Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

In dit boek wordt de wijze waarop geneesmiddelen werken, hun bijwerkingen en hun wisselwerkingen met de patiënt en met andere geneesmiddelen beschreven. Er wordt uitgebreid ingegaan op de plaats die de geneesmiddelen innemen in de behandeling van uiteenlopende ziekten, van reuma tot slaapproblemen, van infectieziekten tot depressies. Daarnaast wordt in het boek veel aandacht besteed aan de noodzakelijke informatie die apothekersassistenten aan de balie moeten verstrekken. Er wordt antwoord gegeven op de volgende vragen: Wat zijn de klachten? Om welke aandoeningen gaat het? Welke medicijnen worden hiervoor het meest gebruikt? Welke bijwerkingen hebben de verschillende geneesmiddelen? Wat zijn de belangrijkste contra-indicaties en interacties?
Farmacotherapie voor apothekersassistenten bestaat uit twee delen. In het eerste deel worden de farmaceutische basisbegrippen in de apotheek behandeld. In het tweede deel komt de farmacotherapie in de apotheek uitgebreid aan bod. In deze uitgave zijn alle hoofdstukken aangepast aan de nieuwe standaarden en richtlijnen. Verder worden de nieuwste geneesmiddelgroepen beschreven.
De inhoud sluit met name aan bij de beroepsspecifieke onderdelen ‘Voert geïndividualiseerde farmaceutische patiëntenzorg uit’ en ‘verleent niet-receptgestuurde zorg aan de patiënt’ uit het basisdeel van het kwalificatiedossier en reikt de hiervoor benodigde kennis en vaardigheden aan.
Farmacotherapie voor apothekersassistenten is als basisboek bij uitstek geschikt voor iedereen die de opleiding tot apothekersassistent volgt. Daarnaast heeft het veel toegevoegde waarde als naslagwerk in de apotheek.
François van Opdorp is openbaar apotheker in Breda. Hiernaast doceert hij onder meer aan apothekersassistenten en verpleegkundigen in de huisartsenpraktijk. Hij is nauw betrokken bij de ontwikkeling van diverse farmaceutisch inhoudelijke nascholingen voor apothekers en apothekersassistenten.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Farmaceutische basisbegrippen in de apotheek

Voorwerk

1. Toepassingen van geneesmiddelen

Samenvatting
De behandeling met geneesmiddelen is de meest gebruikte behandeling van ziekten of aandoeningen. Bijna iedereen krijgt in zijn of haar leven te maken met geneesmiddelen. Geneesmiddelen kunnen met een verschillend doel worden ingezet. Als een geneesmiddel de oorzaak van de kwaal kan bestrijden, wordt gesproken van een causale behandeling. Maar vaak is het zo dat een geneesmiddel niet de oorzaak, maar slechts de symptomen bestrijdt of de gevolgen van een aandoening. Ook kan een geneesmiddel een stof vervangen die normaal gesproken door het lichaam zelf wordt aangemaakt. Dit wordt substitutietherapie genoemd. Naast behandelingen die klachten en symptomen bestrijden, bestaan er ook preventieve of profylactische behandelingen.
F. A. C. van Opdorp

2. Toedieningswegen en toedieningsvormen

Samenvatting
Natuurlijk is het van belang dat een geneesmiddel op de juiste plek in het lichaam terechtkomt waar het werkzaam moet zijn. Vaak is dit een plek in het lichaam en dan spreken we van systemische toediening. Bij systemische toediening wordt het geneesmiddel via de bloedsomloop naar de plaats van werking gebracht. Het geneesmiddel moet dus eerst in het bloed worden opgenomen. Naast deze systemische toediening kan een geneesmiddel ook rechtstreeks worden aangebracht op de plek waar het werkzaam moet zijn. Dan spreken we van een lokale toediening. Het onderscheid tussen lokale en systemische toediening is niet zo scherp als het in eerste instantie lijkt. Er zijn geneesmiddelen die door de huid worden opgenomen en dan in het bloed terechtkomen. Dit is dus een voorbeeld van lokale toediening met een systemische werking. Daarnaast zijn er tabletten die oraal worden ingenomen, maar die specifiek in de maag werken. Deze geneesmiddelen komen nauwelijks in het bloed terecht en zijn dus eigenlijk geneesmiddelen met een lokale werking.
F. A. C. van Opdorp

