Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Farmacologie voorziet bij uitstek in de behoefte aan een Nederlandstalig leerboek dat aansluit bij de Nederlandse geneeskunde. In dit leerboek wordt het klinisch belang van de leerstof uitgebreid toegelicht en benadrukt. Farmacologie biedt een overzicht van de belangrijkste onderwerpen uit de medische farmacologie. In de tekst zijn kaders met trefwoorden opgenomen, waardoor de student zich de termen en onderwerpen gemakkelijk eigen maakt. Bovendien wordt het geheel van de stof hierdoor overzichtelijker. Farmacologie is een medisch vakgebied dat voortdurend in beweging is en ook in de toekomst een belangrijke rol zal spelen. Daarom is in dit boek naast de leerstof ook leesstof opgenomen, waarin zowel naar de geschiedenis wordt gekeken als gespeculeerd wordt over de toekomst van de farmacologie.
Het boek is geheel bijgewerkt naar de huidige stand van zaken. Nieuwe inzichten en geneesmiddelen zijn opgenomen en er is ook aandacht besteed aan weesgeneesmiddelen en monoklonale antilichamen. Het boek is uitgebreid geïllustreerd met full-color figuren van het Teaching Resource Centre van de Universiteit Leiden.
Aan deze druk is een onlineomgeving toegevoegd: Studiecloud. De lezer kan via deze internetsite voortdurend beschikken over dit aanvullende materiaal zoals extra oefenvragen, samenvattingen en deeplinks met betrouwbare informatie, samengesteld door de auteurs van het boek.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Geneesmiddelen

Hedendaagse geneeskunde zonder geneesmiddelen is nagenoeg ondenkbaar. De meeste geneesmiddelen zijn echter pas de laatste tientallen jaren beschikbaar gekomen;
A. F. Cohen, M. Danhof, H. J. M. M. de Greef, A. P. Ijzerman, M. J. H. Kenter, J. H. M. Schellens, J. M. A. Sitsen

2. Het autonome zenuwstelsel

Het autonome of onwillekeurige zenuwstelsel regelt samen met het endocriene systeem en een aantal lokale hormonen (autocoïden) veel voor het lichaam belangrijke functies, zoals de bloedcirculatie en de spijsvertering. Het centrale zenuwstelsel, dat de efferente (‘efferens’ (L.): naar buiten gaande) systemen bestuurt, zendt via de parasympathicus en (ortho)sympathicus signalen naar de effector (L.: bewerker)-organen en -cellen in de periferie (gladde spieren, hart en klieren). Zo worden de autonoom geregelde functies zo veel mogelijk constant gehouden (homeostase). Aangezien voortdurend terugkoppeling plaatsvindt, kan het lichaam zich snel aan veranderende omstandigheden aanpassen. Wanneer door welke oorzaak dan ook de aanpassing van bepaalde functies tekortschiet, ontstaan tijdelijke of chronische verstoringen van de homeostase. Bijsturing door middel van farmaca kan dan worden overwogen of zelfs noodzakelijk zijn.
D. J. de Wildt, M. C. Michel

3. Het centrale zenuwstelsel

Voor een goed begrip van de werking van geneesmiddelen op het centrale zenuwstelsel is kennis van de anatomie, de fysiologie en de neurochemie van de hersenen van belang. Raadpleeg zo nodig boeken over deze vakgebieden! In deze paragraaf komen slechts die aspecten aan de orde die een rol spelen bij de werking van geneesmiddelen.
B. A. Ellenbroek, M. D. Ferrari, M. A. F. M. Gerrits, A. Maassen van den Brink, J. M. van Ree, J. M. A. Sitsen, P. M. J. Zelissen

4. Hormonen

Het bestaan van hormonen werd ongeveer 150 jaar geleden vastgesteld. In 1849 verrichtte de Duitse onderzoeker Arnold A. Berthold een slim experiment om na te gaan waarom hanen kraaien en vechten zoals alle hanen dat doen.
B. C. J. M. Fauser, E. R. de Kloet, J. S. E. Laven, P. Lips, R. P. J. Michels, A. M. Pereira, J. M. A. Sitsen, W. M. Wiersinga

5. Hart en vaten

De bloedsomloop of circulatie is, zoals de naam aangeeft, een gesloten systeem met daarin een pomp, het hart. De hoeveelheid bloed die het hart per tijdseenheid uitpompt komt dus overeen met de hoeveelheid die het krijgt aangeboden, en omgekeerd. In figuur 5-1 is de bloedsomloop schematisch weergegeven.
Vanaf het begin van de aorta verandert de vaatboom niet alleen van diameter, maar ook van functie.
A. H. J. Danser, J. F. M. Smits, H. A. J. Struijker Boudier, P. A. van Zwieten

6. Longen

De ademhaling zorgt dat het lichaam van zuurstof wordt voorzien en dat koolstofdioxide uit het lichaam wordt verwijderd. De spontane ademhaling wordt geregeld door het ademhalingscentrum in de medulla oblongata (hersenstam). Efferente motorische vezels lopen vanuit dit centrum door het ruggenmerg naar de ademhalingsspieren.
P. N. R. Dekhuijzen, Z. Diamant

