Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek is sinds 1978 hét standaardwerk voor de fysiotherapie en manuele therapie in Nederland voor wat betreft onderzoek- en behandeltechnieken, tests en oefeningen. Een veel gebruikt naslagwerk tijdens de opleiding van bachelor- en masterstudenten en op de werkvloer van de algemeen fysiotherapeut, kinesitherapeut, sportfysiotherapeut en manueeltherapeut.
Wat is nieuw? Deze twaalfde druk bevat maar liefst vijf nieuwe hoofdstukken. Naast de nieuwste onderzoek- en behandelvaardigheden van de extremiteiten, worden nu ook alle belangrijke (HVT-) technieken van de TOTALE wervelkolom, het bekken- en de kaakregio beschreven en op video gedemonstreerd. Alle richtlijnen t/m 2018 zijn verwerkt zodat het boek bijzonder geschikt is om als naslagwerk te worden gebruikt bij het klinisch redeneren. Het hoofdstuk ‘Functionele oefeningen’ (H18) is sterk uitgebreid met maar liefst 48 nieuwe oefeningen. Per hoofdstuk is een verklarende woordenlijst opgenomen. Daarnaast zijn nu kant-en-klare (ook BIBO-) onderzoek- en behandelprotocollen toegevoegd.
Hoofdstuk 1 t/m 6 – Dit is het algemene deel dat de benodigde achtergrondinformatie levert voor het speciële deel, het klinisch redeneerproces en de dossiervoering. Hoofdstuk 7 t/m 18 – Dit is het speciële deel waarin de technieken, tests en oefeningen worden beschreven van de gehele bovenste en onderste lichaamshelft. Nu inclusief de wervelkolom, bekken- en kaakregio.
Extremiteiten is het handboek voor schouderspecialisten. De auteurs zijn vele jaren actief voor schoudernetwerken in Nederland en Duitsland en hebben hun kennis en vaardigheden over de schouderregio vooral neergelegd in H9, de schouderregio, H10 de thoracale wervelkolom en ribben, en H11 de cervicale wervelkom.
Wat staat online? Deze twaalfde druk van Extremiteiten is een forse uitbreiding en grondige herziening van de elfde druk uit 2014. Het geheel is ook online beschikbaar. Als vanouds levert het een belangrijke bijdrage aan de wetenschappelijke onderbouwing van de fysiotherapie en manuele therapie door duidelijke videodemonstraties van alle in het boek beschreven technieken, tests en oefeningen. Meer dan 500 instructievideo’s kunnen via één muisklik worden bekeken op de bijbehorende website met inlogcode. Daar zijn ook andere digitale extra’s te vinden, zoals uitgebreide achtergrondinformatie en biomechanica.
Dick Egmond en Ruud Schuitemaker zijn de auteurs van Extremiteiten.
Dick Egmond (1961) is fysiotherapeut en manueeltherapeut in Wolfsburg (Dld), docent manuele therapie en schoolleider van het Institut für Angewandte Manuelle Therapie Duitsland (www.ifamt.de). Hij is oprichter en voorzitter van Schulternetzwerk Deutschland (www.schulternetzwerk.de) en lid van het Scientific Committee van EUSSER (Europees Schoudernetwerk).
Ruud Schuitemaker (1955) is fysiotherapeut en manueeltherapeut bij Schuitemaker en Van Schaik te Amsterdam (www.fysio.net), docent manuele therapie en docent na- en bijscholing voor fysio- en manueeltherapeuten in Nederland, België en Duitsland. Hij was medeauteur van de SNN Praktijkrichtlijn Frozen Shoulder 2017.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Theoretische achtergrond van de manuele therapie

