Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Doel van de testHet Communicatieve Intentie Onderzoek wordt gebruikt voor diagnostiek van bij jonge kinderen die niet of nauwelijks spreken. Het CIO brengt de communicatieve intentie van de kinderen in kaart. Met het onderzoek observeert men de preverbale en vroeg-verbale ontwikkeling in spelsituaties (in een weinig belastende onderzoekconditie) met een van de ouders en met de onderzoeker.
Toepassing• Individuele diagnostiek: differentiaaldiagnostiek in vroege communicatieve fase; ondersteuning van aanvraag van leerlinggebonden financiering; ondersteuning van doorverwijzing naar het speciaal onderwijs (cluster-2); of wetenschappelijk onderzoek.• Evaluatie: meten van het spontane ontwikkelingsverloop en van het effect van gegeven therapie.
Wat meet het CIO?Het CIO onderzoekt de kwaliteit en het niveau van de ontwikkeling van de communicatieve intentie van jonge kinderen.
Voor wie?Het CIO wordt afgenomen door diagnostisch bevoegde professionals, logopedisten en klinisch linguïsten.
Afname en scoringHet CIO wordt individueel afgenomen. De duur van de afname is ca. 40 minuten observatiesituatie en 20 minuten uitwerking van de observatiegegevens.
NormenDe test is genormeerd op basis van een representatieve landelijke steekproef jonge kinderen.
Materialen• Complete Set (testmateriaal, handleiding en scoreformulieren)• Scoreformulieren (set van 25)• Handleiding• E-learning: online training in het afnemen, scoren en interpreteren van het CIO

Inhoudsopgave

Voorwerk

Theoretische en psychometrische verantwoording

Voorwerk

1. Achtergrond en doel van het CIO

Samenvatting
Bij kinderen die niet of nauwelijks spreken moet het onderzoek naar hun communicatieve mogelijkheden zich richten op de factoren die in de vroege preverbale en eerste verbale fase van belang zijn en die in de interactie tussen kind en dagelijkse communicatiepartner een rol spelen.
S.J van der Meulen, C.F Slofstra-Bremer, H.C Lutje Spelberg

2. Operationalisering van subschalen en keuze van de items

Samenvatting
Nadat in het vorige hoofdstuk de uitgangspunten voor het ontstaan van het CIO zijn besproken, wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de afzonderlijke subschalen en de itemkeuze daarin. In het CIO zijn aspecten van gedrag samengebracht die alle van belang worden geacht voor de ontwikkeling van de communicatieve intentie en de taalontwikkeling van het kind. Aspecten van gedrag van een van de ouders of dagelijkse verzorgers horen daarbij en daarom is aan het CIO een afzonderlijke observatielijst Ouderlijke Ondersteuning (OO) toegevoegd.
S.J van der Meulen, C.F Slofstra-Bremer, H.C Lutje Spelberg

3. Verschijningswijze van communicatieve intentie bij kinderen met verschillende ontwikkelingsproblemen

Samenvatting
Het CIO richt zich op de onderkenning van taalontwikkelingsproblemen. Hoe zijn kinderen vroegtijdig en deskundig te onderscheiden? Kinderen met een verdenking op een probleem in spraak en taal presenteren zich heel divers. Het is niet direct duidelijk wat er aan de hand is. Bij de constructie van het CIO is daarom niet alleen uitgegaan van verschijnselen die in het verloop van de normale ontwikkeling thuishoren. Er zijn ook items opgenomen die kunnen wijzen op vormen van pathologische ontwikkeling.
S.J van der Meulen, C.F Slofstra-Bremer, H.C Lutje Spelberg

4. Instrumentele utiliteit

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt het onderzoek besproken dat is uitgevoerd ten behoeve van de normering, de betrouwbaarheidsbepaling en de validiteit van het CIO. In 4.1 wordt het scoresysteem besproken, als basis voor de rest van het hoofdstuk. De normering komt in 4.2 aan de orde. De paragrafen 4.3 en 4.4 behandelen respectievelijk de onderwerpen betrouwbaarheid en validiteit.
S.J van der Meulen, C.F Slofstra-Bremer, H.C Lutje Spelberg

Het CIO in de praktijk

Voorwerk

5. Doel en inhoud

Samenvatting
In hoofdstuk 5 t/m 8 – het tweede, praktische deel van de handleiding – wordt de onderzoeker ondersteund bij het gebruik van het Communicatieve Intentie Onderzoek in de praktijk. Het instrument is ontwikkeld voor diagnostiek bij jonge kinderen met èèn verdenking op een afwijkende communicatieontwikkeling. Het kan ook een rol spelen bij vroege detectie of bij de monitoring van de ontwikkeling. Vanuit gegevens van het College van Zorgverzekeringen zou bij een tot negen procent van de kinderen tot zeven jaar een spraak- en/of taalprobleem voorkomen (College van Zorgverzekeringen, 2005). De meeste van deze kinderen worden voor onderzoek en behandeling gezien door logopedisten. Hier ligt voor logopedisten een belangrijke taak.
S.J van der Meulen, C.F Slofstra-Bremer, H.C Lutje Spelberg

6. Afnameprocedure

Samenvatting
Het is van belang dat de onderzoeker zich voorbereidt op een afname van het CIO. De onderzoeker moet het materiaal bekeken hebben en weten welk materiaal in welke zak aanwezig is. Vooral de volgorde van de afname bij Set III is van wezenlijk belang. Het is ook noodzakelijk het scoreformulier van tevoren door te nemen. Bij het CIO is dat bij uitstek nodig, vanwege het accent dat op observatie ligt. Wat er geobserveerd moet worden en waar de items staan, moet dus bekend zijn.
S.J van der Meulen, C.F Slofstra-Bremer, H.C Lutje Spelberg

7. Scoring

Samenvatting
De betrouwbaarheid van de scoring is beter wanneer de gebruiker de richtlijnen voor het scoren kent en opvolgt. Alleen dan kunnen de ruwe scores verantwoord worden omgezet in standaardscores. Dit hoofdstuk handelt over de vraag wanneer een gedraging als aanwezig of afwezig moet worden beoordeeld. De algemene regel is: als het gedrag tijdens de uitvoering van het CIO is gezien, wordt er ‘ja’ gescoord en dat betekent dat het gedrag tot het repertoire van het kind behoort (ook al wordt het misschien niet geheel beheerst).
S.J van der Meulen, C.F Slofstra-Bremer, H.C Lutje Spelberg

8. Casuïstiek. Praktische voorbeelden van het werken met het CIO

Samenvatting
Het CIO is bedoeld voor het in kaart brengen van de vroege communicatieontwikkeling. Het interpreteren van de bevindingen van het CIO kan alleen aan de hand van het totaalbeeld van het kind. De interpretatie zal daarom in veel gevallen in multidisciplinair verband plaatsvinden. De werkwijze met het CIO is mede afhankelijk van de setting waarin de logopedist werkt en van de vraagstelling in het diagnostisch proces waarop een antwoord wordt gezocht. Het CIO kan op verschillende manieren een rol vervullen in de diagnostiek; in dit hoofdstuk worden voorbeelden gegeven uit de praktijk. Op basis van het CIO en in samenhang met overige onderzoeksgegevens (dossierinformatie en onderzoeken door andere disciplines) kan een plan voor verdere diagnostiek en interventie worden opgesteld. Herhaalde afname van het CIO kan vervolgens aangeven of de ontwikkeling op gang begint te komen en in welke deelaspecten precies.
S.J van der Meulen, C.F Slofstra-Bremer, H.C Lutje Spelberg

Nawerk

Meer informatie