Ga naar de hoofdinhoud
Top

Beroepspraktijkvorming Verzorgende-IG

Praktijkopdrachten voor kwalificatieniveau 3: Verpleegtechnische handelingen

  • 2009
  • Boek

Inhoudsopgave

  1. Voorwerk

  2. ABCD-opdrachten

    1. A Kennismaken met het werkveld

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Je gaat:
      • kennismaken met:
        • je collega’s;
        • de zorgvrager(s) die je gaat verzorgen;
        • de kenmerken en de problematiek van de zorgvragers in een nieuw werkveld;
      • informatie verzamelen over de visie van de organisatie waar je werkt/stage loopt;
      • in je werk deze visie toepassen.
    2. B Kennismaking en introductie

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Je gaat:
      • kennismaken met je begeleider;
      • de afspraken en regels van de instelling bespreken;
      • het nood- of calamiteitenplan bespreken;
      • je werkomgeving verkennen;
      • met je begeleider de opdrachten bespreken en plannen;
      • in overleg met je begeleider reflectiegesprekken en evaluaties plannen;
      • met je begeleider afspraken maken over je leerproces in het kader van je POP, PAP en/of het werken aan leerlijnen.
    3. C Afsluiten van de BPV-periode

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Je gaat:
      • met je begeleider de BPV-periode evalueren;
      • de verslagen en afspraken maken die voor je POP, PAP of het werken aan leerlijnen nodig zijn;
      • je richten op een volgende BPV-periode, leerjaar of een baan als beginnend beroepsbeoefenaar.
    4. D Planningsformulier

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
  3. Opdrachten

    1. 1 Medicijnen toedienen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      In de organisatie waar je werkt kan het voorkomen dat een zorgvrager voor een korte of langere periode medicijnen moet gebruiken. Voor de ene zorgvrager bepaalt het gebruik van één of meer medicijnen de mogelijkheden die hij heeft om deel te nemen aan dagelijkse activiteiten. Voor de andere zorgvrager is een leven zonder medicijnen niet mogelijk. Het zal je binnen je werksituatie duidelijk worden dat de ene zorgvrager voor zijn medicijngebruik volledig is aangewezen op jou als verzorgende, terwijl de andere zorgvrager zelfstandig zijn medicijnen kan gebruiken en/of beheren. In je werk als verzorgende zul je bij het toedienen van medicijnen de grootste zorgvuldigheid in acht moeten nemen.
    2. 2 Medicijnen toedienen via de luchtwegen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Soms hebben zorgvragers medicijnen nodig via de luchtwegen. Dit gebeurt met behulp van onder andere vernevelaars, aërosolen en inhalators. Het geïnhaleerde medicijn wordt dan direct in de ademhalingswegen opgenomen. Veel zorgvragers met chronische aandoeningen en/of longemfyseem gebruiken een inhalator. Het gebruik ervan is niet voor iedereen eenvoudig: geregeld blijkt dat mensen op een verkeerde manier inhaleren. Soms moet je het inhaleren veelvuldig oefenen met de zorgvrager.
    3. 3 Medicijnen vaginaal toedienen en vaginaal irrigeren