Samenvatting
In dit hoofdstuk zorgen de nieuwste visies op het begrip pijn, het Common Sense Model, het New Disability-model en de nieuwste fysiotherapeutische richtlijnen voor de verdere onderbouwing van het meerdimensionaal belasting-belastbaarheidsmodel (MDBB-model). Vanuit de anatomische, medische, psychologische en psychofysiologische begrippenkaders worden de fysiotherapeut en de manueeltherapeut methodisch en systematisch geleid naar een werkdiagnose, een onderbouwd behandelplan en een ‘SMART’-geformuleerd einddoel. Er is binnen het concept van de myofasciale bindweefselplaten ruime aandacht (met video’s) voor het begrip tensegriteit en de rol van het losmazige reticulaire bindweefsel (MCDAS). Patroonherkenning en rode vlaggen staan centraal bij het screeningsproces, waarin zowel specifieke pijn (‘medisch begrepen’ pijn) als aspecifieke pijn (‘medisch onbegrepen’ pijn) kunnen worden geklasseerd binnen drie diagnosegroepen en drie protocolprofielen. Er worden voorstellen gedaan voor een nieuw diagnosecoderingsysteem dat nodig is voor meer betrouwbare gegevens voor outcome monitoring en het vullen van onze landelijke databases voor wetenschappelijk onderzoek. Belangrijke aspecten rond de gele vlaggen worden belicht, zoals centrale sensitisatie, de werking van het zenuwstelsel en de invloed van stress. In een groot aantal intermezzi worden praktische problemen verklaard, bijvoorbeeld aan de hand van de gazonmetafoor, de emmermetafoor, de zuilenmetafoor, de kathedralenmetafoor, de schaatspakmetafoor en de – sinds de 9de druk onmisbare – 24-uurregel.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

2. Fysio- en manueeltherapeutisch onderzoek

Samenvatting
Dit hoofdstuk is volledig gewijd aan het manueeltherapeutisch onderzoek en de systematische ordening conform de KNGF-richtlijn ‘Fysiotherapeutische dossiervoering’. De narratieve en procedurele aspecten binnen het klinisch redeneerproces worden uitgebreid onder de loep genomen. Binnen het lichamelijk onderzoek wordt het anamnestisch patiëntprofiel gecontroleerd en aangescherpt met ‘werkwijze I’. Met ‘werkwijze II’ wordt de mate van stelligheid van de conclusies – zoals gesteld in de hypothesen – vergroot, waarvoor dit hoofdstuk essentiële kennis verschaft. Voor het opdoen van de nodige ervaring in de praktijk worden handvatten aangereikt. Er zijn aparte paragrafen ingeruimd voor inspectie, palpatie, actief en geleid actief bewegingsonderzoek. De waarde en betrouwbaarheid van het klassieke passieve bewegingsonderzoek beperkt zich nog slechts tot het opnemen van een passief eindgevoel. Speciale aandacht is er voor de reductietests en het in de ban doen van ‘special tests’ in de schouderregio. Deze klassieke provocatietests (met hoge sensitiviteit) worden nog slechts toegepast vanwege hun excluderende waarde bij een negatieve uitkomst. Dit hoofdstuk verklaart tegelijkertijd de onzin van het vragen naar pijn. Het neurologisch onderzoek completeert dit hoofdstuk en is in de 12de druk sterk uitgebreid. De auteurs gebruiken concrete ziektebeelden en werkdiagnoses om het onderzoek inzichtelijk te maken. Het hoofdstuk wordt gelardeerd met maar liefst 20 instructievideo’s.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

3. Manueeltherapeutische behandeling

Samenvatting
In dit hoofdstuk ligt de focus op de voor de fysiotherapie en manuele therapie kenmerkende behandeltechnieken. Er is veel aandacht voor ‘gecentreerde’ mobilisatietechnieken (conform de reductietests), de indicaties en contra-indicaties van HVT (High Velocity Thrust)-manipulaties en de ergonomische aspecten voor zowel de manueeltherapeut als de patiënt. Vanwege de uitgebreide klinische ervaring van de auteurs is het niet verwonderlijk dat de uitvoering van de mobilisaties en HVT-impulstechnieken in het boek en op video uitgebreid aan bod komt met vele praktische tips. De dosering van de stoot-, duw-, trek-, ‘zweepslag’- en ‘body-drop’-technieken wordt, evenals de dosering van alle andere interventies, geëvalueerd met de 24-uurregel. De technieken worden in de speciële hoofdstukken uitgebreid beschreven en op video gedemonstreerd door de auteurs, zoals ze in de dagelijkse praktijk worden uitgevoerd. Een belangrijk deel van het hoofdstuk is gewijd aan de (driedimensionale, geleid actieve) rolglijtechnieken, oscillaties, maar ook het functionele actieve bewegen. Speciale aandacht is er voor de voordelen van het excentrisch rekken, oefenen en de wetenschappelijke ontwikkelingen op dit gebied in relatie tot het myofasciale bindweefsel in het algemeen en de tendinopathie in het bijzonder.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

