Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Chronisch depressieve cliënten zitten verstrikt in een globale manier van denken – dat zij tekort schieten, niets van anderen te verwachten hebben en dat hun situatie er een is van een uitzichtloze herhaling van teleurstellingen. Om het sociaal-emotionele isolement en de daarmee gepaard gaande depressie te doorbreken stelt CBASP, een behandelmethode die speciaal is ontwikkeld voor chronische depressie, de relatie tussen therapeut en cliënt centraal.

De therapeut helpt, met behulp van de CBASP, de cliënt specifieke situaties te analyseren en cognities en gedrag te ontrafelen en bij te stellen. Daarnaast benoemt de therapeut expliciet hoe het gedrag van de cliënt op hem overkomt. De band tussen therapeut en cliënt wordt gebruikt om bestaande interactiepatronen te illustreren en de cliënt bewust te maken van zijn impact op anderen. Tegelijkertijd doet de cliënt zo nieuwe ervaringen op die hij kan inzetten om ook buiten de therapie andere interacties aan te gaan.

Cognitive Behavioral Analysis System of Psychotherapy (CBASP) voor de behandeling van chronische depressie is onderdeel van de reeks Protocollen voor de GGZ. Elk deel geeft een sessiegewijze omschrijving van de behandeling van een specifieke psychische aandoening weer. Filmpjes met voorbeelden van de therapiesessies zijn online te raadplegen. De theorie is beknopt en berust op wetenschappelijke evidentie.

Voor de cliënt is er het bijbehorende werkboek Neem de regie over je depressie.

Protocollen voor de GGZ is bedoeld voor psychologen, psychotherapeuten, psychiaters en andere hulpverleners.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Inleiding

1. Inleiding

Samenvatting
De laatste decennia is geleidelijk meer aandacht gekomen voor het onderscheid tussen acute (niet-chronische) en chronische depressies. Cliënten met een chronische depressie hebben vaak onvoldoende baat bij het bestaande behandelaanbod. De uitdaging is om voor deze groep behandelvormen te vinden die wél effectief zijn. Cognitive Behavioral Analysis System of Psychotherapy (CBASP) is een vorm van psychotherapie die specifiek voor deze groep cliënten is ontwikkeld. We zullen deze methode in dit boek uitvoerig bespreken, maar we beginnen met achtergrondinformatie over de depressie en vooral ook, de chronische depressie.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

Diagnostische fase

Voorwerk

2. Beloop van de depressieve klachten – sessie 1

Samenvatting
Tijdens de eerste sessie wordt kort stilgestaan bij het verleden van de cliënt, om inzicht te krijgen in het beloop van de depressie. Hiervoor wordt de beloopstabel gebruikt. In deze tabel vult de therapeut op een tijdlijn in wanneer de cliënt last had van een depressie, te beginnen bij de eerste episode. De therapeut vraagt per episode hoe lang deze depressie duurde, of er een aanleiding voor was, of er behandeling plaatsvond, waar deze behandeling uit bestond en wat het effect ervan was. Zo wordt de hele tijdlijn tot het heden doorlopen. Door het samen invullen van de beloopstabel oefent de cliënt in het specifieker maken van zijn klachten en daarnaast in het denken in termen van oorzaak en gevolg. Soms hebben de cliënten uit zichzelf nog weinig verbanden gelegd tussen depressieve episoden en belangrijke levensgebeurtenissen. De beloopstabel helpt die verbanden alsnog te leggen.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

3. Belangrijke personen – sessie 2

Samenvatting
De tweede therapiesessie is bedoeld om informatie te krijgen over belangrijke personen (vier tot zes) die een grote invloed hebben gehad op het leven van de cliënt. In deze sessie vraagt de therapeut in detail na welke invloed deze belangrijke personen gehad hebben. Hierbij is het goed om je als therapeut te realiseren dat er bij chronisch depressieve cliënten vaak sprake is geweest van negatieve ervaringen met naaste familieleden of anderen, die verdriet, pijn of ernstig trauma met zich meebrachten. Het kan hierbij gaan om emotionele verwaarlozing, maar ook om mishandeling en vernedering. De belangrijkste leerervaring van deze zitting is dat de cliënt ziet dat deze vroegere ervaringen invloed hebben op het hier en nu en op hoe hij in het leven staat.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

