Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Voor een adequate uitvoering van behandelingen, patiëntenvoorlichting en communicatie met andere (para)medische disciplines zijn kennis en inzicht betreffende het functioneren van het menselijk lichaam voor de fysiotherapeut zonder meer basisvoorwaarden, en dit geldt eveneens voor de oefentherapeut en de bewegingstechnoloog. Fysiologie, hét leerboek voor de paramedische opleidingen, is daarom een noodzakelijk en welkom onderdeel van het curriculum.

De fysiotherapeut houdt zich voornamelijk bezig met stoornissen van het bewegingsapparaat, de bloedsomloop en de ademhaling. De fysiologie daarvan wordt in dit boek uitgebreid behandeld. Omdat de fysiotherapeut steeds meer betrokken is bij revalidatie, sport en specifieke aandoeningen bij kinderen en ouderen, wordt extra aandacht besteed aan de fysiologie van inspanning, groei en veroudering.

De indeling van Fysiologie is gebaseerd op het onderscheiden van functies, niet van structuren. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de hoofdstukken ondergebracht in drie secties: Principes, Functies van het zenuwstelsel en Lichaamsfuncties. Het boek sluit aan bij het kennisniveau en de ervaringswereld van de eerstejaars student. De stof wordt ondersteund door tekeningen, schema's en tabellen, en wordt regelmatig onderbroken door intermezzi: teksten waarin dieper op een belangrijk aspect wordt ingegaan, of waarin een fysiologisch principe met een voorbeeld uit de praktijk wordt geïllustreerd.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Inleiding

Fysiologie betekent letterlijk natuurwetenschap. In deze betekenis werd het woord reeds gebruikt in de Griekse oudheid; de stam physis (natuur) vindt men ook terug in woorden als fysica (natuurkunde) en fysiotherapie (genezen door middel van natuurlijke krachten).

Principes

Voorwerk

2. Organisatieniveaus

Om de functies van het menselijk lichaam te kunnen overzien, is het nuttig het lichaam te beschouwen als een structuur die bestaat uit vele organisatieniveaus, van groot naar klein of van hoog naar laag. Men kan deze structuur vergelijken met de organisatie van een bedrijf, bijvoorbeeld een fabriek van elektronica. Deze fabriek bestaat uit afdelingen met elk een specifieke functie: fabricage, verkoop, transport, research, administratie, enzovoort. Elke afdeling is opnieuw onderverdeeld (fabricage is onderverdeeld in de productie van gloeilampen, computers en keukenmachines), en zo verder omlaag totdat men uiteindelijk belandt bij de individuele werknemer als kleinste eenheid van functie.

3. Homeostase

De cel is de kleinste levende eenheid van het lichaam. Leven betekent de instandhouding van een geordend systeem. Daarvoor is energie nodig. Daarnaast is er groei en kunnen cellen zich voortplanten door deling. Ook hiervoor is energie nodig, terwijl voor de groei grondstoffen moeten worden opgenomen. Energie en grondstoffen moeten uit de voedingsstoffen worden gehaald. Voedingsstoffen bestaan in de eerste plaats uit energierijke verbindingen; in de tweede plaats bestaan ze uit bouwstoffen. Tevens bevat voeding water, dat een van de belangrijkste bestanddelen van de levende cel is, en elektrolyten, die onmisbaar zijn voor bepaalde celfuncties en fungeren als bestanddeel van bouwstoffen.

4. Houding en beweging

De meeste bewegingen die we bewust of onbewust verrichten, komen tot stand doordat de hersenen de spieren activeren. De skeletspieren zijn aan het beenderstelsel vastgehecht en door verkorting kunnen zij de positie van de botten ten opzichte van elkaar beïnvloeden. Met behulp van de spieren in heup en been kunnen we een stap doen. Een ingewikkeld samenspel van de spieren in de schouder en de arm brengt onze hand naar een voorwerp om het te grijpen, en door de beheersing van de spiertjes in onderarm en hand zijn we in staat zeer complexe handelingen uit te voeren.