4. Klinisch redeneren en dossiervoering

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt het klinisch redeneerproces van de therapeut gepresenteerd aan de hand van de zeven fases uit de KNGF-richtlijn ‘Fysiotherapeutische dossiervoering’. Het gebruik van een (AVG-beveiligd) intakeformulier levert hiervoor meer betrouwbare data op en een optimale voorbereiding. Door zowel narratief als procedureel klinisch te redeneren komt de therapeut samen met de patiënt tot het SMART formuleren van sub- en hoofddoelstellingen voor het behandelplan. Het belang van ‘shared decision making’ wordt extra benadrukt met behulp van het Common Sense Model. Het verschaft inzicht in de ziektecognities en het klinisch redeneerproces van de patiënt. Inzicht in de diagnose, de prognose, de oorzaak, de controlemechanismen en de consequenties voorkomt het ontstaan van negatieve ‘illness beliefs’ en bevordert een gunstig verloop van het herstelproces. De bevindingen uit onderzoek en behandeling worden systematisch gedocumenteerd in het fysiotherapeutisch elektronisch patiëntendossier. Het belang van PROM’s en PREM’s worden nader verklaard in de paragraaf over klinimetrie van waaruit de landelijke databases, zoals de LDF en Nivel-database, kunnen worden gevuld. Tijdens het klinisch redeneerproces kan gebruik worden gemaakt van verschillende denkmodellen, zoals de ICF, het MeerDimensionaal Belasting-Belastbaarheidsmodel (MDBB-model) en het Hypothese-geOrieënteerd Algoritme voor Clinici II (HOAC II-model).
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

5. Methodologische aspecten van de fysiotherapie en manuele therapie

Samenvatting
In dit hoofdstuk over methodologie worden de verschillende manieren van klinisch redeneren uit H. 4 kritisch beschouwd en in een wetenschappelijk kader geplaatst. De dimensies van evidence-based practice volgens Sackett worden besproken en gevisualiseerd ten behoeve van de wetenschappelijke onderbouwing van het fysio- en manueeltherapeutisch handelen. Er is aandacht voor het verzamelen van externe evidentie in de vorm van randomized controlled trials (RCT’s), systematische reviews, meta-analyses en richtlijnen. Het toepassen van klinimetrie is niet alleen van belang om het herstelproces te kunnen volgen, maar ook om de patiënt daar meer bij te betrekken. Een gepaste hoeveelheid klinimetrie kan de patiënten motiveren om bij langdurige processen vol te houden en de invloed van storende omgevingsfactoren te beperken. Te veel gebruik van vragenlijsten kan echter demotiverend werken.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

6. Biomechanische aspecten van het menselijk bewegen

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt de nodige biomechanische kennis aangedragen die van belang is voor het fysio- en vooral manueeltherapeutisch handelen. De Nederlandse bijdragen aan de osteo- en artrokinematica (Van der Bijl, Oonk, Riezebos) staan internationaal in hoog aanzien. De kinematica is de biomechanische wetenschap waarop de osteo- en artrokinematische bewegingsdefinities zijn gebaseerd. Driedimensionaal inzicht met behulp van de moderne beeldvormende technieken in zowel de gewrichtsprofielen als de (bewegende) artrokinematica heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het ontwikkelen van reductietests en de wetenschappelijk onderbouwing van de manuele therapie. Vooral in verband met het homoniem bewegen en heteroniem vergrendelen van de wervelkolom is driedimensionaal inzicht van groot belang. Dit hoofdstuk verduidelijkt de begrippen als vorm-functierelatie, krachtsluiting, loose-packed en close-packed position, hypo- en hypermobiliteit, stabiliteit en instabiliteit. De talrijke bewegingsvormen en bewegingsdefinities worden door de op dit gebied zeer deskundige auteurs met talrijke duidelijke illustraties en fraaie osteo- en artrokinematicaschema’s – ook bij de speciële hoofdstukken – toegelicht.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

