Skip to main content
main-content

Over dit boek

Voorlichting door paramedici is vaak gericht op gedragsverandering, op therapietrouw en zelfmanagement, kortom op compliance. Doen en blijven doen beschrijft dat proces. De therapeut heeft daarbij een rol als coach en motivator. De uiteindelijke gedragsveranderaar is echter niet de therapeut, maar de patiënt. Veel praktijkvoorbeelden illustreren hoe begeleiding van gedragsverandering en het werken aan therapietrouw en zelfmanagement in de paramedische praktijk verloopt. Doen en blijven doen wordt gepresenteerd aan de hand van het stappenmodel van gedragsverandering. De herziene versie presenteert de actuele kennis over gedragsgerichte voorlichting in de paramedische praktijk met extra aandacht voor compliance. Toegevoegd in deze uitgave zijn technieken uit de Motivational Interviewing, voorlichting aan mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden of health (il)literacy, culturele achtergronden in voorlichting en zelfmanagement bij chronisch zieken (COPD, diabetes, artrose en obesitas). Ook wordt evidence uit onderzoek in de paramedische praktijk belicht.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1 Voorlichting doorgelicht

Sedert jaar en dag rekenen paramedici voorlichting tot hun taak. Welke voorlichting en hoeveel voorlichting ze geven, wordt sterk bepaald door het (contact)moment in de behandeling. Steeds meer hanteren zij voorlichting daarbij als therapeutisch instrument, om patiënten te helpen adequaat met hun gezondheidsprobleem om te gaan, om te herstellen of gezond te blijven na herstel. Therapeuten besteden ook zoveel aandacht aan voorlichting door de problemen die ze ervaren met de compliance van hun patiënten (het opvolgen van adviezen).

Therapeuten en patiënten kijken ieder vanuit hun eigen perspectief naar voorlichting. Dat verschil in perspectief is van invloed op de manier waarop de samenwerking verloopt. Om effectief te kunnen voorlichten, is het de taak van therapeuten om dit verschil te overbruggen. Dat vraagt overleg met de patiënten en afstemming op hun behoeften.

Om gezondheid te verbeteren, zijn er – naast behandeling en zorg – op beleidsniveau verschillende aangrijpingspunten. Gezondheid kan ook verbeterd worden door te interveniëren op andere bepalende factoren (determinanten), zoals de fysieke of sociale omgeving. Welk aangrijpingspunt ook gebruikt wordt, voorlichting maakt meestal onderdeel uit van de aanpak. Naast voorlichting kunnen voorzieningen, voorschriften (wet- en regelgeving) en verdragen (afspraken, convenanten) bijdragen aan het verbeteren van de gezondheid.

De Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) regelt rechten en plichten van professionals en patiënten, ook wat betreft het informeren van patiënten. Er wordt aan gewerkt om de patiëntenrechten die in verschillende wetten zijn vastgelegd, in één wet onder te brengen.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

2 Voorlichting in het paramedisch handelen

Voorlichting beperkt zich niet tot informatie over de behandeling. Voorlichting gaat ook over gedrag bedoeld om gezondheidsproblemen te verminderen, nu en in de toekomst. Gedrag veranderen gaat echter niet zomaar. Gedragsverandering is een heel proces. Het stappenmodel is een van de modellen die het proces van gedragsverandering beschrijven. Het model omvat de stappen Openstaan, Begrijpen, Willen, Kunnen, Doen en Blijven doen.

Paramedici begeleiden hun patiënten bij gedragsverandering en gaan daarbij methodisch te werk. Methodisch handelen kent de volgende fasen: gegevens verzamelen uit de anamnese, gegevens verzamelen uit onderzoek, een diagnose stellen, doelen en interventies kiezen en deze vastleggen in een behandelplan, het behandelplan uitvoeren en evalueren. Dit is echter geen lineair proces. Elke evaluatie levert nieuwe gegevens, op grond waarvan de cyclus opnieuw begint.

De diagnose wordt beschreven volgens de ICF op de niveaus stoornis, activiteiten en participatie. Het einddoel van de behandeling heeft bij voorkeur betrekking op participatie, de subdoelen op onderdelen ervan en op de lagere niveaus. Doelen geven het gewenste eindresultaat aan en komen in overleg tussen therapeut en patiënt tot stand. Ook voor gewenst gedrag kunnen doelen en subdoelen worden opgesteld. Ze worden zo concreet mogelijk geformuleerd (SMART). Dan pas zijn ze evalueerbaar (meetbaar).

