Skip to main content
main-content
Top

Inhoudsopgave

Voorwerk

1 Wat is een geneesmiddel?

In de Wet op de geneesmiddelenvoorziening worden geneesmiddelen omschreven als: stoffen die bestemd zijn om te worden gebruikt of die worden aangeduid of aanbevolen als zijnde geschikt voor:
J. van Amerongen, H. Elling

2 Toepassing van een geneesmiddel

In dit hoofdstuk houden we ons bezig met algemene kenmerken van geneesmiddelen, die in de praktijk van belang zijn bij het gebruik. We staan stil bij de diverse toedieningsvormen en toedieningswegen van geneesmiddelen en bekijken wat er in het lichaam allemaal met een geneesmiddel gebeurt. Om in naslagwerken gevonden informatie over geneesmiddelen goed te kunnen begrijpen, is deze basiskennis nodig.
J. van Amerongen, H. Elling

3 Pijn

  • We onderscheiden twee groepen analgetica, de opioïden en de niet-opioïden.
  • Opioïden zijn sterk werkzame pijnstillers met veel bijwerkingen.
  • Niet-opioïden zijn pijnstillers voor de lichte en matige pijn. Hiertoe behoren ook de pijnstillers met een koortsverlagende en soms ontstekingsremmende werking.
  • Reuma is een verzamelnaam voor aandoeningen aan het bewegingsapparaat.
  • We onderscheiden bij de middelen tegen reumatische aandoeningen twee groepen: de NSAID’s en de langzaam werkende antirheumatica.
  • NSAID’s hebben behalve een pijnstillende ook een ontstekingsremmende werking. De voornaamste bijwerking is het ontstaan van maagklachten.
  • Langzaam werkende antirheumatica remmen het ziekteproces af, waardoor gewrichtsschade beperkt blijft.
  • Jicht is een pijnlijke gewrichtsaandoening die ontstaat ten gevolge van een stofwisselingsstoornis. Hierdoor is het urinezuurgehalte in het bloed te hoog. Bij de behandeling van jicht wordt een onderscheid gemaakt tussen de behandeling van een acute aanval en een preventieve behandeling.
J. van Amerongen, H. Elling

4 Psychische aandoeningen

  • In de slaap onderscheiden we perioden van diepe slaap en droomof REM-slaap.
  • Voorlichting over een normale slaap is zeer belangrijk. Slaapmiddelen worden alleen toegepast als iemand ook overdag last heeft van een tekort aan slaap.
  • Angst en onrust zijn verschijnselen van angststoornissen waarbij de patiënt klachten heeft die variëren van piekeren tot ernstige lichamelijke verschijnselen, zoals pijn op de borst.
  • Bij angststoornissen moet in de eerste plaats iets gedaan worden aan de oorzaak. Veelal zal gespreks- of gedragstherapie noodzakelijk zijn.
  • De meeste slaap- en kalmeringsmiddelen behoren tot de benzodiazepinen of verwante verbindingen.
  • Het advies bij het gebruik van slaapmiddelen is: alleen ‘zo nodig’ gebruiken en gedurende maximaal twee weken. Bij langdurig gebruik gaat de werking achteruit.
  • Combinatie van alcoholhoudende drank met een slaap- of kalmeringsmiddel versterkt het effect van beide.
  • Slaap- en kalmeringsmiddelen kunnen het concentratievermogen verminderen, waardoor onder andere de rijvaardigheid negatief beïnvloed wordt.
  • Benzodiazepinen hebben weinig bijwerkingen, al kunnen ze vooral bij oudere mensen problemen geve (spierverslapping).
  • Benzodiazepinen geven gewenning waardoor patiënten meer gebruiken dan voorgeschreven is, zodat ze vaak te vroeg terugkomen voor een herhaalrecept.
  • Benzodiazepinen kunnen aanleiding geven tot verslaving door emotionele en lichamelijke afhankelijkheid. Beëindiging van de therapie kan daardoor problemen opleveren.
J. van Amerongen, H. Elling

