Skip to main content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander artikel

Gepubliceerd in: Vakblad Sociaal Werk 2/2020

01-04-2020 | Opinie

Gemeenschappelijke beroepsidentiteit – reactie 1

Een sterk merk

Auteur: Thomas Heyan

Gepubliceerd in: Vakblad Sociaal Werk | Uitgave 2/2020

share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail
insite
ZOEKEN

Samenvatting

Hoe kunnen we met een gemeenschappelijke beroepsidentiteit sociaal werk sterker neerzetten en uitdragen, zo vroeg Jan Willem Bruins zich af in het vorige nummer. Kunnen pleegzorgwerkers, bedrijfsmaatschappelijk werkers, raadsonderzoekers, jeugdbeschermers en jeugd- & gezinsprofessionals zich voegen naar de overkoepelende beroepsnaam ‘sociaal werker’? En willen zij zich onder de BPSW als beroepskoepel verenigen? Thomas Heyman reageert en pleit voor sociaal werk als sterk merk.
Opmerkingen
Thomas Heyman is sociaal werker, oud docent Social Work en publicist.
Er zijn drie argumenten waarom professionals die werkzaam zijn in het sociaal domein zich zouden moeten verenigen in grotere getale dan zij nu doen. Ten eerste bepaalt kwantiteit in dit geval zeker kwaliteit. Wanneer tienduizenden, verzameld in een vereniging van beroepsgenoten, hetzelfde vak uitoefenen, straalt dat een zekere kracht uit. Nationaal wordt een beroepsgroep met zo’n grote achterban gerespecteerd en worden haar vertegenwoordigers beschouwd als waardevolle gesprekspartners.
Ten tweede ontstaat zo beroepsmatige in plaats van functiegerichte solidariteit. In Engeland en België staken sociaal werkers, wanneer voor henzelf of voor hun doelgroepen nadelige maatregelen worden genomen. Na de zaak Savanna in 2004 voerden gezinsvoogden actie tegen de aanpak van toenmalig minister van Justitie Donner. En onlangs gaven jeugdzorgwerkers in Den Haag een signaal af. Dergelijke saamhorigheid is gewenst, wanneer overheden maatregelen nemen die beschadigend zijn voor doelgroepen en/of collega’s en daarvoor heb je massa nodig. Ten derde raakt men zo verbonden met een collectief gedragen beroepsidentiteit. Verderop ga ik daar nader op in.

Beroepsziel

Een grotere vereniging met een hogere kwaliteit kan bovendien tegenwicht bieden aan vier voor het beroep schadelijke tendensen. Ten eerste de wildgroei aan functies die met de term ‘beroep’ worden aangeduid, maar niet onder een vereniging vallen of tot een beroepsgroep behoren. Ten tweede dat men ‘zomaar een potje doet’: beroepsbeoefenaren, die onder de vlag van hun diploma – bijvoorbeeld sociaal werker – en in een specifieke functie, opdrachten voor hun werkgever uitvoeren. Zulke opdrachten moeten leiden tot resultaten die goed zijn voor het imago van diezelfde werkgever, maar die niet aansluiten bij de missie van het beroep. Integendeel, hun werkzaamheden kunnen schadelijk zijn.
Ten derde, is er de tendens dat de historisch opgebouwde moraliteit van het beroep niet alleen maar zoek of verloren raakt, maar teloorgaat door beroepsbeoefenaren die het niet zo nauw nemen met de moraal van het vak, zelfs hun eigen beroepsziel verkwanselen en ethische richtlijnen om zeep helpen. Dit is desastreus voor het beroep.
Ten vierde is het kwalijk dat werkgevers hun werknemers niet verplichten lid te zijn van een beroepsvereniging, omdat ze daar kennelijk niet de meerwaarde van inzien. Overigens zien de werkers zelf daar ook de meerwaarde niet van in: slechts een kwart van de in Nederland werkzame sociaal professionals is lid van de BPSW. Is het een gebrek aan emancipatie, dat men zich niet verenigt; of juist een te sterk geloof in eigen kracht?