3. Opname, werking, omzetting en uitscheiding

Samenvatting
Bij systemische toediening van geneesmiddelen moet het geneesmiddel eerst in het bloed worden opgenomen voordat het een werking kan uitoefenen. Als een geneesmiddel via de mond ingenomen wordt, volgt het dezelfde weg als de weg die het voedsel gaat. Als het geneesmiddel in de dunne darm komt, zijn er twee mogelijkheden. Het geneesmiddel wordt in het bloed opgenomen of het wordt niet opgenomen. Geneesmiddelen die in het bloed worden opgenomen, komen via de poortader bij de lever. Tussen het moment waarop het geneesmiddel ingenomen wordt en de opname in het bloed, liggen bij inname op een lege maag meestal vijftien tot dertig minuten. De lever speelt bij de omzetting en uitscheiding van een groot aantal geneesmiddelen een centrale rol. Ook de nieren spelen een belangrijke rol in de uitscheiding van afbraakproducten van geneesmiddelen. Een verminderde nier- en/of leverfunctie kan ervoor zorgen dat bepaalde geneesmiddelen niet of nauwelijks worden afgebroken.
F. A. C. van Opdorp

4. Doseringen

Samenvatting
Onder de dosering van een geneesmiddel wordt over het algemeen verstaan: de hoeveelheid geneesmiddel die iemand per 24 uur gebruikt. Deze daghoeveelheid wordt meestal niet in één keer ingenomen, maar verdeeld over de dag. Voor elke indicatie is bekend welke hoeveelheid per keer moet worden ingenomen en hoeveel keer per dag dit moet gebeuren. Voor kinderen en ouderen gelden vaak andere doseringen dan voor volwassenen. Als van een geneesmiddel meer dan de maximale dosering wordt ingenomen, kan de bloedspiegel zo sterk stijgen dat vergiftigingsverschijnselen optreden. In de praktijk blijkt dat bij het ene geneesmiddel een geringe overschrijding van de gebruikelijke dosering al problemen oplevert, terwijl bij een ander geneesmiddel een tienvoudige overschrijding van de normale dosering geen enkel probleem geeft. De therapeutische breedte geeft het verschil aan tussen de gebruikelijke dosering en de toxische dosering. De therapeutische breedte van een stof kan groot of klein zijn. Bij een grote therapeutische breedte is het geneesmiddel redelijk ‘veilig’. Bij een kleine therapeutische breedte is het noodzakelijk heel nauwkeurig te doseren en regelmatig de bloedspiegel te controleren.
F. A. C. van Opdorp

5. Interacties

Samenvatting
Vaak krijgt een patiënt niet slechts één geneesmiddel voorgeschreven, maar verschillende middelen tegelijkertijd. Als geneesmiddelen samen worden toegediend, kunnen ze elkaars werking beïnvloeden. Dat kan positief en bedoeld zijn, maar dit is vaak negatief en dus niet gewenst. Interacties zijn ongewenste werkingen van geneesmiddelen door het tegelijkertijd gebruiken van verschillende geneesmiddelen. Het probleem van interacties is vooral groot bij het gebruik van vijf of meer geneesmiddelen. Dit komt in de praktijk vooral voor bij patiënten ouder dan 65 jaar. Interacties spelen vooral een rol bij het instellen van een therapie of bij het staken van een van beide geneesmiddelen. Als een patiënt eenmaal is ingesteld op een combinatie, is het gevaar op ongewenste verschijnselen vaak een stuk minder. Dat betekent dat elke interactie bij de eerste uitgifte van een geneesmiddel met de nodige zorg moet worden afgehandeld en dat ook altijd goed gekeken moet worden bij stoppen van een middel.
F. A. C. van Opdorp

6. Contra-indicaties en intoleranties

Samenvatting
Het is belangrijk om te weten waarom, wanneer en bij welke aandoeningen een geneesmiddel gebruikt kan worden. Het is tegelijkertijd net zo belangrijk om te weten wanneer een geneesmiddel niet gebruikt mag worden. Dit wordt een contra-indicatie genoemd. Aandoeningen of omstandigheden maken dat sommige geneesmiddelen niet mogen worden gebruikt. Een verminderde lever- of nierfunctie, zwangerschap en borstvoeding zijn voorbeelden van contra-indicaties. Bij de medicatiebewaking wordt onderscheid gemaakt in relatieve en absolute contra-indicaties. Bij een relatieve contra-indicatie mag het geneesmiddel onder voorwaarden worden gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld door de dosering te verlagen. Bij een absolute contra-indicatie moet het gebruik van het geneesmiddel altijd worden vermeden. Ook een intolerantie of overgevoeligheid kan een contra-indicatie zijn. De ernst van de overgevoeligheidsreactie kan zelfs verder toenemen bij hergebruik van het geneesmiddel.
F. A. C. van Opdorp