5. Prikkels

Communicatie tussen mensen is mogelijk door het gebruik van signalen. Dit kunnen visuele signalen zijn, zoals letters en afbeeldingen, maar ook geluid of aanraking. In principe is elk type signaal bruikbaar voor informatieoverdracht, mits binnen redelijke grenzen aan enkele voorwaarden wordt voldaan: de signalen worden storingsvrij overgedragen, de communicerende individuen zijn het eens over de betekenis van de signalen en de signalen zijn geschikt om een code te vormen voor de boodschap die men wil overbrengen. Welk type signaal men kiest, hangt af van de geadresseerde, de aard van de boodschap en de vereiste snelheid. Sommige berichten worden per brief overgebracht, andere per telefoon of e-mail.

Functies van het zenuwstelsel

Voorwerk

6. Structuur en functies

Het zenuwstelsel bestuurt de lichaamsfuncties en het gedrag. Elke wetenschap die zich met het functioneren van de mens bezighoudt, wordt vroeg of laat met het zenuwstelsel geconfronteerd. De fysiologie bestudeert het zenuwstelsel traditioneel vanuit een ander gezichtspunt dan bijvoorbeeld de anatomie, de psychologie of de klinische neurologie. In het wetenschappelijk onderzoek ziet men echter de grenzen vervagen: anatomen brengen hersenactiviteit in beeld, fysiologen zoeken naar de oorzaken van stress en psychologen en neurologen bestuderen de werking van transmitters. De disciplines die het zenuwstelsel bestuderen worden sinds ongeveer 1970 aangeduid als neurowetenschappen.

7. Sensomotoriek

Om lichaamsprocessen en gedrag te kunnen regelen, moet het centrale zenuwstelsel continu op de hoogte blijven van hetgeen zich in en rondom het lichaam afspeelt. Dit gebeurt via het sensorische systeem. Tot dit systeem behoren in de eerste plaats de sensoren (zintuigen), die de prikkels opvangen en omzetten in actiepotentialen (5.4.2). Sensoren kunnen worden ingedeeld naar adequate prikkel, vermogen tot adaptatie en werkterrein (tabel 7.1). Naast de zintuigen omvat het sensorische systeem de perifere sensorische neuronen, de sensorische baansystemen en de sensorische projectie- en associatievelden in de hersenen. Deze zijn betrokken bij het geleiden en verwerken van sensorische informatie.

8. Regeling van de vegetatieve processen

Naast de sensibele en motorische aspecten van het zenuwstelsel die ten grondslag liggen aan het vermogen tot waarneming en voortbeweging, is er een scala aan functies die gericht zijn op de besturing van de inwendige organen en de huid. De activiteit van de inwendige organen wordt samengevat onder de term ‘vegetatieve processen’. Deze staan ten dienste van het handhaven van de homeostase van het interne milieu (figuur8-1).

9. Gewaarwording

In het zenuwstelsel voegt de stroom prikkels die via de zintuigen binnenkomt, zich bij de reeds aanwezige neuronale activiteit. Gewaarwordingen treden op en in de hersenen spelen zich complexe processen af, zoals de schatting van het belang van de prikkels, de koppeling met kennis uit het geheugen, het voelen van emoties en het trekken van conclusies.

Lichaamsfuncties

Voorwerk

10. Bloedsomloop

Het bloed is het snel circulerende deel van het interne milieu. Voortgestuwd door het hart zorgt het voor het transport van zuurstof van longen naar weefsels, van koolzuur (CO2) van weefsels naar longen, van voedingsstoffen van maag-darmkanaal naar weefsels en opslagplaatsen, van afvalstoffen naar lever en nieren. Daarnaast is de circulatie een onderdeel van regelsystemen; het bloed vervoert hormonen van endocriene klieren naar de doelorganen. Ten slotte speelt het stromende bloed een rol bij de temperatuurregeling. Bij de stofwisseling, vooral in de actieve organen zoals werkende spieren en lever, komt warmte vrij en deze wordt door het bloed vervoerd naar de huid waar de warmte aan de omgeving wordt afgegeven.