Autonomie

Genoemde tendensen ondermijnen de waarlijke autonomie van de werker. Waarlijke autonomie is te omschrijven als: op theoretische kennis, wetenschap en ervaring berustende toetsbare zelfstandige beroepsuitoefening.
Het beroep, vertegenwoordigd door de BPSW, heeft inmiddels een archief met gedenkwaardige momenten, inspirerende voorgangers, ontwikkelingen en kenteringen. In de laatste tachtig jaar zijn methoden en richtlijnen ontwikkeld en is een code tot stand gekomen die een baken vormt voor ethische dilemma’s. Daardoor is sociaal werk een volwassen beroep geworden, dat onder de loep ligt van wetenschappelijk onderzoek. Er zijn opleidingen op drie niveaus en talloze cursussen en seminars voor professionals. Het geheel vormt een praktisch en moreel kompas. Kortom: de kennis en ervaring zijn er, en codes en competentieprofielen staan garant voor een deugdelijke beroepsuitoefening.

Tijdgebrek, geldgebrek

Echter, de sociaal werker is in de verdrukking geraakt. Opdrachtgevers – lees: gemeenten en zorgverzekeraars – bepalen wat het verhelpen van klachten mag kosten, bijna ongeacht de aard, omvang en ernst. Tevens bepalen zij welke organisaties de opdracht vergund worden, liefst tegen de laagste kostprijs. Organisaties en instellingen komen daardoor in een concurrentiepositie, terwijl er meer dan genoeg te doen is in onze branches. En met dat de sociaal werker in de verdrukking raakt, raakt de cliënt in de verdrukking. Want wordt die in sociaal opzicht beter van krampachtig, in een bureaucratische setting werkende werkers, in de spagaat tussen loyaliteit aan de opdrachtgever, de manager en de cliënt? Nee.
Opdrachtgevers lijken niet alleen de financiële ruimte te bepalen, maar ook de mate waarin nagedacht mag worden over het werk – sociaal werk is ook denkwerk! – alsmede de manier waarop het werk inhoudelijk uitgevoerd moet worden. En daar komt zorgvuldige beroepsuitoefening in het gedrang, en onder druk van tijdgebrek, geldgebrek en gebrek aan deskundig uitgeoefende invloed. Is er genoeg ruimte, dan zou men niet eens hoeven na te denken over professionele autonomie, want die zou vanzelfsprekend zijn.

Verrichten

Sterk ben je wanneer je aansprekende antwoorden – liefst in de vorm van klinkende resultaten – kan geven op de vragen: Wat heb ik, wat kan ik, en: Wie ben ik? Kracht maakt de professional betrouwbaar en integer. Eerder gaf ik antwoord op de vraag wat sociaal werkers in honderdtwintig jaar dat hun beroep bestaat, aan instrumenten tot hun beschikking hebben gekregen. Maar kunnen ze zich voldoende sterk profileren met ‘kern- of basistaken’ (Zie Beroepsprofiel)? Nee.
Het begrip ‘taken’ is niet meer van deze tijd. Professionals handelen en kunnen hun eigen handelen omschrijven. Hun handelen bestaat uit verrichtingen die zij nodig achten voor een samen met de cliënt te behalen resultaat. Het begrip ‘verrichting’ past dan ook beter bij de status van het beroep en bij het niveau van professionaliteit. Verrichten heeft bijbetekenissen als: uitvoeren, realiseren, presteren. De verrichtingen van de sociaal werker – kortweg: onderzoeken, interveniëren en afsluiten, zo nodig signaleren – dienen een hoger doel, namelijk herstel van welzijn, gericht op de kwaliteit van leven.
Wanneer verrichtingen te nauwkeurig en te minutieus worden omschreven, kan aangeleerde hulpeloosheid ontstaat en komt daardoor ook de autonomie van de professional in gevaar, die te weinig handelingsruimte krijgt. Sociaal werkers zijn namelijk, in tegenstelling tot chirurgen, hun eigen instrument. En cliënten van sociaal werkers liggen niet roerloos onder narcose op de operatietafel, maar functioneren bij volle bewustzijn. Dat maakt sociaal werk zo complex. Maar dit terzijde.
Bewust globaal omschreven, ruimte latend voor eigen functiegerichte specifieke inzichten, verricht een sociaal werker in de kern van het beroep het volgende:
1.
Hij begeleidt; hij werkt op agogische wijze samen met de cliënt en belangrijke personen – de cliënts ecologische, dan wel contextuele systeem – of nader bepaalde doelgroepen uit diens omgeving;
 
