Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit rijk geïllustreerde naslagwerk is alweer de 11de druk en een volledige herziening van de succesvolle voorgaande druk. De structuur van het boek is herkenbaar voor alle fysiotherapeuten en manueeltherapeuten dankzij de toepassing van het meerdimensionale belasting-belastbaarheidsmodel als basis voor het klinisch redeneren. Door heldere verwijzingen, een uitgebreide index en een verklarende woordenlijst wordt de lezer spelenderwijs langs relevante ‘just-in-time’ informatie geloodst met betrekking tot de ICF, de ICD, adaptatieprocessen en psychologische, neurofysiologische en biomechanische aspecten van de manuele therapie. Het boek kenmerkt zich door een hoog gehalte aan evidence-based practice, wat in het bijzonder geldt voor de hoofdstukken over de heup- en de schouderregio.
Op de bijbehorende website worden alle in het boek beschreven onderzoeks- en behandeltechnieken op ruim 380 instructievideo’s door de auteurs gedemonstreerd. Mede dankzij de combinatie met de website vormt het boek een degelijk uitgangspunt voor het valideren van hypothesen, tests en behandelskills.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Theoretische aspecten van de manuele therapie

Samenvatting
In hoofdstuk 1 worden de bij het biopsychosociaal denkmodel behorende begrippen, methodiek en systematiek uitgebreid gedefinieerd en toegelicht. De algemene (sub)doelstellingen van het vak worden verklaard, gekoppeld aan de implementatie op de werkvloer. Het Meerdimensionaal Belasting Belastbaarheidmodel (MDBB-model), Common Sense Model, New disability model en de KNGF-richtlijn Verslaglegging krijgen een belangrijke plaats. Binnen anatomische, medische, psychologische en psychofysiologische begrippenkaders wordt de link gelegd met veelvoorkomende manueeltherapeutische werkdiagnoses.
Er is ruime aandacht voor het concept van de bindweefselplaten, onder andere voor de rol van het myofasciale bindweefsel en het tussenliggende losmazige reticulaire bindweefsel (MCDAS). Belangrijke aandoeningen worden beschreven ter bevordering van het screeningsproces. Er is veel aandacht voor patroonherkenning, rode vlaggen, protocollen en protocolprofielen. Aan de hand van innovatieve differentiaaldiagnostiek kunnen ‘medisch begrepen’ pijn en ‘medisch onbegrepen’ pijn worden geclasseerd binnen diagnosegroepen en protocolprofielen. Een nieuw diagnosecoderingsysteem vereenvoudigt en verbetert outcome monitoring. Binnen het psychologische en psychofysiologische begrippenkader worden alle aspecten rond de gele vlaggen belicht, zoals centrale sensitisatie. Er is ruime aandacht voor de werking van het zenuwstelsel en de invloed van stress, en er wordt inzicht verschaft in de verschillende behandelstrategieën en de hypothese van de segmentale stoornis.
In 28 intermezzi worden praktische problemen en abstracte informatie inzichtelijk gemaakt. Mooie voorbeelden zijn de gazonmetafoor, de emmermetafoor, de marmelademetafoor en de 24-uurregel.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

2. Manueeltherapeutisch onderzoek

Samenvatting
Dit hoofdstuk is volledig gewijd aan het manueeltherapeutisch onderzoek en de systematische ordening conform de KNGF-richtlijn Verslaglegging. De narratieve en procedurele aspecten van de screening en anamnese worden uitgebreid onder de loep genomen. Binnen het lichamelijk onderzoek wordt met behulp van ‘werkwijze I’ het anamnestisch patiëntprofiel gecontroleerd en aangescherpt. Met ‘werkwijze II’ wordt de mate van stelligheid van de conclusies – zoals gesteld in de hypothesen – vergroot. De nodige kennis hiervoor wordt aangereikt. De nodige ervaring dient in de praktijk te worden opgedaan, waarvoor handvatten worden aangereikt. Er zijn aparte paragrafen ingeruimd voor inspectie, palpatie, actief en passief bewegingsonderzoek. Speciale aandacht is er voor provocatietests en de (on)zin van het vragen naar pijn. Het neurologisch onderzoek completeert dit hoofdstuk en is in de 11de druk sterk uitgebreid. De auteurs gebruiken concrete ziektebeelden en werkdiagnoses om het onderzoek inzichtelijk te maken.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