7. De pols-handregio

Samenvatting
Dit is het eerste speciële hoofdstuk dat in zijn geheel is gewijd aan één lichaamsregio: de pols-handregio. Allereerst komen de specifieke activiteiten conform de ICF aan bod. Er is aandacht voor de distale onderarmverbinding (de art. radioulnaris) met speciale aandacht voor het TFCC. Er wordt stilgestaan bij medisch begrepen en medisch onbegrepen pijn in de ulnaire polsregio en ‘bone-bruise’. De carpus wordt uitgebreid anatomisch, biomechanisch, osteo- en artrokinematisch belicht. Zowel het fysiologisch osteo- en artrokinematisch bewegen als het pathologisch bewegen wordt besproken in relatie tot disposities, zoals DISI en VISI. Alle overige distale verbindingen als de CMC, MCP-intermetacarpale en IP-gewrichten komen daarna aan bod met speciale aandacht voor het basisgewricht van de duim (CMC 1). Paragraaf 7.8 is ingeruimd voor de herstelbelemmerende factoren. Hier worden de voor de manuele therapie belangrijkste disposities, ziekten en aandoeningen van de pols-handregio op een rij gezet. Het hoofdstuk wordt afgesloten met maar liefst 45 technieken, onderverdeeld in techniekclusters, voor de dagelijkse praktijk. Aan de hand van instructieve video’s op de website, duidelijke foto’s en helder geformuleerde opmerkingen wordt duidelijk gemaakt hoe de manueeltherapeut zijn pols-handpatiënten kan onderzoeken en behandelen. Vanwege de relatie van de pols-handregio met de totale biomechanische en neurofysiologische keten wordt overzichtelijk doorverwezen naar de overige hoofdstukken in dit boek.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

8. De elleboogregio

Samenvatting
Na een uiteenzetting over ontstekingen, surmenage, instabiliteit en KANS wordt de focus in dit hoofdstuk verlegd naar het cubitale en vervolgens het antebrachiale systeem. Alle nodige anatomische, neurofysiologische en biomechanische informatie over de art. humeroulnaris, de art. humeroradialis, de art. radioulnaris proximalis en distalis, de membrana interossea en de chorda obliqua worden besproken om de osteo- en artrokinematica en overige functionele aspecten beter te kunnen begrijpen. Er is ruime aandacht voor de bijzondere gewrichtsposities en het capsulair patroon van de elleboog. Paragraaf 8.7 is in dit speciële hoofdstuk ingeruimd voor de herstelbelemmerende factoren. Enkele medisch geclassificeerde aandoeningen die in dit kader de revue passeren, zijn reumatoïde artritis, bursitis olecrani en osteochondritis dissecans. Loose bodies en posterolaterale rotatoire instabiliteit (PLRI) krijgen extra aandacht. Ook dit hoofdstuk wordt afgesloten met tal van praktijkvoorbeelden. Aan de hand van videomateriaal, foto’s en heldere toelichtingen presenteren de auteurs meer dan 30 onderzoeks- en behandeltechnieken. Vanwege de relatie van de elleboogregio met de totale biomechanische en neurofysiologische keten wordt overzichtelijk doorverwezen naar de overige hoofdstukken in dit boek.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

