Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Nederland kent internationaal gezien een laag suïcidecijfer, namelijk 1500 suïcides per jaar. Toch is elke suïcide er een te veel. Met dit boek willen de auteurs een bijdrage leveren aan de terugdringing van suïcides. Behandeling van suïcidaal gedrag in de praktijk richt zich primair op wat je als hulpverlener moet doen: welke vragen stel je, hoe stel je ze, wanneer en aan wie, hoe zorg je voor continuïteit, waar moet je op letten enzovoort. De onderwerpen variëren van de onderkenning van suïcidale jongeren op school tot de behandeling van de chronisch suïcidale patiënt. Er worden preventief georiënteerde programma's beschreven, handvatten geboden voor de opvang van suïcidepogers in het ziekenhuis en crisisinterventie, maar ook de hulp aan nabestaanden van een suïcide komt aan bod. Ook besteden de auteurs aandacht aan specifieke groepen zoals verslaafden, mensen met een persoonlijkheidsstoornis en ouderen met een doodswens. Daarnaast behandelen zij praktische methoden als cognitief-gedragstherapeutische interventies, interventies vanuit de dialectische gedragstherapie en de aanpak van dwangmatig piekeren over zelfdoding. De praktische benadering wordt kracht bijgezet door de vele gedragsbeschrijvingen en schema's. 

Dit boek is bedoeld voor hulpverleners in de GGZ, zoals sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, artsen, psychiaters, GZ-psychologen en klinisch psychologen. Het is ook geschikt voor opleiding en nascholing, cursussen en trainingen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Begrippen, cijfers, verklaringen, richtlijnen en systematisch onderzoek

Voorwerk

1. Terminologie en definities

Samenvatting
In dit eerste hoofdstuk wordt zo precies mogelijk beschreven en uitgelegd wat we verstaan onder de termen suïcide, suïcidepogingen en hieraan gerelateerde begrippen.
Ad Kerkhof

2. Epidemiologieepidemiologie van suïcidaal gedrag

Samenvatting
In 2014 vonden 1839 suïcides plaats, na een sterke stijging sinds 2007. Die stijging heeft vermoedelijk met de crisis te maken en trof in het bijzonder mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Mannen komen twee keer vaker dan vrouwen door suïcide om het leven. Jonge vrouwen doen betrekkelijk vaak suïcidepogingen. Ongeveer 8 % van de Nederlanders had ooit serieuze gedachten aan zelfdoding.
Ad Kerkhof, Erik Jan de Wilde

3. Verklaringen

Samenvatting
In dit hoofdstuk gaan we op zoek naar verklaringen voor waarom iemand een einde aan zijn leven maakt. Zoals zal blijken zijn er voor iedere suïcide meervoudige verklaringen mogelijk. En wat beschermt mensen tegen suïcide? Een aantal beschermende factoren worden besproken. Vooral verbondenheid met anderen weerhoudt mensen ervan een einde aan hun leven te maken.
Ad Kerkhof, Wessel van Beek

4. Richtlijnenrichtlijnen voor de behandeling van suïcidale patiënten

Samenvatting
Uitgaande van de beste ervaringen in de behandeling van suïcidale patiënten en op grond van wetenschappelijk onderzochte effectieve behandelingen zijn internationale richtlijnen geformuleerd die een handvat geven voor de praktijk van de hulpverlening. Ook in Nederland is in 2012 zo’n multidisciplinaire richtlijn geformuleerd. De belangrijkste elementen van een behandeling volgens de richtlijn worden hier beschreven.
Annemiek Huisman, Cornelis van Houwelingen, Ad Kerkhof

5. Systematische beoordelingsystematische beoordeling van het suïciderisicosuïciderisico : de wanhoop bespreken

Samenvatting
Het onderzoek naar suïcidaliteit omvat distale (langdurige en statische) en proximale (vlak voorafgaande) risicofactoren. In dit hoofdstuk wordt het systematisch onderzoek van de suïcidaliteit beschreven. Belangrijk daarbij is het bespreken van de wanhoop en de plannen die mensen hebben gemaakt om een einde aan hun leven te maken. Enkele vragenlijsten en vragenschema’s die hierbij kunnen helpen, worden besproken.
Ad Kerkhof, Bregje van Spijker

Algemene interventies in de gezondheidszorg

Voorwerk

6. Uitdagingen in de behandeling van suïcidale patiënten: oplossingen vanuit de praktijk van de cognitieve gedragstherapiecognitieve gedragstherapie

Samenvatting
In de behandeling van suïcidale cliënten komen enkele problemen regelmatig terug. Deze worden hier als uitdagingen gepresenteerd met bijbehorende oplossingen.
Nadja Slee