2.
Hij doet onderzoek;
 
3.
Hij rapporteert aan de cliënt en met diens toestemming aan derden;
 
4.
Hij analyseert op basis van dit onderzoek;
 
5.
Hij bespreekt zijn analyse met de cliënt in de vorm van dynamische werkhypotheses;
 
6.
Hij intervenieert plan- en procesmatig, hetzij volgens een van de bij het beroep behorende en door de BPSW gecertificeerde methoden, hetzij volgens richtlijnen die aansturen op een ingrijpende maatregel;
 
7.
Hij evalueert na het begeleidingsproces met de cliënt of zijn interventies duurzaam en van blijvende aard zijn geweest;
 
8.
Hij doet follow up-onderzoek naar het effect van zijn interventies op langere termijn;
 
9.
Hij medieert wanneer sprake is van conflicterende levenssituaties;
 
10.
Hij grijpt in in crisissituaties;
 
11.
Met toestemming van de cliënt behartigt hij diens belangen op micro-, meso- en macroniveau;
 
12.
Hij signaleert wanneer sprake is van misstanden en/of misverstanden.
 
Alle verrichtingen zijn gericht op herstel, instandhouding en bevordering van de kwaliteit van leven. Voert een beroepsbeoefenaar nu minimaal acht van deze ‘kernverrichtingen’ uit, dan kan/mag hij zich sociaal werker noemen.

Beroepsmatige identiteit

Rest de vraag: Wie ben ik? Zoals ieder mens bij een gezin hoort, bij een familie met voorgeslacht, zo zou iedere beroepsbeoefenaar zich bij zijn of haar vereniging kunnen aansluiten. Tijdens de studie als aspirant-lid, daarna als lid. Diploma en lidmaatschap vormen de basis van de beroepsidentiteit. Geen lid, geen waarborg voor intrinsieke kwaliteit. Het lidmaatschap is als je achternaam. Ik ben een Heyman. Velen gingen mij als Heyman voor. Zo ben ik ook sociaal werker. Mijn docenten en collega’s gingen mij voor in de praktijk en waren mijn voorbeeld. Mijn laatste functie was crisishulpverlener huisverboden, maar dat ontsloeg mij niet van de intrinsieke, met het diploma uitgereikte opdracht de visie en missie van mijn professie uit te dragen: welzijn herstellen, in stand houden en bevorderen.
Een sterke beroepsidentiteit voorkomt stress, juist door de wetenschap dat collega’s dezelfde verrichtingen hanteren onder eenzelfde code. De beroepsidentiteit voorkomt rolverwarring, een energievretende, burn-out bevorderende factor in mensenwerk.
Hoewel werkbegeleiding door een ervaren collega is wegbezuinigd, is het rustgevend wanneer beroepsbeoefenaren weten dat zij op senior-collega’s kunnen terugvallen, verteld krijgen waar zij goed in zijn en op welk moreel kompas zij kunnen varen. Zodoende ontstaat identificatie met het beroep.
De beroepsidentiteit versterkt ook het vertrouwen van werkgevers én cliënten. Zoals men weet dat een huisarts ‘je beter maakt’, zo zouden sociaal werkers zich kunnen profileren omdat ze perspectief bieden op verbetering van kwaliteit van leven. Het imago van het sociaal werk is de optelsom van alle verdiensten van alle sociaal werkers. Wanneer zij in plaats van elkaars concurrent, elkaars vrienden worden, kan een ijzersterke beroepsband ontstaan die aantoonbaar waardevol werk verricht.
share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail
Metagegevens
Titel
Gemeenschappelijke beroepsidentiteit – reactie 1
Een sterk merk
Auteur
Thomas Heyan
Publicatiedatum
01-04-2020
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
Gepubliceerd in
Vakblad Sociaal Werk / Uitgave 2/2020
Print ISSN: 2468-7456
Elektronisch ISSN: 2468-7464
DOI
https://doi.org/10.1007/s12459-020-0288-1

Andere artikelen Uitgave 2/2020

Vakblad Sociaal Werk 2/2020 Naar de uitgave

Boeken

Boeken