Op grond van de beginsituatie met de gestelde diagnose en de doelen kiest de therapeut interventies en legt hij het geheel vast in een behandelplan. Dit plan bespreekt hij met de patiënt. Samen voeren ze het plan uit.

Evaluatie vindt plaats aan het eind van de behandeling en aan het begin en/of eind van elk behandelcontact. Evaluatie levert nieuwe informatie, waardoor aanpassing van het behandelplan mogelijk is. Door de voorlichting in de behandeling methodisch aan te pakken, kan de behandeling adequaat en op maat blijven.

Voor de paramedische behandeling zijn steeds meer

evidence based

-richtlijnen en protocollen beschikbaar. Ook zijn er meetinstrumenten voor motivatie, adherence en persoonsgebonden factoren. In het kader van gedragsverandering en therapietrouw zijn inmiddels voor de stappenreeks, de persoonsgebonden factoren en de oriëntatie van de hulpverlener vragenlijsten ontwikkeld.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

3 Communicatie

In de behandeling werken de therapeut en patiënt samen, ieder vanuit zijn eigen perspectief en deskundigheid. Ze geven elkaar informatie, vragen en ontvangen informatie. Communicatie is immers informatie-uitwisseling. Zo regelen zij hun samenwerking.

Elementen van een communicatieproces zijn zender, kanaal, boodschap (informatie) en ontvanger. Bij alle elementen kan ruis optreden, die de communicatie bemoeilijkt.

Mensen hebben een eigen leefwereld en cultuur, denkbeelden en ervaringen (referentiekader). Wat mensen willen overbrengen en hoe ze dat doen, wordt daardoor sterk beïnvloed. Om te weten wat er gebeurt in de communicatie, is het belangrijk terugkoppeling (feedback) te krijgen en te geven.

Communicatie kent verbale en non-verbale aspecten. Wat iemand door zijn houding of gebaren uitzendt, hoeft niet overeen te komen met wat hij in woorden zegt. Daarnaast zijn er het inhouds- en betrekkingsaspect van communicatie. De manier waarop iemand iets zegt, kan, naast de feitelijke inhoud van zijn woorden, iets zeggen over de relatie tussen zender en ontvanger. Het betrekkingsaspect van communicatie is van grote invloed op het verloop en het effect van de communicatie.

Patiënt en therapeut gaan een samenwerkingsrelatie aan. De therapeut is daarbij zowel partner in de samenwerkingsrelatie als degene die leidinggeeft aan het gesprek. Door verbale en non-verbale uitingen maakt hij duidelijk dat de behandeling een gezamenlijke aanpak is en teamwerk vereist. Hij maakt daarbij gebruik van gespreksvaardigheden, zoals het gezamenlijk opstellen van de agenda, het ordenen en samenvatten van informatie en het exploreren van de ideeën van de patiënt. Hij kan daarbij ook het Joharivenster gebruiken.

Voor effectieve gedragsgerichte voorlichting heeft de professional oog voor de eigenheid en specifieke kenmerken van de patiënt. De stappenreeks en de persoonsgebonden factoren zijn hulpmiddelen om de aandacht te richten op de persoon, de positie en het perspectief van de patiënt. De samenwerkingsrelatie verandert geleidelijk van geleide coöperatie (

guidance-cooperation

) in een wederzijdse participatie (

mutual participation

). De laatste biedt meer mogelijkheden om de behandeling en de communicatie samen te bespreken en af te stemmen op de patiënt.

Daarnaast heeft de therapeut de taak het gesprek te leiden en te structureren. Een eenvoudige gespreksstructuur (opening, kern, afronding) helpt daarbij om overzicht te houden.