7. Suïcidaliteit in de huisartsenpraktijk

De POH-GGZ is gatekeeper bij uitstek
Samenvatting
Niet alle suïcidale mensen zoeken hulp. En wanneer ze hulp zoeken en naar de huisarts gaan, dan betekent dat nog niet dat de suïcidaliteit als klacht duidelijk verwoord wordt. Suïcidaliteit wordt door de patiënt vaak niet als klacht gezien, maar als oplossing voor de problemen. Dat betekent dat een huisarts of een POH-GGZ zich voor de taak geplaatst ziet om alert om te gaan met patiënten die voorzichtig iets laten horen van de wanhoop die in hen leeft, en actief moeten doorvragen naar suïcidaliteit wanneer het vermoeden bestaat dat de patiënt suïcidale gedachten heeft. In dit hoofdstuk staat de POH-GGZ centraal. Hoe gaat hij om met de uitdaging contact te maken met suïcidale patiënten? Wanneer moet hij doorvragen naar suïcidale gedachten, hoe doet hij dat, en wanneer moet hij verwijzen voor behandeling in de ggz? De POH-GGZ staat aan het begin van de zorgketen en is daarmee een echte gatekeeper, iemand die de deur naar hulp en behandeling kan openen voor patiënten die radeloos en wanhopig zijn.
Martin Steendam, Jos de Keijser, Derek de Beurs, Harold Wenning

8. Biologische interventiesbiologische interventies : farmacotherapiefarmacotherapie en elektroconvulsietherapieelektroconvulsietherapie

Samenvatting
Biologische interventies die gericht zijn op de directe vermindering van acuut suïcidaal gedrag berusten op beïnvloeding van verwardheid, angst, agitatie of een verstoord slaappatroon. Interventies die suïcidaal gedrag op langere termijn kunnen verminderen, zijn onderzocht bij uiteenlopende psychiatrische stoornissen. Effectieve behandeling van deze stoornissen kan zodoende suïcides voorkomen. Slechts van enkele psychofarmaca is een direct of acuut effect tegen suïcidaliteit aangetoond. Lithiumtherapie blijkt effectief tegen suïcidaal gedrag bij stemmingsstoornissen en clozapine bij patiënten met een schizofrene stoornis. Bij suïcidale patiënten met een ernstige depressie kan met elektroconvulsietherapie een snelle reductie van suïcidaal gedrag worden bewerkstelligd. Ook bij patiënten met een persoonlijkheidsstoornis kunnen farmacotherapeutische interventies een plaats hebben binnen het behandelaanbod. In alle gevallen dient farmacotherapie ingebed te zijn in een breder behandelingsplan.
Bas Verwey, Theo Ingenhoven

9. Preventie van suïcide bij adolescenten

Samenvatting
In dit hoofdstuk worden de specifieke aspecten van suïcidaal gedrag bij jongeren belicht. Ouderlijke betrokkenheid is onontbeerlijk, zowel bij de diagnostiek als bij de interventies ten behoeve van de veiligheid en bij de vervolgbehandeling. Juridische aspecten zijn daarvoor geen belemmering.
Jan Meerdinkveldboom, Ineke Rood

10. De behandeling van suïcidaal gedrag bij allochtone patiënten

Samenvatting
Welke rol speelt de cultuur bij het suïcidale gedrag van allochtone patiënten? Hoe kun je daar rekening mee houden? Wat moet je weten, en hoe gedraag je je op een sensitieve wijze in de context van familieconflicten en autonomie? Dit hoofdstuk geeft tekst en uitleg, mede aan de hand van voorbeelden.
Indra Boedjarath, Marion Ferber

11. Behandeling van suïcidaliteit en doodsgedachten bij ouderen

Samenvatting
Hoe moet je omgaan met doodswensen bij ouderen? Wat betekenen doodswensen, welke aanleidingen en omstandigheden spelen mee? De hulpverlener informeert naar autonomie en kwaliteit van leven, richt zich op welbevinden, onafhankelijkheid, verbondenheid, omgevingsfactoren en zingeving en toekomstperspectief. Dat vergt een betrokken en deskundige hulpverlener. De beoordeling van wilsbekwaamheid en depressie is van belang. De dood bespreken, het leven inventariseren, maar vooral contact maken zijn noodzakelijk in dit proces. En ook het betrekken van naasten / het systeem. Dit wordt beschreven aan de hand van enkele voorbeelden.
Lia Verlinde

