Skip to main content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander hoofdstuk

Gepubliceerd in:
Omslag van het boek

2014 | OriginalPaper | Hoofdstuk

11. Elektronische kleurbepaling in de tandheelkunde

Auteur : A. Dozic

Gepubliceerd in: Het tandheelkundig jaar 2014

Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum

Inleiding

Het visueel bepalen van kleur en vorm van een gave incisief met als doel een naburig element te restaureren leidt vaak tot onvoorspelbare esthetische resultaten. Deze onvoorspelbaarheid zorgde voor a) het verder ontwikkelen van de optische eigenschappen van tandheelkundige materialen voor een meer voorspelbaar esthetisch resultaat; b) onderzoek naar alternatieve kleurbepalingsmethoden en c) het introduceren van lesmateriaal over kleur en kleurbepaling op tandheelkunde faculteiten.

11.1 Inleiding

Het visueel bepalen van kleur en vorm van een gave incisief met als doel een naburig element te restaureren leidt vaak tot onvoorspelbare esthetische resultaten. Deze onvoorspelbaarheid zorgde voor a) het verder ontwikkelen van de optische eigenschappen van tandheelkundige materialen voor een meer voorspelbaar esthetisch resultaat; b) onderzoek naar alternatieve kleurbepalingsmethoden en c) het introduceren van lesmateriaal over kleur en kleurbepaling op tandheelkunde faculteiten.
De kleur die wordt waargenomen bij visueel kleurbepalen is afhankelijk van het licht, de optische eigenschappen van het object (het gebitselement) en de interpretatie van de visuele prikkel door de hersenen van de waarnemer.
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de factoren die de kleur- en vormbepaling in de tandheelkunde kunnen beïnvloeden alsmede een overzicht van alternatieve, meer objectieve kleurbepalingstechnieken.

11.2 Het licht

Licht is een elektromagnetische trilling die zich als golven in de ruimte voortplant. Het volledige elektromagnetische spectrum omvat respectievelijk: gammastraling, röntgenstraling, ultraviolette straling, zichtbaar licht, infrarode straling, radar- en radiogolven. De grenzen van de golflengten die onze hersenen in kleuren kunnen vertalen liggen tussen 380 en 770 nanometer, respectievelijk tussen de ultraviolette (UV)-en de infrarode (IR)-golflengten (figuur 11.1). Wit licht bevat alle kleuren die waargenomen kunnen worden op het moment dat dit licht door een prisma-achtig voorwerp gebroken wordt.

11.2.1 De lichtbron en de verlichting

De lichtbron is de fysieke bron (het zonlicht, gloeilamp, tl-buis) die het licht emitteert. In de literatuur is het ‘standaard daglicht’ vaak als ideale conditie beschreven om de kleur van de gebitselementen te bepalen. Het USA Committee on Colorimetry beschrijft ‘standaard daglicht’ als het licht in Washington in juni tussen 12.00 en 13.00 uur bij enigszins bewolkte hemel. In de tandheelkunde zal men echter kleur willen bepalen onafhankelijk van het tijdstip op de dag en/of van het weer. Artificiële lichtbronnen zijn daarom de eerste keuze bij het bepalen van kleur. De artificiële lichtbronnen aangeduid als D50 of D65 zijn representatief voor daglicht. Dit heeft te maken met de kleurtemperatuur van deze lichtbronnen (zie par. 11.2.2).
Wanneer meerdere fysieke lichtbronnen een ruimte verlichten spreekt men van verlichting. De lichtspectra van de verschillende lichtbronnen mengen dan met elkaar. Daarbij worden de golflengten van de drie basiskleuren (blauw, groen en rood) in verschillende verhoudingen gemengd. Mengsels van de verschillende spectra kunnen eenzelfde kleurgewaarwording veroorzaken, terwijl de spectrale verdelingen (intensiteit van de golflengten) verschillend zijn. Dit heet metamerie en is het verschijnsel waarbij twee objecten onder een bepaalde lichtbron dezelfde kleur kunnen hebben en verschillende kleuren onder een andere lichtbron. De twee objecten noemt men dan metamerische paren. Zo kunnen een gebitselement en een kunstelement bij de ene verlichting dezelfde kleur hebben, maar bij een andere verlichting verschillende kleuren (figuur 11.2). Daarom zijn zowel het kleurspectrum van de verlichting als de optische eigenschappen van het gebitselement bepalend voor de kleurgewaarwording.
Verlichting kan worden gekarakteriseerd met behulp van kwalitatieve en kwantitatieve eigenschappen. De kwalitatieve eigenschap is de kleurtemperatuur en de kwantitatieve eigenschappen zijn de index van de kleurweergave en de spectrale verdeling (het kleurspectrum).