9. De schouderregio

Samenvatting
Dit hoofdstuk begint met een uiteenzetting over de myofasciale bindweefselplaatsystemen in en rond de schouder en de belangrijke rol van het losmazig reticulaire MCDAS. Naast het glenohumerale systeem (HSMI) is er ruime aandacht voor het primaire en secundaire scapulothoracale systeem. Na de beschrijving van de descriptieve anatomie en de osteo- en artrokinematica komen veelvoorkomende aandoeningen als schouderinstabiliteit, het SubAcromiale PijnSyndroom (SAPS) en de frozen shoulder (inclusief de SNN-praktijkrichtlijn frozen shoulder 2017) aan bod. De rode vlaggen worden besproken en er wordt uitgebreid stilgestaan bij aspecifieke schouderpijn (‘medisch onbegrepen’ pijn). In het kader van het lichamelijk onderzoek staan nu – in plaats van provocatietests – de reductietests centraal, zoals de Combined Reduction Test (of: ‘Manus-van-alles’-techniek), de gedupliceerde circumductie- en deviatiebeweging, SAT, SRT, GHRT en de SSMP. De bekende provocatietests met hoge sensitiviteit hebben nog slechts excluderende waarde bij een negatieve uitkomst. Tot slot presenteren de auteurs als schouderexperts – naast een handige ‘patronenmatrix’ – het fundament voor onderzoek- en behandelprotocollen bij aspecifieke en mild specifieke schouderpijn. Er worden 78 onderzoeks- en behandeltechnieken van de schoudergordel uitgebreid beschreven en op video gedemonstreerd. De thoracale, cervicothoracale én cervicale wervelkolomtechnieken komen uitgebreid aan bod in de H. 10, 11 en 12.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

10. De thoracale wervelkolom en ribben

Samenvatting
De eerste paragrafen van dit hoofdstuk richten zich op de functionele aspecten van de thoracale wervelkolom, met een biomechanische uiteenzetting over de bouw en functie van de thoracale wervelkolom, de osteokinematica en de artrokinematica. Neurofysiologische paragrafen bevatten de segmentale relatie van de thoracale wervelkolom met het orthosympathische zenuwstelsel en de trofische omstandigheden van het bindweefsel. Er is aandacht voor de costovertebrale en costotransversale verbindingen en de functie van de ribben (osteokinematica en artrokinematica) tijdens de inademing en uitademing en de consequenties voor de mobiliserende behandeling. Voorts wordt gewezen op thoracale en costosternale pijn als rode vlag tijdens het screeningsproces. Speciale aandacht is er voor de patronenmatrix van de thoracale regio en in het bijzonder voor de morbus Bechterew, de morbus Scheuermann, (juveniele) osteoporose/osteopenie en het pseudocardiaal syndroom als indicatie voor manuele therapie. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de beschrijving van 28 thoracale wervelkolom- en ribtechnieken, vergezeld van professionele instructievideo’s, duidelijke foto’s, helder geformuleerde opmerkingen en actuele achtergrondinformatie. Hiermee wordt de moderne manueeltherapeut in staat gesteld om klachten aan de thoracale wervelkolom en ribben optimaal te kunnen onderzoeken en behandelen.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

11. De cervicale wervelkolom

Samenvatting
Binnen dit hoofdstuk worden de bewegingssegmenten C2-C3 t/m C7-Th1 besproken. De eerste paragrafen van dit hoofdstuk richten zich op de functionele aspecten, waarbij de morfologie van zowel de cervicale wervelkolom als de cervicale discus intervertebralis uitgebreid worden belicht. Vervolgens is er aandacht voor de osteokinematica en artrokinematica van de cervicale wervelkolom. Tijdens de bespreking van de herstelbelemmerende factoren in de cervicale regio komen ‘aandoeningen’ van de cervicale regio aan bod, zoals blokwervel(s), de morbus Klippel-Feil (KFS), stenose van het canalis vertebralis (ruggenmergkanaal), stenose van het foramen intervertebrale (laterale recessusstenose) en referred pain in de nek-schouderregio. Er is ruime aandacht voor de KNGF-richtlijn Nekpijn uit 2016. Voor elk van de vier graden van nekpijn wordt het behandelprofiel toegelicht. Het hoofdstuk wordt afgesloten met 17 technieken. Aan de hand van professionele instructievideo’s, duidelijke foto’s, helder geformuleerde opmerkingen en actuele achtergrondinformatie wordt de moderne manueeltherapeut in staat gesteld om klachten aan de cervicale wervelkolom optimaal te kunnen onderzoeken en behandelen.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