5 Mond, keel, neus en oren

  • De symptomatische therapie bij aandoeningen in de mondholte bestaat uit verhoging van de speekselproductie.
  • Gezwollen neusslijmvlies kan veroorzaakt worden door een infectie of door een overgevoeligheidsreactie. In de meeste gevallen is een virus de oorzaak van verkoudheid.
  • Neusverkoudheid kan worden behandeld met stomen en met zoutdruppeltjes. Als dat niet helpt, kunnen middelen worden gebruikt die het neusslijmvlies doen slinken.
  • Als de neusklachten het gevolg zijn van een allergie, kunnen mestcelstabilisatoren, een antihistaminicum of lokale corticosteroïden verlichting geven.
  • Mestcelstabilisatoren en lokale corticosteroïden hebben alleen een (preventief ) effect als ze continu gebruikt worden.
  • Bij een otitis externa wordt de ontsteking tot rust gebracht met een antiseptisch middel, na reiniging van de gehoorgang.
J. van Amerongen, H. Elling

6 Bloed

  • IJzer is een belangrijk onderdeel van hemoglobine, de rode bloedkleurstof in de rode bloedcellen, waaraan zuurstof wordt gebonden.
  • Bloedarmoede ontstaat door bloedverlies, versnelde afbraak van rode bloedcellen of verminderde aanmaak, onder andere door ijzergebrek.
  • IJzerpreparaten moeten het liefst op de lege maag worden ingenomen. Ze kunnen verstopping veroorzaken en kleuren de ontlasting zwart. Bij maagklachten is het advies ze na de maaltijd te gebruiken.
  • Het stoppen van een bloeding gebeurt door een samenspel van factoren: het samentrekken van de bloedvaten, het samenklonteren van bloedplaatjes bij de beschadigde vaatwand en het inschakelen van het stollingsmechanisme.
  • Trombocytenaggregatieremmers worden voornamelijk gebruikt ter voorkoming van een hernieuwd hartinfarct, herseninfarct of TIA.
  • Acetylsalicylzuur en carbasalaatcalcium zijn de meest gebruikte trombocytenaggregatieremmers. De dosering is vele malen lager dan wanneer deze middelen worden voorgeschreven voor pijnstilling.
  • Indirect werkende anticoagulantia worden zowel therapeutisch als profylactisch toegepast. De dosering wordt door de trombosedienst individueel vastgesteld aan de hand van de vermindering van de stollingstijd.
  • Als bijwerking van cumarines kunnen bloedingen voorkomen. Meestal is er dan sprake van overdosering. Cumarines geven met veel geneesmiddelen een interactie. De werking kan zowel worden versterkt als verzwakt.
J. van Amerongen, H. Elling

7 Bloedsomloop

  • Hartfalen is de situatie waarin het hart, ondanks noodmaatregelen die het lichaam zelf neemt, niet meer kan voldoen aan de vraag naar zuurstof in de weefsels.
  • Bij een acuut falend hart worden krachtige en snelwerkende diuretica toegepast.
  • Bij chronisch hartfalen wordt gebruikgemaakt van hartglycosiden. Deze zijn in staat de kracht van de hartspier te herstellen.
  • Er is sprake van een hartritmestoornis als er problemen zijn met de prikkelgeleiding in het hart.
  • Angina pectoris, ook wel hartkramp genoemd, wordt veroorzaakt door zuurstofgebrek van de hartspier.
  • Bij de behandeling van angina pectoris wordt onderscheid gemaakt tussen de behandeling van een aanval en een profylactische onderhoudsbehandeling.
  • Hoge bloeddruk is geen ziekte, maar een risicofactor voor het ontstaan van hart- en vaatziekten.
  • Het niet behandelen van een ernstig verhoogde bloeddruk vergroot het risico op een hartziekte, nieraandoeningen, netvliesbeschadigingen of een beroerte.
  • Bij de medicamenteuze behandeling van hoge bloeddruk zijn diuretica en bètablokkers middelen van eerste keuze. Indien er ook andere aandoeningen zijn, komen ACE-remmers en calciumantagonisten in aanmerking.
J. van Amerongen, H. Elling