11. Ademhaling

De lichaamscellen hebben energie nodig, die ze betrekken uit glucose, vet en eventueel uit eiwitten. Om deze stoffen te verbranden is O2 nodig, waarbij als afvalproduct CO2 vrijkomt. Ademhaling en circulatie zorgen samen voor een aanhoudende aan- en afvoer van deze gassen. Onder ademhaling wordt fysiologisch een complex van processen begrepen. Het begint bij de opname van O2 en verloopt via de oxidatieve omzetting van voedingsstoffen in de cellen tot de afgifte van CO2 aan de omgeving.

12. Stofwisseling

Onder stofwisseling (metabolisme) verstaat men alle chemische processen die in het lichaam plaatsvinden. Deze processen betreffen opbouw en afbraak van materiaal waaruit het lichaam bestaat, en het vrijmaken van energie. Behalve voor opbouw en afbraak is energie nodig voor transport tussen de organen, voor transport over membranen, voor prikkelgeleiding en voor spiercontracties. De grondstoffen voor de opbouw van het lichaamsmateriaal worden uit de voeding gehaald; een deel van de bij de afbraak vrijkomende stoffen wordt hergebruikt.

13. Uitscheiding

Kijk voor verdere verdieping in de digit a le leero m geving.Uitscheiding (excretie) door vorming van urine is een van de functies van de nieren. Langs deze weg wordt het interne milieu gezuiverd van metabole afvalproducten en lichaamsvreemde stoffen. In het algemeen is de uitscheiding van deze stoffen afhankelijk van de concentratie in het plasma. Bij een eiwitrijk dieet is de ureumconcentratie van het bloed hoger dan bij een eiwitarm dieet. Bij een grotere productie van ureum wordt daardoor ook meer uitgescheiden.

14. Afweerfuncties

Het lichaam is voortdurend een prooi voor micro-organismen die, als ze de kans krijgen, in weefsels een goede voedingsbodem vinden om zich te vermenigvuldigen. Een beschadiging van het lichaamsoppervlak en infectie van de inwendige weefsels is een bedreiging voor de homeostase. De intacte huid en de slijmvliezen vormen een eerste fysische barrière tegen besmetting. Deze barrière bestaat uit bacteriedodende stoffen in zweet, talg, speeksel en traanvocht, alsmede uit de zure inhoud van de maag. Lysozym is een enzym dat bacteriën doodt in het slijm van slijmvliezen van ogen, neus, keel en longen. Ook het trilhaarepitheel van de luchtwegen en de micro-organismen in de darmflora kunnen tot de eerste barrière worden gerekend die beschermt tegen kolonisatie door pathogene micro-organismen.

15. Inspanning

De inspanningsfysiologie beschrijft de processen en veranderingen die optreden bij lichamelijke inspanning. Centraal hierbij staan de spieren die de bewegingen moeten uitvoeren, en daarvoor energie verbruiken. Circulatie, ventilatie, voedselopname en spierstofwisseling moeten worden aangepast, opdat de spieren optimaal kunnen functioneren. Een belangrijk aspect van de inspanningsfysiologie is het meten van de geleverde prestatie (ergometrie) en van het effect van training op de prestatie. Inspanningsfysiologie is een geïntegreerd onderdeel van de fysiologie. Bij verscheidene van de in dit boek behandelde functies zijn effecten van lichamelijke inspanning dan ook al ter sprake gekomen. Waar nodig wordt hiernaar verwezen.

16. Groei en veroudering

De ontwikkeling van de mens is een proces dat een leven lang duurt. In de groei naar volwassenheid ontwikkelt het lichaam zich somatisch. Van de geboorte tot de dood verwerven we kennis en inzicht in ons handelen. Hoewel groei en ontwikkeling een groot aantal facetten hebben, komen in dit hoofdstuk slechts enkele ervan aan de orde en ligt de nadruk op de somatische ontwikkeling en veroudering. Het is echter van belang zich te realiseren dat somatische en psychische groei vanaf de conceptie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Naast de groei en aanpassing van het lichaam ontwikkelt de pasgeborene zich van een reflexmatig reagerend wezen tot een bewust denkende en handelende persoonlijkheid.

Nawerk

Meer informatie

Gerelateerde informatie