12. De hoogcervicale wervelkolom (C0-C3) en het kaakgewricht

Samenvatting
In dit hoofdstuk worden de hoogcervicale wervelkolom (C0-C3) en het kaakgewricht besproken. Er is aandacht voor het screeningsproces, de risicofactoren, de verschillende behandelprofielen en de verschillende graden van nekpijn conform de KNGFAQ-richtlijn Nekpijn. Het belang van een professioneel klinisch redeneerproces voor deze regio is evident. Daarom zijn er vaker momenten van overweging tijdens de screening en het onderzoek om uiteindelijk te komen tot een ‘pluis’-gevoel, de juiste werkdiagnose en de keuze voor de juiste behandeling: preventief, curatief of palliatief. Ook het ‘pluis’-gevoel van de patiënt, het hebben van een diagnose en de instemming met de voorgestelde aanpak zijn hier van extra groot belang. Bij het bespreken van de anatomie van de hoogcervicale regio is er aandacht voor het bijzondere verloop van bloedvaten, zoals de arteria vertebralis. Speciale paragrafen zijn er over duizeligheid en hoofdpijn. Kennis over de ingenieuze hoogcervicale osteo- en artrokinematica is natuurlijk van groot belang voor de manueeltherapeut om de functiestoornissen te kunnen diagnosticeren, analyseren en ontrafelen. Het theoriegedeelte wordt afgesloten met de bouw en functie van het temporomandibulaire gewricht en de nomenclatuur van alle tanden en kiezen. Kaakbewegingen als depressie (elevatie), occlusie (detractie), protractie (protrusie), retractie (retrusie), laterotrusie en circumductie worden toegelicht en duidelijk geïllustreerd. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de uitgebreide beschrijving van 33 technieken. Aan de hand van instructieve video’s, duidelijke foto’s en helder geformuleerde opmerkingen wordt duidelijk gemaakt hoe de manueeltherapeut klachten aan de hoogcervicale wervelkolom en het kaakgewricht kan onderzoeken en behandelen.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

13. De voet-onderbeenregio

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt het functioneren van de voet, enkel en het onderbeen belicht. Het belang van dit vaak onderschatte, gewichtdragende menselijke fundament wordt toegelicht in relatie tot het ‘tensegrity’-model. Achtereenvolgens worden het talocrurale systeem, de tibiofibulaire syndesmose, het subtalaire systeem en de voetgewelven besproken. De art. tarsi transversa (gewrichtslijn van Chopart), art. talocalcaneonavicularis, art. calcaneocuboidea, art. cuneonavicularis, art. cuboideocuneonavicularis en de artt. tarsometatarsales krijgen specifieke aandacht. Aandacht voor de waarde van een goed functionerende voet voor onze houding en beweging en de podoposturale therapie mogen hierbij niet ontbreken.Belangrijke aandoeningen die ter sprake komen zijn jicht, hallux valgus, hallux rigidus, achillespeestendinopathie, arthrosis deformans, logesyndroom, shin splints en trombose. Er is aandacht voor rode vlaggen en de Ottawa Ankle Rules. Het hoofdstuk eindigt met een handige ‘patronenmatrix’ en bevat maar liefst 54 onderzoeks- en behandeltechnieken die ook op video worden gedemonstreerd. De HVT-manipulatie van het subtalaire gewricht springt daarbij in het oog als oplossing voor veel ‘medisch onbegrepen’ hiel-, achillespees- en kuitpijn.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

14. De knieregio

Samenvatting
In dit hoofdstuk is er ruime aandacht voor implementatie van de KNGF-richtlijn ‘Artrose heup-knie’ en het preoperatieve traject. Er is wetenschappelijke onderbouwing voor het feit dat er veel te vroeg wordt geopereerd en er te weinig fysiotherapeutische behandeling en begeleiding wordt gegeven. In dit hoofdstuk worden hiervoor praktische oplossingen geboden op zowel het niveau van stoornissen (manuele therapie in enge zin) als activiteiten (graded activity). In de ‘dynamische concaviteit’ van de knie blijken alle betrokken anatomische structuren met elkaar verbonden te zijn conform het in dit boek gepropageerde ‘concept van de bindweefselplaten. Daarbij worden tal van aspecten besproken die verantwoordelijk kunnen zijn voor het ontstaan van aspecifieke kniepijn, zoals een gestoorde functie van de menisci en alle verbonden bindweefselplaten. Een kleine stagnatie in een van de ingenieuze hyaliene en fibrocartilagineuze glijsystemen kan de oorzaak zijn van aspecifieke (medisch onbegrepen) kniepijn. Specifieke kniepijn als gevolg van knieoperaties, kniefracturen en immobilisatie, maar ook diagnoses als de jumper’s knee, Baker-cyste, reumatoïde artritis, genu valgum, genu varum, genu recurvatum, gonartrose en loose bodies komen – naast de rode vlaggen en de Ottawa Knee Rules – eveneens aan bod. Ook dit hoofdstuk kent weer een handige ‘patronenmatrix’. Toepassing van de theorie bieden de auteurs in de techniekclusters. Maar liefst 48 onderzoeks- en behandeltechnieken worden uitgebreid beschreven en op video gedemonstreerd.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