Gesprekken kunnen meer of minder directief zijn. Sterk directief is het diagnose-receptmodel, minder directief is een gesprek op basis van het samenwerkingsmodel. Ook tussenvormen zijn mogelijk. Gespreksmodellen vormen overigens een leidraad, geen dwangbuis. Het doel van een gesprek bepaalt immers (mede) de aanpak. De therapeut kiest een gespreksmodel en een passende rol (expert, consulent, coach). Bij elk gespreksmodel kan de therapeut een selectie maken van de meest geschikte gespreksvaardigheden. De keuze van de vaardigheden kleurt de aard van de relatie met de patiënt en het verloop van het gesprek. Een therapeut zit niet aan één model vast gedurende het gehele gesprek, maar kan variëren al naargelang het moment daarom vraagt.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

4 Persoonsgebonden factoren

Ieder mens is een uniek biopsychosociaal wezen. De persoonsgebonden factoren van de patiënt bieden de therapeut aanknopingspunten voor de behandeling.

Demografische kenmerken geven een globaal zicht op de levenssituatie van de patiënt. De locus of control verwijst naar de eigenschap van mensen die hun leven waar mogelijk zelf sturen (internals) en mensen die zich meer door factoren buiten henzelf laten sturen (externals). De manier waarop patiënten het slagen of falen van een therapie benoemen, is een uiting daarvan. Zo kunnen patiënten het effect toeschrijven (attribueren) aan hun eigen verdienste (interne attributie) of aan de inzet van anderen of de situatie (externe attributie).

Stress ontstaat in situaties waarin de patiënt overvraagd wordt. Vaak gaat het daarbij om situaties waarin hij het gevoel heeft de controle te verliezen en geen mogelijkheden ziet om zijn situatie te beïnvloeden (regelmogelijkheden). Patiënten kunnen verschillend met stress omgaan (coping): probleemgerichte (P-) coping en emotieregulerende (E-)coping. P-coping betekent dat de patiënt zijn probleem aanpakt en een oplossing probeert te vinden. Bij E-coping zorgt hij ervoor minder last te hebben van de stress of accepteert hij dat hij niets aan die stress kan doen. Daarnaast heeft iemand een actieve, passieve of vermijdende stijl van coping. Een actieve stijl is doorgaans effectiever dan een passieve of vermijdende stijl.

Ook emoties kunnen een rol spelen in het proces van gedragsverandering. Emoties spelen zich af op een continuüm: van relatief tijdelijke (alledaagse) emotionele gesteldheden tot dieperliggende (specifieke) emotionele gesteldheden. Emoties kunnen op zichzelf staan, maar kunnen ook een onderdeel zijn van verliesverwerking (verwerkingsproces). Bij angst staat, net als bij stress, controleverlies centraal. Boosheid ontstaat als mensen tegen frustraties aanlopen, binnen of buiten de behandeling. Zij kunnen dan meteen reageren of hun frustraties ‘oppotten’. Depressiviteit ontstaat nogal eens bij verlies of wanneer mensen herhaald aanlopen tegen situaties die ze niet kunnen oplossen (aangeleerde hulpeloosheid). In de paramedische behandeling zijn de inzichten van de theorie van de locus of control, stijl van attribueren, stress, stijlen van coping en pijn goed bruikbaar.

Pijn blijft een complex fenomeen. Het ei van Loeser is daarbij een ordenend kader voor zowel patiënt als therapeut om grip te krijgen en te houden op de pijn. Patiënten kunnen door middel van hun emoties, hun manier van denken, hun feitelijk gedrag en copingstijlen invloed uitoefenen op de dimensies van het ei van Loeser, met uitzondering van de nociceptie. Angst, depressie, interpretatie, conditioneringsprocessen en de copingstijlen kleuren de pijn.

Patiënten kunnen klachten hebben die (vooralsnog) niet te verklaren zijn. Somatisatie komt veel voor en vraagt om een genuanceerde aanpak. Vanuit een respectvolle basishouding en op basis van een gestructureerde samenwerking gaan therapeut en patiënt samen na of de klachten zijn te beïnvloeden. Als dat niet het geval is, dan helpt de therapeut de patiënt een leefbare situatie te creëren.

De locus of control is de centrale factor binnen de persoonsgebonden factoren. Door zich een beeld te vormen van persoonsgebonden factoren, kunnen therapeuten inschatten of er gele vlaggen zijn. Dat is van belang in verband met de directe toegankelijkheid van oefentherapie.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

5 De stap Openstaan

De stap Openstaan is de eerste stap van blijvende gedragsverandering en zelfmanagement. Openstaan verwijst naar de bereidheid om informatie uit te wisselen over de gezondheid en naar oplossingen te zoeken. Openstaan is een modaliteit die van moment tot moment en van boodschap tot boodschap kan variëren.