3. Manueeltherapeutische behandeling

Samenvatting
In dit hoofdstuk ligt de focus op de voor de manuele therapie kenmerkende behandeltechnieken. Er is uiteraard veel aandacht voor de High Velocity Thrust manipulaties: de indicaties en contra-indicaties en de ergonomische aspecten van HVT-manipulaties voor zowel de manueeltherapeut als de patiënt. Vanwege de uitgebreide klinische ervaring van de auteurs is het niet verwonderlijk dat de uitvoering van de impulstechnieken uitgebreid aan bod komt met vele praktische tips. De vormen variëren van stoot-, duw-, trektechniek tot ‘zweepslag’- en ‘body-drop’-techniek. De dosering wordt ook hier geëvalueerd met de ‘24-uurregel’. De technieken worden in de speciële hoofdstukken uitgebreid beschreven en op video gedemonstreerd, zoals ze in de dagelijkse praktijk worden uitgevoerd. Een belangrijk deel van het hoofdstuk is gewijd aan de (driedimensionale) rolglijtechnieken, oscillaties maar ook het functionele actieve bewegen. Speciale aandacht is er voor het excentrisch oefenen en de wetenschappelijke ontwikkelingen op dit gebeid in relatie tot de tendinopathie.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

4. Klinisch redeneren in de manuele therapie

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt het klinisch redeneerproces van de therapeut conform de stappen van de KNGF-richtlijn Verslaglegging gepresenteerd. Het laat zien hoe de therapeut via narratief en procedureel redeneren komt tot het SMART formuleren van subdoelstellingen en hoofddoelstellingen voor het behandelplan. Het belang van samenspraak met de patiënt wordt benadrukt door met behulp van het Common Sense Model inzicht te verschaffen in de ziektecognities en het klinisch redeneerproces van de patiënt zelf. Daarbij blijkt het hebben van inzicht in de diagnose, de prognose, de oorzaak, de controlemechanismen en de consequenties bevorderlijk voor een gunstig verloop van het herstelproces. De bevindingen uit onderzoeken en behandeling worden stap voor stap gedocumenteerd in het fysiotherapeutisch elektronisch patiëntendossier. Er kan hierbij gebruik worden gemaakt van verschillende denkmodellen als kapstok voor het klinisch redeneerproces, zoals het MeerDimensionaal Belasting-Belastbaarheidsmodel (MDBB-model) en het Hypothese-geOrieënteerd Algoritme voor Clinici (HOAC II-model).
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

5. Methodologische aspecten van de manuele therapie

Samenvatting
Dit hoofdstuk over methodologie staat in nauw verband met hoofdstuk 4. De verschillende manieren van klinisch redeneren worden kritisch beschouwd en in een wetenschappelijk kader geplaatst. De dimensies van evidence-based practice conform Sackett worden besproken en gevisualiseerd. De waarde van wetenschappelijke onderbouwing (externe evidentie) voor het manueeltherapeutisch handelen wordt toegelicht. Er is aandacht voor randomized controlled trials (RCT’s), systematische reviews, meta-analyses en richtlijnen. Het toepassen van klinimetrie blijkt niet alleen van belang om het herstelproces te kunnen volgen, maar ook om de patiënt er sterker bij te betrekken. Klinimetrie kan de patiënten motiveren en stimuleren om bij langdurige processen vol te houden en de invloed van storende omgevingsfactoren te beperken.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

