Skip to main content
main-content
Top

Inhoudsopgave

Voorwerk

1 Vorming van gebitselementen

Gebitselementen ontstaan door interactie van twee kiembladen, het ectoderm en het mesoderm. Het ectodermale weefsel levert het glazuur; het mesodermale weefsel het dentine, de pulpa, het wortelcement en het parodontale ligament.
F.P.G.M. van der Linden

2 Kaakgroei tijdens vorming en eruptie van melkelementen

Bij pasgeborenen zijn de vorm en proporties van het lichaam afgestemd op het functioneren van de systemen, die letterlijk van vitale betekenis zijn. Het hoofd, met de hersenschedel die het centrale zenuwstelsel bevat, en de romp, waarin zich het cardiovasculaire systeem, de tractus respiratorius en de tractus digestivus bevinden, overheersen de andere lichaamsdelen. De armen en benen zijn naar verhouding klein; de halspartij is kort. In de eerste levensjaren groeit en leert een kind snel. De hersenen ontwikkelen in een hoog tempo en zijn intensief bezig met het absorberen en verwerken van massale hoeveelheden informatie115.
F.P.G.M. van der Linden

3 Wisseling van snijtanden en doorbraak van eerste blijvende molaren: de eerste wisselfase

Voorafgaand aan de wisseling van de snijtanden, meestal op zesjarige leeftijd, breken de eerste blijvende molaren door: eerst onder, dan boven. In de jaren daarvóór is er genoeg ruimte in de kaken voor hun ontwikkeling en voldoende groei naar dorsaal om ze aan de tandboog toe te voegen. Ze breken ongeveer loodrecht op het occlusievlak door, zoals de melkmolaren eerder deden. Vaak is er na hun doorbraak extra ruimte. Diastemen distaal van tweede melkmolaren kunnen nog een tijd blijven bestaan.
F.P.G.M. van der Linden

4 Intertransitionele periode

Tijdens de intertransitionele periode bestaan de tandbogen uit de blijvende snijtanden, de melkhoektanden, eerste en tweede melkmolaren en de eerste blijvende molaren. In de bovenkaak zijn de snijtanden naar labiaal geïnclineerd. Naast een centraal diasteem zijn er vaak nog meer diastemen in het bovenfront. Aanvankelijk is er meestal iets ruimte tussen de eerste blijvende molaren en de tweede melkmolaren. Onder zijn de snijtanden minder naar labiaal geïnclineerd dan boven, en zijn er weinig diastemen in het front. Asymmetrieën in hoogteniveau van de incisale randen zijn ingelopen. Onder staan de incisale randen op gelijke hoogte; boven staan de centrale iets lager dan de laterale. De sagittale overbeet is groter dan in het melkgebit en ook groter dan later, wanneer het blijvend gebit compleet is en de kaakgroei voltooid322. In beide kaken beperken de kronen van de nog niet doorgebroken blijvende hoektanden de ruimte voor de wortels van de snijtanden. De aanvankelijk linguale positie van de kronen van de laterale ondersnijtanden verdwijnt. Rotaties, die in de onderkaak nogal eens voorkomen, worden door druk van de tong en lippen geheel of ten dele gecorrigeerd, als daar tenminste ruimte voor is.
F.P.G.M. van der Linden

5 Wisseling van hoektanden en melkmolaren/premolaren en doorbraak van tweede blijvende molaren: de tweede wisselfase

De tweede wisselfase duurt één tot anderhalf jaar. Op de leeftijd van gemiddeld tien jaar, twee jaar na doorbraak van de laterale blijvende bovensnijtanden, valt het eerste melkelement in de zijdelingse delen uit. Dit is meestal een melkhoektand onder. In tegenstelling tot de situatie bij de snijtanden bestaat er in de zijdelingse delen een grote variatie in volgorde waarin de blijvende elementen doorbreken. In het front staat de ruimtelijke verhouding in de kaak slechts één doorbraakvolgorde toe. In de zijdelingse delen is er vóór doorbraak meer ruimte voor de blijvende gebitselementen en kunnen ze uit elkaar staan. Alleen de blijvende bovenhoektand bevindt zich meestal dichtbij en boven de eerste premolaar en overlapt die gedeeltelijk. De premolaar breekt dan als eerste door. De distale hoek van de hoektand ligt direct naast de eerste premolaar bij de overgang van kroon naar wortel. Eerste bovenpremolaren vertonen een daarmee corresponderende concaviteit aan de mesiale zijde. Zo’n concaviteit heeft de tweede bovenpremolaar niet en geen twee wortels maar slechts één; zijn kroonvorm en –grootte komen verder sterk met die van de eerste premolaar overeen.
F.P.G.M. van der Linden

6 Veranderingen in het molaarge

Het gebied waar de blijvende molaren worden gevormd en zullen doorbreken wordt langzaam groter. De groei naar dorsaal van de processus alveolares is beperkt tot 1 à 2 mm per jaar65,218. De mineralisatie van de derde molaren begint zes jaar na de tweede. Er ligt ook telkens zes jaar tussen het doorbreken van de drie blijvende molaren. Tussen de twee kaken is een groot verschil in omvang en ontwikkeling van het molaargebied en oriëntatie van de vormende molaren.
F.P.G.M. van der Linden

7 Gebit van een volwassene

Dit hoofdstuk gaat over het complete blijvend gebit. Als inleiding worden enige aspecten van de eraan voorafgaande ontwikkeling kort gememoreerd. De meeste daarvan zijn in de voorafgaande hoofdstukken in een ander verband aan de orde gekomen. Tot slot wordt het intensief gebruikte gebit van de oudere mens getoond.
F.P.G.M. van der Linden

