Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Jongeren met een borderline persoonlijkheidsstoornis of trekken ervan voelen zich vaak wanhopig, onbegrepen en niet in staat een leven op te bouwen dat ze als de moeite waard ervaren. Dit leidt tot constante emotionele ontregeling: woedeaanvallen, grote wanhoop, een negatief zelfbeeld, zelfbeschadiging of doodswensen, middelenmisbruik of ander impulsief gedrag en grote interpersoonlijke problemen. Hun risicovolle gedrag maakt hun omgeving, maar ook de betrokken hulpverleners, regelmatig machteloos. Zelf hebben ze vaak het gevoel nooit meer uit deze negatieve spiraal te kunnen komen.

Wat weten we over borderline bij jongeren en mogen we die diagnose eigenlijk wel stellen op deze leeftijd? En zo ja, hoe doe je dat dan verantwoord? Maar vooral ook: welke behandeling is mogelijk voor deze jongeren? Hoe houden we hen gemotiveerd voor behandeling?

Dit boek is een praktische gids voor wie de DGT-behandeling bij jongeren (12-21 jaar) wil toepassen. Met heldere voorbeelden worden principes en technieken belicht die in de behandeling voor borderline toe te passen zijn. Hoe ouders bij de behandeling kunnen worden betrokken, krijgt hierbij ook aandacht. In dit boek wordt sessie voor sessie de DGT-J-Vaardigheidstraining beschreven, waarbij veel suggesties voor rollenspelen en verwerkingsvormen worden aangeboden.

Jongeren kunnen in de DGT-J-Vaardigheidstraining aan de slag met het bijbehorende werkboek Surfen op emoties.

Dit protocol verschijnt in de 'Kind en Adolescent Praktijkreeks'. Een reeks met heldere en gefundeerde informatie over stoornissen en behandelmethoden voor kinder- en jeugdpsychologen, orthopedagogen, kinder- en jeugdpsychiaters en andere hulpverleners. In iedere uitgave komt een behandelmethode aan de orde.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Theorie dialectische gedragstherapie voor jongeren met een borderlinestoornis en andere emotieregulatiestoornissen

Voorwerk

Inleiding

Abstract
Tot voor kort werd de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis bij adolescenten niet gesteld. Nog steeds zijn veel hulpverleners in het veld van de GGZ huiverig om bij adolescenten van borderline te spreken. Dat wil echter niet zeggen dat de problematiek niet voorkomt. Jongeren met een combinatie van hevige, wisselende emoties, wanhoop en suïcidaal gedrag, grote problemen in relaties en een negatief zelfbeeld vormen al jaren een moeilijke groep cliënten in de GGZ en de Jeugdzorg, waarbij men al snel met de handen in het haar zit. Het begint al met de diagnose: mogen we het wel een borderlinestoornis noemen, of kunnen we beter spreken van een depressie of dysthymie, een explosieve stoornis, of misschien een oppositionele stoornis? Onder al deze benamingen komt men deze jongeren tegen. Als er al geen eenduidigheid in de diagnosestelling is, is het vervolgens nog veel moeilijker om een goed behandelaanbod voor hen te ontwikkelen. Laat staan dit behandelaanbod op zijn effectiviteit te onderzoeken. Zo belandden en strandden deze jongeren in depressiebehandelingen (die grotendeels ontworpen zijn voor jongeren zonder impulsief suïcidaal gedrag), behandelingen voor gedragsstoornissen, of in gesloten justitiële instellingen (waar de gedragsmatige aanpak hen niet leert hun emoties te herkennen of te valideren) en hebben ze vaak op jonge leeftijd al een hele reeks aan weinig succesvolle behandelingen achter de rug. Het is dan ook een lastig te behandelen groep jongeren: de heftige emoties, de suïcidale dreiging en de heftigheid van de therapeutische relatie doen menig hulpverlener afbranden of liever doorverwijzen. Het drop-outpercentage bij therapie ligt meestal rond een schrikbarende zestig procent. Pas de afgelopen paar jaren zijn de eerste behandelingen voor adolescenten met een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) ontwikkeld, waarbij het meestal aanpassingen van voor volwassenen effectief gebleken BPS-behandelingen betreft. Voorzichtig begint er wat onderzoek te komen naar deze behandelvormen. De behandeling van BPS bij adolescenten is dus een vakgebied in ontwikkeling.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