11.2.2 De kleurtemperatuur

De kleurtemperatuur van verlichting verwijst naar de absolute temperatuur in Kelvin (K) van een theoretisch zwart lichaam waarvan het uitgestraalde kleurspectrum overeenkomt met het kleurspectrum van de verlichting. Een lichaam dat zwart is bij kamertemperatuur kan bij 800 K rood, bij 5000 K wit en bij 8000 K blauw zijn. Wanneer de temperatuur van het zwarte lichaam omhooggaat worden dus kortere golflengten geëmitteerd.
De ideale kleurtemperaturen van de verlichting voor het kleurmeten in de tandheelkunde zijn 5500 K en 6500 K. Deze temperaturen benaderen de temperatuur van standaard daglichttemperatuur. Bij een kleurtemperatuur hoger dan 6500 K zijn de kleuren rood en oranje niet meer zichtbaar. Bij gebruik van een dergelijke lichtbron zou de tandkleur in plaats van Vita A (het rode deel van de kleurenring) ten onrechte als Vita B (het gele deel van de kleurenring) kunnen worden aangegeven (zie par. 11.4.1 onder Kleurstandaarden voor visuele kleurselectie).
De lichtbron D65 betekent in feite daglicht met de kleurtemperatuur van 6500 K. Andere lichtbronnen die in het dagelijks leven worden gebruikt worden aangeduid met een A (lichtbron die een gloeilamp benadert) en een C (lichtbron die industriële tl-verlichting benadert).

11.2.3 De kleurweergave-index

Kleurweergave-index van verlichting ofwel de CRI (color-rendering index of illuminant ) is de maat waarbij een verlichting een bepaalde kleur kan tonen in vergelijking met een standaard lichtbron (zwarte lichaam). Een kleurweergave-index van 100 wordt als ideaal beschouwd. Voor een adequate ‘overeenkomst’ bij kleurbepalen zou de verlichting een kleurweergave-index van 90 of meer moeten hebben. Bij een lagere kleurweergave-index is de kans op metamerie groter.

11.2.4 Het kleurspectrum

Elke lichtbron of verlichting heeft een bepaalde spectrale samenstelling (relatieve stralingsintensiteiten van de golflengten) die de kleur van de verlichting bepaalt. Wanneer het licht van verlichting het oppervlak van een object raakt, bijvoorbeeld een gebitselement, wordt het verspreid in verschillende golflengten die samen een bepaald kleurspectrum vormen, dat als de kleur van het object wordt waargenomen. Hierbij wordt het kleurspectrum van de verlichting gemengd met het gereflecteerde spectrum van het object, waardoor een nieuw kleurspectrum ontstaat. Kleurgewaarwording is dus zeer afhankelijk van de samenstelling van het kleurspectrum van verlichting.