Vragen, emoties en zorgen van de patiënt bepalen aan welke informatie hij op dat moment behoefte heeft. Daarnaast kan de omgeving waarin voorlichting plaatsvindt, het proces verstoren. Ook de therapeut als persoon, de communicatiemogelijkheden en de behandelrelatie tussen therapeut en patiënt hebben invloed op de stap Openstaan. Geloofwaardigheid en professionaliteit van de therapeut zijn van belang.

De therapeut vormt zich gezien de problematiek of situatie van de patiënt een beeld van Openstaan en onderzoekt de voorwaarden en eventuele belemmeringen. De therapeut creëert gunstige omstandigheden voor Openstaan. De therapeut werkt vanuit een samenwerkingsrelatie, zorgt voor een rustige ruimte, maakt het mogelijk dat de patiënt zich kan concentreren op de informatie en bewaakt de privacy. Samen stellen ze vast welke onderwerpen aan bod komen. De therapeut sluit daarbij aan bij de behoeften en verwachtingen van de patiënt. De therapeut is alert op emoties, in verbale en non-verbale uitingen, en gaat regelmatig het effect na van zijn informatie. Hij staat stil bij zijn rol als voorlichter. Hij evalueert regelmatig in hoeverre er sprake is van samenwerking.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

6 De stap Begrijpen

De stap Begrijpen omvat het opnemen en onthouden van informatie. De therapeut helpt de patiënt inzicht te krijgen in zijn gezondheidsprobleem en de manier waarop hij ermee om kan gaan. Daarbij gaat het vaak om (nieuwe) informatie, maar ook om verheldering van de klachten en van factoren waarmee de klachten samenhangen. Of om het verduidelijken van de mogelijkheden en keuzes.

De patiënt weet al het een en ander, soms veel. De meeste patiënten willen graag informatie. Weten wat er aan de hand is, maakt de situatie vaak beter hanteerbaar, mensen kunnen er dan beter mee omgaan en dat geeft een gevoel van controle over de situatie. De behoefte aan informatie verschilt per situatie, per moment en per persoon.

Drie soorten informatie zijn van belang: technische informatie, belevingsinformatie en procedure-informatie.

Zowel bij de patiënt als in de omgeving moeten de voorwaarden gunstig zijn om informatie op te kunnen nemen. Mensen kunnen slechts een klein aantal nieuwe dingen tegelijk onthouden. Vaak krijgt een patiënt van veel verschillende bronnen informatie en kan hij maar een beperkte hoeveelheid nieuwe informatie onthouden.

De therapeut probeert inzicht te krijgen in de factoren die van invloed zijn op de stap Begrijpen. Met het perspectief van de patiënt voor ogen, bepaalt de therapeut het doel van de voorlichting. Welke informatie de therapeut geeft en hoe hij dat doet, hangt af van de analyse van de uitgangssituatie en het doel van de voorlichting. De therapeut zorgt voor

b

elangrijke,

b

ruikbare en

b

egrijpelijke informatie, zodanig dat die

b

eklijft (4 B’s).

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

7 De stap Willen

Wanneer een patiënt ervoor openstaat zijn probleem te onderzoeken en begrijpt wat er aan de hand is, komt de stap Willen in het vizier. In deze stap gaat het om de (gedrags)intentie van de patiënt: de bereidheid zijn probleem aan te pakken en bepaald gedrag uit te voeren. Zonder deze gedragsintentie is verandering niet mogelijk.

Volgens de theorie van beredeneerd gedrag bepalen drie factoren de gedragsintentie of de stap Willen: attitude (A), sociale invloed (S) en eigen effectiviteit (E). Attitude verwijst naar denkbeelden en verwachtingen over de ziekte en over de uitkomst van gedragsverandering. Een patiënt weegt de voor- en nadelen van zijn (gezondheids)gedrag tegen elkaar af. Sociale invloed geeft de steun of druk aan van mensen die voor de patiënt belangrijk zijn. De steun kan bestaan uit een gedeeld gedachtegoed, uit praktische of emotionele steun. Eigen effectiviteit is het vertrouwen in eigen kunnen. Die wordt vooral bepaald door ervaringen en door voorbeeldgedrag van relevante anderen. De A, S en E brengen samen de gedragsintentie (Willen) tot stand.