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      De meeste medicijnen worden oraal ingenomen en via de bloedbaan komen deze op de plaats van bestemming. Regelmatig gebeurt het ook dat medicijnen rechtstreeks worden aangebracht op de plaats waar ze werkzaam zijn. Dit is ook het geval bij het vaginaal toedienen van tabletten, crèmes, gel en spoelvloeistof. Het is daarom belangrijk dat het medicijn goed wordt toegediend. Het vaginaal toedienen van medicijnen wordt door veel vrouwen als belastend ervaren. Bovendien zijn veel zorgvragers niet zelf in staat om het medicijn op de goede manier toe te dienen. Als verzorgende zul je de zorgvrager hierbij moeten helpen of het toedienen van het medicijn moeten overnemen. Goede informatie is hierbij van belang.
    4. 4 Een subcutane injectie toedienen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Goed injecteren is een vaardigheid die je pas beheerst na veel doen: oefening baart kunst. Afgezien van het feit dat het injecteren van sommige vloeistoffen pijnlijk kan zijn, kun je de zorgvrager pijn besparen door de juiste techniek toe te passen.
    5. 5 Een intramusculaire injectie toedienen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      De arts die een medicijn voorschrijft zal ook altijd de wijze van toedienen aangeven. Net als de subcutane injectie is ook de intramusculaire injectie een handeling die je als verzorgende regelmatig zult uitvoeren. Het is een voorbehouden handeling, opgenomen in de Wet BIG.
    6. 6 Zuurstof toedienen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Wanneer een zorgvrager als gevolg van een ziekte tijdelijk of langdurig onvoldoende zuurstof binnenkrijgt, schrijft de arts zuurstoftoediening voor. Als verzorgende ben je er verantwoordelijk voor dat je op de juiste wijze de voorgeschreven hoeveelheid zuurstof toedient. De arts bepaalt de dosering in liters per minuut en per etmaal. De toediening van zuurstof kan door de zorgvrager als verlichtend, maar ook als belastend worden ervaren. Wanneer een zorgvrager problemen heeft met de ademhaling, wordt hij vaak angstig en gespannen. De juiste ondersteuning door jou als verzorgende is dan belangrijk.
    7. 7 Rode wonden en smetten verzorgen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Ondanks alle voorzorgsmaatregelen kan het toch voorkomen dat je een zorgvrager met decubitus of smetten moet verzorgen. Afhankelijk van de oorzaak moet je verschillende maatregelen nemen om het proces tot stilstand te brengen en de genezing te bevorderen. Maar wat de oorzaak ook is, altijd is het belangrijk dat je de preventieve maatregelen onverminderd blijft toepassen.
    8. 8 Gele wonden verzorgen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Het lukt niet altijd om een rode wond in een goede conditie te houden. Als de wond geïnfecteerd raakt zal het uiterlijk ervan veranderen: je ziet geel wondbeslag dat bestaat uit bacteriën en pus. Een dergelijke wond verdient aandacht en de behandeling is er in de eerste plaats op gericht om de infectie te doen verdwijnen: deze staat de wondgenezing namelijk in de weg. Een gele (decubitus)wond is, net als een rode, vaak pijnlijk.
    9. 9 Zwarte wonden verzorgen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Als een wond plotseling zwart wordt moet je onmiddellijk en adequaat ingrijpen. Zwarte wonden bevatten necrotisch weefsel. Deze necrose heeft verschillende oorzaken; je kent misschien wel de necrotiserende decubituswond. Necrose wil zeggen ‘dood weefsel’. Het is een voedingsbodem voor bacteriën. Een wond kan niet genezen zolang er zich necrotisch weefsel in bevindt. Daarnaast kan de wond een onaangename geur verspreiden. Zowel voor de zorgvrager als de verzorgende kan dit moeilijk zijn. Necrotisch weefsel wordt door een arts verwijderd en vervolgens kan er een therapie afgesproken worden. Als verzorgende laat je zien dat je hier op een professionele manier mee kunt omgaan.
    10. 10 Zwachteltechnieken toepassen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Er bestaan verschillende zwachteltechnieken en deze worden voor verschillende doeleinden gebruikt. Zwachteltechnieken worden vaak toegepast bij de verzorging van een open been (‘ulcus cruris’). Een open been is een kwetsbaar lichaamsdeel dat beschermd moet worden tegen invloeden van buitenaf, zoals vuil en stoten. Het inzwachtelen van het onderbeen geeft bescherming en helpt bovendien oedeem te voorkomen of te verminderen. Dit verbetert de doorbloeding. In dit geval wordt een speciale zwachteltechniek toegepast: de compressietherapie. Geef de zorgvrager begeleiding en probeer de zelfstandigheid van de zorgvrager te bevorderen.
    11. 11 Een darmspoeling uitvoeren