11.3 De optische eigenschappen van een tand

Translucentie is de eigenschap van een gebitselement om een bepaalde hoeveelheid licht door te laten, die vervolgens wordt geabsorbeerd in de mondholte. Gebitselementen die veel translucentie hebben zien er vaak grijs uit, omdat de donkere mondholte er doorheen schemert.
Chromaciteit beschrijft de aanwezigheid van kleur en de hoeveelheid kleur in het gebitselement (tint). De gebitselementen van een volwassen mens hebben meer chroma, doordat ze met het ouder worden steeds meer pigment absorberen. Ook wordt het glazuur steeds dunner, waardoor het dentine (dat meer chroma heeft) beter te zien is.
Lichtwaarde heeft te maken met hoe donker (aanwezigheid zwart) of licht (aanwezigheid wit) gebitselementen zijn. Gebitselementen die gebleekt zijn hebben een hoge lichtwaarde.
Fluorescentie is een eigenschap waarbij licht in het niet-zichtbare deel van het golflengtebereik wordt omgezet in zichtbaar licht. Een gebitselement bevat fluorescerende partikeltjes die de hoge energie opnemen en uitstralen. Het lijkt dan alsof het gebitselement onder UV-verlichting licht geeft. Fluorescentie van dentine is groter dan van het glazuur en varieert binnen het gebitselement en tussen elementen onderling. Het is van wezenlijk belang dat een restauratie ongeveer dezelfde mate van fluorescentie toont als het gebitselement zelf. Een té fluorescente restauratie zal sterker oplichten en een te weinig fluorescente restauratie zal er donker uitzien onder UV-licht (bijvoorbeeld discotheeklicht) (figuur 11.3).
Opalescentie is een eigenschap waarbij hetzelfde object in direct en indirect licht er anders uitziet, vanwege het weerkaatsen van de korte golflengten van het tandoppervlak. Het gebitselement lijkt dan op een schelp, waarbij de kleuren zich met elkaar mengen met een uitgesproken blauwig effect, wanneer het onder verschillende hoeken wordt bekeken. Opalescentie is ook een eigenschap die tandheelkundige porseleinen en composieten moeten hebben om een natuurlijk gebitselement zo goed mogelijk te kunnen nabootsen.
Een natuurlijk gebitselement is polychromatisch door een combinatie van verschillende structuren die een verschillende laagdikte en kleurverzadiging hebben. Dentine is in beperkte mate translucent en heeft veel chroma, terwijl glazuur vrijwel kleurloos is en meer translucent is. De glazuurkap, die niet overal even dik is, zorgt voor een polychromatisch aanzicht van een tandoppervlak (Joiner, 2004).

11.3.1 Effect van de vorm van het gebitselement op de kleurwaarneming

De kleurwaarneming van een restauratie wordt, behalve door de kleur van het toegepaste materiaal, door de vorm van de restauratie beïnvloed. Als het licht volledig van het oppervlak van het gebitselement wordt gereflecteerd heet dat spiegelreflectie. Men spreekt van diffuse reflectie wanneer het licht in het materiaal kan doordringen en richtingveranderingen ondergaat, waardoor een deel van het licht weer naar buiten treedt. Hierdoor kijkt men als het ware in de restauratie (figuur 11.4).
De hoeveelheid licht die wordt gereflecteerd zorgt ervoor dat de kleur van de restauratie duidelijk kan worden waargenomen. Als het licht echter onder een hoek op het oppervlak valt, dringt het minder goed in de diepte door, waardoor de kleur minder duidelijk naar voren komt (meer spiegelreflectie en minder diffuse reflectie). Bij een vlakke restauratie, die het licht goed reflecteert, maakt de hoek waaronder men naar de restauratie kijkt weinig uit voor de kleurwaarneming. Bij een bol oppervlak is het gebied dat het licht reflecteert kleiner en daardoor zal de kleur er anders uitzien wanneer het element vanuit een andere richting wordt bekeken.

11.3.2 Effect van de oppervlaktestructuur op de kleurwaarneming

De structuur van het tandoppervlak speelt een zeer belangrijke rol in de kleurwaarneming. Als het oppervlak veel oneffenheden vertoont, dan wordt een deel van het licht door deze oppervlakteruwheid weerkaatst. Hierdoor dringt onvoldoende licht door in het gebitselement en wordt de translucentie van het gebitselement onvoldoende waargenomen. Daarom ziet het gebitselement er meer opaak en wittig uit (meestal bij jonge mensen). Als een gebitselement glad is, kan het licht er beter doorheen schijnen, waardoor men de donkere mondholte kan waarnemen en de tand meer grijzig lijkt (meestal bij oudere mensen).

11.3.3 Effect van de microstructuur

Zelfs als alle hiervoor genoemde omstandigheden bij een kleurbepaling constant kunnen worden gehouden, wordt de kleur toch nog beïnvloed door de eigenschappen van het materiaal zelf. De microstructuur van tandglazuur is anisotroop, wat wil zeggen dat de optische eigenschappen anders worden als ze vanuit een andere richting worden gemeten. De meeste materialen die in de tandheelkunde worden gebruikt voor het vervangen van tandweefsel zijn daarentegen isotroop, waardoor hun optische eigenschappen in alle richtingen altijd hetzelfde zijn. Een toename in de dikte van glazuur geeft hierdoor andere optische effecten dan het dikker worden van porselein of composiet (Dozic, 2008).

