Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Gezondheidsvoorlichting en –bevordering (GVO) en preventie vormen samen een specifieke verpleegkundige competentie. In deze praktische handleiding komen alle aspecten van (groeps)voorlichting aan bod. Het boek gaat uit van de huidige praktijk van gezondheidsvoorlichting door verpleegkundigen. Door de vele voorbeelden in dit boek kan elke verpleegkundige situaties en problemen uit de eigen beroepspraktijk herkennen. Er is gekozen voor een praktische benadering. Zo behandelt het boek de actiepunten voor het verzorgen van een voorlichtingsbijeenkomst en het ontwikkelen van een lokaal gezondheidsproject. Door de methodische benadering en het presenteren van evidence en good practice levert het boek een bijdrage aan de verdere professionalisering van de verpleegkundige op het gebied van gezondheidsvoorlichting. Voorbeelden en interviews maken de theorie van gezondheidsvoorlichting inzichtelijk en praktisch bruikbaar. Programmavoorbeelden, evaluatieformulieren en checklists zijn opgenomen als hulpmiddelen voor de verpleegkundige praktijk. Met dit boek kan de verpleegkundige direct aan de slag.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Inleiding

Doen wat werkt! biedt praktische informatie over gezondheidsvoorlichting aan groepen door verpleegkundigen. In dit boek richten we ons op verpleegkundigen die gezondheidsvoorlichting geven; vaak zijn zij ook betrokken bij de ontwikkeling ervan.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

1 Gezondheid en gedrag

Verpleegkundigen zien veel gezondheidsproblemen die samenhangen met (ongezond) gedrag. Voorlichting over gezondheid en gezond gedrag aan groepen behoort tot hun preventieve taken.
Niet elk gedrag heeft invloed op gezondheid. ‘Klassiek’ op dit terrein zijn de bravo-gedragingen: bewegen, roken, alcoholgebruik, voeding en ontspanning. Dit gedrag maakt deel uit van iemands leefstijl. Leefstijl is vaak gekoppeld aan groepen zoals sociaal-economische groepen en leeftijdsgroepen.
Gezondheidsvoorlichting is vaak op gedrag gericht. Men spreekt dan van gedragsgerichte gezondheidsbevordering en ziektepreventie.
Omdat leefstijlen vaak gekoppeld zijn aan groepen, wordt de gezondheidsvoorlichting vaak op groepen gericht. Ook al is gedragsverandering een individuele verandering, de groep vormt de invalshoek voor voorlichting.
Voor gedragsgerichte gezondheidsbevordering en ziektepreventie is echter vaak meer nodig dan voorlichting. Andere middelen zijn voorzieningen en regelgeving.
Voor effectieve beïnvloeding van gezondheidsgedrag is een planmatige aanpak nodig, gebaseerd op theorieën van gedragsverandering, zoals het model van beredeneerd gedrag (ase-model), het health belief-model en het stages of change-model. Een combinatie van interventies moet gericht zijn op de verschillende, opeenvolgende stappen van gedragsverandering in een groep van individuen. Elke interventie bestaat uit een doelgericht ingevulde communicatie.
Een integrale aanpak van ‘gezond leven’ lijkt meer kansen op succes te hebben dan een aanpak die zich beperkt tot een van de gezondheidsgedragingen.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