6. Biomechanica, osteokinematica en artrokinematica

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt allereerst de nodige biomechanische kennis aangedragen die van belang is voor het verantwoord en professioneel manueeltherapeutisch handelen. De kinematica is de biomechanische wetenschap waarop de osteo- en artrokinematische bewegingsdefinities zijn gebaseerd. Driedimensionaal inzicht in zowel de gewrichtsprofielen als de artrokinematica met behulp van de moderne beeldvormende technieken heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de huidige status van de manuele therapie. De beschrijving van de relatie tussen vorm en functie verduidelijkt de begrippen als krachtsluiting, loose-packed en close-packed positions, hypo- en hypermobiliteit. Bij de bespreking van de begrippen stabiliteit en instabiliteit worden de drie zones van White en Panjabi gebruikt. Verder staan de auteurs stil bij de talrijke bewegingsvormen en bewegingsdefinities uit de manuele therapie, waarbij de osteokinematische en artrokinematische nomenclatuur met talrijke duidelijke illustraties en schema’s wordt toegelicht.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

7. De pols-handregio

Samenvatting
Dit is het eerste zogenaamde speciële hoofdstuk dat in zijn geheel is gewijd aan een regio van de extremiteiten: de pols-handregio. Allereerst komen de specifieke activiteiten conform de ICF aan bod. Er is aandacht voor de distale onderarmverbinding (de art. radioulnaris) met speciale aandacht voor het TFCC. Er wordt stilgestaan bij medisch begrepen en medisch onbegrepen pijn in de ulnaire polsregio en ‘bone-bruise’. De carpus wordt uitgebreid anatomisch, biomechanisch, osteo- en artrokinematisch belicht. Zowel het fysiologisch osteo- en artrokinematisch bewegen als het pathologisch bewegen wordt besproken in relatie tot disposities, zoals DISI en VISI. Alle overige distale verbindingen als de CMC, MCP-intermetacarpale en IP-gewrichten komen daarna aan bod met speciale aandacht voor het basisgewricht van de duim (CMC 1). Paragraaf 8 is ingeruimd voor de herstelbelemmerende factoren. Hier worden de voor de manuele therapie belangrijkste disposities, ziekten en aandoeningen van de pols-handregio op een rij gezet.
Het hoofdstuk wordt afgesloten met maar liefst 38 technieken, onderverdeeld in techniekclusters, voor de dagelijkse praktijk. Aan de hand van instructieve video’s op de website, duidelijke foto’s en helder geformuleerde opmerkingen wordt duidelijk gemaakt hoe de manueeltherapeut zijn pols-handpatiënten kan onderzoeken en behandelen. Vanwege de relatie van de pols-handregio met de totale biomechanische en neurofysiologische keten wordt overzichtelijk doorverwezen naar de overige hoofdstukken in dit boek.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

8. De elleboogregio

Samenvatting
Na een uiteenzetting over ontstekingen, surmenage, instabiliteit en KANS wordt de focus verlegd naar het cubitale en vervolgens het antebrachiale systeem. Alle nodige anatomische, neurofysiologische en biomechanische informatie over de art. humeroulnaris, de art. humeroradialis, de art. radioulnaris proximalis en distalis, de membrana interossea en de chorda obliqua worden besproken om de osteo- en artrokinematica en overige functionele aspecten beter te kunnen begrijpen. Er is ruime aandacht voor de bijzondere gewrichtsposities en het capsulair patroon van de elleboog. Paragraaf 7 is in dit speciële hoofdstuk ingeruimd voor de herstelbelemmerende factoren. Enkele medisch geklasseerde aandoeningen die in dit kader de revue passeren, zijn reumatoïde artritis, bursitis olecrani en osteochondritis dissecans. Loose bodies en posterolaterale rotatoire instabiliteit (PLRI) krijgen extra aandacht. Ook dit hoofdstuk wordt afgesloten met tal van praktijkvoorbeelden. Aan de hand van videomateriaal, foto’s en heldere toelichtingen presenteren de auteurs meer dan 30 onderzoek- en behandeltechnieken. Vanwege de relatie van de elleboogregio met de totale biomechanische en neurofysiologische keten wordt overzichtelijk doorverwezen naar de overige hoofdstukken in dit boek.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