8 Maagdarmkanaal

  • Maagklachten kunnen het gevolg zijn van refl uxoesofagitis, ulcus pepticum of motiliteitsstoornissen.
  • Een ulcus pepticum kan veroorzaakt worden door de bijwerkingen van pijnstillers met ontstekingsremmende werking of door de bacterie Helicobacter pylori.
  • Antacida worden gebruikt om klachten van zuurbranden te bestrijden. Deze middelen kunnen bij milde klachten zonder bezwaar meermalen daags worden gebruikt, ook tijdens de zwangerschap.
  • Secretieremmers werken, in tegenstelling tot antacida, na opname in het bloed.
  • Mucosaprotectiva beschermen het beschadigde slijmvlies van het maagdarmkanaal tegen inwerking van maagzuur.
  • Bij recidiverende maag- of darmzweren wordt de bacterie Helicobacter pylori bestreden door een combinatietherapie van antibacteriële middelen en secretieremmers.
  • Anti-emetica worden gebruikt bij misselijkheid en braken bij reisziekte en bij gebruik van geneesmiddelen die als bijwerking braken hebben.
  • Diarree kan veel oorzaken hebben, maar gaat in de meeste gevallen vanzelf over, zonder gebruik van geneesmiddelen.
  • Kleine kinderen en bejaarden kunnen door diarree snel uitdrogen. Ze moeten behandeld worden met orale rehydratievloeistof (ORS).
  • Chronische diarree kan veroorzaakt worden door een darmontsteking als gevolg van colitis ulcerosa of de ziekte van Crohn.
  • Voor een normale stoelgang is voldoende vulling van de dikke darm nodig. Van twee keer per dag tot twee keer per week is normaal.
  • Bij verstopping komt de ontlasting minder vaak dan voor de patiënt gebruikelijk is. Bovendien is er vaak sprake van buikklachten en moeilijke, harde ontlasting.
  • Verstopping kan veroorzaakt worden door te weinig drinken, te weinig vulling van de darm, te weinig beweging, stress, geneesmiddelengebruik (opioïden, ijzerpreparaten) en afwijkingen aan de darm.
  • Laxantia kennen verschillende werkingsmechanismen. Ze zijn gericht op volumevergroting in de darm of op prikkeling van de darmwand.
  • Chronisch gebruik van met name laxantia die de darmwand prikkelen, kan leiden tot veranderingen in de darmwand waardoor deze niet meer reageert op normale prikkels.
  • Spasmolytica worden gebruikt bij het prikkelbare darmsyndroom, een aandoening waarbij de patiënt klachten heeft van verstopping en soms buikpijn. Een lichamelijke oorzaak is niet aan te wijzen.
J. van Amerongen, H. Elling

9 Luchtwegen

  • Hoesten is een nuttige reactie om stoffen die niet thuishoren in de luchtwegen eruit te verwijderen.
  • Histamine is een stof die vrijkomt bij de binding van antilichamen aan mestcellen. Het kan overgevoeligheidsreacties veroorzaken. De werking van histamine is te blokkeren door antihistaminica.
  • Het vrijkomen van histamine bij een allergische reactie kan voorkómen worden door cromoglicinezuur. Deze stof moet van tevoren (preventief ) worden gebruikt.
  • Corticosteroïden worden lokaal toegepast bij allergische aandoeningen van de luchtwegen (astma, hooikoorts). Orale toediening is aangewezen bij zeer ernstige overgevoeligheidsreacties.
  • Desensibilisatie is mogelijk als iemand overgevoelig is voor een beperkt aantal stoffen, met name voor inhalatieallergenen en insectenallergenen.
  • Astma wordt gekenmerkt door benauwdheid die opkomt en weer weggaat. Bij astma is de oorzaak een allergische of hyperreactieve reactie van de luchtwegen.
  • COPD (chronische obstructieve longziekte) wordt gekenmerkt door benauwdheid die voortdurend aanwezig is. De oorzaak is een beschadiging van de oppervlakte van de luchtwegslijmvliezen.
  • De therapie bij astma is een luchtwegverwijder in combinatie met een luchtwegbeschermer die de ontstekingsreactie vermindert.
  • De therapie bij COPD is in de eerste plaats gericht op luchtwegverwijding waardoor de benauwdheid vermindert. De geneesmiddelengroepen corticosteroïden, antibiotica en radicalenvangers spelen een ondersteunende rol.
J. van Amerongen, H. Elling