11.4 Kleurbepalen

Kleur is in feite elektromagnetische straling die door onze ogen wordt waargenomen en in onze hersenen wordt omgezet in een kleurperceptie. Kleurbepaling is het proces waarbij de waarneming van een natuurlijk gebitselement wordt vergeleken met de waarneming van een standaard (kleurstaal), zodat een definitie (kleurenselectie) van de waargenomen kleur kan worden gegeven.

11.4.1 Visueel kleurbepalen

Het menselijk oog en de hersenen zijn niet erg gevoelig voor heel subtiele kleurverschillen. Mensen kunnen desondanks veel meer kleuren waarnemen dan dat ze kunnen benoemen. Aangezien het voor mensen niet mogelijk is de subtiele kleurverschillen te objectiveren en te benoemen, worden in de tandheelkunde tijdens het kleurbepalen kleurenstandaarden gebruikt. Deze kleurenstalen worden één voor één naast een gaaf gebitselement gehouden, zodat hun kleuren onderling vergeleken kunnen worden. Een van de standaarden uit de reeks, waarvan de kleur het minst afwijkt van de kleur van het gebitselement, wordt dan geselecteerd. Daarmee is de kleur van de toekomstige restauratie vastgelegd. In de praktijk komt de kleur van een restauratie die geproduceerd is op basis van deze kleurselectiemethode echter vaak niet overeen met de rest van het gebit. Dit kleurverschil is onwenselijk en wordt in het bijzonder bij incisieven als zeer onaantrekkelijk ervaren.
Voor de accuraatheid van dit visuele kleurbepalingsproces speelt de kleurgetrouwheid van de kleurenstandaarden naast de lichtomstandigheden en de menselijke factoren een zeer belangrijke rol. De kleurgetrouwheid van de kleurenstalen is bepaald door de mate van hun overeenkomst met de kleuren van de natuurlijke gebitselementen. Dat betekent dat alle tandkleuren die in de natuur voorkomen optimaal gedekt moeten kunnen worden. De Engelse term voor het ontbreken van deze dekking is ‘coverage error’ (CE-factor). Hoe hoger de CE-factor hoe slechter de kleurgetrouwheid van een kleurbepalingssysteem. Om deze CE-factor te kunnen uitrekenen is het nodig de absolute (objectieve) kleurwaarden van de gebitselementen en de kleurenstalen te meten, zodat deze waarden met elkaar kunnen worden vergeleken. Uit deze vergelijking komt een waarde die de mate van het kleurverschil tussen het gebitselement en de kleurenstaal aangeeft. Dit kleurverschil, ook wel delta E (∆E) genoemd, wordt berekend met de formule
$$\Delta \text{E}=1.5:{{(\Delta {{\text{L}}^{*}})}^{2}}+{{(\Delta {{\text{a}}^{*}})}^{2}}+{{(\Delta {{\text{b}}^{*}})}^{2}}$$
waarbij de L*-waarde weergeeft hoe licht of donker een object is, de a*-waarde weergeeft hoe rood of groen een object is en de b*-waarde hoe geel of blauw een object is. Natuurlijke gebitselementen hebben een L*-waarde tussen ongeveer 70 en 80, een a*-waarde tussen 0 en 1 en een b*-waarde tussen 10 en 25.
Als de ∆E groter is dan 1,6 kan de helft van de mensen het kleurverschil waarnemen (dus de dekking is niet perfect) en als het kleurverschil groter is dan 2,7 zal 50% van de mensen het kleurverschil niet accepteren (dus de dekking is slecht). Dankzij deze kwantitatieve waarden kunnen verschillende kleurbepalingssystemen objectief geëvalueerd worden.