7. Bijwerkingen

Samenvatting
Een geneesmiddel heeft behalve zijn gewenste of bedoelde werking bijna altijd één of meer ongewenste werkingen. Deze ongewenste werkingen worden bijwerkingen genoemd. Soms zijn deze bijwerkingen zo hinderlijk of ernstig, dat de toediening van het geneesmiddel moet worden stopgezet of de dosis moet worden verlaagd. De fabrikant is verplicht om alle bijwerkingen in de bijsluiter te vermelden, die tijdens het registratieproces van het geneesmiddel optreden. Maar er zijn ook bijwerkingen die pas naar voren komen als het middel op grote schaal wordt toegepast. Een onverwachte bijwerking kan dan optreden en is een reactie die dus niet wordt vermeld in de bijsluiter. Het is belangrijk om deze onverwachte bijwerkingen te verzamelen en door te geven aan het bijwerkingencentrum dat alle bijwerkingen registreert: het Lareb (Landelijk centrum registratie bijwerkingen).
F. A. C. van Opdorp

8. Medicatiebewaking

Samenvatting
De belangrijkste taak van apotheker en apothekersassistenten is patiënten te voorzien van het juiste geneesmiddel met de juiste informatie over de werking en het gebruik. Ook informatie over het te verwachten effect en mogelijke bijwerkingen moet met de patiënt besproken worden. Het apotheekinformatiesysteem speelt hier een belangrijke rol in. Dit systeem kan op basis van de specifieke patiënt, het geneesmiddel, de dosering en het gebruik bepaalde medicatiebewakingssignalen geven. Belangrijke kenmerken van de patiënt kunnen bepaalde contra-indicaties, gebruik van andere geneesmiddelen en aanwezige intoleranties zijn. Het correct uitvoeren van de medicatiebewaking behoort tot de kern van de zorgtaak van de apotheek.
F. A. C. van Opdorp

Farmacotherapie in de apotheek

Voorwerk

9. Pijnstillers

Samenvatting
Er zijn veel verschillende soorten pijn. Pijn kan acuut of chronisch zijn, maar ook brandend of stekend. Daarnaast is pijn heel persoonlijk. Angst voor pijn en vrees voor de dood zijn van invloed op de wijze waarop pijn wordt verdragen. Pijn kan een gevolg zijn van een werkelijk bestaande aandoening, maar kan ook veroorzaakt worden door een andere klacht. Pijn heeft een signaalfunctie en betekent wel vaak dat er iets mis is. Soms kan de oorzaak van de pijn weggenomen worden, maar dit kan niet altijd. De pijn moet dan op een andere manier bestreden worden. Bij pijn wordt onderscheid gemaakt tussen acute pijn en chronische pijn. Bij acute pijn is de oorzaak vaak duidelijk. Bij chronische pijn bestaat de pijn al langer en is de oorzaak niet altijd duidelijk.
F. A. C. van Opdorp

10. Reumatische aandoeningen

Samenvatting
‘Reumatische aandoeningen’ is een verzamelnaam voor allerlei pijnlijke aandoeningen van het bewegingsapparaat. Daaronder vallen gewrichten, spieren, pezen, peesscheden en gewrichtskapsels. De term reuma zegt dan ook niets over de aard, de oorsprong of de ernst van de klachten. De geneesmiddelen die gebruikt worden bij chronische gewrichtspijn of reumatische aandoeningen zijn antireumatica en pijnstillers, waaronder vooral NSAID’s. Reumatoïde artritis wordt beschouwd als een auto-immuunziekte en de behandeling richt zich in de eerste plaats op het bestrijden van de ontstekingsreactie. Artrose is een chronische gewrichtsaandoening waar weinig aan te doen is. Pijnstilling kan verlichting geven. Jicht is een andere veelvoorkomende pijnlijke gewrichtsaandoening. Bij de behandeling van jicht wordt een onderscheid gemaakt tussen de behandeling van een acute jichtaanval en een gecompliceerde jicht.
F. A. C. van Opdorp