De therapeut peilt in hoeverre de patiënt bereid is zich in te zetten voor een oplossing, bereid is daarvoor bepaalde dingen te doen, anders te doen of te laten. Daartoe brengt de therapeut de factoren A, S en E in kaart tijdens de anamnese en behandelcontacten.

De therapeut richt zijn interventies op de relevante beïnvloedbare factoren bij deze patiënt. Paramedici kunnen de eigen effectiviteit van patiënten bevorderen, door de (bewegings)therapie zo op te bouwen dat deze (succes)ervaringen biedt. Daardoor neemt de eigen effectiviteit toe en wordt de stap Willen bevorderd.

Om de attitudeaspecten te beïnvloeden, bespreekt de therapeut de denkbeelden, risico-inschatting en voor- en nadelen van het huidige en beoogde gedrag, vergroot hij de twijfel over de voor- en nadelen, begeleidt hij de afweging van voor- en nadelen en bespreekt hij expliciet de uitkomst: wat wil de patiënt doen, waartoe is hij bereid?

Aan de sociale invloed kan de therapeut werken door te (helpen) verhelderen hoe en bij wie de patiënt steun kan vinden en door eventueel de familie informatie en ondersteuning te bieden.

Om de eigen effectiviteit van de patiënt te vergroten, biedt de therapeut (succes)ervaringen en benoemt daarbij de verdienste van de patiënt. Zo mogelijk maakt de therapeut gebruik van modeling (rolmodel, voorbeeldfunctie). Soms is het bespreken van negatieve gedachten nodig, bijvoorbeeld met behulp van de Rationeel Emotieve (gedrags)Therapie.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

8 De stap Kunnen

Tussen Willen en Doen staan praktische bezwaren. De stap Kunnen verwijst naar het vermogen een handeling of aanpak thuis uit te voeren in het leven van alledag. De stap Kunnen omvat vaardigheden en barrières. De vaardigheden reiken verder dan het ‘technisch’ uitvoeren van een oefening of handeling. Uitvoering van de vaardigheden vindt plaats in de stap Doen. In de stap Kunnen kijkt de therapeut met de patiënt vooruit naar de stap Doen.

Behalve om handelingsvaardigheden, gaat het ook om sociale vaardigheden en vaardigheden om te plannen en problemen op te lossen, om het gewenste gedrag uit te kunnen voeren. Overigens is bij veel handelingen ook de stap Begrijpen nodig. De patiënt moet weten wat er speelt, begrijpen waarom de handeling zo uitgevoerd moet worden en de situatie kunnen inschatten. Zo is bij het uitvoeren van bewegingen het kunnen interpreteren van lichamelijke signalen nodig. In de stap Kunnen worden de handelingsvaardigheden aangeleerd. Van daaruit vindt generalisatie plaats: het toepassen in andere situaties. Een patiënt kan problemen ervaren bij het uitvoeren van het gedrag: praktische problemen, problemen bij het inpassen in het dagelijks leven of in contact met anderen.

De therapeut vormt zich een beeld van de benodigde en aanwezige vaardigheden enerzijds en de belemmeringen die zich kunnen voordoen, anderzijds. In de stap Kunnen instrueert de therapeut de patiënt en faciliteert hij het toepassen van de vaardigheden. De therapeut zorgt voor oefeningen en afspraken op maat en voor feedback. Deze bieden de beste kans op succes en versterken zo het gevoel van eigen kunnen (eigen effectiviteit). Daarnaast is de therapeut alert op ongewenste interpretaties van signalen. Hij geeft dan aanvullende informatie waarmee de patiënt zijn interpretatie kan bijstellen.