Kleurstandaarden voor visuele kleurselectie

Internationaal gezien is het meest gebruikte kleurbepalingssysteem Vita Classical (Vita Zahnfabrik, Bad Sackingen, Duitsland). Dit systeem bestaat uit zestien standaarden. Elke standaard representeert een kleur die bestaat uit drie waarden: de kleurtoon (richting), de grijswaarde en de kleurverzadiging. In principe bestaan er binnen het Vita Classical systeem twee kleurrichtingen: de rode (aangeduid als A) en de gele richting (aangeduid als B), aangezien tanden rood en geel in zich hebben. De A- en de B-standaarden zijn de heldere versie van het Vita kleurbepalingssysteem. Voor minder heldere tanden, bijvoorbeeld bij oudere mensen, heeft Vita ook de C- en de D-standaarden ontwikkeld. De C-standaarden zijn vergrijsde versies van de A-standaarden en de D-standaarden zijn de vergrijsde versies van de B-standaarden. De A-, B-, C- en D-standaarden verschillen in de mate van kleurverzadiging die loopt van onverzadigd 1 naar volledig verzadigd 4. Dit kleurverloop is niet harmonieus en de kleurschikkingen tussen de standaarden zijn niet op een systematische en logische wijze gerangschikt. Diverse auteurs hebben laten zien dat de Vita Classical kleurenstalen een slechte kleurendekking met de natuurlijke gebitselementen hebben (high Coverage Error) (Chu et al., 2010; Dozic et al., 2010; Khasrayar, 2012a).
Het belangrijkste probleem is de beperkte verstrekking van kleurinformatie. Dit geldt ook voor andere klassieke kleurstalen als Ivoclar en Chromascoop. De klassieke kleurstalen kunnen hooguit iets over de tint (Hue) van het natuurlijke gebitselement zeggen, terwijl de lichtwaarde (value) of de kleurverzadiging (chroma) net zoveel betekenis heeft voor de waarneming van het gebitselement. Om hierin verandering te brengen zijn de Vita ‘3D master’ kleurstalen ontwikkeld, op basis van langdurig onderzoek naar de echte kleuren van menselijke gebitselementen zoals deze in de natuur voorkomen. Daaruit is een logisch systeem ontwikkeld, waarbij men eerst de helderheid van de object (tand) bepaalt, daarna de kleurverzadiging en tot slot de kleurrichting (Hue). Dit systeem geeft veel betere resultaten. Fabrikanten zijn echter zo gewend om de kleur van keramiek met de Vita Classical rangschikking aan te geven, dat het voor tandtechnici niet eenvoudig is om een nieuw systeem te introduceren.

Alternatief systeem voor kleurbepaling

Recent heeft de afdeling Materiaalwetenschappen van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam, in samenwerking met twee tandtechnici, een kleurbepalingssysteem geïntroduceerd met een veel betere kleurendekking, het zogenoemde 2Hue systeem (Dozic et al., 2010). Bij dit systeem is de rangschikking van de drie kleurendimensies systematisch en logisch. De verschillen in kleurverandering tussen de stalen zijn nauwgezet bepaald, waardoor het voor tandtechnici gemakkelijk is de juiste kleur te reproduceren. Het systeem heeft ook meer kleurenstalen dan de klassieke kleurstalen. Dit bleek nodig nadat natuurlijke gebitselementen in een onderzoek objectief waren gemeten.
In dit onderzoek zijn 500 gebitselementen op een gestandaardiseerde en objectieve manier met een spectrofotometer gemeten. Uit de berekeningen van L*-, a*- en b*-coördinaten van het middelste en cervicale deel van de gebitselementen bleek dat alle kleuren van de gebitselementen zich in een maanachtig gebied in de 3D-kleurenruimte bevinden.
In figuur 11.5 wordt de driedimensionale dekking van Vita Classical, Vita 3D en het 2Hue systeem in een vergroot beeld geïllustreerd. Hier is te zien dat de kleurruimte van alle gebitselementen het best gedekt is met de 2Hue kleurenstalen en dat de 3D masterstalen redelijk goed gerangschikt zijn in deze ruimte. Veel 3D Master en Vita Classical stalen omvatten echter kleuren die eigenlijk niet te vinden zijn in de 3D-kleurruimte van tanden.
Ondanks dat de Vita Classical kleurstalen in de vakliteratuur vaak bekritiseerd zijn, worden ze nog steeds het meest toegepast door de tandartsen en tandtechnici. Dit kan te maken hebben met gewenning of gemak van gebruikers, maar ook met de machtspositie van de Vita Zahnfabrik, die niet gebaat lijkt bij het ontwikkelen van nieuwe systemen.