2 Opzetten van een voorlichtingsbijeenkomst

Effectieve voorlichting aan een groep wordt volgens een bepaald plan opgezet en uitgevoerd. In de opzet spelen de communicatiereeks ‘ontvanger-boodschap-kanaal-doelzender’ en de stappen van gedragsverandering een cruciale rol.
De doelgroep (ontvangers) wordt gekarakteriseerd aan de hand van demografische kenmerken, gezondheid, gezondheidsgedrag en communicatiekenmerken. Daarnaast is de beginsituatie, waaronder de voorkennis, van een groep relevant.
Het doel van voorlichting geeft het gewenste resultaat bij de doelgroep aan, zo concreet mogelijk, liefst in maat en getal. Soms werkt men met algemene doelstellingen en specifieke doelen. De boodschap en de wijze van presenteren zijn afgeleid van het doel en afgestemd op de doelgroep.
Voor de manier van overbrengen staan twee principes ter beschikking: de structuur van het programma ‘ontvangst-inleiding-kern-slot’ en didactische principes. Tot de laatste behoren de leerstijl en het gebruik van ‘effectieve elementen’ in de voorlichting.
De voorlichter (zender) ten slotte moet aantrekkelijk, geloofwaardig en deskundig zijn. Er zijn verschillende ‘soorten’ voorlichters: professionals, ervaringsdeskundigen/lotgenoten, mensen uit de doelgroep die getraind zijn om voorlichting te geven (voor- en-door-methode, peer-education).
In groepsvoorlichting richt de voorlichter zich zowel op de groep als op het individu. Hij maakt daarbij gebruik van basale communicatievaardigheden, die de informatie-overdracht, informatieverwerking en interactie bevorderen. Vragen stellen is daarbij minstens even belangrijk als informatie geven en vragen beantwoorden.
De voorlichter maakt doelgericht gebruik van verschillende werkvormen, die elk hun eigen mogelijkheden en beperkingen hebben.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

3 Werken met een groep

Een verpleegkundige kan op heel verschillende manieren met een groep werken. Tijdens de opleiding leren studenten de basisprincipes. In de praktijk leren ze daar flexibel mee te werken, zonder het methodisch proces uit het oog te verliezen.
De verpleegkundige kiest werkvormen die passen bij de doelgroep en die geschikt zijn voor het doel van de voorlichting. Afhankelijk daarvan kiest zij ook een passende rol als begeleider: meer initiërend en sturend of meer begeleidend. Veelgebruikte vormen zijn: presentatie, groepsgesprek, demonstratie, oefening, spelen van situaties en uitvoeren van opdrachten. Elke vorm heeft zijn mogelijkheden en beperkingen. Eén werkvorm is vaak geschikt voor één of enkele stappen van gedragsverandering. Voor andere stappen zijn dan weer andere werkvormen nodig.
Bij alle werkvormen is een goede introductie nodig over de werkwijze en het doel. Verder draagt de verpleegkundige er zorg voor dat er een prettige sfeer kan ontstaan, waarin deelnemers zich veilig weten. De verpleegkundige stimuleert, begeleidt en bewaakt het verloop van de uitvoering van een werkvorm. Daarbij heeft zij oog voor het individu én de groep, het proces én de uitkomst.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

4 Praktische voorbereiding en uitvoering van een voorlichtingsbijeenkomst

De doelgroep en doelstelling, boodschap en opbouw van de bijeenkomst (programma en werkvormen) en de benodigde middelen worden vastgelegd in een draaiboek. Ook de aandachtspunten voor de praktische voorbereiding van een bijeenkomst zijn in het draaiboek te vinden. Daar komt veel bij kijken. Wát precies, dat hangt af van het type bijeenkomst:
I
De groep is aanwezig; iemand heeft direct contact met de groep.
 
II
Mensen uit een organisatie of instelling worden uitgenodigd voor de bijeenkomst; er zijn een of meer personen die deze mensen kunnen bereiken.
 
III
Mensen voor wie de bijeenkomst is bedoeld, zijn niet op één plaats te bereiken. Er is niemand die direct contact heeft met (alle) mensen uit de doelgroep.
 