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Het reinigen van de darmen door middel van een darmspoeling kan om verschillende redenen noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld om de darmen van de zorgvrager te spoelen als voorbereiding op een operatie, of om obstipatie bij de zorgvrager op te heffen. De hoeveelheid en samenstelling van de vloeistof van de darmspoeling kan verschillen. Wat de reden van de spoeling ook is, in alle gevallen is het een belastende gebeurtenis voor de zorgvrager. Ondersteunen en informeren van de zorgvrager is dan ook erg belangrijk.
    12. 12 Een stoma verzorgen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Problemen met de natuurlijke uitscheiding kunnen veroorzaakt worden door ziekte, maar ook door een ongeval of een aangeboren afwijking. Als urine en/of feces niet op een natuurlijke manier het lichaam kunnen verlaten, wordt er chirurgisch een kunstmatige uitgang aangebracht. De verzorging van een stoma vraagt behalve veel handigheid ook inlevingsvermogen. Veel zorgvragers vinden het gênant om zich te laten helpen met de kunstmatige uitgang.
    13. 13 Een stoma irrigeren

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Niet in alle gevallen ontlast een stoma zich spontaan. In sommige gevallen wordt de ontlasting op gang gebracht door een darmspoeling. Soms wordt een stoma met regelmaat, bijvoorbeeld tweemaal per dag gespoeld. Tussentijds wordt het stoma afgesloten door middel van een stomaplug. Op deze manier wordt een zogeheten continentstoma gecreëerd (dit kan overigens alleen bij een stoma op het eind van de dikke darm). Het voordeel hiervan is dat de zorgvrager zelf min of meer controle heeft over het lozen van de ontlasting. Een nadeel is dat de zorgvrager in zijn dagelijks leven altijd rekening moet houden met het irrigeren. Daartegenover staat dat een zorgvrager meer mogelijkheden heeft om een ‘normaal’ sociaal leven te leiden.
    14. 14 Steriel(e) en niet-steriel(e) monsters/materiaal verzamelen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Voor een goede diagnostiek is het verzamelen van onderzoeksmateriaal onmisbaar. Vaak moet dit steriel of zo schoon mogelijk gebeuren. Het is belangrijk te weten met welk doel het monster of materiaal opgevangen moet worden: soms is er speciaal opvangmateriaal of een specifieke bewaarmethode nodig. Ook is het je taak om een zorgvrager goed voor te lichten over wat de bedoeling is: een goed geïnformeerde zorgvrager kan helpen om het benodigde materiaal op de juiste wijze op te vangen.
    15. 15 Verlenen van eerste hulp

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      De gezondheidstoestand van een zorgvrager kan plotseling veranderen. Soms is de toestand van de zorgvrager zodanig dat je daarmee eigenlijk al rekening houdt. Zorgvragers met bijvoorbeeld hart- en vaataandoeningen, een cerebrale aandoening, een acute (inwendige) bloeding kunnen ineens onwel worden en het bewustzijn verliezen. Snel en adequaat handelen kan dan iemands leven redden. Probeer paniek te voorkomen, bij jezelf en bij eventuele omstanders. De volgorde van handelen dient standaard en bekend te zijn. Vergeet niet dat zo’n acute situatie voor jezelf en je collega’s nooit routine zal worden. Na afloop van een acute situatie is het belangrijk dat je aandacht hebt voor de opvang van elkaar.
    16. 16 Een blaaskatheter verzorgen en blaasspoelen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Zorgvragers kunnen om verschillende redenen een blaaskatheter of een blaasspoeling nodig hebben. Meestal zijn zij niet in staat om zelf de katheter te verzorgen. De verzorging van een blaaskatheter vraagt tijdens de dagelijkse hygiëne en de ‘toiletgang’ extra aandacht.
    17. 17 Een suprapubische katheter verzorgen en blaasspoelen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Een blaaskatheter kan op verschillende manieren worden ingebracht. Soms is het nodig dat de katheter suprapubisch (boven het schaambeen, via de buikwand in de blaas) geplaatst wordt. De zorgvrager zal een suprapubische katheter als ingrijpend ervaren. Extra aandacht voor de beleving van de zorgvrager en het beantwoorden van vragen over de katheter zijn daarom op zijn plaats. Een suprapubische katheter vraagt een andere verzorging en extra hygiëne in vergelijking met een gewone blaaskatheter. Ook via een suprapubische katheter kan een blaasspoeling uitgevoerd worden.
    18. 18 Een blaaskatheter inbrengen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Het inbrengen van een blaaskatheter is een voorbehouden handeling, opgenomen in de Wet BIG. Het inbrengen van een blaaskatheter kan een vervelende ervaring zijn voor een zorgvrager. Je moet er rekening mee houden dat het pijnlijk kan zijn. Deze vaardigheid vraagt zorgvuldigheid en handigheid. Daarnaast is respect voor de lichamelijke intimiteit en de privacy van de zorgvrager een belangrijk aandachtspunt.
    19. 19 Lichaamstemperatuur reguleren door warmte- of koudebehandeling