15. De heupregio

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt de KNGF-richtlijn ‘Artrose heup-knie 2018’ geïmplementeerd en melding gemaakt van recent belangrijk wetenschappelijk onderzoek. De configuratie van de heupkop en -kom, het collum femoris, de bekkentypen en het intra-articulaire corpus adiposum worden besproken in relatie tot het in dit boek gepropageerde concept van de bindweefselplaten. Er worden effectieve behandelmethodes geboden voor milde vormen van het femoro-acetabulair impingementsyndroom en aspecifieke heup- en liespijn. Zoals bij de knie(artrose) is er ook bij de heup wetenschappelijke onderbouwing voor het feit dat er veel te snel wordt overgegaan tot operatieve vervanging. Met manuele therapie en graded-activity-oefentherapie kan er bewezen effectief conservatief worden behandeld en het preoperatieve traject worden verlengd met respect voor de contextuele factoren, zoals (ernstige) comorbiditeit. Belangrijke klinimetrische hulpmiddelen als de Harris Hip Score, Algofunctional Index en HOOS komen uitgebreid aan bod. Voorbeelden van specifieke heuppijn worden in dit hoofdstuk gekoppeld aan diagnoses als congenitale heupdysplasie, coxa valga/coxa vara, epifysiolysis capitis femoris, morbus Perthes, heupluxatie (dashboardtrauma), gluteale claudicatie en uiteraard heupartrose. Verder komen de overige rode vlaggen ter sprake, zoals heupfracturen, het ‘sign of the buttock’ (bilteken), het teken van Lasègue en het lumboradiculairsyndroom. Er is ook een handige ‘patronenmatrix’. Maar liefst 36 onderzoeks- en behandeltechnieken, waaronder evidence-based HVT-manipulaties, worden uitgebreid beschreven en op video gedemonstreerd.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

16. De lumbale wervelkolom

Samenvatting
Dit hoofdstuk begint met een uiteenzetting over de functionele en morfologische aspecten van de lumbale wervelkolom, zoals de bouw van de wervels en de wervelkolom, de functionele morfologie van de gewrichtsvlakken, (ingeklemde) meniscoïden en de bouw en functie van de discus intervertebralis. Daarna is er aandacht voor de osteokinematica en artrokinematica van de lumbale wervelkolom en het driedimensionaal bewegen. De bespreking van de neurofysiologische gegevens van de lumbale wervelkolom, zoals de nocisensorische innervatie, wordt gevolgd door een toelichting op aspecifieke en specifieke (lage) rugpijn, met extra aandacht voor het lumbosacraal radiculair syndroom. De waarde van medische beeldvorming is evident, maar dient kritisch te worden beschouwd indien het wordt gebruikt om vast te stellen waardoor de pijn wordt veroorzaakt. Daarnaast is zowel alertheid als terughoudendheid geboden bij toevalsbevindingen. Het hoofdstuk wordt afgesloten met veertien technieken van de lumbale-wervelkolomregio. Aan de hand van instructieve video’s, duidelijke foto’s en helder geformuleerde opmerkingen wordt duidelijk gemaakt hoe de manueeltherapeut klachten aan de lumbale wervelkolom kan onderzoeken en zo goed mogelijk kan behandelen.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

