Skip to main content
main-content

Inhoudsopgave

Voorwerk

Hoofdstuk 1 Algemene problemen

Het totale lichaamswater bedraagt ongeveer 60% van het lichaamsgewicht. Bij vrouwen is dit iets lager dan bij mannen, terwijl kinderen gedurende het eerste levensjaar een hoger lichaamswatergehalte hebben (65-75%). Bij het ouder worden neemt het totale lichaamswater af en daalt tot 45-50% boven de zestig jaar. Bij een jonge man van 70kg bedraagt het totale lichaamswater 42 liter (60%), waarvan 60% (25 liter) intracellulair is en 40% extracellulair (17 liter).

W.D. Reitsma, J.B.L. Hoekstra

Hoofdstuk 2 Het cardiovasculaire systeem

Angina pectoris is een onaangenaam gevoel op de borst dat wordt veroorzaakt door een tijdelijk (relatief) zuurstoftekort van het myocard. Dikwijls is daarbij sprake van een of meer vernauwingen in de kransvaten. Bij angina pectoris bestaat er een discrepantie tussen zuurstofbehoefte en -aanbod, maar bij een dergelijke discrepantie hoeft niet altijd angina pectoris te bestaan; men spreekt dan van stille ischemie. Angina pectoris kan worden onderverdeeld in stabiele of klassieke angina pectoris, variant angina pectoris en instabiele angina pectoris (dreigend infarct). De verschillen in oorzaken, anamnese, reacties op nitroglycerine, beloop en verschijnselen op het elektrocardiogram (

ecg

) zijn weergegeven in tabel 2.1.

J.P.M. Hamer

Hoofdstuk 3 Afwijkingen van het respiratoire systeem

Onder dyspnoe wordt gewoonlijk verstaan de subjectieve beleving van een bemoeilijkte ademhaling. Dit ontstaat als er sprake is van een excessieve stimulatie van de respiratoire motoneuronen, vooral als deze toegenomen activiteit niet leidt tot een adequate toename van de ventilatie. Men spreekt van orthopnoe indien de kortademigheid toeneemt in liggende houding en van platypnoe indien deze in staande houding toeneemt.

F.W.J.M. Smeenk, C.A.F. Jansveld

Hoofdstuk 4 Shock

Shock is een symptomencomplex veroorzaakt door een inadequate weefsel-perfusie. Hierdoor ontstaat een anaëroob metabolisme en neemt de productie van lactaat toe. De algemene klinische kenmerken van shock zijn dan ook terug te voeren op deze inadequate weefselperfusie:

J.G. van der Hoeven

Hoofdstuk 5 Hypertensie

Verhoogde bloeddruk gaat gepaard met een afgenomen levensverwachting en een toegenomen incidentie van cerebrovasculaire, cardiovasculaire en renale complicaties. Het is niet goed mogelijk een grenswaarde van normale bloeddruk aan te geven. Al boven een systolische bloeddruk (

sbp

) van 115 mmHg en een diastolische bloeddruk (

dbp

) van > 75 mmHg neemt het risico van cerebrovasculaire complicaties en ischemische hartziekte toe. Iedere verhoging van 20 mmHg systolisch /10 mmHg diastolisch verdubbelt het risico. Een bloeddruk van systolisch < 120 mmHg en diastolisch < 80 mmHg wordt als normaal beschouwd en bij een bloeddruk van ≥ 140/90 mmHg spreekt men van hypertensie. De waarden daartussen worden volgens de Amerikaanse indeling prehypertensie genoemd omdat in de groep mensen met deze waarden een verhoogd risico bestaat op het ontwikkelen van hypertensie. Volgens de Europese indeling wordt een bloeddruk van 120-129 systolisch en 80-84 mmHg diastolisch nog als normaal beschouwd en wordt een bloeddruk van 130-139/85-89 mmHg geduid als hoog normaal. Daarnaast wordt nog een aparte categorie onderscheiden: geïsoleerde systolische hypertensie: bloeddruk systolisch ≥ 140 en diastolisch < 90 mmHg.