9. De schouderregio

Samenvatting
Dit hoofdstuk begint met een uiteenzetting over de bindweefselplaatsystemen in en rond de schouder en de belangrijke rol van het losmazig reticulaire MCDAS. Naast het glenohumerale systeem (HSMI) is er ruime aandacht voor het primaire en secundaire scapulothoracale systeem, inclusief de wervelkolom. Na de beschrijving van de descriptieve anatomie en de osteo- en artrokinematica komen veelvoorkomende aandoeningen als schouderinstabiliteit, het subacromiale pijnsyndroom en de frozen shoulder aan bod. De rode vlaggen worden besproken en er wordt uitgebreid stilgestaan bij aspecifieke schouderpijn (‘medisch onbegrepen’ pijn). In het kader van onderzoek staan reductietests als de ‘Manus-van-alles’-techniek in combinatie met de circumductie- en deviatiebeweging, SAT, SRT, GHRT en SSMP centraal.
Tot slot presenteren de auteurs als schouderexperts – naast een handige ‘patronenmatrix’ – het fundament vondashor onderzoek- en behandelprotocollen die toepasbaar zijn bij aspecifieke en mild specifieke schouderpijn. Er worden maar liefst 102 onderzoeks- en behandeltechnieken van de schoudergordel uitgebreid beschreven en op video gedemonstreerd, met extra veel aandacht voor de thoracale, cervicothoracale én cervicale wervelkolom.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

10. De voet-onderbeenregio

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt het functioneren van de voet, enkel en het onderbeen belicht. Het belang van dit vaak onderschatte, gewichtdragende menselijke fundament wordt toegelicht in relatie tot het ‘tensegrity’-model. Achtereenvolgens worden het talocrurale systeem, de tibiofibulaire syndesmose, het subtalaire systeem en de voetgewelven besproken. De art. tarsi transversa (gewrichtslijn van Chopart), art. talocalcaneonavicularis, art. calcaneocuboidea, art. cuneonavicularis, art. cuboideocuneonavicularis en de artt. tarsometatarsales krijgen specifieke aandacht. Aandacht voor de waarde van een goed functionerende voet voor onze houding en beweging en de podoposturale therapie mogen hierbij niet ontbreken,
Belangrijke aandoeningen die ter sprake komen zijn jicht, hallux valgus, hallux rigidus, achillespeestendinopathie, arthrosis deformans, logesyndroom, shin splints en trombose. Er is aandacht voor rode vlaggen en de Ottawa Ankle rules. Het hoofdstuk eindigt met een handige ‘patronenmatrix’ en bevat maar liefst 44 onderzoek- en behandeltechnieken die ook op video worden gedemonstreerd. De HVT-manipulatie van het subtalaire gewricht springt daarbij in het oog als oplossing voor veel ‘medisch onbegrepen’ hiel-, achillespees- en kuitpijn.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

11. De knieregio

Samenvatting
In dit hoofdstuk is er ruime aandacht voor implementatie van de KNGF-richtlijn Artrose heup-knie en het preoperatieve traject. Er is wetenschappelijke onderbouwing voor het feit dat er veel te vroeg wordt geopereerd en er te weinig fysiotherapeutische behandeling en begeleiding wordt gegeven. In dit hoofdstuk worden hiervoor praktische oplossingen geboden op zowel het niveau van stoornissen (manuele therapie in enge zin) als activiteiten (graded activity). In de ‘dynamische concaviteit’ van de knie blijken alle betrokken anatomische structuren met elkaar verbonden te zijn conform het in dit boek gepropageerde ‘concept van de bindweefselplaten. Daarbij worden tal van aspecten besproken die verantwoordelijk kunnen zijn voor het ontstaan van aspecifieke kniepijn, zoals een gestoorde functie van de menisci en alle verbonden bindweefselplaten. Een kleine stagnatie in een van de ingenieuze hyaliene en fibrocartilagineuze glijsystemen kan de oorzaak zijn van aspecifieke (medisch onbegrepen) kniepijn. Specifieke kniepijn als gevolg van knieoperaties, kniefracturen en immobilisatie, maar ook diagnoses als de jumper’s knee, Baker-cyste, reumatoïde artritis, genu valgum, genu varum, genu recurvatum, gonartrose en loose bodies komen – naast de rode vlaggen en de Ottawa Knee Rules – eveneens aan bod.
Ook dit hoofdstuk kent weer een handige ‘patronenmatrix’. Toepassing van de theorie bieden de auteurs in de techniekclusters. Maar liefst 39 onderzoek- en behandeltechnieken worden uitgebreid beschreven en op video gedemontreerd.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