1. Persoonlijkheidsstoornissen en suïcidaal gedrag

Abstract
Oorspronkelijk is het woord ‘persoonlijkheid‘ afgeleid van het Griekse ‘persona’, dat masker betekent. In eerste instantie werd een persoonlijkheid vooral gedefinieerd als een niet werkelijk bestaande buitenkant (Andrea & Verheul, 2009). Momenteel wordt het begrip persoonlijkheid gedefinieerd als het unieke patroon van iemands fysieke, emotionele, sociale, intellectuele en gedragsmatige kenmerken dat hem of haar onderscheidt van anderen. De persoonlijkheid van een mens ontwikkelt zich gedurende diens hele leven. Het ontstaan van de persoonlijkheid wordt veelal beschreven op grond van een bio-psycho-sociaal model, en de persoonlijkheid ontwikkelt zich in een voortdurende interactie van genetische factoren en omgevingsinvloeden.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

2. Diagnostiek van borderline persoonlijkheidsstoornis en suïcidaal gedrag

Abstract
Een persoonlijkheidsstoornis bij adolescenten is nogal eens moeilijk te herkennen (Chanen e.a., 2007). Er treedt veel comorbiditeit op, zowel met as-I- als met as-IIstoornissen. Vaak zal de diagnostiek naar persoonlijkheidsproblematiek daarom plaatsvinden na eerdere, niet voldoende geslaagde (as-I-)behandelingen. Dit heeft helaas nogal eens de consequentie dat de jongere argwaan is gaan koesteren tegen hulpverleners en dat de jongere en diens ouders weinig gemotiveerd zijn om zich weer in te zetten voor een onderzoek en eventuele behandeling die daarop kan volgen. Het proces van de diagnostiek van persoonlijkheidspathologie bij adolescenten is daarom lastig. Daarnaast hebben de adolescenten zelf soms geen hulpvraag, worden zij geregeld gestuurd door anderen, kunnen zij afdwingen dat er geen contact mag zijn met de omgeving, en zijn zij, door allerlei eerdere negatieve ervaringen, vaak allergisch voor autoriteiten. Als het echter lukt om een adolescent nieuwsgierig te krijgen naar zichzelf en naarmeer inzicht in de problemen e´n de eigen mogelijkheden (bijvoorbeeld door een IQ-onderzoek te doen en daardoor school weer in beeld te brengen) komt dit de onderlinge samenwerking tijdens het diagnostiekproces zeer ten goede. Hierdoor kan er bij de jongere en diens ouders een realistischer beeld van de problematiek en de hulpverlening ontstaan. Het onderzoek kan bijdragen tot het verkrijgen van een nieuw eigen verhaal over zichzelf en tot het exploreren van de dilemma’s van nu, wat kan helpen om zelf gemotiveerd te raken en bijvoorbeeld een eigen hulpvraag te formuleren.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