Specialistische interventies in de gezondheidszorg

Voorwerk

12. Behandeling van suïcidaliteit bij persoonlijkheidsstoornissen

Samenvatting
Suïcide en suïcidepogingen komen vaak voor bij mensen met een persoonlijkheidsstoornis (PS), met name bij de borderlinepersoonlijkheidsstoornis. Er is geen enkele reden suïcidale uitingen van patiënten met een PS minder serieus te nemen, integendeel. Bij patiënten met een PS is de suïcidaliteit vaak langdurig van aard. Het begrijpen en (leren) beheersen ervan is een belangrijk doel van de behandeling van PS. Chronische suïcidaliteit kan acute vormen aannemen, waardoor andere interventies nodig zijn. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van risicofactoren bij suïcidaliteit op de korte en de lange termijn, waarbij comorbiditeit en interpersoonlijk verlies belangrijke predictoren blijken. Er worden interventies beschreven, zowel bij eigen patiënten als bij patiënten die elders in behandeling zijn.
Bert van Luyn, Theo Ingenhoven

13. Behandeling vanuit de dialectische gedragstherapie

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt eerst een overzicht gegeven van het biosociale model dat de basis van dialectische gedragstherapie (DGT) vormt en van de centrale principes die als leidend voor de behandeling gezien kunnen worden. Vervolgens worden interventies en strategieën besproken die de ruggengraat vormen van het behandelprogramma. Dan wordt de focus specifiek gericht op suïcidaliteit: preventie en interventies bij acuut en chronisch suïcidaal gedrag. Na bespreking van factoren die in kaart gebracht moeten worden om tot een goede suïciderisico-assessment te komen, wordt stap voor stap, aan de hand van een verbatim voorbeeld, aangegeven welke interventies in DGT worden toegepast in de behandeling van suïcidaliteit bij ernstige borderlineproblematiek.
Wies van den Bosch

14. Suïcidaliteit en verslavingverslaving

Samenvatting
Suïcidaliteit komt veel voor in combinatie met middelengebruik. Er is een duidelijke relatie tussen de functie en effecten van alcohol en cocaïne en suïcidaliteit. Terugvalpreventie en ketenanalyse – belangrijke interventies in de verslavingspsychiatrie – zijn evenzeer bruikbare instrumenten bij het in kaart brengen van suïcidaal gedrag. Behandeling binnen een gedwongen kader van de Wet Bopz behoort tot het arsenaal van goede interventies.
Cassandra Steenkist, Luuk Heinsman

15. Acute en chronische suïcidaliteit in de gespecialiseerde ggz

Samenvatting
In dit hoofdstuk gaan we in op verschillende vormen van suïcidaliteit in de gespecialiseerde ggz: acute en chronische suïcidaliteit, en de gecombineerde variant: acute op chronische suïcidaliteit. Bij de acute variant dreigt onmiddellijk gevaar en is snel hulp nodig, binnen en buiten kantooruren. Bij chronische suïcidaliteit gaat het om patiënten die over een langere periode voortdurend of herhaaldelijk suïcidaal zijn. Bij ‘acuut op chronisch’ gaat het om chronisch suïcidale mensen die in een toestand van acuut dreigend gevaar komen. Acute dreiging van suïcidaliteit treffen we vooral in de praktijk van de spoedeisende psychiatrie: crisisdiensten en Intensive Home treatment (IHT) -teams. De chronische suïcidaliteit die we in dit hoofdstuk beschrijven betreft vooral die van de sociaalpsychiatrische patiënt uit programma’s voor complexe, langdurende zorg, zoals FACT-programma’s.
Bert van Luyn, Ad Kaasenbrood

16. In de frontlinie: wat hbo-professionals kunnen doen voor suïcidale patiënten in de ambulante zorg

Samenvatting
Hbo-professionals zijn op veel plekken in de ambulante ggz werkzaam en in veel verschillende hoedanigheden. Verpleegkundigen , maatschappelijk werkenden en sociaalpedagogisch hulpverleners zijn vaak de eerst aangewezen professionals die de dagelijkse zorg aan patiënten bieden. Anders opgeleide hbo-professionals, zoals creatief en psychomotorisch therapeuten, sociaaljuridisch hulpverleners en sommige maatschappelijk werkenden, hebben vaak specifiekere therapeutische taken voor een grotere groep patiënten. Dit hoofdstuk is met name bedoeld voor die eerste groep professionals, die de dagelijkse begeleiding biedt en daarin ook te maken kan krijgen met suïcidaal gedrag van patiënten.
Bauke Koekkoek, Barbara Stringer, Berno van Meijel

17. Behandeling van suïcidaal gedrag in een psychiatrische kliniek

Samenvatting
Bij ernstig suïcidaal gedrag komt het voor dat patiënten worden opgenomen in een psychiatrische kliniek. Een opname wordt gerealiseerd als een hulpverlener door de ernstige suïcidaliteit geen mogelijkheden ziet om de patiënt verder ambulant te behandelen. Wanneer is het risico op suïcidaal gedrag zo groot dat een patiënt opgenomen dient te worden? Vergroot een kliniek de veiligheid, of neemt het risico op suïcidaal gedrag juist toe? En wat zijn de behandelopties binnen een kliniek? En wanneer kan de suïcidale patiënt de kliniek weer verlaten? In dit hoofdstuk bespreken we wanneer, waar (open/gesloten) en hoe (vrijwillig/onder dwang) een patiënt opgenomen dient te worden. We bespreken de voor- en nadelen van opname en maatregelen om de veiligheid voor de patiënt te vergroten. We introduceren een faseringsplan zoals gebruikt op diverse acute afdelingen. We presenteren de overwegingen die op beslismomenten een rol spelen. Dit hoofdstuk combineert wetenschappelijke evidentie met klinische ervaring.
Remco de Winter, Derek de Beurs