Wanneer een bepaalde bijeenkomst al vaker is gehouden, is de praktische voorbereiding soms beperkt tot het vastleggen van een nieuwe datum en het reserveren van ruimte en middelen.
Er bestaat een groot scala aan voorlichtingsmiddelen. Een effectief middel is afgestemd op de doelgroep en het doel, en past bovendien bij de boodschap. Daarom moeten voorlichtingsmiddelen zorgvuldig worden gekozen. Bij de meeste activiteiten worden verschillende middelen gebruikt.
Schrijven van voorlichtingsteksten en zorgen voor een goede vormgeving zijn vakwerk. Het verdient daarom de voorkeur dat door professionals te laten doen. Het is altijd wenselijk tekst en vormgeving vooraf uit te testen bij lezers (uit de doelgroep): pretesten.
Als dat niet mogelijk is, laat dan enkele buitenstaanders met een ander beroep of andere functie, de tekst lezen. Liefst mensen die niet allemaal hoogopgeleid zijn. Gebruik de opmerkingen van de lezers om inhoud, opbouw en taalgebruik te verbeteren.
Dan is alles voorbereid en kan de bijeenkomst gehouden worden. Maar ook dan kunnen dingen anders lopen dan gepland. De opkomst, apparatuur of het ontbreken van een tolk kan voor verrassingen zorgen. Ook door de samenstelling van de groep zelf moet het programma soms aangepast worden. Altijd is het belangrijk om aandacht te hebben voor elk individu in een groep.
Onder invloed van het streven naar evidence based handelen is evaluatie steeds belangrijker geworden. Evaluatie kan verschillende doelen hebben. In principe kan evaluatie van alle onderdelen (werving, programma, organisatie en het bereikte resultaat) bruikbare informatie opleveren om de bijeenkomst te verbeteren. Houd bij het opstellen van de vragen steeds voor ogen dat je de antwoorden wilt gebruiken om de bijeenkomst te verbeteren. Dat geldt zowel voor schriftelijke als mondelinge evaluaties. Maak bij voorkeur gebruik van bestaande evaluatievragenlijsten. Pas die zo nodig aan de eigen situatie aan. Zorg ervoor dat de vragen duidelijk zijn en dat het niet te veel tijd kost om ze te beantwoorden. Verzamel de gegevens in een overzicht. Op grond daarvan kun je een conclusie trekken en aanbevelingen opstellen om de bijeenkomst te verbeteren.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

5 Lokale en regionale projecten: het voortraject

Gezondheidsvoorlichting, of breder: gezondheidsbevordering, kan op verschillende manieren worden ingevuld. Paramedici kunnen heel verschillende rollen vervullen. Een project wordt methodisch uitgevoerd, om tot een keuze van adequate interventies te komen. Aangrijpingspunt voor gezondheidsvoorlichting en gezondheidsbevordering zijn: gedrag en omgeving.
Aan de keuze van interventies gaat een heel traject vooraf. Het voortraject dient om het probleem te verhelderen. Het bestaat uit drie stappen, waarin bronnen geraadpleegd worden om antwoord te kunnen geven op essentiële vragen. Stap 1 betreft de probleemanalyse: Wat is het gezondheidsprobleem? Bij wie doet zich het probleem voor? En hoe groot is het probleem? Stap 2 is de analyse van de gedrags- (en omgevings)component van het gezondheidsprobleem: Welk gedrag draagt bij aan het probleem? Is dat gedrag te beïnvloeden? Stap 3 omvat de analyse van de gedragsdeterminanten: Welke factoren zijn van invloed op het gedrag?
De drie stappen leiden tot een beschrijving van het probleem, de gedrags- en omgevingscomponent en de gedragsdeterminanten. Deze beschrijving dient om een beslissing te kunnen nemen om het probleem wel of niet aan te pakken.
Daarbij komen vaak ook andere organisaties in zicht die, al dan niet in samenwerking, wat aan het probleem zouden kunnen doen. Daarom is een overzicht van ‘het veld’ van belang: inzicht in organisaties, hun taken en mogelijkheden. Afhankelijk van het onderwerp en de doelgroep kunnen behalve zorgorganisaties ook peuterspeelzalen, onderwijsinstellingen, ouderenorganisaties, instellingen voor maatschappelijke opvang en supermarkten deel uitmaken van het ‘veld’.
Samenwerking heeft de meeste kans van slagen als ieder op zijn kracht wordt aangesproken en er belang bij heeft. Samenwerking is overigens geen doel op zichzelf, maar een middel. In steeds meer projecten wordt vanaf het begin, al in de probleemanalyse, samengewerkt met lokale organisaties, zoals wijkorganisaties. Wijkgericht werken is een specifieke aanpak, waarin bij het ontwikkelen van een plan vanaf het begin samenwerking met de doelgroep plaatsvindt. Door een doelgroep vanaf het begin in te schakelen neemt het draagvlak onder de doelgroep toe.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