10 Hormonen

  • Orale anticonceptiva zijn vrijwel allemaal combinatiepreparaten van een oestrogene en een progestagene stof.
  • Orale anticonceptiva werken doordat ze de eisprong verhinderen, de bevruchting bemoeilijken en de innesteling van een eventueel bevruchte eicel tegengaan.
  • De betrouwbaarheid van de pil neemt af door onregelmatig gebruik, braken en gebruik van bepaalde geneesmiddelen.
  • Bij vergeten van de pil is het belangrijk te weten hoe lang achtereen geen pil is ingenomen en hoeveel dagen de voorafgaande pillen zijn ingenomen.
  • Voor de bepaling van de betrouwbaarheid van de pil is de zevendagen-regel van toepassing.
  • Bij een onbeschermde geslachtsgemeenschap kan desgewenst de morning-after-pil gebruikt worden.
  • Het spiraaltje of IUD wordt gebruikt als lokale anticonceptie.
  • De overgang begint rond het veertigste jaar met menstruatiestoornissen, in een latere fase komen daar klachten als ‘opvliegers’ bij.
  • Overgangsklachten kunnen worden behandeld met oestrogenen, meestal in combinatie met progestagenen.
  • Met oestrogenen worden niet alleen direct merkbare overgangsklachten behandeld, maar ook de gevolgen van oestrogeentekort op de lange termijn, zoals botontkalking.
  • De belangrijkste maatregelen om osteoporose te voorkomen zijn inname van voldoende calcium en vitamine D (vooral op jonge leeftijd) en veel lichaamsbeweging.
J. van Amerongen, H. Elling

11 Stofwisseling

  • Diabetes mellitus (suikerziekte) wordt veroorzaakt doordat de alvleesklier absoluut of relatief te weinig insuline produceert.
  • De basis van de behandeling van type-I- en type-II-diabetes is het houden van een dieet.
  • De behandeling van type-I-diabetes vindt altijd plaats door substitutie van insuline.
  • De behandeling van type-II-diabetes vindt vaak plaats met behulp van orale bloedglucoseverlagende middelen.
  • De belangrijkste bijwerking van insuline en de orale bloedglucoseverlagende stoffen is hypoglykemie (een te laag bloedglucosegehalte).
  • Cholesterol speelt een belangrijke rol bij de vetstofwisseling. Een te hoog cholesterolgehalte verhoogt het risico op slagaderverkalking en dus op hart- en vaatziekten.
  • Een te hoog cholesterolgehalte kan worden bestreden door een vet- en cholesterolbeperkt dieet en geneesmiddelen zoals harsen, fi braten en cholesterolsyntheseremmers.
  • Bij een hypofunctie van de schildklier vindt substitutie met thyromimetica plaats.
  • Bij een hyperfunctie van de schildklier kan door operatief ingrijpen, bestraling met radioactief jodium of het gebruik van thyrostatica de hormoonproductie worden geremd.
J. van Amerongen, H. Elling

12 Huid

  • Voor de werking van het geneesmiddel is ook de toedieningsvorm (zalf, crème, enzovoort) van belang.
  • De toestand van de huid bepaalt mede welke toedieningsvorm wordt gekozen voor de behandeling.
  • Eczeem is een chronische huidaandoening met roodheid en jeuk.
  • De behandeling van eczeem gebeurt meestal met corticosteroïden, afgewisseld met een indifferente crème of zalf.
  • Corticosteroïden worden ingedeeld in zwak, matig-sterk, sterk en zeer sterk werkzame middelen, ook wel klasse I tot en met IV genoemd.
  • Huidinfecties worden meestal veroorzaakt door schimmels of bacteriën.
  • Infecties moeten worden behandeld met middelen die de aanstichter bestrijden: antibacteriële middelen of antimycotica.
  • Psoriasis is een chronische aandoening waarbij de huid ernstig schilfert. Psoriasis wordt vrijwel altijd door de dermatoloog behandeld.
  • Jeugdpuistjes komen bij jongeren veel voor. Ze ontstaan doordat verstoppingen van de talgkliertjes ontstekingen en infecties veroorzaken.
J. van Amerongen, H. Elling