W.D. Reitsma

Hoofdstuk 6 Aandoeningen van de nieren

Nieren kunnen pijnlijk zijn, spontaan of bij palpatie. Bekend is de koliekpijn bij obstructie, die een gevolg is van rek van het nierkapsel, het nierbekken en/of de ureter. De term ‘renale koliek’ is eigenlijk onjuist: acute obstructie veroorzaakt een

constante

, steeds erger wordende lendenpijn, met uitstraling naar lies, testis of labium. De patiënt kan misselijk zijn en de pijn kan gepaard gaan met braken. Er bestaat een verband tussen de snelheid waarmee de rek optreedt en de ernst van de (koliek)pijn. Plotseling optredende obstructie van de ureter, bijvoorbeeld door een steen, veroorzaakt veel meer klachten dan een zich geleidelijk ontwikkelende hydronefrose door, bijvoorbeeld, prostaathypertrofie. In het laatste geval is er vaak helemaal geen pijn, of alleen maar een doffe pijn in de lendenen na waterbelasting of na het gebruik van een diureticum.

A.J.M. Donker, R.M. Valentijn

Hoofdstuk 7 Afwijkingen van de koolhydraat- en vetstofwisseling

De prevalentie van diabetes mellitus bedraagt 2-4% in welvarende westerse landen en 1-2% in ontwikkelingslanden. Bij diabetes worden twee hoofdtypen onderscheiden: diabetes mellitus type 1 en type 2.

W.D. Reitsma, J.W.F. Elte

Hoofdstuk 8 Endocrinologie

De schildklierfunctie wordt gereguleerd vanuit de hypofyse (

tsh

) en de hypothalamus (

trh

) via een terugkoppelingsysteem, zoals dat bij de meeste endocriene organen gebeurt. Thyroxine (

t

4

) en trijodothyronine (T

3

) zijn de enige jodothyroninen met een biologische activiteit. Het is waarschijnlijk dat T

4

zijn biologische effect voornamelijk, zo niet geheel, uitoefent door perifere conversie tot T

3

. In het serum is meer dan 99,5% van het circulerende schildklierhormoon aan eiwit gebonden. Het biologische effect is afhankelijk van de vrije fractie. Per individu is de serumconcentratie van T

4

en T

3

vrij constant. Het perifere T

3

is voor 75% afkomstig van T

4

. Referentiewaarden worden gegeven in tabel 8.1.

J.W.F. Elte, A.C. Kruseman

Hoofdstuk 9 Maag-darm- en leverziekten

Ziekten van het maag-darmkanaal veroorzaken klachten op alle leeftijden. In dit hoofdstuk worden de meest frequent voorkomende klachten en verschijnselen die samenhangen met de tractus digestivus besproken.

Ch.J.J. Mulder, D Overbosch

Hoofdstuk 10 Hematologische aandoeningen

Een stoornis in de aanmaak van erytrocyten manifesteert zich als bloedarmoede of anemie. Dit houdt in dat de hemoglobineconcentratie in het perifere bloed lager is dan de referentiewaarden die voor leeftijd en geslacht gelden. In de praktijk betekent dit dat bij mannen het hemoglobinegehalte lager is dan 8,0 mmol/l en bij vrouwen lager is dan 7,0 mmol/l (zie tabel 10.1).

J.G. Pegels

Hoofdstuk 11 Hemostase en trombose

De oorzaken van een bloedingsneiging kunnen worden verdeeld in de volgende hoofdgroepen:

afwijkingen in stollingsfactoren;

afwijkingen in bloedplaatjes;

afwijkingen in de vaatwand;

combinaties van deze drie zoals bij diffuse intravasale stolling.

V.E.A. Gerdes, H.R. Büller

Hoofdstuk 12 Gemetastaseerde maligniteit bij onbekende primaire tumor

Bij ongeveer 2-4% van alle patiënten met een maligniteit worden wel metastasen gevonden maar geen primaire tumor. Soms is dit de klinische presentatie van een lymfoom, sarcoom of melanoom, maar bij de overgrote meerderheid van de patiënten betreft het een carcinoom. Er is per definitie sprake van een onbekende primaire tumor of ‘unknown primary’ wanneer aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:

P.H.Th.J. Slee, H.F.P. Hillen

Hoofdstuk 13 Infectieziekten

Koorts is het meest kenmerkende verschijnsel van infectieziekten en neemt dan ook een belangrijke plaats in bij de differentiële diagnostiek van infectieziekten. In dit hoofdstuk zal in het algemeen worden uitgegaan van aandoeningen met koorts. Daarbij komen aan de orde de pathofysiologie van koorts, koortstypen, febris e.c.i., koorts bij klepgebreken en koorts bij patiënten met het verworven immunodeficiëntiesyndroom.