6 Lokale en regionale projecten: ontwerpen en uitvoeren

Ontwerpen van een voorlichtingsprogramma begint met het bepalen van een doelgroep en een doel. De doelgroep bestaat uit een afgebakende groep mensen die je wilt bereiken. Als een doelgroep niet voldoende homogeen is, kan de groep opgesplitst worden in subdoelgroepen (segmentatie).
Doelen duiden een beoogd eind- of tussenresultaat aan. Het kan helpen om te werken met algemene doelstellingen en specifieke doelen. Het resultaat moet meetbaar zijn.
Als de doelgroep en het doel vaststaan, volgt de interventiekeuze. Als er geen bruikbare programma’s zijn, is een (gedeeltelijk) nieuw programma nodig. Meestal bestaat een programma uit een combinatie van activiteiten, waarin verschillende effectieve elementen gebruikt worden. De combinatie is gericht op de te beïnvloeden determinanten.
Voorlichtingsmateriaal moet geschikt zijn voor de doelgroep, het doel en de boodschap. Gebruik van bestaand materiaal scheelt tijd en kosten. Ontwikkelen van materiaal is vakwerk en vereist een pretestfase bij de doelgroep.
Bij de meeste voorlichtingsactiviteiten vindt een procesevaluatie plaats. Effectevaluatie vereist een meetbare doelstelling en een voor- en nameting. Dat is in de praktijk wenselijk, maar niet altijd haalbaar.
Implementatie is het inbedden van voorlichting in een organisatie en/of in reguliere activiteiten. Implementeren vraagt vanaf de start van de programmaontwikkeling aandacht.
Een voorlichtingsprogramma vraagt om een goede planning, vanaf het begin. Een draaiboek is daarbij een bruikbaar hulpmiddel. Evaluatie en afspraken over de uitvoering zijn nodig om de kwaliteit te borgen.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

7 Rol van verpleegkundigen in gezondheidsvoorlichting

De taak van verpleegkundigen in lokale en regionale gezondheidsvoorlichtingsprojecten varieert van verwijzing tot ontwikkeling en/of uitvoering. In alle gevallen moeten verpleegkundigen op de hoogte zijn van het aanbod en de inhoud van relevante voorlichtingsactiviteiten. Soms fungeren zij als intermediair (schakel) naar de doelgroep.
Landelijke voorlichtingscampagnes dienen om een onderwerp op de maatschappelijke agenda te plaatsen en onder de aandacht van velen te brengen. Om de volgende stappen van gedragsverandering te ondersteunen, is ook een combinatie van interventies nodig. Lokale organisaties zijn daarvoor meer geschikt omdat zij direct contact (kunnen) hebben met de doelgroep. Landelijke en lokale activiteiten vullen elkaar hierbij aan. Campagnes worden planmatig opgezet aan de hand van een model, zoals het Preffi, het proceed-precede-model of het intervention mapping model.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

8 Professioneel kader

Gezondheidsvoorlichting kent behalve een ethische en beroepsinhoudelijke context ook een beleids- en financieel kader. De ethische context wordt bepaald door afwegingen op basis van ethische principes als ‘rechtvaardigheid’, ‘geen kwaad doen’, ‘goed doen’, en ‘autonomie’. Het beroepsinhoudelijk kader wordt bepaald door het beroepsprofiel, het type organisatie waarin de professional werkt en doelstellingen van de organisatie. Beleid van de eigen en andere organisatie(s), en overheidsbeleid stellen kaders waarbinnen een voorstel voor een voorlichtingsactiviteit moet passen om uitgevoerd te kunnen worden. De kaders zijn richtinggevend. Het is belangrijk daarbinnen te zoeken naar mogelijkheden, door aan te sluiten bij prioriteiten. De ggd beschikt over veel informatie over gezondheidsbevorderingsactiviteiten en -prioriteiten in de regio. Tot slot vormt de financiering een belangrijk kader. Activiteiten moeten binnen een budget worden uitgevoerd. Bijdragen aan financiering kunnen komen uit de reguliere begroting, (project)subsidie en sponsoring. Soms vergoedt een zorgverzekeraar de kosten van bewezen effectieve ‘preventieproducten’.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

Nawerk

Meer informatie