11. Slapeloosheid, angst en onrust

Samenvatting
Slaap- en kalmeringsmiddelen behoren nog altijd tot de meest gebruikte geneesmiddelen. Ongeveer één op de tien voorschriften heeft betrekking op een geneesmiddel uit deze groep. Slaapmiddelen verkorten de inslaapduur met slechts 15 tot 20 minuten en verlengen de slaapduur met 30 tot 50 minuten. Daarnaast maken ze de slaap ook anders. Voorlichting over een normale slaap is erg belangrijk. Slaapmiddelen moeten alleen gebruikt worden als iemand ook overdag last heeft van een tekort aan slaap. Angst en onrust zijn verschijnselen van angststoornissen waarbij de patiënt klachten heeft die variëren van piekeren tot ernstige lichamelijke verschijnselen, zoals pijn op de borst. Bij angststoornissen moet in de eerste plaats iets gedaan worden aan de oorzaak. De belangrijkste groep slaap- en kalmeringsmiddelen zijn benzodiazepinen. Deze middelen worden vaak goed verdragen, maar kunnen wel gewenning geven.
F. A. C. van Opdorp

12. Middelen bij allergische aandoeningen

Samenvatting
Een allergische reactie is een abnormale reactie op een niet-ziekteverwekkende lichaamsvreemde stof. In een normale situatie wordt deze lichaamsvreemde stof (antigeen) door antilichamen onschadelijk gemaakt, zonder dat de persoon daar iets van merkt. Soms is er echter sprake van een heftige reactie op zo’n antigeen, waardoor allerlei klachten optreden. Het is niet te voorspellen of iemand een allergische reactie zal krijgen en per keer kan de reactie ook anders zijn, met klachten die uiteenlopen van een loopneus en tranende ogen tot ernstige benauwdheid. Histamine is een stof die vrijkomt bij de binding van antilichamen aan mestcellen. Het kan overgevoeligheidsreacties veroorzaken. De werking van histamine is te blokkeren door antihistaminica. Bij een allergische aandoening is het beter te voorkómen dan te genezen.
F. A. C. van Opdorp

13. Aandoeningen van het maag-darmkanaal

Samenvatting
Het maag-darmkanaal geeft bij veel mensen regelmatig aanleiding tot klachten. Het zijn gelukkig vaak onschuldige klachten, maar ze kunnen wel erg vervelend zijn. Denk hierbij aan (chronische) diarree, obstipatie en het prikkelbaredarmsyndroom. Soms gaat het zelfs om chronische, invaliderende aandoeningen. Geneesmiddelen die gebruikt kunnen worden bij maagproblemen kunnen we onderscheiden op basis van werkzaamheid. Antacida neutraliseren het maagzuur, secretieremmende middelen gaan de vorming van maagzuur tegen, mucosaprotectiva beschermen het kwetsbare maagslijmvlies en anti-emetica worden gebruikt bij klachten van misselijkheid. Daarnaast kunnen bij niet al te ernstige klachten leefregels uitkomst geven.
F. A. C. van Opdorp

14. Anticonceptie en overgangsklachten

Samenvatting
Vrouwelijke hormonen en daarvan afgeleide stoffen worden als geneesmiddel gebruikt. Deze middelen worden gebruikt om een bevruchting te voorkomen of de innesteling van een bevruchte eicel tegen te gaan. Er zijn veel mogelijkheden voor anticonceptie. Maatschappelijke, ethische en religieuze opvattingen kunnen een belangrijke rol spelen bij de keus voor een anticonceptiemiddel. Natuurlijk is ook iemands persoonlijke voorkeur van groot belang. Een oraal anticonceptivum wordt in spreektaal vaak ‘de pil’ genoemd. Bijna al deze orale anticonceptiva zijn combinatiepreparaten die bestaan uit stoffen die lijken op de natuurlijke geslachtshormonen van de vrouw: oestrogenen en progestagenen. Naast het voorkómen van een zwangerschap worden de hormonen ook wel voorgeschreven bij overgangsklachten.
F. A. C. van Opdorp

15. Huidmiddelen

Samenvatting
Er zijn honderden verschillende huidaandoeningen en heel veel Nederlanders lijden aan een chronische huidaandoening. De behandeling kan vaak met een huidmiddel. Niet alleen de werkzame stof is van belang voor de werkzaamheid, ook de basis waarin het geneesmiddel wordt verwerkt is erg belangrijk. Daarnaast is een goede smeerinstructie heel belangrijk. Hoe dik de crème of zalf aangebracht moet worden, hangt af van de verlangde werking. Een handig hulpmiddel bij het smeren van een crème of een zalf is de finger tip unit. Deze vingertopeenheid of FTU is een hoeveelheid die overeenkomt met een streepje crème of zalf dat net zo lang is als het vingertopje van een volwassene. Bij de toepassing van geneesmiddelen op de huid speelt de barrièrefunctie van de huid een belangrijke rol. De geneesmiddelen worden meestal lokaal (cutaan) toegepast, waardoor algemene bijwerkingen nauwelijks voorkomen. Huidaandoeningen hebben overigens niet alleen lichamelijke klachten tot gevolg. Vrijwel altijd hebben huidziekten ook sociale en psychische gevolgen.
F. A. C. van Opdorp