4. Overdrachtshypothese – na sessie 2, huiswerk therapeut

Samenvatting
In de therapeutische relatie kunnen er problemen ontstaan als de cliënt op basis van vroege negatieve ervaringen reageert op de therapeut en niet op basis van wat er daadwerkelijk op dat moment speelt. Het is de taak van de CBASP-therapeut om deze reactiepatronen, gebaseerd op ervaringen met belangrijke personen in het verleden, te vervangen door ervaringen die tot onderling vertrouwen leiden. Om dit te kunnen doen, is het van belang dat de therapeut weet welke problemen in de interactie zouden kunnen gaan spelen. De informatie uit de tweede sessie wordt hiervoor gebruikt. Op basis van deze informatie tracht de therapeut een consistent thema te identificeren dat de verhouding karakteriseert die de cliënt met zijn belangrijke personen had. Vervolgens wordt een overdrachtshypothese geformuleerd.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

5. Impact Message Inventory (IMI) – na sessie 2, huiswerk therapeut

Samenvatting
Idealiter is een mens op een flexibele manier in staat zijn gedragspatronen aan te passen en diverse interpersoonlijke stijlen te gebruiken, afhankelijk van de situatie waarin hij is. Chronisch depressieve cliënten kunnen dit niet goed en hanteren vaak een rigide gedragspatroon, dat hen ernstig beperkt in interpersoonlijke interacties. De Impact Message Inventory (IMI) is een vragenlijst waarmee de therapeut per cliënt de interpersoonlijke stijl expliciet kan maken en kan weergeven in een interpersoonlijke cirkel. Het hiermee inzichtelijk maken van het gedrag dat de cliënt in de therapeutische relatie laat zien en de reacties die dit bij de therapeut oproept, helpen de therapeut om in de relatie met de cliënt voorbereid te zijn op mogelijke valkuilen. Cognitive Behavioral Analysis System of Psychotherapy (CBASP) is erop gericht dit patroon te doorbreken en cliënten flexibeler en empathischer gedrag naar anderen aan te leren.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

Interventiefase

Voorwerk

6. Situatie-analyse (SA) – vanaf sessie 3

Samenvatting
De belangrijkste techniek binnen Cognitive Behavioral Analysis System of Psychotherapy (CBASP) is de ‘situatie-analyse’ (SA). De therapeut vraagt de cliënt, vanaf sessie 3, elke sessie een recente situatie in te brengen. Die situatie moet gaan over een interactie die de cliënt als problematisch heeft ervaren. Het eerste deel van de SA bestaat uit het minutieus in kaart brengen van wat er zich tijdens de interactie afspeelde op cognitief en gedragsniveau. In het tweede deel, de herstelfase, moedigt de therapeut de cliënt aan duidelijk te krijgen hoe het anders kan, welke gedachten in de weg zitten en wat de cliënt beter tegen zichzelf kan zeggen om het gewenste resultaat te bereiken. Het doel van SA is dat de cliënt zelfstandig deze probleemgerichte copingstrategieën leert toepassen. Naarmate de cliënt hiertoe beter in staat is, zal hij vaker een goed verlopende situatie inbrengen.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

7. Interpersoonlijk onderscheid maken (IOM) – vanaf sessie 3

Samenvatting
Interpersoonlijk onderscheid maken (IOM) is een gestructureerde manier om cliënten te laten zien dat mensen niet altijd reageren zoals zij verwachten, dat er ook andere interacties mogelijk zijn dan die zij geleerd hebben van de belangrijke personen in hun leven. De cliënt leert differentiëren tussen de negatieve reacties van belangrijke personen en de positieve reacties van de therapeut. IOM heeft als doel de interpersoonlijke angst en vermijding van de cliënt te doorbreken, zodat de cliënt op den duur de ‘nieuwe’ interpersoonlijke mogelijkheden (met de therapeut) kan gaan generaliseren naar contacten in het dagelijks leven. Het is de bedoeling dat de IOM-oefening gedurende de hele therapie regelmatig herhaald wordt, aangezien het vaak enige tijd duurt voordat cliënten zelf in staat zijn dit onderscheid te maken.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