17. De bekkenregio

Samenvatting
In dit hoofdstuk van de bekkenregio staan de sacro-iliacale gewrichten centraal. In de paragraaf van de functionele en morfologische aspecten krijgen de drie bekkentypen van Erdmann en Gutmann en de bekkenverwringing volgens Cramer ruime aandacht als basis voor een goed begrip van de podoposturale principes. De subtiele osteokinematica en artrokinematica van het os sacrum ten opzichte van het linker en rechter os ilium in het normaal functionerende bekken worden vaak – ten onrechte – als onbelangrijk afgedaan. De minimale bewegingsmogelijkheid blijkt niet alleen van belang voor de houding en de krachtenoverdracht door het myofasciale bindweefselapparaat en de zwaartekracht op het skelet. Tijdens de zwangerschap is de bekkenmobiliteit zelfs van groot belang. Nutatie en contranutatie van het sacrum ten opzichte van het ilium hebben een duidelijke koppeling met het heupgewricht en de rest van de onderste extremiteit in de belaste en onbelaste situatie. Het theoretische gedeelte wordt afgesloten met de patronenmatrix van de bekkenregio, waarin – naast de herstelbelemmerende factoren – dorsale en ventrale SI-gewrichtspijn een plek hebben gekregen. In het praktische gedeelte met elf technieken is er in de eerste zeven technieken aandacht voor de inspectie, het functieonderzoek en de provocatietestbatterij van Van der Wurff. Deze cluster wordt afgesloten met vier HVT-manipulatietechnieken die ook als mobilisatie zijn uit te voeren. Aan de hand van instructieve video’s, duidelijke foto’s en helder geformuleerde opmerkingen wordt duidelijk gemaakt hoe de manueeltherapeut klachten in de bekkenregio kan onderzoeken en zo goed mogelijk kan behandelen.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

18. Laagdrempelige functionele oefeningen

Samenvatting
Dit hoofdstuk biedt 117 zeer praktische basisoefeningen, die de manueeltherapeut met wat individuele aanpassingen (maatwerk) als huiswerkoefening kan meegeven. Een enorm voordeel is dat de patiënt thuis in alle rust de op video gedemonstreerde oefeningen kan bekijken via de praktijkwebsite van Ruud Schuitemaker: www.​fysio.​net (doorlinken naar uw eigen praktijkwebsite is toegestaan). De therapeut kan ze daarnaast ook bekijken op de website van dit boek (inlogcode voorin). Alle 117 oefeningen worden in het boek uitgebreid toegelicht. Een praktische uiteenzetting over behandelstrategieën, excentrisch oefenen en elleboogkrukkentraining springen daarbij in het oog. Afsluitend wordt er een zeer bruikbaar voorstel gedaan voor ‘innovatieve differentiaaldiagnostiek en diagnosecodering’ als basis voor meer betrouwbare vulling van databanken, beter betrouwbare outcome monitoring en wetenschappelijke onderbouwing van het vak. Aan de hand van de ‘ingrediëntenlijst onderzoeks- en behandelprotocol’ wordt de lezer gestimuleerd om met collega’s in de praktijk eigen protocollen te maken. Dat kan op basis van de voorbeelden met verwijzing naar de hoofdstukken in dit boek. Daarnaast kan aan alle patiënten nu op uniforme wijze een ‘innovatieve diagnosecode’ worden gegeven. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van drie protocolprofielen, drie diagnosegroepen, drie niveaus van reactiviteit en de ‘oude’ DCSPH-versie 2011-diagnosecodering.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

19. Leeswijzer en nawoord

Samenvatting
Het leerboek Extremiteiten, 12de druk is het Nederlandse standaardwerk voor de praktische vaardigheden binnen de fysiotherapie, kinesitherapie en manuele therapie. Het is geschreven als leerboek en om als naslagwerk te gebruiken bij de fysiotherapie en manuele therapie van de wervelkolom en extremiteiten. De inhoud van de verschillende hoofdstukken is sterk met elkaar verbonden. Daarom wordt in de tekst regelmatig verwezen naar andere hoofdstukken. Niettemin kunnen de hoofdstukken ook zeer goed onafhankelijk van elkaar worden gelezen en bestudeerd.
D. L. Egmond, R. Schuitemaker

Nawerk

Meer informatie