16. Cardiovasculair risicomanagement

Samenvatting
Hart- en vaatziekten zijn een belangrijke doodsoorzaak in Nederland. Bij veel Nederlanders is sprake van risicofactoren voor het ontstaan van deze hart- en vaatziekten. Om deze ziekten te voorkomen of te vertragen wordt gebruikgemaakt van cardiovasculair risicomanagement (CVRM). Aan de hand van deze standaard worden risicofactoren in kaart gebracht. Waar nodig worden deze mensen vervolgens behandeld met leefstijladviezen en medicijnen. Antihypertensiva zijn een belangrijk groep van geneesmiddelen die gebruikt kunnen worden bij de behandeling van de risicofactor hoge bloeddruk. Een andere veelgebruikte groep geneesmiddelen binnen het cardiovasculair risicomanagement zijn cholesterolsyntheseremmers. Deze groep is in staat om de aanmaak van het cholesterol in het lichaam te remmen en zo het cholesterol te verlagen naar een gezondere waarde.
F. A. C. van Opdorp

17. Diabetes mellitus

Samenvatting
Diabetes mellitus is een ziekte die nauw samenhangt met het cardiovasculair risicomanagement. Het is een ziekte die steeds vaker voorkomt. Volgens schattingen hebben bijna een miljoen mensen in Nederland diabetes, maar ongeveer 250.000 mensen weten dit nog niet. Diabetes kan lang bestaan zonder dat er ernstige klachten zijn. Als diabetes mellitus niet goed behandeld wordt, kunnen er ernstige complicaties ontstaan. Een vergroot risico op hart- en vaataandoeningen, wondgenezingsstoornissen, netvliesafwijkingen en nierfunctiestoornissen zijn enkele voorbeelden van ernstige gevolgen van onbehandelde diabetespatiënten. Deze langetermijneffecten zullen bij patiënten die goed op dieet en medicamenteuze therapie zijn ingesteld, minder snel en minder sterk optreden.
F. A. C. van Opdorp

18. Hart- en vaatziekten

Samenvatting
Er zijn veel aandoeningen van het hart die met geneesmiddelen behandeld kunnen worden. Hartfalen, hartritmestoornissen en angina pectoris (letterlijk: pijn op de borst) zijn enkele voorbeelden. Bij hartfalen is het hart niet in staat om voldoende bloed rond te pompen om aan de behoefte van het lichaam te voldoen. Het hart kan ook getroffen worden door een stoornis in de prikkelgeleiding. De medicamenteuze behandeling van een hartritmestoornis is moeilijk, omdat er een aantal mogelijke oorzaken kan zijn. Angina pectoris wordt veroorzaakt door zuurstofgebrek van de hartspier. Het is een onaangenaam drukkend of beklemmend gevoel op of in de borst, dat optreedt bij inspanning, emoties, schrik en overgang van warmte naar koude.
F. A. C. van Opdorp

19. De bloedstolling

Samenvatting
De stollingsfunctie van het bloed is van levensbelang. Het is een belangrijk verdedigingsmechanisme van het lichaam. Bloedstolling voorkomt bloedverlies en verhindert het binnendringen van micro-organismen bij beschadigingen van huid en slijmvliezen. Bloedstolling binnen het vaatstelsel (trombose) levert echter gevaar op als daardoor bloedvaten worden afgesloten. We onderscheiden veneuze trombose (stolsel in een ader zoals bij longembolie) en arteriële trombose (stolsel in een slagader zoals bij een hartinfarct). Antistollingsmiddelen worden gebruikt om een dreigende, inwendige stolling te voorkomen of – als de stolling al is opgetreden – die te behandelen. Antitrombotica is een verzamelnaam voor stoffen die de bloedstolling kunnen verminderen. Trombocytenaggregatieremmers beïnvloeden vooral de hechting van de bloedplaatjes aan de vaatwand. Vitamine K-antagonisten remmen de aanmaak van protrombine. Zij geven wel vaak een interactie met andere geneesmiddelen. Naast deze twee groepen zijn er nog direct werkende anticoagulantia en heparines.
F. A. C. van Opdorp