8. Gedisciplineerde persoonlijke betrokkenheid (GPB)

Samenvatting
Chronisch depressieve cliënten zijn vaak te angstig om echt contact aan te gaan en vermijden het daarom. Deze vermijding kan alleen doorbroken worden als de therapeut op een actieve, empathische manier het contact met de cliënt aangaat. Gedisciplineerde persoonlijke betrokkenheid (GPB) is een techniek die de therapeut hiervoor kan gebruiken. Uitgangspunt bij de GPB is dat de therapeut de impact bespreekt die het gedrag van de cliënt op hem heeft, dat wil zeggen dat de therapeut zich open opstelt door het contact bespreekbaar te maken. Meestal doorbreekt dit een impasse in het gesprek en in de therapie. De cliënt leert de positieve consequenties van het zich openstellen bij anderen. Als dit lukt, kunnen pijnlijke ervaringen uit het verleden, die nog dagelijks van invloed zijn op het ontwijkende gedrag, gecorrigeerd worden. Dit leidt tot een beter algeheel functioneren van de cliënt.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

9. Sociale vaardigheden

Samenvatting
De meeste chronisch depressieve cliënten hebben baat bij het aanleren van sociale vaardigheden, aangezien ze vaak moeite hebben om voor zichzelf op te komen. Sommigen moeten echter juist leren hun woede en vijandigheid in toom te houden om op een effectieve manier te communiceren. Door middel van rollenspellen kan geoefend worden hoe om te gaan met de problematische situaties die uit de SA’s naar voren komen, zoals door de eigen mening te berde te brengen, of op een adequate manier hulp te vragen, maar ook ‘nee’ durven zeggen en daarmee grenzen aangeven.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

10. Afsluiten van de behandeling

Samenvatting
Chronische depressie is volgens McCullough niet curable, maar wel manageable. Hij vergelijkt chronische depressie met diabetes mellitus. Chronisch depressieve cliënten zullen, net als ieder ander, de rest van hun leven interpersoonlijke problemen tegen blijven komen. Het is daarom van belang dat ze na afloop van de therapie zelf in staat zijn de technieken toe te passen. Dus dat ze zelf SA’s kunnen maken, zelf onderscheid kunnen maken tussen mensen die goed voor ze zijn en mensen die dat niet zijn en dat ze zich continu bewust blijven van het effect dat ze op anderen hebben. Chronisch depressieve cliënten zullen deze technieken dagelijks moeten toepassen om het oude (disfunctionele) gedrag te overschrijven met het nieuw geleerde gedrag. Als er een stabiele situatie is ontstaan en geen veranderingen meer optreden, wordt afronden van de therapie besproken.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

11. Een casusbeschrijving

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt de CBASP-behandeling van Peter beschreven. Peter is een 35-jarige man die al sinds zijn veertiende somber is. Hij heeft van huis uit meegekregen dat je altijd de lieve vrede moet bewaren en niet lastig mag zijn. Dit doet de therapeut vermoeden dat het voor Peter lastig zal zijn om zijn ongenoegen te bespreken tijdens de therapie. Peter wil de therapeut niet belasten met zijn problemen, waardoor hij de therapeut op afstand houdt en zich terugtrekt als het niet goed gaat. Doordat hij de therapeut op afstand houdt, gaat de therapeut afstand nemen (consequentie van het gedrag). Hoewel Peter het interactiepatroon herkent, vindt hij het moeilijk dit patroon te doorbreken. Wanneer het Peter uiteindelijk lukt om zijn ongenoegen uit te spreken, merkt hij dat dit een positief effect heeft. Hierdoor neemt zijn angst om afgewezen te worden af en is de afstand tussen Peter en de therapeut afgenomen.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

Erratum behorend bij: Hoofdstuk 5 en Bijlage 3

Samenvatting
Helaas is in Hoofdstuk 5 en Bijlage 3 verzuimd te verwijzen naar het valideringsonderzoek van de Nederlandse IMI in een wat andere vertaling.
Jenneke Wiersma, Anneke van Schaik, Patricia van Oppen

Nawerk

Meer informatie