7. Maag-darmkanaal

Het maag-darmstelsel (of tractus digestivus) omvat een aantal holle organen met een gespierde wand en twee solide organen. Tot de holle organen behoren de slokdarm, de maag, de dunne darm, de dikke darm en de galblaas. De solide organen, de lever en het pancreas (alvleesklier), zijn met een afvoergang met de dunne darm verbonden. De taak van het maagdarmkanaal is transport, vertering en opname van voedingsstoffen.
C. B. H. W. Lamers, J. M. A. Sitsen, A. J. P. M. Smout

8. Bloed

De bloedcellen bevinden zich in de circulatie en zijn daardoor in staat om altijd en overal in het lichaam hun functie uit te oefenen. Deze functies zijn het transport van zuurstof (erytrocyten), de afweer (leukocyten) en de hemostase (trombocyten, in samenwerking met de stollingseiwitten in het bloedplasma en de endotheelcellen). Het stollingssysteem en de functie van de trombocyten worden besproken bij de hemostase (zie paragraaf 8.3). Hier wordt een korte inleiding gegeven over de cellen die het zuurstoftransport regelen en over de bij de afweer betrokken cellen. Leukocyten kunnen door de bloedvatwand migreren en in de weefsels taken in het afweersysteem uitoefenen.
J. J. M. Marx, H. H. W. Thijssen

9. Ontsteking, allergie en afweer

De vier belangrijke klinische kenmerken van ontsteking, ‘calor’ of warmte, ‘rubor’ of roodheid, ‘tumor’ of zwelling en ‘dolor’ of pijn, werden voor het eerst beschreven door de Grieken en Romeinen. In 1858 toonde de beroemde Duitse patholoog Rudolph Virchow met behulp van de microscoop de rol van cellen aan bij fysiologische en pathofysiologische processen, met inbegrip van ontsteking.
J. W. J. Bijlsma, F. P. Nijkamp

10. Infectieziekten

Infectieziekten zijn ziekten die worden veroorzaakt door micro-organismen. Micro-organismen kan men onderscheiden in virussen, bacteriën, schimmels, protozoa en wormen.
J. Verhoef

11. Maligne aandoeningen

  • celdeling en -groei
  • celcyclus
  • celkinetiek
  • genetische veranderingen
Jaarlijks wordt in Nederland bij ongeveer 70.000 patiënten kanker vastgesteld. Deze maligne aandoeningen vormen een heterogene groep van ziektebeelden die onderling sterk verschillen in beloop en behandeling.
R. E. N. van Rijswijk, J. H. M. Schellens, J. B. Vermorken, W. J. F. van der Vijgh

12. De huid

De huid heeft een aantal belangrijke functies. Allereerst beschermt de huid het lichaam tegen het binnendringen van ongewenste stoffen en organismen en voorkomt dat lichaamsvloeistoffen en elektrolyten het lichaam verlaten.
J. G. van der Schroef

13. Stoffen ter behandeling van erfelijke enzymafwijkingen en enkele andere zeldzame ziekten

Er bestaan veel zeldzame ziekten (zie bijvoorbeeld www.​orphanet.​org; ec.​europa.​eu/​health-eu/​health_​problems/​rare_​diseases/​index_​en.​htm; rarediseases. info.nih.gov; www.​rarediseases.​org). In paragraaf 1.4 is vermeld dat er bijzondere regelingen zijn om te bevorderen dat farmaceutische bedrijven geneesmiddelen ontdekken en ontwikkelen voor ziekten die niet vaak voorkomen en daardoor nauwelijks een – vanuit economisch oogpunt – aantrekkelijke markt vormen.
J. M. A. Sitsen

14. Beginselen van farmacotherapie

Om voor een probleem van de patiënt een oplossing te vinden, hanteert de arts een klinisch redeneerproces. Hierin zijn twee fasen te onderscheiden: het diagnostisch redeneren, vanuit het probleem komen tot het stellen van een werkdiagnose, en het therapeutisch redeneren, vanuit de werkdiagnose komen tot de oplossing van het probleem.
P. G. M. de Vries, K. L. Franson, F. Hut, J. M. A. Sitsen

15. Klinische toxicologie

Blootstelling aan toxische stoffen kan leiden tot een verhoogde belasting van het lichaam (lokaal en/of systemisch) met als gevolg klinische of subklinische symptomen van een intoxicatie. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen acute blootstelling (eenmalig of enkele malen binnen een tijdsbestek van bijvoorbeeld 24 uur) en chronisch intermitterende blootstelling (gedurende een langere periode, aan vaak betrekkelijk lage doses). Deze blootstelling kan vervolgens leiden tot respectievelijk een acute of een chronische intoxicatie. Ook kunnen tussenvormen voorkomen waarbij het niet onmiddellijk duidelijk zal zijn of het om een acute of een chronische intoxicatie gaat.
J. Meulenbelt, I. de Vries

Nawerk

Meer informatie