11.4.2 Elektronische kleurbepaling

Diverse fabrikanten zien een elektronisch apparaat waarmee kleur kan worden bepaald als dé oplossing voor het kleurbepalingsprobleem. Door op de knop van een apparaat te drukken zou een betrouwbare kleurbepaling kunnen worden uitgevoerd.
Om de kleuranalyse van zo min mogelijk variabelen afhankelijk te maken, kan men ervoor kiezen om de basiskleur van de te vervaardigen restauratie met een elektronische kleurmeter vast te leggen. De meeste kleurmeters kunnen, in tegenstelling tot het menselijk oog, reproduceerbare kleurmetingen bewerkstellingen (Khurana et al., 2007; Chu et al., 2010). Bovendien leveren ze de kleurinformatie als numerieke waarden van de drie coördinaten die op de drie kleurdimensies betrekking hebben (L*a*b*). Door van deze coördinaten gebruik te maken kan het exacte kleurverschil eenvoudig worden berekend (∆E). Vervolgens kan een kleurverschil tussen deze tandkleuren en de verkrijgbare kleurenstalen berekend worden.
Tussen 2000 en 2010 zijn er vele kleurmeters op de markt verschenen. Op dit moment zijn drie van deze apparaten het meest populair in Europa en de Verenigde Staten. Dit zijn de SpectroShade Micro (MHT) (figuur 11.6a), de EasyShade (Vita) (figuur 11.6b) en de Cristaleye (Olympus). Deze apparaten zijn niet onderling compatibel en de meetgegevens kunnen dus niet onderling uitgewisseld worden (Khashayar et al., 2012b).
Voor de praktijk kan men gebruikmaken van het kleurverschil dat voor en na het bleken met de SpectroShade gemeten kan worden, om aan de patiënt te laten zien wat het werkelijke effect van de bleekprocedure is geweest (figuur 11.7). Het bleekeffect neemt met de tijd af, wat men met een elektronisch apparaat heel nauwkeurig kan aantonen. De indicatie voor herbehandelen vindt zo op het juiste moment plaats, waardoor ‘overbleken’ kan worden voorkomen.

11.5 Communicatie over kleuren

De overdracht van de kleurinformatie van tandarts naar tandtechnicus is ook een kritische schakel in het creëren van een esthetisch goede restauratie. Aangezien zowel de tandarts als de tandtechnicus met kleurselectie te maken heeft, is het essentieel dat ze dezelfde richtlijnen hanteren.
Doordat de lichtomstandigheden in de tandheelkundige praktijk en het tandtechnisch laboratorium verschillen, kan de kleur die de tandtechnicus als A3 fabriceert er in het zonlicht of bij de tandarts als B3 of A2 uitzien. Bovendien zijn de kleurstalen die verschillende tandartsen en tandtechnici gebruiken vaak niet gelijk van kleur, omdat de fabrikanten van de kleurstalen geen goede standaardisatie van kleuren hanteren.
Veel tandartsen laten het bepalen van de kleur voor een esthetische indirecte restauratie over aan de tandtechnicus. Dat is echter lang niet altijd wenselijk. De tandarts heeft meer ervaring met de algehele kleurdiagnostiek op grond waarvan een goede kleurharmonie in de mond bereikt moet worden. Zo kan de tandarts toekomstige behandelingen bij de kleurkeuze betrekken en op grond daarvan besluiten een ietwat afwijkende kleur voor de restauratie te kiezen.
Het gebruik van een elektronische kleurmeter zou zeer waardevol kunnen zijn voor zowel de tandarts als de tandtechnicus. Met een elektronische kleurmeter bepaalt de behandelaar of diens assistent in alle omstandigheden op een accurate manier, de dichtstbij liggende kleur volgens de Vita Classical of een andere kleurensleutel. Tijdens de spectrale meting wordt tevens een foto-opname met de oppervlaktekarakteristieken van het gebitselement gemaakt. Deze opname is gemaakt onder de gestandaardiseerde omstandigheden van licht en invalshoek en wordt in een onveranderd formaat (via de computer) naar het laboratorium gestuurd. Tegenwoordig zijn computerprogramma’s beschikbaar voor een optimale kleurcommunicatie tussen de behandelaar en het tandtechnisch laboratorium. Voor de tandtechnicus zijn de spectrale en foto-informatie van het gebitselement vaak zeer waardevol. Naast de accuraat bepaalde kleurenstaal geeft de spectrometer ook aan wat de afwijking is tussen de tandkleur en de staalkleur, waarvoor de tandtechnicus kan corrigeren. Door het inbouwen van allerlei oppervlaktekarakteristieken op basis van de foto zal de restauratie veel meer op een natuurlijk gebitselement lijken. Tot slot wordt de patiënt door de elektronische uitwisseling van deze informatie een extra bezoek aan het tandtechnisch laboratorium bespaard. De uiterst subtiele ‘look’ van een incisief met een moeilijke kleur en veel karakteristieken blijft echter voorlopig alleen nog te bereiken met een kunstenaarsoog en -hand.