De therapeut anticipeert op problemen in de uitvoering. Hij vraagt naar problemen die de patiënt verwacht, en bespreekt samen hoe die problemen zijn op te lossen. Speciale aandacht is gewenst voor het inpassen van oefeningen of nieuwe vaardigheden in het dagelijks leven. Help de patiënt om zelfmanagement toe te passen.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

9 De stap Doen

Wanneer de bereidheid en vaardigheden aanwezig zijn, komt het op de stap Doen aan. Deze stap omvat het thuis of elders uitvoeren van het beoogde gedrag. De stap heeft betrekking op de korte termijn van de behandelperiode.

Factoren die het daadwerkelijk uitvoeren van het gedrag beïnvloeden, zijn: doelen, afspraken, feedback en (oplossen van) problemen bij de uitvoering. De therapeut analyseert deze factoren wanneer hij samen met de patiënt evalueert hoe het sinds de vorige keer is gegaan en wanneer hij afspraken maakt.

Interventies om de stap Doen te ondersteunen, zijn: doelen stellen voor de korte termijn, afspraken op maat maken, expliciet navragen wat wel en niet gelukt is, positieve feedback geven en gezamenlijk zoeken naar oplossingen voor problemen die de patiënt heeft ondervonden. Zo nodig besteedt de therapeut opnieuw aandacht aan voorgaande stappen.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

10 De stap Blijven doen

Doen en Blijven doen gedurende de behandeling (compliance) vraagt al om aandacht en inzet – Blijven doen na afloop van de behandeling (adherence) nog meer. Vanaf het begin van de behandeling kan de therapeut toewerken naar de stap Blijven doen door factoren in de voorgaande stappen te beïnvloeden. In de loop van de behandeling kijken de therapeut en patiënt daarom ook al vooruit: wat kun je (blijven) doen om deze klachten te voorkomen of om met de resterende klachten om te gaan (zelfmanagement)?

Factoren die een rol spelen in de stap Blijven doen, zijn: positieve feedback, attributies, risicosituaties en omgaan met terugval, verankering in het dagelijks leven, zelfmanagement.

Positieve feedback versterkt het gedrag. Positieve feedback kan bestaan uit de behaalde winst (weer iets kunnen), complimenten van een ander of een andersoortige beloning. Complicerend is het gegeven dat de afname van klachten niet altijd een stimulans vormt. Wanneer iemand minder pijn voelt, staat hij er minder bij stil en voelt hij minder aanleiding om het beoogde gedrag vol te houden.

Ook attributies beïnvloeden het volhouden. Risicosituaties lokken het oude gedrag uit: terugval. Oude en nieuwe gewoontes spelen daarbij een rol.

Zelfmanagementtechnieken helpen om nieuw gedrag vol te houden. Daartoe behoren probleemoplossingsstrategieën, zichzelf belonen en steun realiseren van de omgeving. Die omgeving moet dat dan wel kunnen volhouden en zo nodig ook steun krijgen. Een follow-up bevordert het volhouden van het nieuwe gedrag.

Tijdens de gehele behandeling werkt de therapeut toe naar Blijven doen. Blijven doen gaat met vallen en opstaan, en steeds evalueren of voorgaande stappen opnieuw aandacht behoeven. De patiënt neemt daarbij in toenemende mate de verantwoordelijkheid voor keuzes, doelen en afspraken. De therapeut bereidt de patiënt erop voor dat hij kan terugvallen en hoe hij daarmee kan omgaan.

De therapeut past zijn rol als bron van positieve feedback aan, de patiënt zoekt meer naar eigen manieren om vooruitgang te zien en zichzelf te belonen. De therapeut anticipeert op terugval en spoort samen met de patiënt risicosituaties op. Samen bespreken ze hoe de patiënt die kan aanpakken en hoe hij met terugval kan omgaan.

De therapeut helpt de patiënt zijn nieuwe gedrag in te bouwen in zijn leven en een gewoonte te laten worden. Hij werkt daarbij volgens de principes van zelfmanagement. Zo mogelijk maakt de therapeut een follow-upafspraak.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

11 Begeleiden naar zelfmanagement

Een chronische ziekte heeft een grote invloed op de kwaliteit van leven. Een chronische ziekte heeft gevolgen voor allerlei levensterreinen. Een chronische ziekte stelt iemand voor medische taken, participatietaken en emotietaken. De chronisch zieke moet zich aanpassen aan de telkens weer veranderende situatie en elke dag kleine en grote beslissingen nemen. Dat betekent dat hij inzicht moet hebben in zijn gezondheidssituatie, beslissingen moet nemen en daarnaar moet handelen. De chronisch zieke is, steeds opnieuw, op zijn eigen manier, bezig met beslissingen nemen over doelen en prioriteiten. Dit proces wordt aangeduid met het begrip zelfmanagement.

