysiotherapeutische behandelopties aan de orde. Er wordt beoogd inzicht te geven in de complexiteit van de medische behandeling van kanker teneinde het gezondheidsprobleem van een geriatrische patiënt met kanker te beoordelen. De kennis uit de geriatriefysiotherapie en oncologiefysiotherapie worden hiertoe geïntegreerd.
J. T. Hidding

17. Palliatieve zorg en pijn in een oudere populatie

De complexiteit van chronische aandoeningen bij de ouder wordende populatie leidt tot veranderende symptomatologie en behoeften aan het levenseinde. De symptomen zijn vaak niet alleen het gevolg van fysieke, maar ook van psychische en spirituele behoeften. Symptoomcontrole begint met een optimale beoordeling van symptomen aan de hand van hulpmiddelen, die zijn aangepast aan de cognitieve en communicatieve vaardigheden van de persoon. Een van de belangrijkste symptomen gedurende het gehele palliatieve traject van de oudere is ‘pijn’. Richtlijnen ontwikkeld door panels van deskundigen van nationale verenigingen kunnen behulpzaam zijn bij het optimaliseren van de behandeling. Het begeleiden van de oudere in de palliatieve fase is een taak voor elke zorgverlener en vereist naast een uitstekende kennis van de geriatrische en palliatieve zorg, een dosis empathie en goede communicatieve vaardigheden.
N. J. A. van den Noortgate

18. Farmacotherapie en geriatriefysiotherapie

Geriatrische patiënten gebruiken vaker geneesmiddelen dan jongere volwassenen. Zij zijn tevens kwetsbaarder voor ongewenste bijwerkingen door afgenomen homeostatische mechanismen. De belangrijkste farmacokinetische verandering die zich bij ouder worden voordoet, is de afname van de uitscheiding van geneesmiddelen door de nieren door de geleidelijk afnemende nierfunctie. Belangrijke ziekten en aandoeningen die vooral bij ouderen voorkomen zijn artrose, beroerte (door een trombo-embolie bij atherosclerose of boezemfibrilleren), osteoporose, cataract, glaucoom, dementie (zoals de ziekte van Alzheimer), diabetes mellitus type 2, hyperlipidemie (verhoogde cholesterolconcentratie in het bloed), herpes zoster (gordelroos), prostaatvergroting (prostaathyperplasie), urine-incontinentie, de ziekte van Parkinson en natuurlijk verschillende vormen van kanker (met daarbij pijnstilling). Bij al deze aandoeningen is het gebruik van geneesmiddelen een van de mogelijkheden tot behandeling of verlichting van de symptomen. Voor optimale geriatriefysiotherapeutische behandeling is het nodig dat de geriatriefysiotherapeut weet met welke geneesmiddelen een patiënt wordt behandeld en welke (bij)werkingen deze geneesmiddelen kunnen veroorzaken.
J. M. A. Sitsen

19. Bekkenbodemdisfuncties bij ouderen

Ouderen kampen veelal met complexe en multipele problematiek. Naast problemen met betrekking tot mobiliteit spelen vaak bekkenbodemdisfuncties, zoals mictie- en defecatiestoornissen, een rol. Deze disfuncties kunnen oorzaak zijn van afwijkingen in het verwachte behandelverloop bij ouderen en omgekeerd kunnen problemen met mobiliteit of sarcopenie het behandelverloop van bekkenbodemdisfuncties negatief beïnvloeden. Bekkenbodemdisfuncties ontstaan enerzijds door veroudering van het urogenitale en anorectale gebied, anderzijds door functionele en cognitieve achteruitgang. Ook bij ouderen leiden deze problemen tot schaamte en isolement. Herkennen en diagnosticeren van bekkenbodemdisfuncties is een eerste, belangrijke stap. Het optimaliseren van de functie van de bekkenbodem, het verbeteren van het toiletgedrag en het leren reguleren en opvangen van de buikdruk zijn effectieve manieren om mictie- en defecatiestoornissen te behandelen.
L. Westerik-Verschuuren, H. Moossdorff-Steinhauser