3. uitgangspunten en behandeling

Abstract
De dialectische gedragstherapie is ontwikkeld door Marsha Linehan (1996, 2002). Zij startte in de jaren zeventig van de vorige eeuw met een toepassing van standaard cognitieve gedragstherapie om chronisch suïcidale, zichzelf beschadigende volwassenen met een borderline persoonlijkheidsstoornis te behandelen. De basisaanname was dat deze mensen niet dood wilden, maar dat het hun aan vaardigheden ontbrak om een waardevol leven op te bouwen. De therapieën verliepen moeizaam. Het bleek dat de cliënten in de therapie de boodschap bevestigd zagen die ze vaak al hun hele leven van hun omgeving te horen kregen: je doet het fout! De ene keer leidde dit tot boosheid om zo veel onbegrip, de andere keer versterkte het bij de cliënten vooral hun zelfkritiek. Linksom of rechtsom: het resultaat was hoog oplopende spanningen, waardoor de therapie weinig effectief was: geringe therapietrouw en door de torenhoge spanning werd nieuwe informatie moeilijk verwerkt (Robins, Schmidt, & Linehan, 2004). Juist bij deze populatie bleek het kenbaar maken van acceptatie een noodzaak: acceptatie van de cliënt, haar gevoelens, gedachten en gedrag. Enkel acceptatie zou echter voorbijgaan aan het gebrek aan vaardigheden bij de cliënt om een waardevol eigen leven op te bouwen. Naast acceptatie en erkenning bleven daarom interventies gericht op verandering noodzakelijk.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

4. DGT-J: specifieke aanpassingen

Abstract
Wil men een DGT-behandeling uitvoeren bij adolescenten, dan zijn op een aantal terreinen aanpassingen nodig ten opzichte van de DGT voor volwassenen. Adolescenten verschillen qua cognitieve, emotionele en sociale leefwereld van volwassenen. Een therapeut die is opgeleid in het kinder- en jeugdveld houdt vaak al vanzelf rekening met het ontwikkelingsniveau van de jongere en is gewend oog te hebben voor de emotionele en sociale belevingswereld en de gezinsomgeving van de jongere. Adolescenten zijn volop in ontwikkeling: de wereld van een dertienjarige ligt mijlenver af van de wereld van een achttienjarige. DGT bij adolescenten is dus maatwerk: bij iedere jongere moet weer opnieuw een inschatting worden gemaakt van het cognitieve, emotionele en sociale niveau en van de systeemdynamiek, om de uitvoering van de DGT daaraan aan te passen. Ook in de vaardigheidstraining voor jongeren zijn daarom aanpassingen in het protocol doorgevoerd: soms inhoudelijke aanpassingen, met name aanpassingen qua stijl, uitleg en verwerkingsvormen.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

5. DGT-J-Vaardigheidstraining: inhoud, opbouw en richtlijnen

Abstract
De DGT-J-Vaardigheidstraining bestaat uit vier modules. Hieronder wordt de opbouw en het doel van de modules beschreven.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

Trainershandleiding voor Surfen op emoties – Werkboek dialectische gedragstherapie voor jongeren met een borderlinestoornis en andere emotieregulatiestoornissen

Voorwerk

6. Module 1 Aandachtsvaardigheden

Abstract
Begin de sessie met een aandachtsoefening uit bijlage 5.
Suggestie: Rekenoefeningen: Hardop tellen.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

7. Module 2 Omgaan met emoties

Abstract
Begin de sessie met een aandachtsoefening uit bijlage 5.
Suggestie: Tekenoefeningen: Gezicht tekenen met je ogen dicht.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

8. Herhalingssessie Aandachtsvaardigheden

Abstract
Begin de sessie met een aandachtsoefening uit bijlage 5.
Suggestie: Participatieoefening: overgooien met twee ballen waarbij je voordat je overgooit iemands naam noemt (bij het instromen van nieuwe deelnemers worden zo de namen geoefend).
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

9. Module 3 Crisisvaardigheden

Abstract
Begin de sessie met een aandachtsoefening uit bijlage 5.
Suggestie: Ademhalingsoefeningen: Je ademhaling en gevoelens observeren.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

10. Herhalingssessie Aandachtsvaardigheden

Abstract
Begin de sessie met een aandachtsoefening uit bijlage 5.
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

11. Module 4 Omgaan met relaties

Abstract
Begin de sessie met een aandachtsoefening uit bijlage 5.
Suggestie: Observatieoefening: Welke deuren ben ik doorgekomen?
Rosanne de Bruin, Agaath Koudstaal, Nicole Muller

Nawerk

Meer informatie