Zelfmanagement duidt de taken aan die een individu moet ondernemen om zijn leven te leiden met een of meer chronische aandoeningen. Tot deze taken hoort ook het ontwikkelen van zelfvertrouwen in het omgaan met de medische taken, met veranderende of nieuwe rollen en met emoties. Een essentieel onderdeel van zelfmanagement is het oplossen van problemen.

Zelfmanagement leren en uitvoeren vraagt een samenwerkingsrelatie met de zorgverlener(s). Partnerschap en

shared decisionmaking

zijn de termen die daarvoor in de literatuur worden gebruikt. Een dergelijke relatie komt niet vanzelf tot stand. Zowel de patiënt als de zorgverlener voelt zich soms onmachtig om de taal en de wereld van de ander te begrijpen. De patiënt kan zich daardoor niet begrepen voelen.

Omdat chronisch zieken vaak met meerdere gezondheidsproblemen en meerdere zorgverleners te maken hebben, is een multidisciplinaire aanpak van zelfmanagement van belang. Steeds vaker maken educatie en zelfmanagement deel uit van de richtlijnen van beroepsgroepen, multidisciplinaire richtlijnen en ketenzorgrichtlijnen.

Ondersteuning van zelfmanagement kan deel uitmaken van een paramedische behandeling. Vaak is echter een multidisciplinaire aanpak nodig. Zelfmanagement kan zijn opgenomen in een educatieprogramma of beweegprogramma. Ook bestaan er zelfmanagementprogramma’s voor bijvoorbeeld mensen met diabetes, hartfalen en COPD, en niet-ziektespecifieke zelfmanagementprogramma’s voor ‘gemengde’ groepen van chronisch zieken. Van het Amerikaanse

Chronic Disease Self Management Program

is de effectiviteit bewezen. Van enkele Nederlandse programma’s is de effectiviteit niet aangetoond, al zijn er wel aanwijzingen voor een verbeterd welbevinden en een groter zelfvertrouwen.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

12 Voorlichting als multidisciplinaire taak

Een patiënt krijgt vaak informatie van verschillende hulpverleners en daarnaast uit andere bronnen. Daardoor kunnen gemakkelijk tegenstrijdigheden, leemtes of (onnodige) herhalingen optreden. Afstemming is daarom belangrijk. Soms kan de patiënt zelf zorgen voor afstemming.

Geschikte middelen om de informatie af te stemmen, zijn overleg tussen de hulpverleners onderling en het dossier van de patiënt, maar dat is vaak niet voldoende. Afspraken tussen hulpverleners, vastgelegd in een protocol, dragen bij aan een goede afstemming. Zo bestaan er lokale/regionale protocollen, waarin de afspraken naar inhoud, discipline en moment van voorlichting zijn beschreven.

Patiëntenorganisaties bieden veel informatie en de mogelijkheid tot (h)erkenning. Ze kunnen daardoor veel betekenen voor een patiënt. Hulpverleners en patiëntenorganisaties kunnen bij voorlichtingsactiviteiten gebruikmaken van ieders specifieke deskundigheid.

M Van Der Burgt, F. Verhulst

13 Voorlichtingsmateriaal

Voorlichtingsmateriaal is een hulpmiddel in de communicatie. Het materiaal moet passen bij de patiënt en het doel van de communicatie. Voorlichtingsmateriaal kan een of enkele stappen van de stappenreeks ondersteunen. Folders zijn meestal gericht op de stap Begrijpen. Interactieve materialen bieden meer mogelijkheden om de stap Willen en daarop volgende stappen te ondersteunen.

Ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal is vakwerk voor communicatie- en vormgevingsdeskundigen. De inhoud baseren zij op informatie van inhoudelijk deskundigen. Er bestaan checklists om de kwaliteit en bruikbaarheid van materiaal voor de praktijk te beoordelen.

Marieke van der Burgt, Frank Verhulst

Nawerk

Meer informatie