8 Algemene aspecten van de gebitsontwikkeling

Dit hoofdstuk begint met een overzicht van de veranderingen in tandbogen en occlusie, van geboorte tot volwassenheid. Daarna worden eruptie, doorbraak en migratie van gebitselementen verduidelijkt. De inhoud van dit hoofdstuk brengt met zich mee dat enige eerder opgebrachte punten in een breder verband nog eens worden toegelicht.
F.P.G.M. van der Linden

9 Samenhang tussen gebit, skelet en functie

Dit hoofdstuk begint met een uiteenzetting over interacties bij de ontwikkeling van het craniofaciale complex met het accent op de rol die functionele aspecten daarin vervullen. Daarna wordt ingegaan op de groei van het craniofaciale skelet en wordt toegelicht waarop de daarin optredende variaties zijn terug te voeren. De inbreng van bot- en kraakbeengroei en de daarmee verbonden remodeling van botoppervlakken worden verklaard. Tot slot komen functionele activiteiten van het orofaciale gebied aan de orde en wordt aangegeven welke relevant zijn voor de ontwikkeling van het craniofaciale complex en welke niet.
F.P.G.M. van der Linden

10 Afwijkingen in tandbogen

De meest voorkomende afwijking in tandbogen is een verschil tussen de benodigde en beschikbare booglengte. Dit wordt ‘Arch Length Discrepancy’ (ALD) genoemd, te onderscheiden in ‘crowding’ en ‘spacing’. Bij crowding zijn de gebitselementen te groot, of is de omvang van de tandboog te klein om alle gebitselementen aaneengesloten goed naast elkaar te bevatten. Bij spacing is het omgekeerde het geval. De termen ‘crowding’ en ‘spacing’ laten in het midden of er te veel van het één, of te weinig van het ander is.
F.P.G.M. van der Linden

11 Klasse II/1-afwijkingen

Een orthodontische afwijking is als regel geen pathologische conditie maar een onharmonische combinatie van in het gebit en het gelaat te onderscheiden variabelen, die zelf niet buiten de normale variatiebreedte vallen. Individuen met een orthodontische afwijking zijn niet ziek, hebben geen pijn en meestal geen lichamelijk ongemak178. De voor een orthodontische afwijking vaak gebruikte term ‘malocclusie’ houdt alleen in dat de occlusie slecht, verkeerd is.
F.P.G.M. van der Linden

12 Klasse II/2-afwijkingen

Klasse II/2-afwijkingen worden gekenmerkt door disto-occlusie, palatoversie van twee of meer bovensnijtanden, en teruggekipt staan van het onderfront. Ze worden in drie typen onderverdeeld. Bij Type A zijn alle vier bovensnijtanden teruggekipt en staan de hoektanden in de tandboog. Bij Type B zijn boven de centrale snijtanden teruggekipt en de laterale naar voren. Bij Type C staan alle vier blijvende snijtanden teruggekipt en de hoektanden buccaal buiten de tandboog (afb. 12.1). De belangrijkste karakteristiek van Klasse II/2-afwijkingen is echter de hoge liplijn (stomion: waar onder- en bovenlip elkaar in het mediane vlak raken). Die ligt niet één tot drie millimeter boven de incisale rand van de centrale bovensnijtanden, maar bij de cervicale rand ervan.
F.P.G.M. van der Linden

13 Klasse III-afwijkingen

Bij Klasse III-afwijkingen neemt de ondertandboog een ventrale positie in ten opzichte van de boventandboog. Dit leidt tot een mesio-occlusie en een omgekeerde sagittale overbeet in het front. In occlusie bevinden de incisale randen van de onderfrontelementen zich ventraal van die boven. Zoals eerder opgemerkt laat de Angle Classificatie ook bij Klasse III’s in het midden of de fout zit in de onderkaak, in de bovenkaak, of in een combinatie van beiden.
F.P.G.M. van der Linden

14 Open beten en non-occlusies

In de tandheelkunde geldt als standaard, dat gebitselementen in habituele occlusie maximaal contact maken. Dit is echter geenszins bij iedereen het geval. Open beten, gekenmerkt door het niet verticaal overlappen van antagonerende gebitselementen, komen nogal eens voor. Dat geldt nog meer voor non-occlusies, waarbij antagonisten elkaar wel overlappen of net raken, maar er geen volwaardig occlusaal contact is (afb. 14.1 en 14.2).
F.P.G.M. van der Linden

15 Asymmetrieën, transversale afwijkingen en dwangbeten

Asymmetrie van het gebit kan zijn veroorzaakt door een verschil tussen links en rechts in skelettale gelaatsopbouw, een verschil in positie van gebitselementen binnen de kaken, en door een combinatie van beide.
F.P.G.M. van der Linden

16 Prematuur verlies van melkelementen

Melkelementen kunnen prematuur verloren gaan door traumata, door voortijdige resorptie van hun wortels, en door cariës en extractie. Verlies door traumata en voortijdige resorptie komt alleen voor in het front; verlies door cariës en extractie vooral bij melkmolaren.
F.P.G.M. van der Linden

17 Numerieke en grafische informatie

De inhoud van dit hoofdstuk dient ter ondersteuning van onderwerpen die in voorafgaande hoofdstukken aan de orde zijn geweest. Beoogd is in compacte en overzichtelijke vorm een aantal gegevens te presenteren.
F.P.G.M. van der Linden

Nawerk

Meer informatie