12. De heupregio

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt de KNGF-richtlijn Artrose heup-knie geïmplementeerd en melding gemaakt van recent belangrijk wetenschappelijk onderzoek. De configuratie van de heupkop en -kom, het collum femoris, de bekkentypen en het intra-articulaire corpus adiposum worden besproken in relatie tot het in dit boek gepropageerde concept van de bindweefselplaten. Er worden effectieve behandelmethodes geboden voor milde vormen van het femoro-acetabulair impingementsyndroom en aspecifieke heup- en liespijn.
Zoals bij de knie(artrose) is er ook bij de heup wetenschappelijke onderbouwing voor het feit dat er veel te snel wordt overgegaan tot operatieve vervanging. Met manuele therapie en graded-activity-oefentherapie kan er bewezen effectief conservatief worden behandeld en het preoperatieve traject worden verlengd. Belangrijke klinimetrische hulpmiddelen als de Harris Hip Score, Algofunctional Index en HOOS komen uitgebreid aan bod. Voorbeelden van specifieke heuppijn worden in dit hoofdstuk gekoppeld aan diagnoses als congenitale heupdysplasie, coxa valga/coxa vara, epifysiolysis capitis femoris, de ziekte van Perthes, heupluxatie (dashboardtrauma), gluteale claudicatie en uiteraard heupartrose. Verder komen de overige rode vlaggen ter sprake, zoals heupfracturen, het ‘sign of the buttock’ (bilteken), het teken van Lasègue en het lumboradiculairsyndroom. Er is ook een handige ‘patronenmatrix’. Maar liefst 35 onderzoek- en behandeltechnieken, waaronder evidence-based HVT-manipulaties worden uitgebreid beschreven en op video gedemonstreerd.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

13. Laagdrempelige functionele oefeningen

Samenvatting
Dit afsluitende hoofdstuk biedt 69 zeer praktische basisoefeningen, die de manueeltherapeut met wat individuele aanpassingen (maatwerk) als huiswerkoefeningen kan meegeven. Een enorm voordeel is dat de patiënt thuis in alle rust de op video gedemonstreerde oefeningen kan bekijken via de praktijkwebsite www.​fysio.​net of op de website van dit boek. Alle 69 oefeningen worden in het boek uitgebreid toegelicht. Een praktische uiteenzetting over behandelstrategieën, excentrisch oefenen en elleboogkrukkentraining springen daarbij in het oog. Afsluitend wordt er een zeer bruikbaar voorstel gedaan voor ‘innovatieve differentiaaldiagnostiek en diagnosecodering’ als basis voor meer betrouwbare vulling van databases, beter betrouwbare outcome monitoring en wetenschappelijke onderbouwing van het vak. Aan de hand van de ‘ingrediëntenlijst voor onderzoek- en behandelprotocollen’ wordt de lezer gestimuleerd om met collega’s in de praktijk eigen protocollen te maken. Dat kan op basis van de voorbeelden met verwijzing naar de hoofdstukken in dit boek. Daarnaast kan aan alle patiënten nu op uniforme wijze een ‘innovatieve diagnosecode’ worden gegeven. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van 3 protocolprofielen, 3 diagnosegroepen, 3 niveaus van reactiviteit en de ‘oude’ DCSPH-versie 2011-diagnosecodering.
D.L. Egmond, R. Schuitemaker

Nawerk

Meer informatie

Extra’s