20. Beïnvloeding van de weerstand en de afweer

Samenvatting
Het menselijk lichaam is in staat onderscheid te maken tussen een lichaamseigen stof en een lichaamsvreemde stof. Ons lichaam is omgeven door zeer veel stoffen die lichaamsvreemd zijn, maar gelukkig zijn maar weinig van die lichaamsvreemde stoffen ziekmakend of (levens)bedreigend. Een lichaamsvreemde stof noemen we een antigeen. Belangrijk om te onthouden is dat het lichaam bij het binnendringen van een antigeen een stof gaat maken die dit antigeen onschadelijk maakt. Het begrip ‘immuniteit’ geeft aan dat iemand door het aanmaken van antilichamen beschermd is tegen een bepaalde ziekmakende lichaamsvreemde stof. Er is een groot aantal infectieziekten die ernstig kunnen verlopen. Door vaccinatie of inenting kan soms voorkomen worden dat mensen ziek worden. Corticosteroïden hebben naast een ontstekingsremmende werking ook een positief effect op een overmatige afweerreactie. Ze worden daarom toegepast bij ziekten waarbij de afweer van het lichaam eigen organen of weefsels aantast (auto-immuunziekten als reumatoïde artritis en de huidziekte psoriasis).
F. A. C. van Opdorp

21. Infectieziekten

Samenvatting
Bacteriën zijn over het algemeen nuttig, maar sommige soorten kunnen voor de mens schadelijk zijn. Bacteriën kunnen op twee manieren schadelijk zijn voor hun gastheer: ze onttrekken voedingsstoffen aan hun gastheer en ze produceren afvalstoffen. Deze afvalstoffen zijn soms giftig en kunnen koorts veroorzaken. Antibacteriële middelen zijn werkzaam tegen infectieziekten die veroorzaakt worden door bacteriën. Deze antibiotica hebben een dodende (bactericide) of groeiremmende (bacteriostatische) werking op bacteriën. Als een bacterie ongevoelig is voor een antibacterieel middel, is de bacterie er resistent voor. Het volgens voorschrift innemen van antibiotica is erg belangrijk. Naast antibiotica hebben antimycotica en antivirale medicatie een belangrijke plaats in de strijd tegen micro-organismen.
F. A. C. van Opdorp

22. Aandoeningen van de luchtwegen

Samenvatting
Hoesten is een reactie op een prikkel in de keelholte of in de luchtwegen. Hoesten heeft bijna altijd een nuttige functie en het verwijdert stoffen uit de keelholte of luchtwegen die er niet thuishoren. Stoffen die de hoestprikkel onderdrukken, worden vooral gebruikt als er sprake is van een droge, niet-productieve hoest. Mucolytica zouden invloed hebben op de taaiheid van het slijm in de luchtwegen waardoor het ophoesten gemakkelijker zou gaan. Het bewijs hiervan is niet overtuigend. Een gezamenlijk kenmerk van de luchtwegaandoeningen is het optreden van kortademigheid. Dit kan door vernauwing van de luchtwegen (astma) of door het ophopen van taai slijm en het opzwellen van het slijmvlies in de luchtwegen (bronchitis). Astma is meestal het gevolg van een allergie en/of een vergrote gevoeligheid voor prikkels van buitenaf. Vermindering van de hoeveelheid longblaasjes is bijna altijd het gevolg van roken en wordt emfyseem genoemd. Chronische bronchitis en emfyseem worden samen aangeduid met de term COPD. Deze afkorting staat voor chronic obstructive pulmonary disease. De oorzaken van astma en COPD zijn dus verschillend en de basis van de behandeling met geneesmiddel is ook verschillend.
F. A. C. van Opdorp

23. Schildklieraandoeningen

Samenvatting
De schildklier is een belangrijk orgaan in ons lichaam. Deze regelt processen van omzetten en verwerken van voedingsstoffen en speelt een belangrijke rol in de stofwisseling (metabolisme). Aandoeningen van de schildklier geven dan ook altijd een verstoring van de normale stofwisseling. Voor het behandelen van een schildklieraandoening bestaan stoffen die de werking van de schildklier kunnen nabootsen (thyreomimetica) en stoffen die de werking van de schildklier kunnen remmen (thyreostatica).
F. A. C. van Opdorp