13 Infectieziekten

  • Antibacteriële middelen worden ingedeeld naar chemische structuur of toepassingsgebied.
  • Het werkingsmechanisme van antibacteriële stoffen kan bacteriedodend (bactericide) of bacteriegroeiremmend (bacteriostatisch) zijn.
  • Een antibacteriële stof kan werkzaam zijn tegen een beperkt aantal soorten bacteriën (smal spectrum) of tegen een groot aantal soorten (breed spectrum).
  • Een groot probleem bij gebruik van antibacteriële middelen is het ontwikkelen van resistentie van de bacteriën tegen het antibioticum.
  • Bij gebruik van antibacteriële middelen moet de patiënt erop gewezen worden dat de kuur moet worden afgemaakt. Een kuur afmaken is nodig om alle bacteriën te vernietigen en om resistentievorming tegen te gaan.
  • Antimycotica worden gebruikt bij schimmelinfecties. Ze kunnen een fungicide of fungistatische werking hebben.
  • De meeste antimycotica worden lokaal toegepast, omdat schimmelinfecties zich vooral afspelen op huid, nagels, haren en in de vagina. Bij een lokale toepassing moet na de infectie nog zeven tot veertien dagen worden doorgebruikt om ook de schimmelsporen te doden.
  • Een virusinfectie kan met geneesmiddelen moeilijk bestreden worden.
  • De antiprotozoaire middelen worden onderverdeeld in de middelen die werken tegen darminfectie (amoeben), middelen tegen Trichomonasinfecties (vaginale infecties) en middelen tegen malaria.
  • Malariamiddelen worden in Nederland voornamelijk voor profylaxe gebruikt, dat wil zeggen: het voorkómen van malaria bij reizen en verblijf in gebieden waar malaria voorkomt.
  • Anthelminthica bestrijden wormen in de darm. Bij de meest voorkomende worminfectie, veroorzaakt door de made, wordt meestal het hele gezin behandeld.
  • De middelen tegen schurft en luis worden lokaal toegepast. Bij zorgvuldig uitwendig gebruik kleven aan deze middelen nauwelijks bezwaren, bij inwendig gebruik zijn ze uitermate giftig.
  • Desinfectantia zijn middelen die een infectie moeten voorkomen, terwijl alle andere in dit hoofdstuk genoemde middelen een infectie bestrijden.
J. van Amerongen, H. Elling

14 Urinewegen

  • Bij urine-incontinentie wordt onderscheid gemaakt tussen stressincontinentie en urge-incontinentie.
  • Alleen bij urge-incontinentie wordt af en toe een medicamenteuze behandeling toegepast.
  • Enuresis nocturna komt erg veel voor en gaat bijna altijd vanzelf over.
  • Conservatieve behandelmethoden hebben de voorkeur bij enuresis nocturna.
  • Bij het ouder worden krijgen bijna alle mannen te maken met plasklachten; bij een groot deel van de mannen wordt dit veroorzaakt door een goedaardige vergroting van de prostaat.
  • Medicamenteuze behandeling van een vergrote prostaat komt alleen in aanmerking bij patiënten met ernstige klachten die niet willen of kunnen worden geopereerd.
  • Erectieproblemen kunnen het gevolg zijn van lichamelijke of psychische problemen.
  • Middelen bij erectiestoornissen werken alleen als er ook sprake is van seksuele opwinding.
J. van Amerongen, H. Elling

15 Oog

  • Vrijwel alle oogaandoeningen worden lokaal behandeld met oogdruppels, oogzalven of oogwassingen.
  • Oogzalven hebben als voordeel boven oogdruppels dat ze langer werken. Het nadeel is dat de patiënt slechter ziet. Een ooggel is een tussenvorm.
  • Contactlensdragers kunnen bij irritatie, ontstekingen en infecties de contactlenzen beter uit laten. In alle andere gevallen kunnen de contactlenzen worden ingehouden.
  • Pupilvernauwende stoffen worden gebruikt bij glaucoom, een oogziekte waarbij de oogboldruk is verhoogd.
  • Pupilverwijdende stoffen worden gebruikt voor oogonderzoek en bij het trainen van een lui oog.
  • Lokale pijnstillende middelen (anesthetica) worden gebruikt bij lasogen en bij kleine ingrepen aan het oog.
J. van Amerongen, H. Elling