11.6 Slotopmerking

Elektronische kleurbepaling heeft het afgelopen decennium een enorme ontwikkeling doorgemaakt, waardoor het mogelijk wordt esthetisch betere restauraties te creëren (Chu et al., 2010). De elektronische kleurbepaling krijgt in het curriculum van tandheelkundeopleidingen in Europa dan ook steeds meer een vaste plaats (Dozic et al., 2011) en tandheelkundestudenten blijken elektronische kleurbepaling veruit te prefereren boven visuele kleurbepaling.
Het ligt dan ook in de lijn der verwachting dat elektronische kleurbepaling in de tandheelkundige praktijk een steeds prominentere rol zal gaan spelen. Om dit te kunnen realiseren is het echter van belang dat de meetgegevens van de diverse apparaten uitwisselbaar worden en er procedures worden ontwikkeld voor gestandaardiseerde overdracht van digitale kleurinformatie naar tandtechnische laboratoria.
Literatuur
go back to reference Chu SJ, Trushkowsky RD, Paravina RD. Dental color matching instruments and systems. Review of clinical and research aspects. J Dent 2010;38 (Suppl. 2):e2–16. Chu SJ, Trushkowsky RD, Paravina RD. Dental color matching instruments and systems. Review of clinical and research aspects. J Dent 2010;38 (Suppl. 2):e2–16.
go back to reference Dozic A. Praktische werkwijzen om voorspelbaarheid van esthetische kleur- en vormuitkomst van composiet-restauraties te vergroten. Acta Quality Practice 2008 september;1:19–28. Dozic A. Praktische werkwijzen om voorspelbaarheid van esthetische kleur- en vormuitkomst van composiet-restauraties te vergroten. Acta Quality Practice 2008 september;1:19–28.
go back to reference Dozic A, Zwartser R, Voit N, Khashayar G, Aartman I. Color coverage of a newly developed system for color determination and reproduction in dentistry. J Dent 2010;38 (Suppl 2):e50–6. PubMedCrossRef Dozic A, Zwartser R, Voit N, Khashayar G, Aartman I. Color coverage of a newly developed system for color determination and reproduction in dentistry. J Dent 2010;38 (Suppl 2):e50–6. PubMedCrossRef
go back to reference Dozic A, Kharbanda AK, Kamell H, Brand HS. European dental students’ opinions about visual and digital tooth colour determination systems. J Dent 2011;39 (Suppl 3): e23e-28. Dozic A, Kharbanda AK, Kamell H, Brand HS. European dental students’ opinions about visual and digital tooth colour determination systems. J Dent 2011;39 (Suppl 3): e23e-28.
go back to reference Khashayar G, Dozic A, Kleverlaan C, Feilzer AJ. Clinical success of shade guides arranged according to lightness measured digitally. Int J Prosthodont 2012a;25:410–2. Khashayar G, Dozic A, Kleverlaan C, Feilzer AJ. Clinical success of shade guides arranged according to lightness measured digitally. Int J Prosthodont 2012a;25:410–2.
go back to reference Khashayar G, Dozic A, Kleverlaan C, Feilzer AJ. Data comparison between two dental spectrophotometers. Oper Dent 2012b;37:12–20. CrossRef Khashayar G, Dozic A, Kleverlaan C, Feilzer AJ. Data comparison between two dental spectrophotometers. Oper Dent 2012b;37:12–20. CrossRef
go back to reference Khurana R, Tredwin CJ, Weisbloom M, Moles DR. A clinical evaluation of the individual repeatability of three commercially available colour measuring devices. Br Dent J 2007;203:675–80. PubMedCrossRef Khurana R, Tredwin CJ, Weisbloom M, Moles DR. A clinical evaluation of the individual repeatability of three commercially available colour measuring devices. Br Dent J 2007;203:675–80. PubMedCrossRef
Metagegevens
Titel
Elektronische kleurbepaling in de tandheelkunde
Auteur
A. Dozic
Copyright
2014
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
DOI
https://doi.org/10.1007/978-90-368-0455-4_11