24. Oogaandoeningen

Samenvatting
Het behandelen van het oog gebeurt meestal lokaal met oogdruppels, een oogzalf of een ooggel. Soms wordt het oog gespoeld met een spoelvloeistof of oogwassing. Oogdruppels moeten steriel zijn. Het oog is niet goed doorbloed, waardoor de bescherming tegen micro-organismen niet goed mogelijk is. Niet-steriele oogdruppels kunnen bij zieke ogen een ernstige infectie veroorzaken. Veel oogdruppels bevatten conserveermiddelen. Omdat deze conserveermiddelen nog weleens aanleiding geven tot overgevoeligheidsreacties, worden oogdruppels ook wel zonder conserveermiddel afgeleverd. Deze conserveermiddelvrije oogdruppels zitten in minims. Dit zijn knijpflacons met een kleine hoeveelheid oogdruppels die bedoeld zijn voor eenmalig gebruik. Er zijn allerlei verschillende soorten oogaandoeningen, waaronder glaucoom. Glaucoom is een verzamelnaam voor oogziekten die gepaard gaan met een verhoging van de oogboldruk. De behandeling van glaucoom is erop gericht de druk in het oog te verlagen. Dit kan door de afvoer van oogkamervocht te verbeteren of de aanmaak van oogkamervocht te verminderen. De behandeling is meestal levenslang.
F. A. C. van Opdorp

25. Vitamines en mineralen

Samenvatting
Vitamines en mineralen zijn stoffen die essentieel zijn voor het goed functioneren van je lichaam. In Nederland zijn verschijnselen van vitaminetekorten zeldzaam, omdat bij een gevarieerde voeding voldoende vitamines in het voedsel aanwezig zijn. Toch kan het extra toedienen van vitamines belangrijk zijn. Bijvoorbeeld aan pasgeborenen die alleen borstvoeding krijgen, als er onvoldoende opname is in het maag-darmkanaal (bijv. na een operatie of een darmziekte), als de behoefte verhoogd is (o.a. zwangeren, topsporters) en aan kwetsbare bevolkingsgroepen die onvoldoende gevarieerde voedsel innemen. Bij de behandeling van osteoporose spelen vitamines ook een rol. Naast het verhogen van de botdichtheid door bisfosfonaten, is het toedienen van calcium (bij onvoldoende calciuminname door melkproducten) en vitamine D van belang.
F. A. C. van Opdorp

26. Aandoeningen die samenhangen met de urinewegen

Samenvatting
Aandoeningen die een relatie hebben met de urinewegen komen veel voor. Toch geven aandoeningen als incontinentie, prostaatklachten en erectiestoornissen nog aanleiding tot schaamte. Incontinentie is het onvermogen om urine en/of ontlasting op te houden. Er zijn meerdere vormen van incontinentie. Stressincontinentie komt bijna uitsluitend voor bij vrouwen tussen de twintig en zestig jaar oud. Speciale oefeningen kunnen de bekkenbodemspieren sterker maken, waardoor er minder snel urineverlies optreedt. Druppel- of overloopincontinentie komt het meest voor bij oudere mannen. Na het plassen blijft de urine nadruppelen. Geneesmiddelen kunnen behulpzaam zijn. Aandrang- of urge-incontinentie komt zowel bij vrouwen als mannen voor. Er kunnen verschillende oorzaken zijn. Blaastraining, bekkenbodemspieroefeningen en geneesmiddelen kunnen uitkomst bieden. Een andere bekende oorzaak van mictieklachten bij mannen is een vergrote prostaat.
F. A. C. van Opdorp

27. Neurologische aandoeningen

Samenvatting
Aandoeningen waarvan de oorzaak in het zenuwstelsel ligt, worden neurologische aandoeningen genoemd. Een neurologische aandoening wordt onderscheiden van een psychiatrische aandoening. Bij de neurologische aandoeningen staan de lichamelijke uitingen voorop, bij de psychiatrische aandoeningen de gedragsstoornissen. Epilepsie is een aandoening waarbij er aanvalsgewijs storingen in de hersenfunctie optreden. Dit gaat gepaard met een daling van de bewustzijnsgraad tot bewusteloosheid toe. Op grond van de ziekteverschijnselen kan onderscheid worden gemaakt in soorten aanvallen. Er zijn partiële aanvallen (plaatsgebonden) en gegeneraliseerde aanvallen (niet-plaatsgebonden). Anti-epileptica zijn niet in één groep in te delen. Andere belangrijke neurologische aandoeningen zijn migraine, de ziekte van Parkinson en duizeligheid.
F. A. C. van Opdorp