18. Opvang, beoordeling en behandeling van suïcidepogers in het algemeen ziekenhuis

Samenvatting
De opvang, beoordeling en behandeling van suïcidepogers in het ziekenhuis vragen veel van velen. Zowel van verschillende disciplines in het ziekenhuis als van ggz-professionals wanneer de patiënt weer thuis is. In het ziekenhuis moeten somatische en psychiatrische zorg op elkaar aansluiten. De complexiteit van suïcidaliteit en de zorg die daarvoor nodig is, vragen om samenwerking en afstemming. Richtlijnen helpen hierbij, evenals deskundigheidsbevordering van de verschillende professionals. Psychiatrische diagnostiek en behandeling, ook acuut, zo nodig onvrijwillig, zijn nodig, liefst in samenwerking met naasten. De opvang van suïcidepogers in het ziekenhuis wordt idealiter gevolgd door passende en aansluitende zorg en behandeling. Dit vraagt om adequate organisatie van de nazorg, waarbij continuïteit wordt nagestreefd. Gaan patiënten naar huis, dan is het nodig de compliance met de gegeven adviezen in de gaten te houden om daarmee hopelijk recidive en suïcide te voorkomen. Ketenzorg is daarbij een voorwaarde.
Bas Verwey, Jeroen van Waarde

19. Suïcidaliteit en autismeautisme

Samenvatting
Er is steeds meer belangstelling voor autisme, of beter gezegd autismespectrumstoornissen (ASS), vooral als het gaat om ASS bij volwassenen, want daar was tot twintig jaar geleden nog weinig over bekend. Er is ook nog maar weinig bekend over suïcidaliteit bij mensen met ASS. Met het besef dat ASS ook voorkomt bij volwassenen en dat het spectrum veel breder is dan tot dusver werd gedacht, is er een verschuiving in de diagnostiek gekomen. Vooral bij chronische patiënten die niet goed reageren op therapie en voor wie werd uitgegaan van diagnoses als schizofrenie, borderlinepersoonlijkheidsstoornis of bipolaire stoornis, wordt nu regelmatig na herdiagnostiek de diagnose ASS gesteld. Daarnaast wordt de diagnose ASS eerder overwogen als mensen een burn-out krijgen en nauwelijks lijken te herstellen na ogenschijnlijk goed gefunctioneerd te hebben. Soms is de diagnose ASS (nog) helemaal niet gesteld, maar is er wel sprake van suïcidaliteit. Uit de bespreking van de literatuur zal blijken dat dan de eerste presentatie van ASS juist die suïcidaliteit is. Om suïcidaliteit bij ASS beter te begrijpen is kennis over ASS noodzakelijk. In dit hoofdstuk zal daarom ruim aandacht worden besteed aan het klinisch beeld van ASS. Naast bestudering van de literatuur is de praktijk de beste leerschool. Die praktijk wordt aan de hand van twee vignetten verkend. Tot slot zullen aanbevelingen en aandachtspunten worden geformuleerd voor het omgaan met suïcidaliteit bij ASS in de klinische praktijk, vanuit meerdere perspectieven.
Bram Sizoo

20. De opvang van nabestaandennabestaanden na een suïcide

Samenvatting
Hadden we iets kunnen doen, of hadden we iets moeten nalaten? Had deze suïcide voorkomen kunnen worden? Deze vragen houden nabestaanden bezig, en de antwoorden zijn moeilijk te vinden. De gevolgen van suïcide voor nabestaanden zijn groot, de rouwverwerking kan gecompliceerd zijn. Verhoudingen tussen familieleden en hulpverleners kunnen na een suïcide verstoord raken, wanneer de naasten hulpverleners verantwoordelijk houden voor tekortschietende hulpverlening. De opstelling van hulpverleners tegenover de familieleden wordt in dit hoofdstuk gedetailleerd besproken, met inbegrip van een groot aantal adviezen voor de omgang met nabestaanden. Een familiegerichte cognitieve gedragstherapie kan aangewezen zijn en kan helpen, in het bijzonder voor nabestaanden die al eerder een gevoeligheid voor emotionele problemen kenden.
Marieke de Groot, Jos de Keijser

Nawerk

Meer informatie