16 Psychiatrische aandoeningen

  • Psychofarmaca zijn geneesmiddelen die gebruikt worden bij de behandeling van denk-, gedrags- en stemmingsstoornissen. Dit worden ook psychiatrische stoornissen genoemd.
  • Geregeld worden psychofarmaca gebruikt bij pogingen tot zelfdoding; aandacht voor therapietrouw is daarom belangrijk.
  • Bij gebruik van antidepressiva kan het enkele weken duren voor de stemming begint te verbeteren.
  • Psychosen worden gekenmerkt door wanen en hallucinaties.
  • Wanneer iemand vaker een psychotische periode meemaakt, wijst dat meestal op schizofrenie.
  • Om de therapietrouw bij psychosen te bevorderen, worden de medicijnen vaak als depotpreparaat toegediend.
  • Bij antipsychotica kan zelden een zeer ernstige bijwerking optreden (met spierstijfheid en koorts) waarbij acuut ingrijpen noodzakelijk is.
  • ADHD kan behandeld worden met een psychostimulantium.
  • Therapietrouw is een belangrijk aandachtspunt bij de behandeling van psychiatrische aandoeningen.
J. van Amerongen, H. Elling

17 Aandoeningen van het zenuwstelsel

  • Epilepsie is het aanvalsgewijs optreden van storingen in de hersenfunctie, met daling van de bewustzijnsgraad.
  • Bij gebruik van anti-epileptica moet de patiënt individueel worden ingesteld. Langdurig gebruik geeft soms aanleiding tot sufheid.
  • Migraine wordt gekenmerkt door een hevige hoofdpijn, die vaak gepaard gaat met misselijkheid en braken. Een aanval kan enkele uren tot dagen duren.
  • Bij de behandeling wordt een onderscheid gemaakt tussen het behandelen of onderbreken van een aanval en een profylactische behandeling.
  • Bij de ziekte van Parkinson is er een tekort aan een overdrachtstof in het autonome zenuwstelsel.
  • Kenmerkend voor de ziekte van Parkinson zijn de verstoorde motoriek, de bewegingsarmoede, spierspanning, een maskergelaat en monotone spraak.
  • Bij de behandeling van de ziekte van Parkinson wordt ernaar gestreefd het evenwicht in de overdrachtstoffen in de hersencellen te herstellen.
  • Vertigomiddelen worden gebruikt bij de behandeling van duizeligheidsklachten.
J. van Amerongen, H. Elling

18 Kwaadaardige aandoeningen

  • Er zijn kwaadaardige (maligne) en goedaardige (benigne) tumoren.
  • De therapie bij de behandeling van veel maligne tumoren is een combinatie van chirurgie, radiotherapie en chemotherapie.
  • Bij de behandeling met geneesmiddelen spelen oncolytica een grote rol.
  • Oncolytica worden vaak toegepast in combinaties om meerdere aangrijpingspunten te hebben bij het bestrijden van de kwaadaardige celgroei.
  • Oncolytica worden dikwijls met tussenpozen (intermitterend) toegediend. Een reeks toedieningen wordt een chemokuur genoemd.
  • Behalve de middelen om de tumor te bestrijden, worden geneesmiddelen gebruikt om de bijwerkingen te verminderen en het welbevinden van de patiënt te verbeteren.
J. van Amerongen, H. Elling

19 Spelvormen

Werken met geneesmiddelen is voor een doktersassistent een belangrijke competentie. Niet alleen omdat er iedere werkdag herhaalrecepten worden aangeboden, maar ook omdat medicijnen een grote plaats innemen bij behandelingen in de reguliere geneeskunde.
J. van Amerongen, H. Elling

20 ICPC-codes

J. van Amerongen, H. Elling

Nawerk

Meer informatie