J.W.M. van der Meer, P. Reiss, D. Overbosch

Hoofdstuk 14 Importziekten

Importziekten komen voor bij reizigers en migranten die terugkeren van een verblijf in de tropen. Ze zijn een afspiegeling van het ziektepatroon in het land van herkomst en men moet dus rekening houden met ziekten die in Nederland onbekend of vrijwel uitgebannen zijn. Het is van belang de omstandigheden waarin mogelijk een besmetting plaatsvond zo nauwkeurig mogelijk te noteren, daar deze behulpzaam kunnen zijn bij het onderzoek van de patiënt.

D. Overbosch, B. Naafs

Hoofdstuk 15 Ziekten die gepaard gaan met gewrichtsklachten en vaatafwijkingen

Artralgieën kunnen uitingen zijn van inflammatoire, metabole en degeneratieve gewrichtsziekten, mechanische of traumatische gewrichtsaandoeningen, tumoren, aangeboren of verworven houdingsanomalieën, periarticulaire gewrichtsaandoeningen of aandoeningen waarbij psychogene factoren een belangrijke rol spelen. Door een zorgvuldig afgenomen anamnese en lichamelijk onderzoek is het vaak mogelijk te bepalen in welke categorie de klacht hoort.

F.C. Breedveld

Hoofdstuk 16 Huidverschijnselen

Erythemateuze huidaandoeningen worden gekenmerkt door roodheid van de huid en/of slijmvliezen die berust op vaatverwijding. Een belangrijk kenmerk van een erytheem is dan ook dat de huid verbleekt wanneer de vaatjes met een voorwerpglaasje of vergrootglas (diascopie) worden dichtgedrukt. Erytheem is in principe vluchtig. Erythemen die langer blijven bestaan (erythema perstans) berusten vaak niet meer alleen op hyperemie, maar ook op een vorm van vasculitis, waarbij veelal sprake is van erytrocytenextravasatie. In dat laatste geval bevat het erytheem een purpuracomponent en is de roodheid niet meer wegdrukbaar.

J.J.E. van Everdingen, W. van Reesema

Hoofdstuk 17 Diagnostische overwegingen in de oogheelkunde

Er zijn veel raakvlakken tussen de oogheelkunde en de interne geneeskunde. Het is dan ook niet mogelijk om in dit hoofdstuk in te gaan op alle oogheelkundige aandoeningen die een relatie hebben met ziekten, die behoren tot het vakgebied van de interne geneeskunde. Gekozen is voor een selectie van veelvoorkomende aandoeningen waarbij het oordeel van een internist gevraagd zal worden.

G.S. Baarsma

Hoofdstuk 18 Neurologische afwijkingen

Stoornissen van het zenuwstelsel leiden behalve tot klachten meestal ook tot objectiveerbare functiestoornissen. Anamnese, heteroanamnese en lichamelijk onderzoek kunnen in de meeste gevallen de aard en locatie van de functiestoornis aan het licht brengen. Aanvullend hulponderzoek speelt vaak een bevestigende rol. In de differentiële diagnostiek in de neurologie worden vier duidelijk te onderscheiden integratieniveaus onderkend:

R.A.C. Roos

Hoofdstuk 19 De differentiële diagnose van chronische vermoeidheid

Moeheidklachten vormen een belangrijk medisch en maatschappelijk probleem. Voor de patiënt betekent deze klacht in het algemeen dat de kwaliteit van leven vermindert, zeker wanneer er beperkingen in het dagelijks leven zijn. Bij de huisarts is moeheid een veelgehoorde klacht. Zoals blijkt uit de Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartsenpraktijk lijkt er een toename van vermoeidheidsklachten in Nederland te zijn. Vaak verdwijnen de klachten van vermoeidheid spontaan, maar in ongeveer 10% van de gevallen persisteren de vermoeidheidsklachten een half jaar of langer. Bij de internist wordt de klacht moeheid vaak geuit in de context van andere chronische aandoeningen.

G.K.H. The, G. Bleijenberg, J.W.M. van der Meer

Nawerk

Meer informatie