20. Vallen

Vallen is een groot probleem bij ouderen met verstrekkende gevolgen, zowel lichamelijk als psychosociaal. Daarnaast zorgt de valproblematiek voor hoge medische kosten voor de maatschappij. Omdat het aantal ouderen toeneemt en vanwege de hoge frequentie en ernstige consequenties van valpartijen is het van belang vallen zo veel mogelijk te beperken. Hiervoor is het noodzakelijk mensen met valrisico op een goede manier te detecteren en hun valproblematiek te inventariseren, zodat er geschikte interventie kan plaatsvinden. Aangezien mobiliteitsproblemen – problemen met balans, kracht en lopen – een van de belangrijkste risicofactoren zijn voor vallen en er daarnaast is aangetoond dat met name oefentherapie effectief is om vallen te voorkomen, speelt de fysio/kinesitherapeut een belangrijke rol in de preventie van vallen bij ouderen.
E. Smulders

21. Hulpmiddelen en ondersteunende technologie

Hoewel het adviseren en leren omgaan met ondersteunende technologie niet primair een taak van de fysiotherapeut is, komt deze er wel mee in aanraking; zeker bij de doelgroep geriatrische patiënten. Het is daarom belangrijk dat geriatriefysiotherapeuten op de hoogte zijn van de mogelijkheden van ondersteunende technologie. Ondersteunende technologie is een vertaling van de Engelse term ‘Assistive Technology’. In dit hoofdstuk wordt de volgende definitie van ondersteunende technologie gehanteerd: ondersteunende technologie is technologie die individueel of door een groep te gebruiken is, zonder tussenkomst van een zorgverlener, om dagelijks handelen en participatie mogelijk te maken. Hieronder vallen hulpmiddelen, robotica en domotica, maar ook allerlei smartphone applicaties om bijvoorbeeld zelfmanagement te bevorderen. In dit hoofdstuk worden de hiervoor genoemde toepassingen kort beschreven en worden tips omtrent het adviseren van hulpmiddelen gegeven. Loophulpmiddelen, til- en transferhulpmiddelen en fietsen worden meer in het bijzonder toegelicht.
E. Hagedoren-Meuwissen

22. Voetklachten en schoenen

Met het toenemen van de leeftijd treden verschillende veranderingen in de voeten op. Zo verliezen de gewrichtskapsels en de synoviale membranen hun soepelheid, treedt artrotische degeneratie op en vermindert de beweeglijkheid van de voetgewrichten. Al deze veranderingen kunnen pijn veroorzaken. Er is maar weinig wetenschappelijk onderzoek verricht naar de effectiviteit van de behandeling met schoenaanpassingen. De behandeladviezen zijn dan ook vooral gebaseerd op praktische ervaringen. Natuurlijk moet men zich afvragen of fysiotherapeutische behandelingen effectief kunnen zijn. De meeste aandoeningen die hier beschreven worden gaan met deformiteiten gepaard. In die gevallen is fysiotherapeutische behandeling niet zinvol.
K. Postema

23. Psychosociale kwetsbaarheid

Psychosociale kwetsbaarheid hangt onlosmakelijk samen met fysieke kwetsbaarheid. Tot psychosociale kwetsbaarheid worden uiteenlopende psychische en sociale kenmerken van kwetsbaarheid gerekend, zoals eenzaamheid, angst, depressie, en verminderde cognitieve vermogens. Alhoewel de kenmerken van fysieke kwetsbaarheid uiterlijk het meest zichtbaar zijn, kan psychosociale kwetsbaarheid als trigger van fysieke kwetsbaarheid worden beschouwd. Na afbakening van de kenmerken van psychosociale kwetsbaarheid worden de symptomen van psychosociale problemen, zoals eenzaamheid, angst, depressie en cognitieve beperkingen, beschreven. Hierbij wordt aandacht besteed aan de prevalentie en dynamiek van psychosociale kenmerken. Ook de onderlinge samenhang en de beïnvloedbaarheid worden in kaart gebracht. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de invloed die lichamelijke activiteit heeft op het ontstaan en het verloop van psychosociale kenmerken van kwetsbaarheid.
M. H. G. de Greef