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Een zorgvrager is niet altijd in staat om zelf adequaat op zijn lichaamstemperatuur te reageren. Je kunt hierbij denken aan het reageren op koorts, koude door een slechte doorbloeding en warmte of koude door een onaangename omgevingstemperatuur. Het onvermogen om zelf de lichaamstemperatuur te reguleren kan zowel een lichamelijke als een psychische reden hebben. Het is belangrijk om de zorgvrager duidelijk te maken wat de reden en het doel is van het toepassen van een warmte- of een koudebehandeling. Zowel bij het toepassen van warmte als bij het toepassen van koude is het belangrijk om op de veiligheid te letten vanwege het gevaar van verbranding of bevriezing.
    20. 20 Een maagsonde verzorgen en sondevoeding toedienen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Sondevoeding kan een uitkomst zijn in een aantal gevallen waarin normaal eten niet mogelijk is of er onvoldoende inname is. Denk aan zorgvragers met ernstige darmaandoeningen of zorgvragers die ondervoed zijn. Het hebben van een maagsonde en het krijgen van sondevoeding wordt door zorgvragers meestal als belastend ervaren. De vaste etenstijden verdwijnen en het elkaar ontmoeten tijdens de maaltijden kan als moeilijk ervaren worden. In het contact met de zorgvrager is het daarom belangrijk om rekening te houden met diens beleving.
    21. 21 Een maagsonde inbrengen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Soms kan een zorgvrager niet gewoon eten en wordt in overleg met de arts besloten tot het geven van sondevoeding. Het inbrengen van de sonde is een belastende handeling. Daarnaast is het ook nog eens vervelend dat de vaste etenstijden verdwijnen. Het is belangrijk als verzorgende daar aandacht voor te hebben.
    22. 22 Een maagspoeling uitvoeren

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Voor vrijwel alle zorgvragers is het spoelen van organen een belastende gebeurtenis. Essentiële taken voor de verzorgende zijn dan ook het ondersteunen en informeren van de zorgvrager.
    23. 23 Een tracheastoma en tracheacanule verzorgen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Ademhalen is voor de meeste mensen een vanzelfsprekende zaak. We halen adem om onze organen van zuurstof te kunnen voorzien, te praten, ons in te spannen en te ontspannen. Wanneer bij een zorgvrager door een ongeluk of een (spier)ziekte een (tijdelijk) tracheastoma is gemaakt, moet je als verzorgende het stoma en de tracheacanule verzorgen. Voor de zorgvrager en zijn omgeving is het zeer ingrijpend: de zorgvrager kan niet meer normaal ademen en spreken. Het communiceren met de zorgvrager is veranderd, waardoor de omgang moeilijker wordt. Goede voorlichting, begeleiding, instructie en de houding van de verzorgende zijn dan van essentieel belang.
    24. 24 Mond- en keelholte uitzuigen

      Nicolien van Halem, Henny de Leeuw, Tera Stuut, Johan van ’t Wout
      Samenvatting
      Een zorgvrager kan veel last hebben van slijmvorming in de bovenste luchtwegen. Als hij niet in staat is om het slijm op te hoesten, kun je helpen door het slijm in de mond- en keelholte weg te zuigen. Dit zal de ademhaling van de zorgvrager weer vergemakkelijken. Het uitzuigen kan erg vermoeiend en beangstigend zijn. Het is daarom belangrijk om de nodige aandacht te geven aan de zorgvrager in de begeleiding, de voorlichting en de instructie.
  4. Nawerk

Titel
Beroepspraktijkvorming Verzorgende-IG
Redacteuren
Nicolien van Halem
Henny de Leeuw
Tera Stuut
Johan van ’t Wout
Copyright
2009
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
Elektronisch ISBN
978-90-313-9708-2
Print ISBN
978-90-313-6193-9
DOI
https://doi.org/10.1007/978-90-313-9708-2