28. Geneesmiddelen bij psychiatrische aandoeningen

Samenvatting
Psychofarmaca worden gebruikt bij de behandeling van stoornissen in het psychisch functioneren; bij afwijkingen in het denken, in het gedrag en in de stemming. Een ziekelijk sombere stemming die meestal gepaard gaat met geremdheid in denken en handelen wordt een depressie genoemd. De keuze van een antidepressivum wordt bepaald door de begeleidende verschijnselen van de depressie, zoals slapeloosheid of opwinding. Antidepressiva worden behalve bij depressies ook gebruikt bij angststoornissen. Een aandoening waarbij psychosen een belangrijke rol spelen is schizofrenie. Deze ziekte wordt gekenmerkt door stemmen en wanen die het gedrag in ernstige mate beïnvloeden. Antipsychotica worden gebruikt bij allerlei vormen van psychosen, maar ook bij heftige opwinding en onrust bij bejaarden en kinderen. Een aandoening die bij kinderen kan voorkomen is de aandachtstekortstoornis. Deze stoornis gaat vaak gepaard met hyperactiviteit en wordt aangeduid met ADHD.
F. A. C. van Opdorp

29. Geneesmiddelen bij kwaadaardige aandoeningen

Samenvatting
Kwaadaardige aandoeningen worden veroorzaakt door afwijkende celdeling. De oorzaak van het ontstaan van een afwijkende celdeling is nog grotendeels onbekend. Op het moment dat er iets met de deling misgaat, ontstaat er een groot aantal cellen dat er eigenlijk niet thuishoort. Dit kan leiden tot een gezwel of tumor. Er bestaan goedaardige (benigne) tumoren en kwaadaardige (maligne) tumoren. Kwaadaardige tumoren onderscheiden zich van goedaardige tumoren doordat ze omliggend weefsel binnendringen, vernietigen en uitzaaiingen kunnen geven. Cytostatica remmen de celdeling. Een aantal cytostatica wordt gebruikt bij andere ziekten dan kanker om de afweer van het lichaam te onderdrukken (immunosuppressief). Bij een aantal kwaadaardige aandoeningen kan een hormonale behandeling het leven draaglijker maken en zelfs klachten- of symptoomvrije perioden bewerkstelligen. Andere groepen geneesmiddelen die kunnen worden ingezet zijn immunomodulantia, monoklonale antistoffen en bloedgroeifactoren.
F. A. C. van Opdorp

30. Chirurgische ingrepen

Samenvatting
Een anestheticum is een stof die een tijdelijke gevoelloosheid of verdoving kan veroorzaken. Anesthetica worden gebruikt voor een volledige verdoving (narcose) of voor een plaatselijke verdoving (lokale anesthesie). Algehele anesthesie kan worden gedaan via inhalatie (gas-dampvormige anesthetica), intramusculaire injectie, intraveneuze injectie en soms via het rectum. Bij lokale anesthesie worden verschillende toepassingsgebieden onderscheiden: oppervlakteanesthesie, infiltratieanesthesie, geleidingsanesthesie en epidurale anesthesie. Lidocaïne wordt gebruikt voor alle toepassingsgebieden van de lokale anesthesie. Antitrombotica kunnen voor of tijdens een ingreep worden toegepast om de bloedstolling te vertragen.
F. A. C. van Opdorp

31. Misbruik en verslaving

Samenvatting
Als iemand voortdurend de behoefte heeft iets in te nemen of te gebruiken, wordt gesproken over verslaving. Een verslaving is een ernstige aandoening. Het begint meestal met gewoontevorming. Bij een verslaving is er een emotionele afhankelijkheid van de gewoonte. Als naast deze emotionele afhankelijkheid ook een lichamelijke afhankelijkheid optreedt, reageert het lichaam met onaangename verschijnselen wanneer het middel niet gebruikt wordt. Deze verschijnselen heten onthoudings- of abstinentieverschijnselen. Om misbruik van verslavende middelen te voorkomen, heeft de overheid maatregelen genomen. Verslavende middelen vallen onder de Opiumwet en het recept, de controle en de opslag moeten aan strenge eisen voldoen. Methadon wordt vooral gebruikt om de onthoudingsverschijnselen van een heroïneverslaving te bestrijden. De medicamenteuze ondersteuning van een alcoholverslaafde gebeurt met disulfiram en acamprosaat. Bij roken zijn er naast nicotinebevattende middelen speciaal voor de nicotineverslaving geneesmiddelen geregistreerd.
F. A. C. van Opdorp

Nawerk

Meer informatie

Extras