24. Depressieve stoornis bij ouderen

Een depressieve stoornis is een langer durende ontregeling van de gemoedstoestand met een ernstig gedrukte stemming. Deze aandoening kan vrijwel ieder aspect van het menselijk bestaan beïnvloeden. Bij ouderen uit depressiviteit zich vaker dan bij jongere volwassenen met lichamelijke klachten. Overigens is er bij een depressieve stoornis nagenoeg altijd sprake van een algehele vertraging in het functioneren. Dit blijkt onder meer uit een verstoorde psychomotoriek (vlakke mimiek, verminderde gestiek en traagheid in denken en handelen). Bij het ontstaan en de instandhouding van een depressieve stoornis spelen doorgaans meerdere factoren op biologisch, psychologisch en sociaal vlak. Dit impliceert dat er voor de behandeling van depressiviteit meestal meerdere aanknopingspunten zijn. Het is afhankelijk van de betrokken persoon, zijn of haar verwachtingen, de aard van de problematiek en eventuele comorbiditeit, waar het accent van de behandeling moet liggen. Hierbij is het altijd belang aandacht te schenken aan de lichamelijke conditie.
W. Garenfeld

25. De diëtist en fysiotherapeut als team voor het verbeteren van de functionaliteit van de kwetsbare oudere

Goede voeding en spieropbouw zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Beweging of therapie alleen is niet voldoende. Met aandacht voor de kwaliteit en kwantiteit van de voeding kan het lichaam zich herstellen of ontwikkelen, krijgen spieren de juiste bouwstoffen aangevoerd en beschikt het lichaam over de nodige voedingsstoffen om goed te kunnen functioneren. Voor ouderen kan het lastiger zijn om gezond te eten. Belangrijkste obstakels zijn eventuele ziekten en beperkingen. De belangrijkste voedingsstoffen die aandacht nodig hebben worden aangegeven en hoe de geriatriefysiotherapeut een eventueel tekort aan voedingsstoffen kan herkennen.
I. Huisman, P. C. M. Koot

26. Zelfmanagement en motivatie

Zelfmanagement en motivatie zijn belangrijk in de geriatrische fysiotherapie en kinesitherapie, vanwege de effectiviteit van de behandeling, de efficiëntie in de zorg, en om te werken met een moderne visie op zorg. Als zorg voor de patiënt bijdraagt aan het behalen of versterken van belangrijke levensdoelen, behoeften en wensen, zal de patiënt eerder geneigd zijn tot gedragsverandering en deze ook beter volhouden vanwege een intrinsieke motivatie. De manier waarop behandelaars professioneel contact hebben met patiënten speelt hierbij een belangrijke rol. Motiverende gespreksvoering is een vorm van consultvoering, waarbij het voorbereiden op verandering centraal staat en de behandeling uitgaat van de mogelijkheden, doelen en wensen van de patiënt. Hiertoe is de behandelaar cliëntgericht, creëert bij de patiënt discrepantie tussen de huidige en de gewenste situatie, gaat mee met weerstand en ondersteunt de persoonlijke effectiviteit van de patiënt. De behandelaar houdt hierbij wel actief (mede)regie over de behandeling.
J. C. Keers

Epiloog

Voorwerk

27. Epiloog – Je leven waarderen, ook als de bladeren vallen en de boom wegkwijnt

In dit hoofdstuk is de stelling: als ‘conserveren’, ‘de boel goed zien te houden’ de enige houding en benadering is van ouder, zwakker, ziek worden en sterven, en als daarbij het vervallen en wegkwijnen verzwegen wordt, is het vroeg of laat een recept voor grote verlegenheid. En dat niet alleen. Zo’n eenzijdige opvatting werkt een belangrijke andere mogelijkheid om gezond met onvermijdelijk lijden om te gaan buiten beeld. Er is een andere aanpak, en die aanpak sluit het conserveren van het individuele bestaan zo lang dat kan, niet uit maar in.
P. J. M. Verduin

Nawerk

Meer informatie

Extra’s